Apostelen -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘Apostelen’.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘Apostelen’.

Geboren voor hun taak

Meester Zelanus verklaarde tijdens zijn lezingen dat de apostelen voor hun taak wedergeboren waren:
Ik zei u ook, en dat is reeds de eerste goddelijke, kosmische, geestelijke aanraking: de apostelen van Christus waren voor hun taak geboren.
Dat waren mensen die reeds in het hiernamaals hebben geleefd, of ze hadden Hem onderweg verraden en verkocht.
Lezingen Deel 1, 1950
Petrus bijvoorbeeld leefde op de grens van het schemerland en de eerste lichtsfeer in het hiernamaals, voordat hij voor het apostelschap reïncarneerde:
Wie was de latere Paulus, wie waren de anderen die het woord ná de apostelen van Christus hebben doorgevoerd?
Alles is berekend door het Goddelijke gezag.
Er zijn voor deze taak geen verkeerde fundamenten gelegd.
Petrus komt uit de eerste sfeer, uit het schemerland.
Hij heeft de eerste sfeer nog niet bereikt, maar hij komt terug zoals Mozes terugkwam.
De anderen komen uit het schemerland vandaan en zijn gereed om te willen dienen.
Ze hebben gesmaakt, geproefd hoe die wijn vanuit de ruimte het menselijke hart beroeren kan, verstevigen kan, een inspiratie, een bruisend geschenk kan geven, opdat dit leven ontwaken zal.
Omdat dit leven zich voedt, bezielt, zich gereedmaakt voor dat wat daar leeft, de mens uit de stoffelijke maatschappij.
Lezingen Deel 1, 1950

Bewustwording

Christus legde zijn blijde boodschap uit aan zijn apostelen:
Nu wandelt Hij over de aarde.
Hij gaat met de apostelen verder en verder en verder.
Hij maakt hen gereed.
Lezingen Deel 1, 1950
In Jeruzalem gingen de apostelen voelen wat Hij wilde:
Ze gaan zich voelen, ze gaan zien wat Hij wil.
Hij vertelt deze aardse mensen hoe ze broederlijk en zusterlijk naast en langs elkander zullen gaan.
Hij maakt hen duidelijk dat zij de vrouw, de moeders ...
‘Ja, maar mijn moeder ... mijn kinderen zeggen reeds ...!’
Dacht u dat de apostelen zich zomaar hadden overgegeven?
Dacht u dat daar in die huiskamers het andere leven, het moederlijke gezag niets had te zeggen?
‘Híér zult ge blijven’, zegt er één.
‘Wat hebt ge met die gek te maken?’
De man zegt – want hij is aangeraakt –: ‘Ik ga en volg Hem.’
Hebt ge u nimmer, heeft de mensheid van deze tijd zich nimmer afgevraagd wát die moeders hebben gedacht?
Hoe zij zich hebben afgevraagd, wanneer het Goddelijke gezag spreekt?
Wie gaf deze kinderen, deze moeders te eten en te drinken?
‘Ga met Mij’, zei het Goddelijke gezag, ‘Ik maak u vissers van en over de mensen.’
En toen dachten deze kleine mannen, deze kleine kinderen: maar mijn God, maar mijn hemel, maar mijn wereld, hoe krijgt dat daar te eten en te drinken?
Wij gaan nu zien dat die moeders voor zichzelf hebben gezorgd.
Wij gaan zien dat de bewustwording die de mannen kregen van Hem, op de moeders overging.
En zij zeiden: ‘Gá, mijn kind.
Ga en kom terug en vertel mij wat ge hebt gezien, hebt beleefd, want Hij is waar!
Hij is waarheid!
Ik wil mij geven.
Ga gerust Petrus, Johannes, ga en volg Hem, maar kom terug en zend mij zo nu en dan een boodschap.
Door uw boodschap beleef ik de ruimte en de kus van uzelf.’
Wij moeten nu vaststellen en hebben te aanvaarden dat deze moeders óók al gereed waren om Hem te dienen.
Ja, zij werden geboren; hierin waren geen afbrekende fundamenten meer, geen elementaal ontzag dat u naar de duisternis voert.
Die moeders begrepen, aanvaardden en gaven zich over.
Zelfs de kinderen van Petrus en Johannes zeiden: ‘Vader, ga.
