Dal van smarten -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘dal van smarten’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘Dal van smarten’.

Voordierlijk

De bewoner van de laagste duistere sfeer heeft een voordierlijk gevoelsleven, want een dier op aarde voelt natuurlijker dan deze duistere geest, die tijdens zijn aardse levens duizenden mensen bewust vermoord heeft:
Een dier doet dat niet.
Ja, een dier eet.
Maar de mens moordt bewust.
Een dier doet het alleen omdat het dier eten moet in het oerwoud.
Maar de mens niet.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Om André (Jozef Rulof) duidelijk te maken wat een voordierlijk gevoelsleven is, toont zijn geestelijke leider Alcar hem tijdens een uittreding een bewoner van het dal van smarten:
Kijk, daar voor je ligt een menselijk wezen.”
André keek naar de plaats, die Alcar hem aanwees.
Hij zag niets dan een grijze massa, die zich één voelde met deze omgeving.
„Kom, we zullen hier plaatsnemen.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
André heeft eerst alle duistere sferen gezien die boven het dal van smarten liggen, voordat Alcar met hem tot deze diepe duisternis kon afdalen en hem enigszins kon laten voelen in welke toestand deze bewoners zich bevinden.
Om die toestand aan te voelen maar toch zichzelf te blijven, moet André zich hevig concentreren:
André voelde zich innerlijk stil worden.
Er was hier iets, dat hij niet onder woorden kon brengen.
Het benam hem de moed zich nog verder te verdiepen in al deze narigheid.
Geen kracht voelde hij meer om verder te kunnen gaan.
Het duizelde hem, hij was bedroefd, diep bedroefd over alles, wat hij had mogen zien.
Alcar zag hem aan en zei: „Kun je niet verder, mijn zoon?
Zullen wij terugkeren?
Als het te veel voor je is, gaan wij terug naar de aarde.
Ik help je immers?”
„Wat is het Alcar, dat in mij is gekomen?”
„Niets dan de invloed uit deze sfeer voelt mijn zoon.
Span al je krachten in, André, niet spoedig zul je hier terugkeren.
Tracht God om kracht te vragen, je moet het willen, anders houden mijn krachten op te bestaan, ik kan je dan niet helpen.
Lang zul je moeten wachten, omdat eerst je geestelijke krachten ontwikkeld zullen worden.
Houd je alles uit, dan zal het wijsheid in de geest voor je betekenen.
Ik zal je steunen, mijn jongen.
Weet dat je veel mensen op aarde zult moeten overtuigen.”
André bad in stilte om kracht tot de Vader; hij voelde zich na enige tijd fris worden en met nieuwe moed spande hij zich in om zijn geliefde leider te volgen.
„Gaat het wat beter, mijn zoon?”
„Ja, Alcar, ik heb nieuwe krachten gekregen om u te kunnen volgen.”
„Je bent de enige, want velen, die werden meegenomen, moesten terugkeren.
Maar ik heb je reeds verteld, dat je het leed van vele wezens niet kunt dragen.
Verbinding is aanvoelen, doch door het leven aan te voelen, behoeft men niet ten onder te gaan.
Het is het bewijs, dat je concentratie maar half is ingesteld.
Doch dit alles zul je leren.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
André wil weten wat een mens op aarde gedaan heeft om zich tot een dergelijke duisternis te verlagen:
Het was ook zo onbegrijpelijk voor hem.
Niets dan leed, leed en smart zag hij.
Hoe kon een mens zo veel kwaad doen.
Hij zou gek worden, als hij daar geen antwoord op kreeg.
Nu wist hij, waarom het hem bevangen had.
Het duizelde hem.
Kon een mens zover verongelukken?
Het waren voor hem problemen.
Welk kwaad kon een mens op aarde verrichten om op deze toestand afstemming te vinden?
Was een moord niet het ergste wat men op aarde een mens kon aandoen?
