Crematie of begraven -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘crematie of begraven’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘crematie of begraven’.
De twee filmpjes hieronder zijn gemaakt op basis van informatie uit ‘Een Blik in het Hiernamaals’.

Doel van het ooggetuigenverslag

Jozef Rulof heeft tijdens een uittreding uit zijn lichaam een crematie bijgewoond.
Tijdens deze uittreding werd hij begeleid door zijn geestelijke leider Alcar.
Alcar betrad na zijn laatste leven op aarde in 1641 het hiernamaals.
Van daaruit heeft hij het aardse leven langdurig en uitvoerig bestudeerd, waardoor hij de geestelijke graad van meester heeft bereikt.
Hij laat Jozef uittreden en geestelijk een crematie bijwonen om door hem deze nieuwe kennis op aarde te brengen.
Het doel van meester Alcar is ons inzicht te geven in de onbekende geestelijke gevolgen van crematie, zodat we met kennis van zaken kunnen beslissen of we ons laten cremeren of laten begraven.
Deze kennis is immers niet door de aardse mens op eigen kracht te verwerven, omdat onze lichamelijke zintuigen de geestelijke gevolgen niet waarnemen.
Hierdoor kiezen mensen voor crematie zonder te weten waarvoor ze kiezen.
In het eerste boek van Jozef Rulof, Een Blik in het Hiernamaals, wordt het ooggetuigenverslag van de crematie weergegeven.
In dit boek wordt Jozef André genoemd.
Tijdens de uittreding wordt hij door meester Alcar meegenomen naar de crematie van een dirigent.
Wanneer ze in de sterfkamer vele mensen om de overgegane dirigent heen zien staan, zegt Alcar tegen André:
„Dit zijn zijn vrienden, die straks zullen zingen en hem een afscheidsgroet brengen.
Hoor, daar beginnen ze al.”
Ze zongen met volle kracht, uit volle borst en wilden hierdoor tonen, hoe dierbaar de afgestorvene hun was en hoe vreselijk zij dit afscheid vonden.
„Hij was hun dirigent, André, en nu zingen zij een van zijn liederen.”
André zag, dat vele kransen en bloemstukken van verschillende muziek- en zangverenigingen om de baar lagen.
„Kom dichterbij, André, dan zal je zo aanstonds, wanneer zij hun klaagliederen – welke zijn lijden nog vergroten – beëindigd hebben, kunnen horen, wat de werkelijke waarheid is.”
Het gezang was ten einde en allen gingen een voor een langs de baar om van hun leider en vriend afscheid te nemen.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Meester Alcar zegt dat de klaagliederen het lijden van de dirigent nog vergroten.
Hoewel de dirigent is overleden, kan hij volgens Alcar dus nog lijden.
Meester Alcar verklaart dat na het sterven de overleden mens nog verbonden blijft met zijn aardse lichaam door een gevoelsverbinding.
Alcar noemt die gevoelsverbinding het fluïdekoord, om aan te geven dat deze ijle verbinding van geestelijke substantie is, en net als het geestelijke lichaam niet waargenomen wordt door aardse ogen.
Door die gevoelsverbinding voelt de overledene nog wat er met zijn lichaam gebeurt.
De verbinding vermindert naarmate het lichaam ontbindt, en naarmate de overleden mens zijn gevoel terug kan trekken uit zijn aardse leven.
Voor de ziel van de mens is het noodzakelijk dat dit terugtrekken van gevoel op een harmonische wijze kan gebeuren, in de rust die de overledene nodig heeft, zonder dat zijn lichaam gecremeerd wordt.
Daarom wordt crematie al in het eerste boek van Jozef Rulof (André) ontleed:
Daarom, mijn broeder André, hebben wij de „crematie” reeds in ons eerste boek ontleed en is dringend noodzakelijk voor de ziel als mens, omdat zij zich thans van de harmonische wetten voor het stoffelijke sterven verwijdert.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 1, 1944
De harmonische wetten voor het stoffelijke sterven worden behandeld in het artikel ‘sterven als overgaan’.
In het artikel ‘geest en geestelijk lichaam’ wordt de aard van het geestelijke lichaam beschreven, dat het voertuig is van de ziel na de dood.
Jozef Rulof kan helderziend of in uitgetreden toestand dat geestelijke lichaam zien.
Maar voor het overgrote deel van de mensen op aarde is dit geestelijke lichaam niet waarneembaar, waardoor vele mensen in het bestaan van een dergelijk lichaam niet geloven.
Toch is dat geestelijke lichaam al door vele mensen waargenomen.
De mens op aarde spreekt dan van ‘geesten’ of ‘spoken’.
De religieuze mens ziet soms ook ‘verschijningen’ of ‘heiligen’.
Vele stervenden zien het geestelijke lichaam van hun overleden geliefden bij hun sterfbed.
En duizenden mensen ervaren tijdens een bijnadoodervaring dat ze buiten hun aardse lichaam om kunnen waarnemen en denken.
Een aantal onder hen ervaren dat ze dit doen met een ander en ijler lichaam, dat door aardse mensen niet waargenomen wordt.

Verbinding met het lichaam

Tijdens de uittreding kan André vanuit de geestelijke wereld niet alleen de aardse omstandigheden waarnemen, maar ook de geestelijke realiteit van de overledene:
„Hoor je niets, André?”
„Ja, Alcar, maar ik weet niet, vanwaar het komt.
Ik hoor een zacht gejammer; is dat van de achterblijvenden?”
„Ten dele, mijn jongen.
Kom naderbij.”
Zij gingen nu vlak naast de kist staan en André zag daarin een man van ongeveer zestigjarige leeftijd liggen.
„Hoor je nu iets?”
Het gejammer drong nu veel sterker tot hem door.
„Ja, Alcar, het is verschrikkelijk en ik zie ook het geesteslichaam, dat zich heen en weer wentelt.
Het wil weg Alcar, ziet ge dat?”
„Ja, jongen.
Het wil weg, maar het kan niet weg.
Het wordt vastgehouden.
Daar, voor je, mijn jongen, wordt de grootste smart geleden en deze ongelukkige heeft ze zichzelf bereid.
Hij, die daar vastzit aan zijn stoffelijk lichaam, zal verbrand worden, André.”
„O, Alcar, wat is dat vreselijk!
Moet hij dat doormaken, terwijl hij leeft?”
„Dit is het juist, mijn zoon, en straks zal hij nog veel meer moeten lijden.
Zijn stoffelijk lichaam zal verbrand worden, terwijl hij dit geestelijk zal moeten ondergaan.
Nu kan je zien, hoe onmenselijk wreed zijn broeders zijn, al handelen zij uit onwetendheid.
Deze man was geëerd en beroemd, maar de gave, welke God hem schonk, om zijn gevoelens in muziek te kunnen omzetten – zoals de schilder dit in kleuren doet – werd verknoeid, geestelijk verknoeid.
Ook hij dacht niet aan een God en nu er velen om hem heen zijn die bidden, voelt hij het ware en grote gemis van de Goddelijke liefde, welke hij nooit heeft gegeven en nooit heeft willen zien.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Alcar beschrijft het karakter van de dirigent om duidelijk te maken waarom deze hatende mens aan zijn lichaam vastzit:
Niet alleen miste hij de Godsliefde, maar hij spotte bovendien met alles, wat met het geestelijke in verband staat.
Ook van hem kenden de mensen slechts zijn uiterlijk, stoffelijk kleed.
Zij zagen niet de mens in hem, die alles haatte, alles vervloekte.
De bewijzen van verering, welke hij voortdurend ontving, brachten hem in een toestand van zelfverheerlijking en zelfoverschatting.
Zijn naam lag op ieders lippen, maar door de triomfen welke hij behaalde, vergat hij dat hij zijn gave van God ontvangen heeft.
Sterke benen moeten het zijn, die zulk een weelde kunnen dragen.
En toen hij eenmaal zover gekomen was, werd ook hij gemakkelijk een werktuig van het kwaad.
Dit was het begin van zijn ondergang.
Vanaf zijn hoogte probeerde hij zijn collega’s te verpletteren en menig musicus heeft hij door onrechtvaardige kritiek te gronde gericht.
Hij vergat geheel dat ook zijn tijd eens zou komen, al was het niet meer op deze aarde, dan toch aan gene zijde van het graf.
Toch zijn er nog mensen, die hem als hun broeder en vriend beschouwden.
Mensen, die niet door het masker heen konden zien en hem niet kenden, zoals hij geestelijk is.
O, als zij wisten, wat er nu met hem gebeurt, dan zouden zij van afgrijzen vervuld worden.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Voor de aarde is deze overledene ‘dood’:
De „overledene” verkeert nu in een enigszins verdoofde toestand, maar straks, wanneer wij in het crematorium zijn, zal hij zich als een razende willen wreken.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
André hoopt deze man nog te kunnen helpen:
„Is daar niets aan te doen, Alcar?
Kunnen wij die arme man niet verlossen?”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Maar Alcar moet hem deze hoop ontnemen:
Geesten noch mensen kunnen hieraan iets veranderen, omdat hij zichzelf in deze toestand heeft gebracht.
Hem is voorgehouden, anders te leven.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Eens viel hij, en men dacht dat hij sterven zou, maar enige tijd daarna, toen hij zijn gezondheid weergekregen had, begon het oude leven opnieuw en hij haatte de mensen en God, Die hem zijn kruis te dragen gaf.
Een tweede maal werd hij neergeveld en aan zijn bed gekluisterd.
En toen hij wederom hersteld was, was zijn haat nog feller geworden en vanuit onze zijde kon men hem niet bevrijden, omdat hij niet naar ons wilde luisteren.
Zijn vader is reeds lang in de geestenwereld, maar ook hij kon hem niet bereiken.
Alles heeft hij geprobeerd om hem zijn toestand onder het oog te brengen, maar het is hem niet mogen gelukken.
Vaak heeft hij getracht, hem door middel van het spiritisme bewijzen van ons voortbestaan te verschaffen, maar hij lachte daarom en dreef met alles de spot.
Hij was totaal verstoffelijkt en geestelijk zó diep gezonken, dat hij zich aan deze waarheid niet kon vastklampen.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Op dat moment kunnen André en Alcar deze dirigent niet meer helpen.
De hulp kan alleen bestaan in het voorkomen van dit soort situaties:
Van dit ogenblik af zullen wij tezamen trachten, de mensheid te helpen, André, door haar met nadruk te wijzen op de gevaren, welke de lijkverbranding met zich brengt; welke waarschuwing natuurlijk in de allereerste plaats bestemd is voor degenen, die niet volgens Gods geboden geleefd hebben.
Dit kunnen zij weten, door zichzelf te leren kennen.
Welk een zware straf moeten zulke mensen ondergaan, wanneer zij zo diep gezonken zijn, dat zij de verassing van hun lichaam moeten doorstaan, terwijl zij daarmee nog verbonden zijn door de levensdraad.
Welk een ondraaglijke kwelling moeten zij gedurende het verbrandingsproces ondergaan, terwijl het fluïdekoord hen gevangen houdt en zij niet van hun plaats kunnen, tenzij zij hun stoffelijk omhulsel zouden meedragen.
Dat is evenwel uitgesloten, daar de stof het voertuig is van de geest en niet de geest het voertuig van de stof; dit geldt natuurlijk alleen voor dit gebeuren.
Wanneer wij eenmaal afscheid genomen hebben, dan is het gedaan met onze macht over ons stoffelijk kleed en hiermee wordt dan in de regel volgens ons eigen verlangen gehandeld.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Wanneer de dirigent begraven zou worden, zou hij de nodige tijd krijgen om zijn gevoel en levensaura op een natuurlijke wijze uit zijn lichaam terug te trekken.
De dirigent heeft hier heel veel tijd voor nodig, omdat hij zo gehecht is aan de materie:
Wanneer deze ongelukkige op de gewone wijze begraven werd, dan zou hij zo lang aan zijn stoffelijk lichaam gebonden blijven, totdat dit verteerd zou zijn.
Het fluïdekoord, dat hem met de stof verbindt, kan nu door geen geestelijke dokter verbroken worden, omdat hij door eigen toedoen in deze verschrikkelijke toestand geraakte.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
In de bronnen van het artikel ‘sterven als overgaan’ wordt beschreven hoe een geestelijke dokter het fluïdekoord kan verbreken bij mensen die niet sterk meer vastzitten aan het lichaam.
Bij de dirigent is dit niet mogelijk, omdat hij door eigen toedoen zo vast aan het lichaam zit.
In dit licht heeft meester Alcar ook het karakter en de levenswijze van de dirigent beschreven.
De dirigent heeft zichzelf aan zijn lichaam en aan de materie gekluisterd, door geen enkel geestelijk of liefdevol gevoel tijdens zijn aardse leven te ontwikkelen.
Door zijn levenswijze heeft de dirigent zich honderd procent gericht op de materie, met de wil die materie en dat lichaam te behouden.
Deze innerlijke houding kan hij niet plotseling afleggen na zijn dood.
Hij blijft met heel zijn wezen gericht op het stoffelijke, op de materie, op het lichamelijke.
Hij houdt dus door zijn eigen gerichtheid de gevoelsverbinding met zijn lichaam op volle kracht.
Wanneer hij beseft dat het lichaam verbrand zal worden terwijl hij daarmee nog verbonden is door het fluïdekoord, wil hij zich graag verwijderen van zijn lichaam, maar dat kan hij niet voor elkaar krijgen, omdat hij niet in enkele dagen zijn hele gevoelsleven kan veranderen waaraan hij al zijn hele leven heeft gebouwd.
Hij kan niet plotseling geestelijk gaan denken, want hij heeft nooit één geestelijke gedachte opgebouwd, hij weet niet hoe dit moet, en kan dit in die enkele dagen na zijn dood onmogelijk bereiken.
Zijn stoffelijke voelen en denken is de ‘afstemming’ van zijn gevoelsleven.
Later verklaart Jozef Rulof op een contactavond dat iedereen met die afstemming vastzit aan zijn organisme:
En dat ziet elkeen die levend gecremeerd wordt, of dood, want de mens zit aan zijn organisme vast indien hij die afstemming heeft.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Het is de afstemming van grof en bruut zijn in alles, de ‘grofstoffelijke’ gevoelsafstemming:
Als u grof, bruut bent en slaat en de mens door het leven sleurt aan zijn haren, en verkracht, en al die dingen meer, dan zit u aan dat lichaampje vast, want (dan) hebt u geen licht.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Deze mens is nog niet afgestemd op een sfeer van licht in het hiernamaals.
Wanneer deze mens overgaat, blijft hij verbonden met zijn lichaam.
Hierdoor ondergaat hij een soortgelijk proces als de mens die zelfmoord pleegt.
Hij beleeft als het ware het schaduwbeeld van de zelfmoord:
En u bent zomaar niet los van dat organisme, dat gaat langzaamaan.
U maakt dan als het ware het schaduwbeeld mee van een echt rottingsproces voor de zelfmoord.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Een volledige beschrijving van de geestelijke gevolgen van zelfmoord vindt u in het artikel ‘euthanasie en zelfmoord’.