Lezingen Deel 1, 1950
De apostelen stuurden berichten naar hun vrouwen:
Voel, voel, voel waarheen het gaat.
De wereld krijgt Goddelijke liefde, de wereld krijgt Goddelijk gezicht.
Hij is de Messias.
Lezingen Deel 1, 1950
En bid voor mij, stuur mij uw gevoel dat ik niet zal bezwijken, want wij voelen, wij vóélen dat er machtige dingen zullen geschieden.’
Lezingen Deel 1, 1950
Hun vrouwen ondersteunden bewust het apostelschap:
De moeders ... de vrouwen van Petrus, Johannes en de anderen, ze hebben kinderen en geven zich over.
Moeder en kind, vader is gereed ... zijn gereed om de Messias, om het Levende Licht van de ruimte te volgen.
Die kennen geen afbraak, die kennen geen twijfeling.
Er is alleen het aanvaarden aanwezig, het gevoel: dit is het!
De wereld heeft dit nodig.
Waarom vertelt de Bijbel niets van al deze dingen?
Of waren dat goddelijke begenadigde mensen?
Die waren niet anders dan u zich voelt.
Gij hebt u als moeder en vader voor de maatschappij gereed te maken, of ge hebt niet te eten.
Volg nu het Goddelijke gezag eens en bewijs eens wat ge kunt ten opzichte van Christus, Petrus, Johannes, Andreas, uw moeder- en vaderschap!
Vertel eens aan uw man, geef hem eens als moeder de bezielende kracht en zeg: ga, mijn lieverd, vertegenwoordig Hem, maar niet het kwaad, de afbraak van deze wereld ... en u bent een deel van Maria.
U hebt geen zorgen en geen angst, want u hebt twee handen gekregen om voor uzelf te zorgen.
Waar leven de groten uit de menselijke geschiedenis die op straat stonden en het levenslicht, het gevoelsleven van de ruimte vertolkten door een instrumentje?
Wanneer de moeder wist dat de man gehangen zou worden, dan deed zij zíjn werk en vertegenwoordigde zij zíjn taak.
Er zijn hier geen kloven in.
Er is hier geen afbraak, geen gemopper, geen gekanker.
Er is hier geen melaatsheid in.
Moeders en vaders, de man als het vertegenwoordigde apostelschap is gereed en de moeder om hem te dragen en te dienen, om hem in liefde op te vangen.
Want Christus bouwde geen gaten in een tempel.
Zijn achterrug, Zijn verleden was gereed; dolken in Zijn rug kon Hij niet aanvaarden.
Hij legde steen op steen.
Hij bouwde door man, vrouw en kind aan de universiteit van Zijn leven.
Lezingen Deel 1, 1950
De Bijbel heeft hier niets van vastgelegd:
Ik vraag u op dit ogenblik: wat weet de Bijbel hiervan af?
Wat weet de Bijbel, wat weet deze mensheid van de gevoelens af die Petrus, Johannes – voordat Jeruzalem plaatsvond – ten opzichte van hun eigen huisgezin moesten ondergaan, hadden te verwerken, te vertegenwoordigen en hadden te overwinnen?
Niets, niets, niets, niets, niets!
Van de innerlijke bewustwordingen die de apostelen ondergingen en de vrouwen en de kinderen, die hele omgeving, daarvan weet u nog niets, omdat dit alles innerlijk is beleefd.
Lezingen Deel 1, 1950
Jozef Rulof vertelde op een contactavond dat Petrus nog te leren had dat hij met geweld de boodschap van Christus aan stukken sloeg:
Meneer, hoe kunt u zich vergrijpen aan geweld?
Hoe kunt u een mens volgen die door het geweld de wereld wil veranderen?
Wat deed Christus toen Petrus daar een stukje zwaard nam?
Hij zegt: ‘Petrus, Petrus, waar Ik al de jaren voor heb gewerkt, sla je in één slag aan stukken en brokken.’
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Toen de apostelen met Jezus in Jeruzalem aankwamen, hadden ze Christus leren kennen:
Hij komt met Zijn volgelingen, die Hem door dik en dun, door nacht en duisternis, regen en wind volgen – want ze hebben Hem leren kennen – komt hij in Jeruzalem.
Lezingen Deel 1, 1950
Ze hadden dan vele vragen aan hem kunnen stellen:
Ze waren in de natuur en konden met Hem spreken.
Hij zegt: ‘Lig neer.