Werd men daarvoor zo vreselijk gestraft?
Was dit de afstemming op de daad?
Droevig was het.
Hij kon bijna niet meer denken.
Waar was hij al niet geweest?
Thans stond hij voor een mens, die als een hoop vuil terneer lag, onbewust van zijn eigen leven.
Waar was hier het einde?
Hij keek naar zijn leider, die hem liefdevol aanzag en zei:
„Sterk zijn, André.
Je bent in opstand.
Aanstonds zal alles je duidelijk worden.
God kent al Zijn kinderen, geen kind Gods wordt gestraft.”
„Wat zegt u?
Geen kind Gods wordt gestraft?”
„Klinkt dat zo ongeloofwaardig?
De mens doet het zelf, zelf wil hij dat.
Is je alles duidelijk?
Ik zal mij trachten te verbinden en je vertellen, wat ik waarneem.
Misschien zal dan alles voor je opgehelderd worden.
Luister goed.”
Alcar concentreerde zich en André was in een vreselijke spanning.
Wat zou zijn leider zien?
O, hij was zo nieuwsgierig.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Alcar ziet een aards leven vol van haat en heerszucht:
„Hij, die daar voor ons ligt, zie ik op aarde, als klein kind.
Hij is jong en schoon, omgeven door veel rijkdom.
Ik ben in het Oosten.
Op een prachtig mooi buiten, daar leeft hij.
Vele anderen zijn om hem heen.
In prachtige gewaden zijn ze gekleed.
Thans zie ik een ander mens; dat is zijn vader.
Versierd met de kleuren van zijn land trekt hij ten strijde.
Hij houdt zijn kind in de armen.
Lang duurt het voor hij kan vertrekken.
Hij keert niet weer.
Nu zie ik hem, jong en schoon, in een prachtig gewaad gekleed.
Weer een ander beeld.
Thans zit hij te paard en ook hij trekt ten strijde.
Hij is een Arabier.
Velen begeleiden hem ten strijde.
Ook hij gaat ten onder.
Ik zie hem terug op het slagveld.
Verschillende beelden, die een zelfde toestand weergeven, waarin hij moord na moord verricht, anderen vernietigt.
Als overwinnaar treedt hij tevoorschijn.
Zijn verschrikkelijke haat brengt hem in deze toestand.
Moord na moord geschiedt.
Nog is het niet genoeg.
Ik zie, dat hij honderden op verachtelijke wijze ombrengt.
Haat en heersen, dat is zijn leven.
Nu zie ik een kamp.
Thans vervaagt het beeld.
Dit wezen André, is niet wakker te schudden.
Honderden jaren zal het nog duren, voor hij ontwaakt zal zijn.”
„Ziet u nog meer, Alcar?”
„Ik zal trachten mij te verbinden.
Weer zie ik een kamp.
Ook hem zie ik.
Op een afstand ziet hij toe hoe zijn strijders de ongelukkigen, die in het kamp leven, vermoorden.
Alles is zijn wil.
Er heerst diepe rust.
Het kamp wordt in brand gestoken.
Als levende fakkels worden honderden verbrand, niet één ontkomt.
Het zijn gewonden.
Vreselijk is hun einde.
Niet alleen dat hij moordt, maar de vele gewonden worden op zijn bevel afgemaakt.
Het is een beest, André.
Deze mens heeft de dierlijke afstemming overschreden.
Heb geen medelijden met hem, doch voel liefde.
Ik zag slechts taferelen.
Hoe zal zijn gehele leven op aarde zijn geweest?
Hier ligt hij en is zich er niet van bewust, wat hij in een klein aards leven tot stand bracht.
Is het niet afschuwelijk?
Hij was een held, een meester in het kwaad.
Maar hoe velen zijn er niet, die in stilte het mensdom vernietigen, die in hun stille kamers over de mens verderf en ondergang uitstorten?
Daar zijn nog meerdere wezens.”