Stoffelijke wegen

Alcar neemt André mee naar het crematorium waar de dirigent gecremeerd zal worden.
Meester Alcar noemt het crematorium een pijnbank, een huis van smarten:
„Kijk, André, dat mooie gebouw, daar op die heuvel, is de pijnbank voor de geest.
Voor hen, die zich op aarde misdragen hebben, neemt het leven na de dood daar een gruwelijke aanvang.
Het heet een huis van de vrede te zijn, maar in werkelijkheid is het het huis van smarten.
O, mens, begrijp in uw onwetendheid, dat gij uzelf en anderen op die pijnbank legt en dat gij degenen, die van u heengaan, daardoor niet alleen niet eert, maar dat gij hen martelt op de vreselijkste wijze, die er bestaat.
Geloof in ons en neem deze waarschuwing ter harte, want gij spot in uw onwetendheid met Gods wetten.
Wij, die in het land aan de overzijde van het graf leven, wij willen u de goede weg wijzen, welke naar de waarheid leidt.
Wij hebben geen egoïstische verlangens; wij verlangen slechts, u te helpen.
Wij willen u de waarheid brengen, omdat wij weten, hoe ontzettend hier geleden wordt, hier, in dit huis der smarten.
Wij roepen u nogmaals toe: blijf op Gods wegen.
Ga zelf geen wegen bouwen, welke slechts stoffelijk zijn en donker, omdat zij door de duisternis gaan en de bouwers blind waren en het geestelijke licht dus niet konden zien.
Wij roepen u toe: Maak een eind aan deze vreselijke toestanden en keer terug tot de natuur, die gij reeds zo lang verlaten hebt.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Meester Alcar spreekt over stoffelijke wegen.
Met stoffelijk bedoelt hij dat de mens bij een crematie niet denkt aan het geestelijke voortleven van de ziel.
De crematie is alleen bedacht vanuit de stof, het stoffelijke lichaam.
Daarnaast zijn deze stoffelijke wegen ook van de natuur afgewend.
De natuurlijke weg is duidelijk: het toevertrouwen van het aardse lichaam aan de schoot van moeder aarde.
Door de ontzettende hitte van de verbrandingsoven wordt het stoffelijk lichaam verteerd met een geweld, dat tegen de natuurwetten indruist en volkomen tegen Gods bedoeling is.
Moge deze gewelddaad dus weldra – tot heil der mensheid – geheel hebben afgedaan en voor de gewone teraardebestelling plaatsmaken.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936

Levend verbrand

Alcar weet wat André in het crematorium zal moeten verwerken, wanneer hij met eigen geestelijke ogen zal zien wat de crematie betekent voor de overledene:
Wij zullen niet tot het einde daarvan hier blijven, André.
Ik bedoel, totdat het lichaam geheel verast zal zijn, omdat dit te veel voor je zou worden en te afschuwelijk om aan te zien.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
De dodenlift vervoert de kist naar de verbrandingsruimte:
Dit is treurmuziek, André, en van alle kanten komen de mensen, die de plechtige verassing willen bijwonen en later zullen vertellen, hoe mooi het was, nu binnen.
Kijk, André, de arme wordt reeds op de katafalk, welke hem naar beneden zal brengen, geplaatst.
Wij noemen haar de dodenlift.”
Een laatst vaarwel werd hem door alle aanwezigen toegeroepen en onder de tonen van het statige orgel zakte de lift omlaag.
„Wij zullen hem volgen, mijn jongen.
Wees sterk, want de foltering zal nu een aanvang nemen.
Zie je hem en hoor je hem schreeuwen?”
„Ja, Alcar.”
„Hij ziet en voelt reeds, wat er zostraks met hem gebeuren gaat.”
André hield Alcar krampachtig vast.
„Kom hier bij mij staan, mijn jongen.”
Er ging iets vreselijks gebeuren.
Zij hoorden de arme man schreeuwen: „Beulen, moordenaars, is dat iemand eren?”
Doch deze scheldwoorden troffen hen niet daarboven: allen stonden daar met starre gezichten en waren vol van medelijden, zonder te weten hoe gruwelijk het lot was, van deze arme mens.
„Hij voelt nu reeds de helse pijnen, André, welke zijn geesteslichaam zal moeten doorstaan.”
De lift was intussen in de verbrandingsruimte neergedaald.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Het fluïdekoord kan niet breken, omdat de dirigent de materie te veel liefheeft:
„Het is niet erg om te sterven, mijn zoon; want de dood is een machtig verlosser, maar om op een dergelijke wijze, welke op aarde haar weerga niet vindt, gemarteld te worden, is ontzettend.
De geest voelt, hoort en ziet alles, al heeft hij zijn lichaam verlaten, want hij blijft daarmee verbonden door het fluïdekoord.
Dit geldt alleen voor hem, die vastzit aan zijn lichaam, die zich in het aardse leven heeft vergeten.
Ook andere toestanden zijn er, doch deze zijn allen van hun stoffelijk lichaam gescheiden.
Hij daarentegen blijft aan zijn lichaam geklonken, totdat de band wordt verbroken.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
En dan vindt het afschuwelijke plaats:
André keek en kon met zijn geestelijke ogen duidelijk het lichaam in de verbrandingsoven waarnemen.
De hitte, welke er heerste, was geen belemmering voor hen, daar het stoffelijke hitte was.
Nog steeds werd het orgel bespeeld, maar de mensen, die de „overledene” de laatste eer bewezen hadden, waren heengegaan.
André zag nu, dat het lichaam ineenkromp, zich heen en weer wentelde en zich kronkelde als een levend mens, terwijl hij daarbij een schreeuwen, brullen en huilen hoorde, dat hem van ontzetting deed beven.
Het was niet om aan te zien en aan te horen.
Hoe afgrijselijk werd hier geleden!
Daar voor hem bevonden zich twee lichamen, het stoffelijke en het geesteslichaam.
Het ene ogenblik stonden ze, dan vielen ze en kronkelden dan weer om elkaar heen.
„O, Alcar, ik kan niet meer; laat ons hier weggaan.”
Alcar legde zijn arm om André’s schouders, hem op deze wijze steunende en zo gingen zij heen.
Nog klonken hem de woorden in de oren: „huichelaars, schelmen” en nog veel meer.
„Het is vreselijk, Alcar, afschuwelijk.”
„Dat is het.
Kom, mijn jongen, ik zal je helpen, anders kom je hier niet doorheen.”
„O, Alcar, hoe ontzettend!
Zoiets wil ik nooit meer zien.
Dit kan geen mens verdragen.
O, wat lijdt die man.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Omdat de dirigent in gevoel verweven is met elke vezel van zijn stoffelijke lichaam, kan het fluïdekoord pas breken wanneer de aardse stof geheel vernietigd is:
„Zo is nu de crematie, mijn zoon, voor degenen, die aan het stoflichaam vastzitten.
Het geesteslichaam zal eerst dan loskomen, wanneer de stof geheel vernietigd is.
Je zult nu begrijpen, hoe noodzakelijk het is, dat de mensen ook in dit opzicht de ogen geopend worden, opdat zij voortaan het kerkhof boven het crematorium zullen verkiezen.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936

Geldt dit voor elk mens?