Hij daar links, anderen hier, hij daar.
Vraag Mij wat ge wilt en maak u sterk ... maak u sterk.
De dingen, de wetten van Mijn Vader zullen over uw levens komen.’
Er zal een tijd komen, had Hij kunnen zeggen, dat ge hebt te bewijzen wat ge wilt.
Er komt straks een tijd, Petrus, dat ge voor honderdduizend procent van uw lichamelijk bewustzijn, uw ziel en geest moet inzetten om Mij, om die ruimte, Mijn woord, Mijn leven en dat van uw God te aanvaarden en te vertegenwoordigen.
Nu zult ge kleur moeten bekennen.
Ze komen in de omgeving van Jeruzalem, ze zetten zich neer, daar in die mooie omgeving.
Ja, ze liggen neergeknield in Gethsemane.
Het is daar een machtig mooi hof.
Petrus voelt zich gelukkig en zegt tot Johannes: ‘Misschien gebeurt het toch niet.
Hebt ge geen angst, heb jij geen angst?
Ik weet niet wat er in mij komt, maar ik ben, ik voel me droevig.
Zou er iets met Hem gebeuren?
Zullen wij sterk zijn?
Johannes, wat vóél je?’
Johannes is de sensitieve, die zegt: ‘Wat wilt ge, Petrus?
Wat wil je nu?
Als je nu weet dat Hij alles toch doet zoals Hij dat voelt, wil jij dan voor meester gaan spelen?
Wanneer die angst, het gevoel in mij komt dat er iets gebeurt ...
Ja, ik voel dat ook.
Ik ben in Hem gekomen, ik ga voelen wat er geschieden kan, maar dan zegt iets tot mijn wezen: dat is voor Hém.
Ik ben nog niet zover.
Ik kan niet voor Christus, ik kan niet voor de Messias gaan spelen.
Maar ik heb Hem te volgen, ik heb te dragen, ik ga begrijpen hoe ik het moet doen.’
En nu zijn de ... en nu zijn de apostelen, de kinderen van Christus, bezig om zelf fundamenten te leggen voor straks.
Zij gaan begrijpen: wat Hem toebehoort, moeten zij afblijven.
Maar wat ze zelf bezitten en zich reeds eigen hebben gemaakt, dat stuwen zij de ruimte in en dat kunnen zij elk ogenblik aan het kind van deze aarde geven, als een goddelijk geschenk.
Lezingen Deel 1, 1950
De apostelen kenden hun kosmische ziel nog niet:
De apostelen waren kinderen; niet bewust voor de kosmologie.
Ze wisten van ziel, geest en hemelen niets.
Ja, Christus zei zo nu en dan iets, maar ze konden het niet begrijpen.
Christus had hun de kosmos, het goddelijke bewustzijn kunnen verklaren, brengen, geven.
Die kinderen waren ervoor geboren.
Er waren enkele van die mensen op aarde in die tijd die openstonden, die durfden te denken.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Paulus kon al meer begrijpen dan de apostelen:
En die arme kinderen, die apostelen ...
Paulus was daarna enigszins bewust, gevoelig, maar menselijk bewust.
Paulus die zag, hij voelde, hij werd opgetrokken, was een medium, een sensitieve, kreeg mooie boodschappen door, legde daarin de geestelijke graad, het fundament.
Maar Paulus keek even in de hemelen, jazeker, hij bezat die helderziendheid, maar van zon, maan en sterren en wedergeboorte wist ook de Paulus heel weinig.
Johannes, Petrus.
Wíé was dat, toen daar de Christus ...
De mens leefde naast Christus, de mens wandelde met Hem over de aarde.
Hij zei machtige dingen, Hij gaf het leven aan alles.
En Petrus staat daar en zegt: ‘Die man heb ik nooit gekend.’
Mijn God, mijn God ... De mens ging voor Christus in de leeuwenkuil, weet ge dat niet meer?
Hoeveel mensen hebben waarlijk niet hun levens voor de Messias ingezet, waarlijk, omdat men voor de Christus, voor het hoogste, voor het goddelijke bewustzijn wil sterven?
Miljoenen mensen waren er op aarde, en leven er nog.
En Petrus, die naast de Messias leefde: hij was zwak.
Maar Christus nam ook de zwakken, en de bewusten, want de kleintjes zouden uit de bewusten leren.
En later bleek dat de kleine, de zwakke, méér gevoel bezat.