„Ziet u van hen ook iets?”
„Ik zal het proberen, mijn jongen”.
André zag, dat zijn leider zich opnieuw concentreerde.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Niet alleen krijgsheren liggen hier neer, maar ook geleerden die het kwaad dienden:
„Ook dit wezen is een man, een geleerde van de aarde.
Ik zie een klein dorpje, omgeven van bergen, aan het gezicht van de wereld onttrokken.
Eenzaam ligt het daar, alsof het droomt.
Het is mistig.
Ik kom thans in een laboratorium.
Ik vind hem daar terug en een tweede persoon is bij hem.
Ik hoor een ontzettende knal, alles vliegt uiteen.
Het dorpje is van de aarde verdwenen en daarmee honderden mensen, kinderen en ouderen.
Uitvinders waren zij.
Veel hadden zij tot stand gebracht.
Meesters in het kwaad, mijn zoon.
Ze werden door het kwaad vernietigd.
Zijn gave werd misbruikt om het mensdom af te maken.
Neen, daarvoor geeft God de mens die krachten niet.
Zij moeten dienen om de mens te steunen.
Doch hoe wordt alles misbruikt!”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Een andere bewoonster was een meesteres in het kwaad:
„Daar ligt nog een wezen, Alcar.”
André zag, dat zijn leider zich opnieuw concentreerde.
Stil was het.
Wat zou Alcar nu zien?
Arme mensen, die hun goddelijke gave verknoeiden.
Hoe groot was het, zoiets schoons te ontvangen en hoe weinigen begrepen een gave.
Alcar sprak tot hem: „Een vrouw, André?”
Hij huiverde.
Een vrouw?
Kon een vrouw zich zo vergeten?
Aan de vrouw schonk God de schoonste en heiligste gave, die een mens op aarde kon ontvangen.
Kon dat?
Het was toch niet mogelijk, dat een moeder zoveel kwaad kon doen?
„Luister, mijn zoon.
Eens leefde zij in een paleis, gekroond en geëerd.
Haar gemaal zie ik ook, maar deze leeft in een andere toestand.
Zij zijn reeds lang aan deze zijde.
Haar leven op aarde is een leven geweest ter vernietiging van mensen.
Alles om haar heen is dood en verderf.
In kerkers gegooid, als prooi der wilde dieren, om zich zelf te verzadigen.
Honderden gehoorzaamden haar en voldeden aan haar grillen.
Mensen liet zij dood martelen om aan hun pijnen zich te verzadigen.
Wanneer er bloed stroomde, beleefde zij haar dierlijk leven.
Verdierlijkt was zij.
Haar hartstochten waren machtiger dan de stormen van de oceaan.
Haar menselijk intellect bedwelmde haar hartstochten.
Haar zinnelijk leven, haar genot om te vernietigen, bracht haar in deze toestand.
Een meesteres in het kwaad.
Ook zij ging over, zoals zij velen liet ombrengen.
Vreselijk is het beeld, dat ik zie.
Haar krokodillen werden gevoed door honderden levens op te offeren.
Dit is hartverscheurend, André.
Veel vrouwen bracht zij om, die haar in schoonheid evenaarden.
De mens diende, door haar macht, als voedsel voor de dieren.
Kan het nog erger dan zij heeft uitgedacht?
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
De gevoelstoestand van deze bewoners is lager dan van roofdieren:
Zie op aarde, nog leven daar deze verschrikkelijke wezens.
Later, op onze andere reizen, zal ik je dit alles aantonen.
Nu nog vernietigt één mens duizend anderen.
Zijn deze niet dieper afgedaald dan de beesten?
Een dier verzadigt zich en gaat heen, de mens bezit een denkend intellect en gaat door met vernietigen.
Een mens is nooit verzadigd.”
André begreep nu, hoever zich een mens kon vergeten.
Overal waar hij keek, lagen mensen, die niets dan leed en smart aan anderen hadden begaan.