Na het sterven wordt de mens aangetrokken door de geestelijke wereld waarop hij in gevoel afstemming heeft.
Het gelijke trekt het gelijke aan, en zo heeft de mens zichzelf het hiernamaals toebereidt dat past bij zijn innerlijke toestand.
Wanneer hij zich reeds op aarde in harmonie met al het leven heeft gebracht, komt hij aan in een sfeer van licht waarin al het leven hem toelacht.
Wanneer hij op aarde reeds de universele liefde voor al het leven heeft opgebouwd, geeft dat leven hem een lichtende geestelijke wereld waarin hij zijn eeuwige ontwikkeling kan voortzetten.
Bij een crematie echter heeft zelfs de mens die afgestemd is op een sfeer van licht, last van de gewelddadige vernietiging van zijn afgelegd lichaam.
Alcar geeft aan dat het lijden niet alleen geldt voor een ‘ongelukkige geest’ zoals de dirigent uit ‘Een Blik in het Hiernamaals’ die in gevoel afstemming heeft op het ‘land van haat en hartstocht en geweld’ in de duistere sferen, maar ook voor de ‘gelukkige’ die overgaat naar een eerste of tweede lichtsfeer.
Een beschrijving van al deze sferen als geestelijke werelden en gevoelsafstemmingen wordt ingeleid in het artikel ‘sferen in het hiernamaals’.
Maar niet alleen voor ongelukkige geesten is crematie af te keuren, doch ook de gelukkigen hebben er nog enigszins onder te lijden.
Dit hangt geheel af van de mate van hun innerlijke kracht; maar zelfs wanneer zij in de eerste of de tweede sfeer thuisbehoren, dan nog is crematie voor hen af te raden.
Alles komt dus hierop neer, hoe zij innerlijk zijn en op het geestelijke zijn afgestemd.
Zoals dus hun licht is dat zij bezitten, zo zal hun geluk en kracht zijn.
Zo ook hun leed en smart, zo hun lijden.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Zelfs de mens die innerlijk afgestemd is op de eerste lichtsfeer of de tweede lichtsfeer, is nog enigszins stoffelijk ingesteld.
Deze mens heeft reeds een harmonie bereikt die in het hiernamaals licht uitstraalt, maar in de sferen van licht zal hij nog verder geestelijk moeten groeien om alle aardse gevoelens en gedachten volledig los te laten.
Daarom wordt de gevoelsgraad van de eerste lichtsferen fijnstoffelijk genoemd, omdat die nog steeds stoffelijk is.
Deze gevoelsgraad is al wel fijner afgestemd dan de grofstoffelijke gevoelsgraad van het schemerland in de duistere sferen.
Een enkeling gaat bij het overgaan rechtstreeks naar de derde lichtsfeer of naar de grens met de vierde lichtsfeer, maar zelfs deze mens heeft last van de crematie:
Een geest, die van de aarde onmiddellijk naar de derde of de vierde sfeer gaat, zal zo goed als niets van de crematie voelen, maar hoewel deze geesten niet meer aan hun lichaam vastzitten, zullen zij – bij aankomst in hun sfeer – toch voelen, dat zij iets missen en daarvan last ondervinden.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Het lijden tijdens de crematie komt door het vastzitten aan het lichaam en aan het stoffelijke leven.
Tijdens een contactavond leest Jozef Rulof de vraag van een toehoorder voor of we dat vastzitten aan het lichaam kunnen zien aan de roze wangetjes:
Ik heb hier: ‘‘Een Blik in het Hiernamaals, deel II’, pagina 141, het gaat daar om de gevolgen van de crematie.
‘Zij die overgaan en die nog roze wangetjes vertonen, wat men zo vaak kan waarnemen,’ en dat is waar, ‘bevinden zich in die vreselijke toestand.
De stof is door het leven verlaten,’ of het leven is vrij van de stof, ‘het geesteslichaam heeft zich vrijgemaakt van het stofkleed, en de levensaura houdt het afgelegde kleed in leven.’
Vraag: ‘Dit lange in leven houden van het afgelegde kleed, duidt dat op een zekere geestesgesteldheid, bijvoorbeeld, op een gebonden zijn op aarde?’
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Jozef bevestigt dat na het lichamelijke sterven de ziel door haar levensaura nog steeds het lichamelijke weefsel kan voeden:
Mevrouw, die mensen, die persoonlijkheid die zit nog aan dat lichaam vast.
Dus, dat lichaam kan nog niet normaal sterven, en wordt nog door het leven, de geest, gevoed, omdat er nog geen scheiding is gekomen.
Want een pertinent sterven ...
Maar dat kunt u ook hebben, elk lichaam gaat direct maar niet in het sterven over.
Een zware zieke bijvoorbeeld, een lichaam dat veel heeft geleden, gaat onmiddellijk tot rotting over.
En dat is het afsterven.
En je hebt ook toestanden, mensen, lichamen, dat je eerst na twee, drie dagen krijgt ... vier dagen, en ligt, de kist is al in het graf, en dan krijgt u eigenlijk pas dat afsterven.
Dat ziet u niet eens meer.
Maar u ziet dan toch nog dat ...
Je zult zeggen ...
‘Ze zijn net of ze slapen’, hoor je weleens.
En dat is, het slapen, dat is de aura die nog het weefsel voedt, omdat er nog eenheid is.
Want de geest, het gevoelsleven, de persoonlijkheid is nog niet vrij van de stof.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Dat vastzitten aan het lichaam en voeden van de ‘roze wangetjes’ kan zelfs vier weken duren:
Ja, het is, als u een zwaar, verschrikkelijk leven hebt gehad – dat hoeft nog niet eens zo verschrikkelijk te zijn – maar dan bent u zomaar niet los.
Want dan houdt ...Kijk, als we vrijkomen ...
Ik heb maar raak geleefd, en al die dingen meer gedaan, gelogen en bedrogen, en gehaat, en al die dingen meer, dat is al het gevoelsleven en de persoonlijkheid.
Maar raken we het lichaam, raken we andere wetten, dan kom ik maar niet ineens vrij van dat lichaam.
Ook al moet ik terug naar de aarde, houdt die toestand, dat sterven daar, houdt mij nog even vast.
Kan zelfs twee, drie, vier weken zijn.
En dan ga ik ook al het graf in; ook al beleef ik dan niet de rotting, want dan zit u er helemaal in.
Maar nu bent u eruit.
U staat ernaast, en u kunt gaan al waarheen u wilt.
Ja, u voelt wel, u wordt teruggezogen, iets trekt u terug.
En dat is nog de toestand, het eenzijn met dat lichaam.
En daarom ziet u, als iemand sterft, dan ziet u nog weleens van die roze kleurtjes.
En dan is het altijd, meestal verdacht.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
De persoonlijkheid beleeft het sterven volgens het eigen bewustzijn:
Er zijn duizenden mensen die hebben een angst voor de dood, en duizenden, zeg maar, bijna, hier in de stad ...
Nou ja, die iets van het leven weet, die geeft zich over.
Maar we hebben hier nog mensen onder mij, en overal lopen ze nog, die boeken lezen, en hebben nog angst voor die dood.
Want ze weten nog niet wat er allemaal gebeurt.
En dat is zuiver de gevoelswereld, het bewustzijn van de mens die sterft, die beleeft het sterven.
Je beleeft het sterven niet volgens het lichaam.
Is dat niet leuk?
Maar ú beleeft het sterven.
Dat lichaam gaat vanzelf wel.
Maar ú bent degene die sterft, en het lichaam niet.
Dat moest ... weer iets voor de wereld.
U, ‘de mens sterft’, zegt men, ja.
Ja, dan denken ze aan het lijk.
Ze denken aan die stofmens, maar ze weten toch, van dat geestelijke sterven weet de wetenschap en de mensheid eigenlijk nog niets.
Wat weet men hier in Europa van geestelijk sterven af?
Nietwaar?
Niets.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Geestelijk sterven wordt in het volgende citaat ‘de tweede dood’ genoemd.
Dit is het in gevoel loskomen van de stof.
De ‘eerste dood’ is dan het stilvallen van het aardse lichaam.
Het is niet omdat het lichaam aan het afsterven is, dat men ook in gevoel van dat lichaam al afscheid genomen heeft.
Dat afscheidnemen en geestelijk laten sterven van al het stoffelijke kan véél meer tijd in beslag nemen dan de eerste dood:
Maar het lichaam dat sterft wel.
Maar dat sterft niet, meneer.
Ja, rotting, natuurlijk.
Maar daar hebben wij het niet over.
Het eigenlijke stervensproces, dat zijn we zelf.
En nu sterft u geestelijk.
En geestelijk sterven, meneer ...
Ze lachen mij uit!
En wat is het niet eenvoudig.
Het lichaam gaat naar beneden, gaat het graf in; van stof tót stof.
Maar wij ...
Daar komt die dame met die vraag: waarom hebben die mensen nog kleurtjes, dat lijk nog?
Dat is, zeg ik, omdat er nog eenheid is met de geest.
Dus de geest is bezig (zich) vrij te maken.
Zich vrijmaken is het sterven voor de geest, het loskomen van de stof.
(Meneer in de zaal): ‘De tweede dood.’
En dat noemen ze Magere Hein.
(Meneer in de zaal): ‘De tweede dood.’
De tweede dood.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Jozef vergelijkt de tweede dood met het geestelijke afsterven van gevoelens voor een geliefde door wie men langdurig geslagen en getrapt wordt:
Maar nu hebt u ook nog geestelijk afsterven aan Gene Zijde.
Is er ook.
Een mens heeft liefde.
Ik zal u het ineens verklaren, hoe machtig, duidelijk en natuurlijk dat is.
Er zijn mensen, u hebt bijvoorbeeld – dat hoor je in de maatschappij – u hebt iemand waar u enorm veel van houdt, en die gaat u een been uittrekken, die slaat en trapt; dan gaan die gevoelens sterven.
Dat is zuiver sterven.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Dan sterft de liefde voor een mens en trekt het gevoel zich terug:
En dat voelt u allemaal, en dat is nu, kan ik ook vertellen, weer kosmisch, dat is de geestelijke dood van iets.
Van iets.
En dan krijg je ook het geestelijke sterven ten opzichte van het lichaam, dame, en dan gaan die kleurtjes zakken.
En dan trekt de geest zich terug.
En dan is het zuiver stoffelijk en geestelijk sterven; afmaken.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Pas na het geestelijke sterven, het eigenlijke loslaten van het aardse lichaam door het gevoelsleven van de ziel, gaan de kleurtjes in het lijk zakken.
Maar veel mensen komen niet snel tot dat geestelijke sterven.
Ze zijn wel in het geestelijke leven na de dood, maar ze denken dat ze nog altijd hun aardse lichaam hebben, en ze staan daar nog hun geestelijke haren te kammen:
Er zijn er ook, die staan dan voor een spiegel, staan hun haren nog te kammen.
En daar is een man, die vraagt nog: ‘Heb je een beetje tabak voor me?’
Hij had zijn pijp ook nog in zijn zak.
Dat is niet veel soeps natuurlijk.
Dat is geen groot bewustzijn, want ze zitten aan de tabak vast, en ze hebben dit vast, en dit vast, en dat vast, en de hele wereld vast, dame.
En als u dat meemaakt op aarde, en die mensen gaan sterven, en al die duizenden verlangens, dame, waardoor ze nog aan de aarde, aan dat stoffelijke lichaam en leven vastzitten, dat bezorgt allemaal van die kleurtjes.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Duizenden verlangens binden de mens aan de stof.
Dit wordt het stoffelijke voelen en denken genoemd.
Elke gedachte die op het lichaam is ingesteld, is stoffelijk.
Zelfs het lezen van dit artikel is stoffelijk bezig zijn, want deze woorden zijn stoffelijk.
De bewoner van de vierde lichtsfeer die volledig vrij is van de stof, denkt niet meer in woorden, en gebruikt voor zichzelf geen taal meer, want dat zou hem of haar terugtrekken naar de aarde, naar de stof.
De meesters hebben waargenomen dat geen enkele mens van de aarde rechtstreeks naar de hogere sfeer van licht overgaat waarin alle stof is losgelaten.
Dat betekent dat geen enkele mens van de aarde een crematie kan beleven zonder daar last van te hebben.
Voor onze geestelijke evolutie moeten we de wil om veel stof te vergaren loslaten.
De wil om zich stoffelijk te verrijken en om de stof vast te houden moet omgezet worden in de wil om zich geestelijk te verrijken.
Daarom kan meester Alcar zeggen dat we onze wil die gericht is op de stof moeten verliezen:
Werkelijk, verlies uw wil in stof en zie omhoog.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936