Ziet u, de karakters van deze wereld.
Christus nam al de karaktereigenschappen, de zeven verschillende graden voor denken en voelen.
De één had meer bewustzijn dan de ander.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
In vergelijking met de christenen die later voor hun geloof de leeuwenkuil ingingen, waren de apostelen nog zwak:
De Messias, de Goddelijke Bron is overgeleverd aan een stel zwakkelingen, die men aanstonds voor heilig verklaart, omdat ze Hem Zijn leven hebben ontnomen?
Dat bestaat niet!
Er zijn miljoenen mensen de leeuwenkuil later ingegaan, die meer hebben gepresteerd als Petrus, Johannes en Andreas hebben gekund, met zijn allen niet eens.
Er zijn mensen op aarde geweest, dat zult u aanstonds beleven, die de God van al het leven in hun handen hebben gehad, jazeker.
Ze hebben hun bloed, hun ziel, hun zaligheid kunnen inzetten zónder aan die oneindigheid te twijfelen.
Dat was er, nee, dat zágen zij.
Zij zien het, zij hoorden het, zij beleefden het en toen gingen zij zichzelf daarvoor inzetten.
Daar hadden zij geen Bijbel, noch geloof, noch God, noch Christus voor nodig; zij hádden dat.
Er zijn duizenden mensen nóg op aarde, die willen niets van uw weten, uw voelen, van de Christus en alles weten, maar ze zijn rein als goud.
Jazeker!
U kunt daarin een stralend levenslicht aanschouwen, in dat menselijke oog.
Zij stralen reeds kosmisch bewust uit.
Maar dat kon Petrus niet en dat kon Johannes niet van zichzelf zeggen, want ze waren zoekende.
Wanneer u deze hummels, deze kinderen had gezien daar naast die ontzagwekkende figuur, de Messias, de Christus, dan had u ze van Zijn leven weggerammeld.
Toen de meesters, de meesters, de meesters uit de vierde, de vijfde, de zesde en de zevende sfeer dat probleem volgden ...
Mijn God, mijn God, hoe hebben deze mensen gekermd toen ze gingen zien dat de Messias niet alleen van voor, van links, van rechts, maar ook omhoog en van achter reeds verkocht en verraden was in Gethsemane, omdat ze wisten: deze kinderen zullen bezwijken.
Lezingen Deel 1, 1950

Twijfel en verloochening

Petrus zei dat hij die man nog nooit gezien had:
Maar Christus toverde hun de wonderen voor de ogen, en nog stond er één naast en zei: ‘Ik heb die man nooit gezien.’
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
‘Petrus, Petrus, weet, morgen is de dag.’
‘Ik heb die Man nooit gekend.
Ik heb met die Mens niet te maken.’
En Christus zei: ‘Eer de haan kraait, zult ge me driemaal verloochenen.’
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Allen hebben getwijfeld toen Christus wegging, want ze hadden verwacht dat Christus tegen de wereld zou zeggen: ‘Kom eens op.’
En toen liet de Messias Zich slaan, geselen, en ze konden Hem rustig aan het kruis slaan, Hij ging liggen.
Toen dachten al de apostelen: daar gaat de meester.
Dat, dát de Messias?
Ga toch weg.
Dat is maar een doodgewone rabbi, die zich voor God en Christus heeft uitgegeven.
Nu zie je het, het is maar een grote stakker, want Hij hangt daar te kermen.
Er waren apostelen bij, die hebben dat verteld, die waren volkomen groggy geslagen, omdat Christus met revolvers had moeten beginnen.
Wat had hij moeten doen?
En toen kraaide de haan voor alle apostelen.
Er zijn er twee geweest, die hebben zich weggesloten en gezegd: ‘Mijn God, mijn God, geef ons antwoord.’
En het antwoord hing aan het kruis.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Jozef Rulof verduidelijkte op een contactavond dat de haan alleen kraaide voor de twijfel in Petrus:
De apostelen hoorden het nog maar alleen, Petrus hoorde het alleen maar voor de twijfel.
Maar dat zei nog niet dat de hele Petrus onbewust was en twijfelde; alleen maar voor die twijfel.
Hij twijfelde alleen maar, meneer en mevrouw, omdat hij wist dat hij in de kerker werd gesmeten, misschien mishandeld, net zoals de Christus, want daar was Petrus bang voor.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Toen de apostelen voor de afbrekende maatschappij kwamen te staan, begrepen ze dat het heilige ernst werd:
Toen Hij met Petrus voor het gevaar kwam te staan ...