Waarlijk, hier was het een dal van smarten.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Ze zijn afgedaald tot de voordierlijke levensgraad:
Het zieleleven in deze hel ligt er neer en is onbewust van al het andere leven van God, doordat dit menselijke wezen al de bestaande wetten overschreden heeft.
Die mensen hebben afstemming op de voordierlijke levensgraad.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Hier leven geen mensen die op aarde arm aan bezit waren:
„U zei, Alcar, dat hier geen armen van de aarde leven.
Hoe komt dat?”
„Ik zei je toch, dat zij op aarde die krachten en machten niet bezitten.
Hun armoede op aarde is hun geluk aan deze zijde.
Zij zijn dus niet in staat om zo diep te kunnen zinken.
Zij kunnen zich geestelijk vergeten, een moord begaan en enkelen zelfs zijn hier, maar toch is het voor hen niet mogelijk, al zouden zij het willen, om duizenden in een oorlog te zenden.
Zij zijn geen geleerden, geen genieën, geen heersers van de aarde.”
„Wat zouden zij doen, Alcar, wanneer zij die macht zouden bezitten?”
„Handelen naar hun gevoel.
Doch er zijn vele armen, die zullen uitroepen, ik heb meer rijkdom aan mijn geestelijk gevoel dan zij met al hun bezit.
Op aarde zijn deze wezens en wij kennen ze.
En al deze toestanden betekenen de kringloop der ziel, omdat de mens op de Kosmos afstemming heeft, waarover ik je later zal vertellen, wanneer wij in de hogere gebieden zijn gekomen.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936

Hitler en soortgenoten

Meester Zelanus verklaart hoe tijdens de grote oorlogen de mens met voordierlijke gevoelens zich uitleeft op aarde:
De astrale mens met de miljoenen anderen, die met hem deze wereld vertegenwoordigen, hebben zich uitgeleefd.
Er is geen kwaad te bedenken, of zij hebben het bedreven.
Zij martelden het leven van God en vernietigden het en deden dit bewust!
Dit zijn de hyena’s der mensheid, ze leven hier tezamen en zijn voor hogere werelden afgesloten.
Dit is hun eigen wereld, hun sfeer en hun geestelijke afstemming.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
In het dal van smarten beleven ze hun voordierlijke gevoelsgraad:
Zij overvielen op Aarde duizenden mensen, hebben deze levens gemarteld en gepijnigd tot de dood intrad, maar ontvingen na hun aardse leven deze wereld, deze stinkende poel van ellende, waarin ze thuis horen, doordat ze er zich op afstemden.
Zij brachten leed en smart, hel en duivel over de massa, maar schiepen zich er een duisternis door, een hol in deze wereld, zoals gij wellicht op Aarde niet kent.
Hierin zouden zij hun eigen leven beleven!
Eraan ontkomen was niet mogelijk, hun sfeer hield hen gevangen!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Tijdens de Tweede Wereldoorlog konden ze zich op aarde uitleven:
Mensen met deze vreselijke afstemming leven ook nu op Aarde.
Ze betekenen voor duizenden mensen een verschrikking, het ongeluk!
Deze oorlog bracht ze bij massa’s in uw midden, gij hebt hen dus leren kennen.
Velen van u hebben hun martelingen moeten ondergaan en bezweken erdoor.
Deze onderste hel zal ook hen aantrekken, zij, die dachten zich aan het leven van God te kunnen vergrijpen.
Maar in ons leven zien zij zich voor deze wetten geplaatst, op Aarde echter kennen zij ze niet en leven maar raak.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Door hun beestachtigheid scheppen zij zich hun eigen hiernamaals:
In de vale hellen leeft de eigen soort bijeen, op Aarde is dat niet mogelijk, bij u leven al deze soorten van mensen door elkander over de Aarde verspreid, uw maatschappij vormde zich zo.