Verwerking

André moet verwerken wat hij gezien heeft:
André was droevig gestemd.
Het was een gruwelijke marteling.
Hij had gezien, dat de arme man niet los kon komen, toen hij weg wilde.
Eerst moest zijn lichaam verbrand zijn; dan eerst zou het fluïdekoord breken.
Hij had de beide lichamen gezien; het ene gevoelloos, het andere des te sensitiever en hij had gezien, dat deze lichamen zich om elkander heen kronkelden, de stof en de geest, daar, in die verschrikkelijke oven.
„Ge hebt gelijk, Alcar.
Dit is geen huis van de vrede, maar een huis van smarten.”
„Daar wordt op aarde toch niet aan gedacht, André.
Het geesteslichaam moet niet alleen aanzien, dat zijn stoffelijk voertuig verbrand wordt, maar het moet ook de pijn en de smart, welke de verbranding veroorzaakt, ondergaan.
Dit is geen suggestie, maar droevige werkelijkheid, een werkelijkheid, welke geheel aan gebrek aan geestelijk gevoel te wijten is.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Toch bleef hij droevig gestemd en dacht steeds aan Alcar, want hij kon de indrukken van zijn laatste reis maar niet te boven komen.
Alcar zei hem, nog even geduld te hebben, want hij wilde spoedig weer met hem naar de hogere gebieden gaan, wanneer zijn droefgeestigheid niet wilde verminderen.
En deze verminderde geenszins, want het was niet gemakkelijk, het lijden van al die ongelukkigen te verwerken.
Nu en dan leefde hij wat op en dacht dan, dat hij het te boven was, maar daarna volgde de reactie en zonk hij terug in een nog somberder stemming.
Alles drukte hem zwaar.
Hierin stond hij alleen en was door niemand te helpen.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
André heeft het niet makkelijk om zijn heftige ervaringen te verwerken:
’s Morgens, voordat hij met Alcar was heengegaan, had hij nog in huis lopen zingen en later, toen hij beneden was gekomen, was het precies, alsof er zware onweerswolken boven zijn hoofd hingen.
Toch wilde hij sterk zijn en Alcar niet zoveel werk geven.
Dan bad hij innig tot God om hem te helpen.
Dat verlichtte hem.
O, die arme man!
Hij kon hem niet vergeten.
Telkens zag hij dat dode lichaam voor zich, dat weer levend scheen te worden door die vreselijke hitte.
Neen, zoiets wilde hij nooit meer zien.
De eerste nachten had hij er niet van kunnen slapen en hij had toch rust nodig om overdag zijn werk te kunnen doen.
Wanneer zijn gedachtenkracht alles overheerste en hij de slaap niet vatten kon, dan greep Alcar in en bracht hem in een toestand van halftrance.
Dit voelde hij heel duidelijk.
Langzaam trok Alcar zich dan terug en hij sliep in.
Dit was dan geen gewone slaap; dat kon hij ’s morgens aan zijn hoofd bemerken.
Zo waren er vele dagen voorbijgegaan.
Hij sprak zichzelf moed in, want hij moest er doorheen.
Hij voelde wel, dat het een grote ontwikkeling voor hem zou betekenen, wanneer zijn geest dit alles kon uithouden.
En hij wist het: niets voor niets, ook geen wijsheid.
Alles kost wilskracht.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
En André krijgt nog niet eens alles tegelijk te beleven:
Op een avond zei Alcar, dat zij ’s nachts weer naar de hogere sferen zouden gaan.
„Wij zullen onze reis moeten vervroegen, André, want je kunt je niet losmaken van alles, wat je gezien hebt.
Het was ook een zware reis voor je.
Toch heb je kracht genoeg om het te kunnen dragen.
Houd je nu gereed; vannacht zijn wij weer in de sferen.”
Alcar had hem verteld, dat hij het grote verkeer tussen de aarde en het Zomerland met hem zou gaan zien en hij was nieuwsgierig, hoe het daar zijn zou.
Nog steeds droefgeestig gestemd, ging hij reeds vroeg naar zijn kamer.
Eerst scharrelde hij nog wat rond en het verwonderde hem, dat hij op dat ogenblik nog geen verlangen had om uit te treden.
Zijn kamer hing nu vol geestelijke stukken, welke hij van Alcar en de andere schilders ontvangen had.
Het had hem heel wat strijd en wilskracht gekost om zover te komen.
Men moet volharden en veel kunnen verdragen, indien men het tot iets wil brengen.
De mensen zagen alleen het resultaat, maar de strijd en het leed, dat dit alles hem gekost had, zagen zij niet.
Wat was hij in het begin bespot en uitgelachen en ook nog, toen hij reeds ver op deze weg was, had men de draak met hem gestoken.
Toch had hij vele muren met stukken van Alcar versierd.
Langzaamaan voelde hij nu de heilige inwerking van „Gene Zijde” over zich komen.
Zijn hoofd werd zwaar en daarom ontkleedde hij zich vlug.
Alcar had hem gezegd, dat hij, wanneer hij ’s nachts uit wilde treden, op zijn rug liggende, moest gaan slapen; dan kon hij hem gemakkelijker bevrijden.
Dit deed hij dus.
Het was pas half tien.
Toch draaide hij het licht uit en na een minuut of tien was hij reeds in diepe slaap verzonken.
„Zo, mijn zoon,” waren de eerste woorden, welke hij hoorde en dadelijk daarop zag hij zijn leider, die hij met een kreet van vreugde om de hals viel.
„Flink zijn, André, wij zijn nu weer één.
De laatste dagen zijn zwaar voor je geweest, want je moest veel verwerken.
Bij mij zal je nu spoedig tot kalmte komen.
Wij, aan onze zijde, kunnen zulk leed beter dragen; voor een aardse geest is dat moeilijk.
Je ziet nu weer, hoe voorzichtig wij moeten zijn.
Als ik je nu eens alles tegelijk zou geven, wat er gedurende zulk een reis te beleven is, hoe zou het je dán wel te moede moeten zijn!
Dat hield je niet uit.
Kom, zie mij eens aan, mijn jongen.”
Met tranen in de ogen keek André zijn leider glimlachend aan.
Hij voelde zijn grote kracht en zag dat grote, witte licht weer om hem heen.
„Je had geen verlangen om uit te treden, maar dat is alles mijn werk, André.
Zo, nu kunnen wij rustig vertrekken.
Wat is het heerlijk, dat God ons deze band liet vormen.
Je ziet, dat er voor elk zwaar werk steun en voedsel in de sferen is.
Wie ernstig wil en wie durft te strijden, wordt wijzer en kan leren, zoveel hij maar wil.
Dit geldt voor ieder mens op aarde.
Nu zal je weldra van je droefgeestigheid bevrijd zijn.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Alcar raadt aan voor de zekerheid van het begraven te kiezen:
Vraag aan iedereen, die hier leeft, hoe crematie is, zij allen zullen je zeggen, dat het moest afgeraden worden.
Het is niet anders dan een kwelling.
Een foltering in de geest.
Ik raad daarom hen aan, die zich willen laten cremeren, het niet te doen.
Denk over dit gebeuren na en kies het zekere voor het onzekere, laat u begraven.
Zij, die geleerd zijn op aarde en crematie mooi vinden en schoon, zullen donker zijn in hun ziel, omdat dit mooie en schone, stoffelijke duisternis betekent aan deze zijde.
De mens op aarde roep ik toe: „Wanneer gij alles hebt gevolgd, maak dan een einde aan uw roekeloosheid en tracht u in de geest te ontwikkelen.
Nog is het tijd.
Spoedig zult gij overgaan en dan heeft alleen waarde, wat gij innerlijk draagt.
Ontwikkel uw gevoel en maak goed wat gij verkeerd hebt gedaan.
Wij, die aan deze zijde leven, wij allen, die de aarde hebben verlaten en enige honderden jaren hier zijn, hebben deze waarheid moeten aanvaarden.
Wij hebben geleerd, dat liefde het hoogste en het heiligste is en licht en geluk betekent in het leven na de dood.
Hier vrienden, kunt gij u niet verbergen.
Hier alleen heeft liefde waarde.
Ontwikkel die kracht, uw leven, leer lief te hebben.
Leer onze taal, de taal van de liefde, die gij bij aankomst hier zult moeten verstaan, anders zal duisternis uw bezit zijn.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936