Het gevaar?
Nee, het geroddel, de afbraak, de maatschappij, toen gingen de kinderen, de apostelen begrijpen: nu wordt het heilige ernst.
Christus had nog niets gedaan, Hij moest Z’n ... en zou Zijn eerste woord nog spreken over de eigenlijke bron van waaruit Hij kwam.
Toen was Petrus al bezweken.
Lezingen Deel 1, 1950
Petrus verloochende de waarheid:
Als ge het beeld Judas begrijpt, die zich daar ophangt en vernietigt ... en de grote Petrus die hier wandelt en zegt: ‘Die mens heb ik niet gekend.’
‘U was toch bij Hem?
U hebt Hem toch vertegenwoordigd?
U liep toch met Hem over de straat?
We hebben u gezien.’
‘Dat is niet waar’, zegt deze huichelaar, en verloochent niet alleen de Christus – of dacht ge waarlijk dat hij de Christus had kunnen verloochenen?
De Christus is onaantastbaar!
Wanneer ge de waarheid hebt, dat zult u aanstonds zien, dan zijt ge onaantastbaar.
Maar wanneer leugen en bedrog, hatelijkheid, wanneer het wantrouwen, het ongeloof zich in uw leven openbaart dan hebt u niets meer.
Dan zijt ge minder dan deze Petrus, dan hebt ge niets van de Judas die zich wil worgen om het goed te maken.
Lezingen Deel 1, 1950
En ja, Petrus.
‘Ik heb die Mens nooit gekend.’
Toen hebt ge niet alleen uzelf, maar ge hebt de macrokosmos, de Albron, de Alliefde verloochend!
U kunt vallen, u kunt bezwijken.
En de Christus keek hem aan en wéér kraaide de haan en zei: ‘Ik heb Die mens niet gekend.’
Als een razende wanhoop vliegt Petrus door Jeruzalem, is gekraakt als een dronken mens, dronken van ziel en geest.
Hij weet het niet meer: ‘Ik heb alles verloren.’
Ja tot zover, zóver komt het.
Zo zal de innige strijd zijn voor de mens indien zijn persoonlijkheidje moet spreken ten opzichte van ethiek.
‘Wanneer ge weet, wanneer ge voelt dat Ik waarheid ben, zult gij waarheid wórden en dan zult ge Mij’, zei de Christus, ‘als waarheid vertegenwoordigen.
Waarvoor Ik Mijn leven geef, waarvoor Ik uitdij, waarvoor Ik leef, waarvoor Ik liefde heb gekregen.’
Maar dat is nimmer en nooit meer, Petrus, Johannes, te verloochenen.
Daarvoor zult gij uw eigen ik moeten inzetten.
Dat is het geven van uw persoonlijkheid, het vrije bezielen, het opvangen van de goddelijke, ruimtelijke bewustwording.
En dan gaat het vanzelf, want nu spreekt het léven door u: de vonk van God in de wateren, de vonk op het land, een boom, een bloem, een leven, een zon, een maan, een ster, een planeet.
Dat gaat allemaal vanzelf.
Want u bent nu waarheid.
U bent bezieling?
Nee, u bent in alles bezig om de reine harmonie van God, de Almoeder te vertegenwoordigen.
U hebt die vierkantige dingen uit uw hart gerukt.
U staat gerééd om de uiteindelijke Christus in u te vertegenwoordigen.
Voor u zijn er geen leugens meer, geen verloochenen meer.
De mens in de geest staat voor niets, want hij heeft alles.
Alles!
Ook al wordt ge gekraakt, ook al wordt ge als de Christus aan een kruis geslagen, ook al wordt ge bezoedeld, mismaakt en bekletst, de geestelijke, waarachtige, open mens bezit alles omdat hij die reine klaarte in zich tot bewustwording heeft gevoerd, gebracht, gemaakt, het zich eigen heeft kunnen maken.
Lezingen Deel 2, 1951
Petrus heeft later zijn twijfel overwonnen:
Later, later na zoveel tijd, maanden en jaren, ja, toen kon Petrus zeggen: ‘Slacht mij maar als uw varken.’
En men heeft hem ook geslacht, ondersteboven op een ladder, zodat het bloed regelrecht over de straat wandelde.