Langdurige gevolgen van crematie

Alcar laat André op een volgende uittreding zien in welke toestand de dirigent is terechtgekomen door zijn keuze voor crematie:
„Ik ben zeer nieuwsgierig Alcar, waar hij zich zal bevinden.
Leeft hij in het land van haat?”
„Wij zullen het zo aanstonds zien, kom, we moeten hierheen.
Ik zie het reeds, hij leeft in een tussensfeer, buiten de massa om.
Wij zullen hem in een bewusteloze toestand terugvinden, veroorzaakt door het verbranden van zijn stofkleed.”
André zag, dat zijn leider een vast doel volgde.
Wonderlijk was het voor hem, hoe de geest zich oriënteerde.
Overal wist Alcar de weg hier in deze duisternis.
Zij gingen ergens binnen, blijkbaar een grot.
Het waren onderaardse gangen, waar hij toch kon zien.
Vele wezens ontmoette hij.
Vele gangen en spelonken gingen zij door.
Hij zag in de duisternis anderen, die waren ingeslapen, wezenloos lagen zij terneer.
Overal zag hij deze wezens: zij sliepen de slaap des doods en leefden, leefden in de eeuwigheid.
Alles was ellende, niets dan leed en smart.
Verknoeide levens waren het.
Links en rechts waren inhammen waar zij ter ruste neergelegd waren.
Van de aarde naar deze duisternis.
O, hij begreep alles.
Toch waren zij niet zo diep gezonken als zij, in het dal van smarten.
Hij begreep iedere afstemming en kende de gevoelstoestanden van al deze verschillende wezens.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Nu bleef zijn leider staan.
Zou hij hem gevonden hebben?
Hij was zeer nieuwsgierig.
„Zie André, daar ligt onze man, wij hebben hem gevonden.”
André zag een wezen, afgescheiden van alle anderen, inééngedoken neerliggen.
„Ken je hem terug, André?”
Ja, hij was het, die hij op aarde had zien verbranden.
„Hij verkeert in een bewusteloze toestand.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Alcar haalt door zijn concentratie de dirigent even uit zijn diepe slaap om André duidelijk te maken in welke toestand de dirigent straks zal ontwaken:
André zag, dat zijn leider zich concentreerde.
Hij voelde, dat hij zich verbond om de ongelukkige in zijn bewustwording te laten terugkeren.
Na een ogenblik gaf hij enig teken van leven.
Hoorde hij goed?
Het was, alsof hij hem hoorde schreien.
Ja, hij kreunde.
Arme man.
Alcar hield zijn krachten van hem af en het gekreun hield onmiddellijk op.
„Alles is je zeker duidelijk, André?
Ik maakte hem bewust, waardoor hij zijn toestand ging aanvoelen.
Nog is zijn slaap diep.
Wanneer hij ontwaakt, begint eerst zijn leven aan deze zijde en voelt hij de pijnen door de crematie opgedaan.
Behalve dus de kwellingen van koude en duisternis, voelt hij de schrijnende pijnen, door de crematie hem opgelegd.
In een stoffelijke gevoelstoestand of afstemming is zijn lichaam verbrand.
Geestelijk heeft hij zich vergeten in het leven op aarde.
Men wil dit op aarde niet aanvaarden.
Zijn gevoelslichaam was of verkeerde in een stoffelijke afstemming.
Hij zal daardoor in de geest ook alles beleven, omdat hij niet van zijn lichaam was bevrijd.
De crematie bracht hem in deze toestand, omdat de schok te groot was voor zijn geestelijke afstemming.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
De schok van het cremeren kent men op aarde niet.
De mogelijkheid dat de overledene vastzit aan zijn aardse lichaam daarentegen is door sommige culturen al wel opgenomen.
Zo is er de hindoeïstische opvatting dat de ziel door de crematie bevrijd wordt van het vastzitten aan het lichaam.
Hierdoor laten de meeste mensen in India zich cremeren.
Ze denken dat hun ziel dan vrij is om naar het hiernamaals te gaan.
Inderdaad, de ziel is dan vrij van het lichaam, maar de schok van de verbranding is ontzettend:
Crematie daarentegen gaat te snel.
Je voelt het zeker al; zielen zitten vast aan het menselijke lichaam en verbranden.
Die schok is ontzettend!
Ze zijn los, natuurlijk, het verbrandingsproces scheurt ziel en lichaam vaneen.
Maar de ziel is niet bewust.
Ze voelt stoffelijk, aards.
Ze loopt dus met die schok rond, waarheen ze ook gaat, ze komt eerst dan los van die toestand als zij een ander leven bezit of zo’n geestelijke hoogte bezit, dat zij zichzelf overwonnen heeft.
Miljoenen mensen, Karel, lijden dat ze het uitschreeuwen door de astrale wetten!”
Maskers en Mensen, 1948
Op een contactavond legt Jozef Rulof uit hoe die schok tot stand komt.
Het verbranden van het lichaam laat op snelle wijze de lichamelijke aura vrijkomen.
Wanneer het lichaam niet verbrand maar begraven wordt, dan komt die levensaura langzaam vrij naarmate het lichaam ontbindt en de stoffelijke cellen oplossen.
Dit proces kan vele maanden duren, waardoor de persoonlijkheid de tijd krijgt de levensaura als gevoelskracht in zichzelf op te zuigen en daarmee het geestelijke bewustzijn op te bouwen.
Wanneer het aardse lichaam echter verbrand wordt door een crematie, is die tijd te kort voor de persoonlijkheid, die hierdoor een geestelijke schok ondergaat.
Een soortgelijk proces vindt plaats bij een dodelijk ongeval waarbij het lichaam verbrandt, bijvoorbeeld in een brandende auto.
Het verschil met een crematie is dat de mens bij een dodelijk ongeval de verbranding van zijn lichaam niet gewild heeft, en daardoor geestelijk niet vastzit aan de verbranding.
Maar omdat het lichaam verbrandt, beleeft de persoonlijkheid wel de geestelijke schok van het plotselinge vrijkomen van de lichamelijke aura:
De mens, die een dodelijk ongeval beleeft, ondergaat een geestelijke schok.
Nu voltrekt zich voor de levensaura een proces, namelijk het nemen van de lichamelijke aura, wat anders maanden duurt, in slechts enkele minuten en dit betekent voor het gevoelsleven en de persoonlijkheid de schok en dit heeft de persoonlijkheid te verwerken!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Wanneer het aardse lichaam begraven wordt, beleeft een stoffelijke persoonlijkheid zoals de dirigent uit ‘Een Blik in het Hiernamaals’ het terugtrekken van de levensaura naarmate het stoffelijk lichaam verteerd wordt.
Het ontbinden van de stof laat de lichamelijke aura vrijkomen waardoor de persoonlijkheid die aura kan opzuigen.
Omdat de dirigent niet zelfstandig zijn gevoel uit de stof terug kan trekken maar met heel zijn gevoelsleven op de materie ingesteld blijft, is hij afhankelijk van het natuurlijke ontbindingsproces van het aardse lichaam om zijn levensaura terug te krijgen.
Mensen die daarentegen al zelf geestelijke gevoelens en gedachten ontwikkelen, denken al onafhankelijker van het lichaam, en zijn daardoor niet zo afhankelijk van het lichamelijke ontbindingsproces.
Hoe meer zij vrij van de stof voelen en denken, hoe minder tijd zij nodig hebben om al hun gevoel uit het aardse leven terug te trekken en hun nieuwe geestelijke leven aan te vatten.
De dirigent zat dus vast aan het tijdsverloop van het stoffelijke ontbindingsproces, maar deze toestand is sterk te verkiezen boven crematie:
Wanneer hij op normale wijze zou zijn begraven, beleefde hij de vertering van zijn stoffelijk kleed.
Maar deze toestand is verre te verkiezen boven crematie, en wel hierom: De mens, die wordt verbrand, worden krachten ontnomen, die wij de levensaura noemen.
Zij dient de geest te steunen bij aankomst hier, voor de eerste tijd van zijn leven.
Dit geldt voor alle wezens, al bevinden zij zich op een hogere afstemming.
De scheidende geest ontneemt aan het stoflichaam de levensaura, na vijf à zeven dagen, wanneer de stof in het eerste stadium van ontbinding overgaat.
Dit kan ook langer duren, het hangt af van de afstemming van de mens die overgaat.
De aura dient dus voor bewustwording aan deze zijde.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Als de aardse persoonlijkheid lager is afgestemd, kan het vastzitten aan het aardse lichaam erg lang duren:
Dan nog dit: Op aarde denkt men nu, dat anderhalf uur verbranden beter is dan jarenlang kwellingen te moeten meemaken (zie artikel crematie).
De geest, zo zeggen zij, is toch bevrijd?
Maar velen kunnen niet loskomen en voor hen is verbranden een geestelijke schok.
Die schok heeft hij ondervonden, die daar thans ligt als een levende dode.
De fout van hen is, dat zij geestelijke toestanden stoffelijk aanvoelen, hetgeen natuurlijk verkeerd is.
Zij, die overgaan en nog roze wangen vertonen, wat men zo vaak kan waarnemen, bevinden zich in die vreselijke toestand.
De stof is door het leven verlaten, of het geesteslichaam heeft het stofkleed afgelegd en de levensaura houdt het afgelegde kleed in leven.
Eerst wanneer het eerste vervalstadium intreedt, neemt de stof de lijkkleur aan.
Dan is alles voorbij en leeft de geest in zijn nieuw bestaan.
De levensaura houdt dus het lichaam intact en wanneer de stof verbrand wordt, zal dit een geweldige schok veroorzaken.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
De levensaura komt pas volledig vrij in de zevende graad van ontbinding van het stoffelijke lichaam:
Wat vernietigt u nu eigenlijk door crematie?
Welke levenssappen ontneemt u de geest?
Of denkt u, wanneer ge de grond ingaat – hier dus zijt gestorven – dat de geest niets meer met het organisme heeft te maken?
Luister, dan zal ik u deze wetten verklaren en kunt ge ze aanvaarden.
Het is de goddelijke waarheid, ik heb die mensen gezien en de wetten mogen beleven.
Wij, als mens nemen de grofstoffelijke levensaura van het organisme in ons op en dat is de stof, die aan Gene Zijde dient om ons grond onder de voeten te geven, anders zouden wij wegzinken en hadden wij geen bestaan meer.
Die stof krijgen wij pas volkomen – een aura is het dus – wanneer het organisme in de zevende graad van verrotting is gekomen, dan zuigen wij die aura in ons op en dit begint reeds, wanneer wij het organisme hebben verlaten.
Kunt u dat nóg, als u bent gecremeerd?
Neen, door één wet, verbranding nu, ontneemt de mens zich, vernietigt de mens, zijn verdergaan, de bron van leven en bestaan, hij vernietigt geestelijke fundamenten, die hij nu mist en daardoor als een zeepbel rond dwarrelt, geen grond bezit onder zijn voeten.
En dit geschiedt door de crematie!
Zo heeft elk mens zijn eigen wetten te beleven, doch voor zijn evolutie, zijn goddelijke afstemming.
Wat weet de geleerde, de mens, af van Gene Zijde, de ziel, het gevoelsleven van de mens?
Niets!
Maar waarom wil hij dan iets voor die ziel doen, als hij toch niet begrijpt, mismaakt, aftakelt, verguist, levend verbrandt?
Want dat is het toch?”
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
De geestelijke levensaura wordt niet vernietigd door de stoffelijke verbranding, maar de aura komt veel sneller vrij dan dat de persoonlijkheid die kan opzuigen en verwerken:
(Meneer in de zaal): ‘Meester Zelanus, ik zou graag even willen terugkomen op de crematie, waardoor de aura vernietigd wordt door de ... (onverstaanbaar). Wat gebeurt er met die volkeren waar de mensen zonder uitzondering worden gecremeerd?’
De aura die wordt niet vernietigd.
(Meneer in de zaal): ‘O, ik dacht dat u dat de vorige keer had gezegd.’
Ja, de lichamelijke aura die lost op, maar die wordt niet vernietigd.
Het is de schok die u beleeft.
(Meneer in de zaal): ‘Dus al die volkeren, waar ze allemaal gecremeerd worden voor hun godsdienst ...’
Ze weten niet beter.
(Meneer in de zaal): ‘En die door een ongeluk ook verbrand worden ...’
Ja, allemaal hetzelfde.
Kijk, de lichamelijke aura die mist u in die wereld, omdat dit met een schok gebeurt.
U krijgt, u zuigt dat later terug.
Maar die aura die lost niet op, in die zin dat die voor de geest niet te gebruiken is.
Maar nu gaat alles te vlug.
Voelt u wel?
En nu moet u dat achter de kist beleven.
U leest ‘Een Blik in het Hiernamaals’.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Doordat de persoonlijkheid die aura bij het vrijkomen niet kan opzuigen, wordt die aura uit elkaar gerukt, verpoeierd, verslingerd:
En wat er nog allemaal gebeurt zo, dat kunt u misschien niet weten, want u bent uw kosmische stof kwijt, uw plasma, voor die wereld, u loopt, u laat ineens alles verslingeren, dat wordt uit elkaar gerukt, dat verpoeiert, u hebt geen grond onder uw voeten, en dat houdt er allemaal mee verband.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
De aura is nodig voor het opbouwen van het geestelijke lichaam:
U kent de wetten immers niet, achter de kist, voor uw lichaam.
Hoe is uw toestand?
Welke aura zuigt u op?
Dus die aura is niet te vernietigen, die krijgt u langzaam, maar u beleeft die schok geestelijk, bewust of onbewust, dat wil zeggen, de eerste sfeer, of een lagere toestand, u beleeft dat.
En die aura van dat organisme die hebt u nodig, want daardoor bouwt zich het geestelijke lichaam op.
U hebt toch hier lagere organen voor het organisme, en die lagere aura die dient weer voor fundamenteel gevoel, kracht, energie; hebt u nodig.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Voor het harmonisch begin van het nieuwe geestelijke leven is heel veel aura nodig:
Dit is weer uitdijen, het sterven is uitdijen naar: een nieuw leven.
En dan heeft de geest, de persoonlijkheid heeft de aura nodig van het lichaam in de kist.
Heel veel aura’s, zeven verschillende aura’s.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
De persoonlijkheid kan al die vrijgekomen aura niet ineens opzuigen omdat die levensaura als gevoel volledig beleefd moet worden.
Pas na het ‘evoluerend beleven’ van die aura, kan de persoonlijkheid zeggen: die aura is van mij, dat is mijn bewust gevoel geworden, hiermee bouw ik mijn geestelijke bewustzijn op.
Het in gevoel beleven en verwerken van die levensaura kost tijd.
Dat kan de persoonlijkheid niet ineens, net zomin als men vanuit de laagste klas ineens professor kan spelen:
Nu de crematie, duizenden, miljoenen problemen.
De mens laat zich cremeren, u moet eens kijken in de duisternis, niet in de hellen, jazeker, maar de mens die tussen het schemerland van de eerste sfeer en de hellen, de duistere, de diepe haat, de diepe bewuste haat en ellende, leeft, u moet, daar ziet u miljoenen mensen lopen, allemaal gecremeerden.
Voelt u?
Hebben geen lichaam meer.
U beleeft, door uw rottingsproces als lijk, normale afbraak, beleeft u zeven overgangen van aura, waarop u staat aanstonds in de sferen ... dat is de bodem waar u op staat.
Laat u zich cremeren, hebt u geen bodem, geen grond, niets, u zweeft, u hangt, u kunt niet staan, u ...
Zo hangen ze in de ruimte, ze hebben geen bodem meer, die aura is verbrand, opgelost, weg, ze hebben geen tijd gekregen om dat te ontwikkelen.
Kunt u van de laagste klas in ene keer professor gaan spelen?
Dan moet u eerst het verstand krijgen, het gevoel krijgen om voor Paganini te gaan spelen.
Dat is gevoel, en dat gevoel moet ge opbouwen, zult ge beleven, evoluerend beleven.
En eerst dan kunt ge zeggen: ‘Die aura is van mij.’
Dat zijn wetten.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Een toehoorder op een contactavond wil weten wat er gebeurt als een zelfmoordenaar gecremeerd wordt.
De geestelijke gevolgen van zelfmoord zonder crematie worden belicht in het artikel ‘euthanasie en zelfmoord’.
Jozef legt uit waarom de crematie veel erger is dan het begraven worden na een zelfmoord.
De mens die gecremeerd wil worden, zit door zijn wil vast aan de verbranding van zijn organisme.
Jozef legt uit hoe dat vastzitten in gevoel begrepen kan worden:
Indien een zelfmoordenaar wordt gecremeerd, wat door „wilsbeschikking” kan gebeuren, nietwaar, wordt het organisme verbrand, maar de geest zit thans aan zijn brand vast.
Mocht u dit niet begrijpen, dan is dit te verklaren, wanneer u bijvoorbeeld een moordenaar volgt, die door zijn „wroeging” lijdt, zó vreselijk, dat zijn geest die smarten niet kan verwerken en toch tot het leven blijft behoren.
Die man loopt met zijn ellende rond, hij kan zich er niet van bevrijden, die mens beleeft dit.
Wij blijven achter de kist zoals wij hier zijn, met andere woorden, aan ons innerlijk is niets veranderd.
De brand nu door crematie tot stand gekomen, is verschrikkelijk.
Je bent geestelijk verbrand en dat is niet te genezen, dat moet de mens zelf genezen, doordat hij aan een beter leven begint en vanzelfsprekend al zijn fouten goedmaakt.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Voor een mens die op de duisternis is afgestemd mindert de brand pas wanneer de ganse persoonlijkheid in het licht is gekomen:
De ellende die u zichzelf oplegt door de crematie is met geen pen te beschrijven.
U moet dit lugubere toneel zelf kunnen zien, eerst dán dringt het tot u door, dat gij met ziel, geest en leven spot en de universele wetten nog niet kent.
Eerst wanneer de crematie haar stoffelijke afbraak heeft verricht, komt de ziel vrij van haar organisme, maar die verbranding sleept zij achter zich aan, zij is als een brandende fakkel en blijft in leven.
Aan deze toestand komt voorlopig geen einde, omdat u als mens op de duisternis uw afstemming hebt; er is geen liefde en dus ook geen licht in uw leven, gij voelt u stoffelijk en ook de wereld waarin u leeft bezit diezelfde afstemming, dat uw gevoelsleven is!
Eerst dan, wanneer u innerlijk ontwaakt, dus verandert, komt er verandering in uw toestand.
Maar nu wij weten hoe moeilijk het is om ’n nietig karaktertrekje tot het geestelijke te voeren; wat is er dan nodig voor de ganse persoonlijkheid?
En die moet gij overwinnen, eerst dan minderen die pijnen, lost die brand op, gij barst vanbinnen en uiterlijk, uw levensbloed is er niet meer, gij hebt wetten bezoedeld, mismaakt, de mooie crematie ontnam u alles!
Jeus ziet dat, hij is bewust, hij hoort, dat de mens kermt, schreeuwt alsof men hem levend zijn huid afstroopt, waarvan hij kan schreien, zo ontzettend is het.
Vanzelfsprekend doen wij alles om deze kinderen te helpen, maar wij staan machteloos, omdat zij hun duistere afstemming hebben te aanvaarden en kunnen thans geen hand uitsteken.
Meester Alcar vond dit, in opdracht van zijn meesters, het allernoodzakelijkste voor de miljoenen mensen van de aarde tot de ruimtelijke ontleding te voeren, zodat uw afgrijselijke crematie verdwijnt!
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
Het in gevoel vastzitten aan de verbranding kan vergeleken worden met het in gevoel vastzitten aan een lichamelijke ziekte.
Wanneer de zieke mens overgaat naar het hiernamaals, blijft de stoffelijke ziekte op aarde.
De mens die geestelijk denkt en voelt, laat bij het overgaan die lichamelijke ziekte los, en heeft in de geestelijke wereld geen last meer van die aardse toestand.