Met een bewuste persoonlijkheid wandelde het straat in en straat uit, opdat de wereld zou zien dat Petrus als een varken was geslacht.
En hij zei: ‘En nu ben ik gelukkig.
Heb ik goedgemaakt?’
Toen had hij zijn eigen verloochening vergeestelijkt en verruimd.
Hij had het pak slaag van de Messias aanvaard.
Hij had gezegd tegen de wereld: ‘Doe met mij wat ge wilt.
De bruisende vitaliteit, de begeestering, deze machtige bezieling die van de ruimte en van Hem tot me komt, kunt u toch niet vernietigen.’
Nu kon hij zeggen: ‘U slaat uzelf.
U slaat uzelf indien u mij met uw woorden wilt striemen.’
Eén hard woord de ruimte ingestuurd en u stemt zich af op modder en vergif, op het oerwoudinstinct, dierlijk bewustzijn.
Dat wordt u aanstonds duidelijk.
Lezingen Deel 1, 1950

Geestelijke gaven

Na de kruisiging stonden de apostelen voor zichzelf:
Maar verplaatst u nu eens even in de toestand van Petrus, Johannes en de anderen.
Daar zijn ze ... hier zitten ze ... daar hebben ze gewandeld ...
Ze hebben maanden, nee, jarenlang hebben ze de wijsheid van hun meester gekregen, hun rabbi.
Hij was Mens ...
In Zijn ogen hadden zij het Goddelijke licht kunnen zien en tóch is er nog een twijfel.
Toen Hij wandelde en hand in hand ging over de aarde, dat was geen kunst.
Dat is heel eenvoudig wanneer vader en moeder het kind dragen, maar wanneer we tot de zelfstandigheid komen waarvoor we leven, wanneer we man, moeder, vader, zuster en broeder worden, wanneer het goddelijke, ruimtelijke gezag tot ons spreekt ... ja, dan zullen we eens voor de ruimte, voor de Albron, de Alziel, de Almoeder kleur moeten bekennen.
Dan moeten we bewijzen wat wij kunnen!
Lezingen Deel 1, 1950
Christus hielp ook toen zijn volgelingen:
Die arme, goeie Petrus, die is later toen hij die bezieling zag en wist ... want hij heeft zijn visioenen gehad, want Christus wandelde zomaar naast hem.
Toen Hij terugkeerde, Christus, en met hem was, hij zegt: ‘Kijk ...’
Hij kwam zo door de muur heen, daar zaten ze te wachten.
Hij kwam terug.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Hij en de meesters hielpen de apostelen met geestelijke gaven.
Maar ze konden hen niet ontwikkelen tot de vierde graad van het mediumschap, zoals in het artikel ‘het mediumschap van Jozef Rulof’ wordt uitgelegd:
Ik vertelde u al eens, dat niemand boven de vierde graad van het gevoelsleven uitkomt, zonder de bijstand van een kosmisch bewuste.
Dat dit buitengewoon is, kunt ge aanvaarden, zelfs de Apostelen hebben die hoogte niet kunnen bereiken.
Christus trok Zijn discipelen niet in de geestelijke gaven, maar in Zijn eigen leven.
Christus wist, dat Hij hun niet kon geven wat door het kosmische-ik verkregen moet worden, die gevoeligheid bezat géén van de Apostelen, ook al waren ze gevoelige instrumenten.
Paulus en Johannes waren direct-medium en later, na het heengaan van hun meester, in handen van Engelen, astrale meesters, die hun vanuit ons leven wijsheid brachten, die door de psychische trance van Paulus en het helderziende waarnemen van de anderen gegeven kon worden.
(Voetnoot in eerste druk: Ik noem Paulus bij de Apostelen, de Twaalf Discipelen, ook al heeft hij een heel andere tijd beleefd.)
Tijdens het samenzijn met hun meester hoefden ze geen medium te spelen.
Eerst nadat Christus was heengegaan, openbaarden zich de geestelijke gaven aan de Apostelen.
De meesters aan deze zijde trokken hen allen in het geestelijke bewustzijn op, het kosmische bewustzijn konden ze niet eens verwerken.
Toch kregen ze de berichten uit de zevende sfeer, want de meesters waren weer in staat om met hogere regionen in contact te treden.
Petrus en de andere Apostelen moesten eerst nog voor de mediamieke gaven ontwaken, men kon hen niet eens bereiken.