Die mens kan in een miljoenste seconde die ziekte loslaten, omdat die aardse ziekte niet meer bij zijn nieuwe geestelijke toestand hoort.
(Mevrouw in de zaal): ‘Die mensen die aan zware ziekten zijn overgegaan, kunnen die zich daar snel van losmaken?’
Daar bent u in tien seconden, in een miljoenste seconde, als u het bewustzijn hebt natuurlijk ...
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Vele mensen kunnen hun lichamelijke ziekte echter niet zomaar loslaten bij het sterven, net zomin als al hun andere aardse voelen en denken.
In het hiernamaals voelen en denken ze nog precies hetzelfde zoals ze op aarde gedaan hebben.
Op aarde voelden ze zich ziek, en in hun hiernamaals blijven ze zich in eerste instantie ziek voelen.
Ze behouden hun aardse persoonlijkheid, en voelen hierdoor nog niet ten volle dat hun nieuwe geestelijke wereld heel anders is dan het leven op aarde.
Ze beseffen nog niet dat ze zich in een seconde van hun aardse ziekte kunnen losmaken, wanneer ze kunnen voelen dat ze geen aards lichaam meer hebben.
Ze leven echter in gevoel nog steeds voor een deel op aarde, ze hebben de geestelijke sferen en de geestelijke werkelijkheid nog niet volledig aanvaard:
Als u onder de sfeer, onder de werkelijkheid leeft, voelt u wel ...
Hebt u die werkelijkheid in u, dan bent u vrij; en bent u onder die werkelijkheid, dan blijft u nog duizenden jaren met diezelfde ziekte ook aan Gene Zijde rondwandelen.
U hebt uw pijnen nog.
Wanneer u die en die narigheden hebt gehad, dan hebt u die pijnen ook nog.
Waarom?
Omdat uw persoonlijkheid niet anders is.
Voelt u wel?
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Ook bij de crematie kan een dergelijk proces plaatsvinden.
De mens die nog niet volledig geestelijk voelt en denkt, blijft met dat vuur in gevoel rondlopen totdat de volledige persoonlijkheid in de geestelijke werkelijkheid leeft.
Dit gebeurt pas in de vierde lichtsfeer, die ook de eerste geestelijke sfeer wordt genoemd, omdat de mens daar alle stoffelijke gevoelens en gedachten heeft losgelaten.
Zolang men nog onder de geestelijke werkelijkheid van de vierde lichtsfeer leeft, blijft men tenminste voor een deel in de onwerkelijkheid van het beleefde vuur lopen:
Dat is precies hetzelfde als de crematie, laat u zich maar verbranden.
U loopt met dat vuur rond.
En dan zegt de mens: maar we zijn vrij van het organisme.
Maar, uw géést is onbewust.
U kent en u voelt de werkelijkheid niet, dus u beleeft die onwerkelijkheid bewust, u bent niet anders.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
De ganse persoonlijkheid naar de werkelijkheid en het licht van de vierde lichtsfeer brengen kan heel lang duren:
Langzaamaan verdwijnen de littekens door de crematie ontvangen, doch voordat hij ervan is bevrijd, zijn er wel een vijfhonderd jaar voorbijgegaan en langer duurt het, voordat de mens weer terug is tot de harmonische wetten van God.
Voelt u dit?”
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Uiteindelijk zal de brand oplossen wanneer de persoonlijkheid zich weet te verruimen:
Nu moet de crematie oplossen.
Hoe?
Alleen door het wóórd.
Omdat hij nu gaat begrijpen, omdat we hem nu optrekken in de universele waarachtigheid voor de ruimte, voor elk ding, voor een sfeer, voor vader- en moederschap, lost die brand op, hij krijgt verruiming.
Omdát hij bekrompen is, omdát hij die verdoemdheid aanvaardt, zit hij ook aan dat verbrandingsproces vast.
En wanneer we zover zijn, dan beginnen we aan de geestelijke stelsels.
Dan voeren we hem tot de Tempel van de Moeder, de Tempel van de Ruimte.
Want de ruimte ís moeder en zegt: ‘Legt u zich hier maar neer, ik kom aanstonds tot u terug.’
Weken, maanden, voor anderen jaren en jaren, gaan er voorbij voordat het leven zich verroert, voordat het leven weer ontspant, voordat de gedachte een handeling ondergaat, denkende ... denkend: wie ben ik?
Ik leef in een ruimte, ik ben nu achter de kist.
Dat lichaam zegt niets meer, u bent het kwijt.
Alles wat u daar hebt gedaan dat behoort u toe, want u bént het!
Elke daad is nu een voetstap, is een fundament, is de grond.
U hebt die bodem verdicht!
Want de mens die zich vergeet, de mens die maar raak leeft, heeft geen bodem in onze wereld.
Die bodem, die grond moet u zelf verdichten door de daden.
Lezingen Deel 1, 1950
Omdat de mens na een crematie minder gevoel en bewustzijn heeft om lichtende daden te stellen en hierdoor de geestelijke grond te verdichten, duurt de geestelijke opbouw veel langer dan wanneer het lichaam van die mens op natuurlijke wijze begraven zou zijn geweest.
Hierdoor kan het honderden jaren duren voordat de brand innerlijk overwonnen is, en de geestelijke evolutie verdergezet kan worden.
Maar uiteindelijk lost die brand op, is de geestelijke schok verwerkt, en krijgt de ziel haar geestelijke voortleven weer in handen.
Niets kan de evolutie van de ziel tegenhouden, ook de gevolgen van crematie zijn slechts tijdelijk.
Het leven van de ziel is universeel onmetelijk.
Uiteindelijk ontwikkelt de ziel zich zo ver, dat ze alles wat op haar afkomt door liefde en wijsheid opvangt:
Dan wandelt u op astrale plasma, totdat u in het goddelijke bent en dan beleeft u de goddelijke plasma.
En dan is uw tempel goddelijk, uw gedachten zijn goddelijk.
Uw leven is universeel onmetelijk.
U vangt alles, álles wat maar op u afkomt vangt u op door liefde, door een goed woord.
Nu is er wijsheid.
Lezingen Deel 1, 1950
De mens die het aardse leven verlaat kan ofwel naar het hiernamaals gaan, ofwel op aarde reïncarneren.
Voordat hij reïncarneert, gaat hij naar de wereld van het onbewuste om alles van het vorige leven te verwerken en te laten zinken in de diepte van het zielenleven.
Een toehoorder op een contactavond vraagt aan Jozef of reïncarnatie de gevolgen van crematie kan oplossen door het afdalen van de ziel in de wereld van het onbewuste:
Vraag: Maar crematie lost toch alles op?
En als de mens direct terug moet naar de Aarde, wat dan?
Is dan de ziel niet vrij van die brand?
Dan daalt de ziel toch af in de wereld van het onbewuste?
Jozef zegt: „U kunt denken mijnheer, mijn compliment.
Maar zo is het toch weer niet.
U hebt gelezen, en daar gaat het u om, wanneer je naar de Aarde terug moet, lost de mens op in de wereld van het onbewuste, de wedergeboorte is dat.
En dan zou je vrij zijn van die brand?
Maar, hebt u het boek „De Kringloop der Ziel” gelezen, mijnheer?
Niet gelezen, dat Lantos Dumonché vast zat aan zijn lijk en toen eerst had te wachten, totdat zijn normale aardse leven beëindigd zou zijn geweest?
Dat hebt u?
Welnu, de zelfmoordenaar, die door de crematie losgebrand wordt van zijn organisme, loopt zolang met die brandwonden rond, totdat de tijd, de normale, goddelijk harmonische tijd voor zijn evolutie hem weer tot de Aarde terugvoert en dan kan hij aan een nieuw leven beginnen.”
Thon vraagt nog: „En duurt dat zo lang?”
Jozef antwoordt: „Begrijp goed, mijnheer, wij mensen hebben ons, daar gaat het nu om, uit de harmonische wetten van God getrapt.
Dat hebben wij zelf gedaan.
De mens nu, die in harmonie is, gaat ons voor.
Die mensen krijgen eerder hun nieuw organisme en dit is te begrijpen.
Hierdoor kan de disharmonische mens wachten, lang wachten.
Toch krijgt hij eens een organisme en wordt hij, door man en vrouw van de Aarde, opnieuw aangetrokken en dan begint er een nieuw leven.”
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
In de biografie van Jozef Rulof ‘Jeus van Moeder Crisje’ verklaart meester Zelanus dat we het wel of niet vastzitten aan ons organisme zelf in handen hebben:
Meester Alcar zal hem thans geestelijke wetten verklaren voor de crematie en hierna de hellen en de hemelen.
Kent u zijn eerste boek: Een Blik in het Hiernamaals?
Ook voor Jeus was dat waarlijk een blik in andere, en wel geestelijke werelden.
Zijn meester brengt hem nu met de crematie in verbinding, omdat die vervloekte crematie van de aarde moet verdwijnen!
Als André beleeft Jeus die afschuwelijke toestand, meester Alcar volgt een mens die tijdens zijn leven besloten heeft zich te laten cremeren, doch waarvan hij de wetten niet kent.
Jeus ziet thans, dat deze mens zich pijnlijk bewust is van zijn ellende, omdat deze persoonlijkheid vastzit aan het organisme, doordat hij zich tijdens het aardse leven heeft vergeten.
En nu gaat dat geheel de oven in, de persoonlijkheid is bewust en maakt dat mee, het is het afschrikwekkendste wat wij kennen.
Dit gebeuren én de zelfmoord is het vreselijkste dat gij u zelf kunt opleggen en komen wij u voor waarschuwen door Jeus van moeder Crisje!
Door het duistere leven op aarde te volgen, zit de ziel als een geestelijke persoonlijkheid vast aan het organisme, en zijn de wetten voor ons en uw geestelijk bestaan.
Dat hebt u zelf in handen!
Immers, ’n mens die het goede zoekt, liefheeft, bezit een andere afstemming en voelt zich ná het sterven vrij van het organisme, doch niettegenstaande dat geluk, is ook voor hem de crematie stoffelijke én geestelijke afbraak.
Dat alles leert Jeus nu kennen en zal het straks aan uw leven doorgeven.
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952

Laatste wilsbeschikking

Meester Alcar zegt over de dirigent in ‘Een Blik in het Hiernamaals’ dat hij zijn laatste wilsbeschikking anders zou hebben opgesteld als hij tijdens zijn aardse leven de geestelijke gevolgen van crematie had gekend.
In de westerse wereld wordt er meestal gekeken naar de laatste wilsbeschikking om te bepalen wat er met het stoffelijke lichaam zal gebeuren.
Wanneer deze mens op de hoogte was geweest van een leven na het aardse leven, dan zou hij in zijn laatste wilsbeschikking bepaald hebben, dat zijn stoffelijk overschot volgens Gods eeuwige wetten aan de schoot van Moeder Aarde zou moeten worden toevertrouwd.
Volgens deze eeuwige wetten wordt de mens uit stof geboren en zal hij tot stof wederkeren, maar het is niet de bedoeling, dat dit gewelddadig geschiedt, doch langzaam, geleidelijk, volgens de natuurlijke weg.
Straks zal je zien, waarom het nodig is dat het stoffelijk kleed op de gewone wijze begraven wordt.
Deze arme, ongelukkige man wenste na zijn dood verast te worden en nu zal aan die wens gevolg worden gegeven.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Wanneer het te laat was, leerde de dirigent de gevolgen van zijn laatste wilsbeschikking kennen.
Op een contactavond merkt een toehoorster op dat hij dat dan toch zelf gewild heeft:
Dat is crematie.
(Mevrouw in de zaal): ‘... dat hebben ze zelf gewild ...’
Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): ‘... dat hebben ze toch zelf gewild, dat hebben ze toch zelf bepaald.’
Ja, maar ik heb het gewild; maar als u dan niet weet hoe die wet in elkaar zit.
Iemand wilde graag bokser worden.
En toen zegt hij: ‘Nou kom, ik zal het je leren’, en toen begon hij en toen sloegen ze hem al dadelijk een blind oog.
En toen zegt hij: ‘Maar dát heb ik niet gewild.’
Toen zei de andere: ‘Dan had je maar niet moeten boksen.’
En in het leven zijn duizenden voorbeelden.
Iemand wilde talen leren, hij nam er zestien voor zijn rekening.
Toen zegt die moeder: ‘Had hij maar bakker geweest.’
De zeventiende bracht hem naar Rosenburg (psychiatrische inrichting in Den Haag).
En hij zit er nu nog.
Die dame kwam bij mij: ‘Kunt u iets voor hem doen?’
Ik zeg: ‘Nee dame’, die ene was net te veel.
Zestien talen.
Wat wilt u met die zestien talen doen?
Hoogmoedswaanzin is het.
Leer lief te hebben, dame.
Leer in harmonie te zijn met het oneindige en met déze plaats.
We hebben het daar in dat boek over: Bent u lui, bent u vies, bent u vuil, bent u gemakzuchtig, bent u verprutsend, verknoeiend, verkwistend?
Mevrouw, leg dan eerst die fundamentjes voor dat, en zorg dat u met uw huis, uw man, uw kinderen in harmonie komt, dat zijn dan de geestelijke fundamentjes voor opwaarts te gaan.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Jozef geeft aan hoe belangrijk ons besluit is:
Eerst dán beleeft de mens zijn wetten bewust, wanneer ook de persoonlijkheid als de „eigen wil” die wetten wil beleven en kan hij, dit is toch duidelijk, niet meer van zichzelf loskomen, dat is zijn denken en voelen en zijn besluit!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Voor onszelf en onze kinderen:
Ik ga verder met de vraag van L. van Ettingen-Bernhard: Als kinderen van vier tot veertien jaar na hun overgaan worden gecremeerd, is dit dan voor hun verdergaan aan Gene Zijde een belemmering?
De ouders hebben hierin beslist en de kinderen kunnen daar toch niets aan doen?
Wilt u hierop antwoord geven?
Jozef zegt: „Luister goed, in de eerste plaats dit: er worden weinig kinderen gecremeerd en dat is maar goed ook!
Neen, het kind lijdt niet door de crematie.
Hoe meer bewustzijn wij bezitten voor foutieve gedachten en liefdeloosheid, des te meer heeft dit betekenis voor de crematie.
Hoe meer wij dus de duisternis vertegenwoordigen, des te meer kan de crematie ons slaan en lopen wij met die wet rond; ik heb dit hier reeds volkomen verklaard.
U kunt hierover ook lezen in de boeken „Een Blik in het Hiernamaals”.
Het kind bezit dus niet het bewustzijn van de volwassen mens met al zijn kwaad.
Hierdoor, dit moet u toch duidelijk zijn, heeft de crematie geen vat op dat leven, omdat het gevoelsleven zichzelf voor al die ellende heeft uitgeschakeld.
Dit kunt ge begrijpen.
Er leven geen kinderen van vier tot veertien jaar in de hellen, dat is niet mogelijk!
U leest ook dit alweer in diezelfde boeken en daarin krijgt ge een machtig beeld van uw eigen gevoelsleven en uw bewustzijn, maar ook van dat van het kind!
Er zijn gekke ouders, die van hun kind geen afstand kunnen doen en nu de „as” van dat leventje willen behouden.
Gene Zijde en de wetten zeggen: „Doe niet zo naargeestig, geef dat leven aan God en Zijn wetten terug.”
Zei Christus niet: „Tot „stof” zult ge terugkeren”?
Of willen wij het beter weten dan HIJ?
Neen, duizendmaal neen, mens van de Aarde.
Het kind kunt ge niet door uw eigenliefde vernietigen en dat is maar goed ook, of al die kleintjes hadden het leed en de smart ook nog te aanvaarden en te beleven door de vaders en moeders, de hummels dan, de armoedigen, die niets kunnen en willen overgeven, die alles willen behouden, wat van God is!
Hard soms?
U hoort het telkens weer, zo arm van geest is de mens nog.
Neen, de kleintjes hebben niets te maken met de crematie, alleen de volwassen mens.
Maar door de crematie is toch ook het kind iets kwijt en dat doen nu die goede, die liefhebbende ouders.”
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
„Maak nu uit, waar gij, na dit leven zult vertoeven ...”
Jozef zegt nog: „Wie dus liefde bezit, mannen en vrouwen, kan geen ellende beleven, ook al wordt u ineens uit het lichaam gerukt, uw afstemming vangt u vanzelfsprekend op, gij hebt fundamenten gelegd voor uw innerlijk leven en die kan u wet noch mens ontnemen!
Dat is uw bezit voor het leven achter de kist!
Maar wij hadden het over hellen en hemelen, over goed en kwaad, hartstocht en geweld en ook over het in harmonie zijn met de wetten van God, nietwaar?
Maak nu voor uzelf uit, wat gij thans zult beleven, gij kunt het, door de boeken „Een Blik in het Hiernamaals”; het is daarin, dat gij uw eigen afstemming kunt beleven.
U kunt nu door die boeken uw sfeer bepalen.
Nietwaar soms, dames en heren?
Bent u vrij van haat, bedrog, leugens, snauwen en grauwen?
Bezit u geen fundamenten voor uw geestelijk leven, waardoor wij weer voor ons „woordenboek” staan en er alles van moeten bezitten voor het goede, de harmonische wetten van God?
Wel, is onze vriendschap geestelijk verantwoord?
Hebben wij liefde in ons?
Afstemming op de sferen van licht?
Hebben wij het daarover niet gehad, toen wij tezamen die wetten behandelden?
Maak nu uit, waar gij, na dit leven zult vertoeven, waarop gij afstemming hebt en u weet dan, waarheen u gaat en wat er nog is op te ruimen voor onze geest, ons gevoelsleven en de persoonlijkheid.
Begrijp het toch, gij zijt universeel diep, machtig is de mens, want de mens is een godheid!
Zijn er nog minderwaardigheidscomplexen in u, dan hoop ik, dat gij nu in staat zijt, ze overboord te gooien, ze te verfraaien door dit weten.
U allen kunt nu vooruit, nu u weet, dat gij God hebt te vertegenwoordigen in alles!”
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950

Waarom is dit niet bekend?

Waarom zijn de geestelijke gevolgen van de crematie zo weinig gekend op aarde?
Veel van onze kennis komt uit de ervaringen van onszelf en onze medemens.
Deze wijze van kennisvergaring kan ons hier niet helpen.
Vele mensen vertrouwen op de aardse wetenschap als bron van kennis.
Die wetenschap richt zich op wat waargenomen kan worden door onze stoffelijke zintuigen of door technische instrumenten.
Dit is een stoffelijke wetenschap die stoffelijke wegen uitstippelt.
Meester Alcar geeft aan dat we uit deze bron geen kennis over geestelijke waarheden hoeven te verwachten:
De wetenschap, waar men op bouwde, is ontdaan van alle geestelijke kracht.
Zover is het op aarde met de geestelijke waarheid gekomen.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Een andere bron van kennis is datgene wat ons door helderzienden werd gegeven.
Meester Alcar geeft aan dat ook de helderzienden die niet uitgetreden zijn het moment van verbranding moeilijk kunnen vasthouden.
„Voor de wereld is al deze ellende verborgen”:
Slechts een op vele duizenden heeft de gave, om te kunnen zien, zoals jij en zulk een feit te kunnen beleven.
En helderzienden, die niet uitgetreden zijn, moeten zich zeer sterk concentreren, om het moment te kunnen vasthouden, waarop een mens verbrand wordt.
Toch kan hun dit mogelijk zijn door de hulp van hun leiders.
Zij zullen de crematie dan niet alleen kunnen zien, maar, indien zij tevens helderhorend zijn, zullen zij de gemartelde ook horen jammeren en gillen van pijn en angst.
Voor de wereld is al deze ellende verborgen.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Omdat vele helderzienden de geestelijke gevolgen van crematie niet zien, kunnen we veronderstellen dat er ook in de mate van helderziendheid veel verschil bestaat.
Deze verschillen worden geanalyseerd in het boek ‘Geestelijke Gaven’.
Meester Zelanus onderscheidt in dat boek zeven graden van helderziendheid en mediumschap.
Hij legt uit tot welke graad Jozef Rulof is gekomen, in welke graden andere mediums werken en hoe je deze graden van elkaar kunt onderscheiden door het handelen en de doorgegeven kennis van deze mediums met elkaar te vergelijken.
In dat boek analyseert meester Zelanus ook het grote verschil tussen westerse en oosterse culturen en hun vergaarde geestelijke kennis.
Hij verklaart waarom het Oosten spiritueel hoogstaander is dan het materialistische Westen, maar dat desondanks de oosterling niet verder geraakt in zijn spirituele zoektocht, omdat hij vooral op zijn eigen verlichting staat ingesteld, en niet op het dienend mediumschap.
Daarom is er in het Oosten geen direct contact met de meesters van het licht:
In het Oosten zijn zoveel wijsgeren, en men heeft contact; merkwaardig dat deze wetten niet kunnen worden ontvangen.
En waarom niet?
De mens stelt zich niet open.
Er zijn zoveel wijsgeren, zoveel occulte mensen in het Oosten, en deze berichten komen niet door.
Integendeel, de wijsgeren zeggen dat het ‘hygiënisch’ is.
Wat?
Hoe is dat?
Ziet u?
Dus direct contact heeft men daar niet eens.
Er zijn er honderdduizenden die openstaan, miljoenen, voor de metafysische wetten, de occulte wetten, spreken en zien, treden uit; en dát weten ze niet.
Dat is het eerste dat de mens moet ontvangen: aanvaard geen crematie.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
De geestelijke wetten van crematie, zelfmoord en balseming konden pas in de twintigste eeuw door de meesters van het licht op aarde gebracht worden, omdat zij pas door Jozef Rulof een medium als instrument hadden die deze wijsheid kon en wilde ontvangen.
De meesters geven aan dat we dit gegeven voor onszelf kunnen vaststellen door de wijsheid die Jeus (Jozef Rulof) heeft ontvangen te vergelijken met hetgeen andere grote wijsgeren hebben gebracht:
Duizenden mensen laten zich cremeren, maar kennen de wetten niet achter de kist, die voor hun ziel en geest.
Ze denken, dit is beter dan die verrotting in de grond, maar zij weten niet, dat juist door die verrotting de geestelijke persoonlijkheid levensaura’s opzuigt en nodig heeft om het geestelijke bestaan te beginnen, die als fundament dienen.
Omdat de stoffelijke mens zijn hiernamaals niet kent, komt hij tot abnormale gedachten ten opzichte van zichzelf in ons leven, dat hebben miljoenen kinderen van de Aarde moeten aanvaarden.
Ge staat thans voor een afschrikwekkende marteling, die met niets te vergelijken is en gij op aarde door het kwaad beleven kunt, dit is zó afschuwelijk, zó ónmenselijk bovendien, dat wij alles doen om die en uw vervloekte crematie op te ruimen en dit eerst nú mogelijk is!
Eerst nú, geachte lezer, omdat wij hiervoor een instrument bezitten.
Waarom heeft Ramakrishna, hebben Dante, Boeddha, Pythagoras, hebben de oude Egyptenaren er niet over gesproken?
Omdat zij dit contact niet konden beleven.
U ziet hierdoor reeds, dat Jeus een wijsheid zal ontvangen die álles overtreft.
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
Het gegeven dat Jozef Rulof in de twintigste eeuw de kennis over de geestelijke gevolgen van crematie kon ontvangen van de meesters, en op aarde brengen, wijst op de geestelijke evolutie van de mensheid.
De meesters noemen de huidige tijdsperiode waarin wij leven ‘De Eeuw van Christus’.

Vlaamse commentaarstem bij filmpje