Paulus en Johannes zouden zich niet hebben vergeten, voor hen kraaide de haan niet, ze waren geestelijk bewust.
In hen leefde het vuur van hun meester, zij konden niet vallen.
In hen leefde Christus!
Petrus moest zich dit gevoel en bewustzijn nog eigen maken.
Christus kende hem en kon zeggen: „Eer de haan kraait zult ge Mij driemaal verloochenen.”
De anderen kon dit niet geschieden.
Petrus zou eerst narigheid beleven voordat hij aan de taak kon beginnen, die Christus hem had toebedacht.
Die taak werd hem op de schouders gelegd en zou in harmonie zijn met zijn eigen bewustzijn.
Allen hebben echter hun eigen leven voor Christus ingezet.
De één zag, een andere Apostel was helderhorend, anderen bezaten de psychische trance en traden voor korte tijd uit hun lichaam.
De Apostelen wisten echter niet, dat de mens, die op aarde was gestorven en thans in de sferen van licht als ’n Engel leefde, tot hen sprak.
Ze dachten nog steeds dat Christus bij hen was.
Eerst veel later drong tot hen door, dat Gods afgezanten tot hen waren gekomen, om het machtige werk van hun meester voort te zetten.
Enkele Apostelen waren grote mediums en leefden in de vierde graad van het gevoelsleven en konden de geestelijke gaven beleven, de anderen waren er niet voor gereed.
Maar Christus zei hun, dat ze niet alleen zouden zijn.
Toen ze bijeen waren en besluiten moesten nemen, hoorden ze stemmen.
Er werd buiten hun eigen leven om gesproken en er manifesteerde zich aan hen de directe-stem.
De Engelen uit de hemelen hadden hun stemmen verdicht en kwamen hierdoor tot direct contact met de Apostelen, zodat deze niet meer hoefden te twijfelen.
Het grote werk, dat door hen verricht zou worden, bracht de Apostelen in deze toestand, maar hierin stonden ze niet alleen.
Het geestelijke woord, dat gesproken werd en dat zij duidelijk konden verstaan, werd voor hen het heilige bezielende woord waarvoor zij hun leven konden inzetten.
Nu gingen ze de dood in voor hun meester.
De stemmen van Gene Zijde waren halfstoffelijk verdicht.
Wanneer wij straks de fysische gaven volgen, ga ik u al deze wetten en mogelijkheden verklaren.
Ook de Apostelen hebben dus de psychische en de fysische gaven beleefd, die ook thans nog worden toegepast door onze zijde en waardoor duizenden mensen op aarde zijn overtuigd van een eeuwigdurend voortgaan na de dood.
Maar ook zij kwamen niet boven hun eigen gevoelsleven uit en moesten aanvaarden wat hun van deze zijde gegeven werd.
Ook zij, als de discipelen van Christus, stonden voor grote problemen, welke door de meesters werden overwonnen.
Geestelijke Gaven, 1943
De apostelen kenden hun kosmische ziel nog niet zoals wij die door de Universiteit van Christus mochten leren kennen:
Maar voor die tijd wisten ze niet wat u krijgt en wat wij hebben gekregen.
Dat was voor die eeuw.
Wij zijn begenadigde mensen, dat we nu al die dingen, die boeken, die wetten hebben, mochten leren kennen en dat we nu reeds die wijsheid in ons kunnen opnemen, want het voert ons regelrecht, elke minuut, elke dag, naar Jeruzalem.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951

Terug in het hiernamaals

Toen de apostelen terug in het hiernamaals aankwamen, sprak Christus tot hen:
Het woord, dat Christus tot Zijn Apostelen gesproken heeft toen zij Gene Zijde betraden.
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
Christus keerde tot hen terug en eerst nú konden de Apostelen neerknielen aan de voeten van hun meester.
Petrus kon zeggen:
„Meester, kunt Gij mij nu alles vergeven?
Nu zou ik Uw leer willen uitdragen, ik wil mijn leven opnieuw inzetten voor Uw heiligheid.”
Johannes en de anderen traden naar voren, maar konden geen woord over hun lippen krijgen, waarna Petrus zei:
„Meester, Gij zijt de Messias.
Kunt Gij mij een nieuw lichaam schenken om Uw leven op aarde te mogen vertegenwoordigen?”
Waarop Christus antwoordde:
„Hebt Gij, Petrus, een nieuw organisme nodig om de schatten van Uw en Mijn Vader op aarde te brengen?
Wilt gij daar opnieuw gemarteld worden?
Wilt gij daar opnieuw afgemaakt worden door de demonen der hel?”
Petrus zweeg even en vroeg even later:
„Is het mogelijk, meester, dat wij een nieuw lichaam ontvangen, dat wij daar als mens geboren kunnen worden?”
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
Petrus wist nog niets van reïncarnatie af, nog niets van wat Jozef Rulof (Jeus) in de Eeuw van Christus zou beleven:
Wat wisten de Apostelen van de „Reïncarnatie” af?
Niets! Wat wisten zij af, van wat Jeus heeft beleefd?
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
De apostelen voelden liefde maar hadden nog geen kosmisch bewustzijn:
„U hoort het, de Apostelen, hoe machtig hun leven ook geweest is, waren toch onbewust, voor hun eigen leven en voor God.
Zij kennen de wetten nog niet en hebben die te leren.
Zeker, ze hebben licht, voelen liefde of zij hadden hun taak niet af kunnen maken.
Zij hebben gediend, zoals Mozes en de vele anderen het hebben gekund, maar zijn niet geestelijk bewust.
En die wetten moeten ook zij zich eigen maken.
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
Christus kon de apostelen toen vertellen wat Hij de mensheid had kunnen schenken als die hem niet aan het kruis had genageld:
Christus zei tot de Apostelen: Ik had de mensen met de wetten voor leven en dood willen verbinden en ze willen vertellen, dat er geen dood is.
Ik heb die genade niet gekregen, doch die leg Ik thans in uw handen.
Ik had het kind van Moeder Aarde over de „Moeder Gods” willen vertellen, maar gaf men Mij daar die gelegenheid?
Ik wilde de mensheid door de wetten van de ruimte waarin wij leven, overtuigen.
Ik had de mens van de aarde willen zeggen, dat er meer ruimten zijn ontstaan en dat wij als Mens het Goddelijke „AL” zullen vertegenwoordigen, maar gaf de mensheid Mij die mogelijkheid?
Heeft men Mij daar aanvaard?
Ik had de mensheid met het Goddelijke stadium kunnen verbinden, Petrus, Johannes, doch men sloeg Mij aan ’n kruis en kijk nu, wat men daar van Mijn leven maakt!”
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
Toen konden de apostelen al hun vragen stellen:
Mijn geliefden, broeders en zusters van deze wereld, toen mochten de apostelen vragen stellen en ze hebben vragen gesteld, tot in het oneindige toe.
Toen zij verzadigd waren en Christus hun het laatste woord geschonken had, loste Hij voor hun ogen op.
Ik ben wachtende, hoorden zij nog, toen de verschijning van Christus voor hen was heengegaan.
“Ik ben wachtende op u in de sferen van het Goddelijke Al.
Bij God de Vader en God als Moeder zullen wij elkaar terugzien, maar vertel de mensheid, dat gij het kosmisch bewustzijn hebt ontvangen, dat gij in staat zijt haar op te trekken, doch ga zien en overtuig u of het mogelijk is, en ge weet dan waarom Ik de kruisdood ben ingegaan.”
En toen sloegen de apostelen tegen de grond, zij konden niet meer, zo ontzaglijk was de macht van dit gebeuren.
Zij gingen terug naar de aarde en moesten aanvaarden, dat deze mensheid nog niet was te bereiken.
Zij keerden terug in het verleden van de mensheid en gingen graad na graad, voetstap na voetstap na, die de mensheid in de voorbije eeuwen had afgelegd.
Archief, 1945
Eerst nú begrepen zij, dat zij Christus niet hadden leren kennen, dat zij de Messias op aarde niet hadden begrepen en van Zijn bewustzijn niets afwisten.
Maar zij gingen terug naar de aarde, ze werden daar met hun eigen verleden verbonden en waarvan hen de wetten werden verklaard.
Ze beleefden het vader- en moederschap, tijdperk na tijdperk en eerst toen zei Petrus tegen Johannes:
„Je ziet het, Johannes, toen ik op aarde leefde, keek ik in de ogen van God, maar begreep Hem niet.
Zon en Maan vertegenwoordigen deze wetten.
Kom, wij moeten verdergaan en ons de wetten van God eigen maken.”
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952