Na hun aardse leven overheersen hen evenwel de goddelijke wetten, God weet waar zij zich in de laagste hellen zullen bevinden.
En deze geestelijke afsluiting heeft die mens zelf gewild.
Hij sloot zich tevens voor het hogere leven en bewustzijn af.
Alleen door wilskracht en door het dienen van Gods leven zijn andere en hogere werelden voor hen te bereiken.
Het zieleleven in de diepste hellen begint daar echter nog niet aan en zal daarom naar de Aarde terugkeren om daar goed te maken, wat het in vele levens heeft vernietigd.
Het ligt aan ons zelf welk leven wij willen volgen, welke wetten wij ons willen eigen maken.
Zoeken wij in het leven op Aarde het kwaad, dan moeten wij na het stoffelijk einde de hellen aanvaarden.
De mens zelf schept zich dus een eigen hel of hemel, en deze is de geestelijke afstemming na de dood!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Tijdens de wereldoorlogen waren ze te herkennen aan hun voordierlijke gedrag:
De mensen, die een hel in zich dragen, kunt u op Aarde toch herkennen.
Zij brengen heel veel leed over anderen, zij kunnen op Aarde over duizenden levens beslissen, hun taak en het stoffelijk bezit op Aarde geeft hun deze mogelijkheid.
Ze hebben zich die maatschappelijke toestand eigen gemaakt.
Als deze mensen nu maar een ander leven hadden beleefd, zouden ze een hogere wereld zijn binnengetreden en behoorden ze wellicht tot de sferen van licht.
Door het kwaad gaan zij evenwel ten onder.
Al uw sadisten, die thans denken, het mensdom te mogen martelen en te vernietigen, zullen na hun dood hier binnentreden en maken dan deel uit van deze hellewereld.
Het kwaad van die wereld zuigt dan hén leeg, zo zullen zij ontvangen, wat zij op Aarde anderen aandeden.
Dat zijn de wetten van ons leven en die wetten roepen hun hier het geestelijk halt toe.
God wil, dat wij Zijn Leven liefhebben, maar hoe beleefden zij hun levens?
Iedere verkeerde gedachte zelfs moeten wij goedmaken.
Maar deze onmenselijke wezens gaan over lijken!
Elke seconde komen dergelijke demonen van de Aarde hier aan en behoren nu tot deze wereld.
Op Aarde kunt u hen herkennen, zei ik u zo-even, zij moorden, roven en scheppen er genoegen in u levend te zien verbranden, zij genieten van uw ophanging, zij vergiftigen uw levensdronk en zijn de verkrachters van uw levensbestaan.
Zij brengen littekens aan door hun eindje sigaret, dat ze op uw naakte lichaam uitdoven, zij slaan wonden en vertrappen harten, zij zuigen uw kind leeg en gooien het als een wrak van zich af, duivels, satanisch zijn hun handelingen geweest tijdens de uren, die de mensheid thans heeft moeten beleven.
Zij vergrepen zich aan kinderen en aan ouden van dagen, zij hebben voor niets en voor niemand ontzag, deze sadisten van de twintigste eeuw, die aan deze zijde de laagste hellen zullen bevolken.
Ik behoef u niet te vertellen, hoe zij zich in deze oorlogsjaren hebben gedragen, het is u bekend.
Mij gaat het erom, u aan te tonen welke afstemming deze zielen voor ons leven vertegenwoordigen en dan leert u al deze levensgraden en astrale werelden kennen.
Duivels is hier de stank van hun rottend leven, slecht en afgrijselijk is zijn gestalte, maar dit heeft God niet gewild, dat hebben deze mensen zichzelf aangedaan!
In deze laagste hel leeft de heerser van het kwaad, deze mentaliteit bevindt zich in de eigen levensafstemming.
De diepste duisternis aan deze zijde wacht hen op en niemand of niets kan daar iets aan veranderen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Voor Hitler kan het wel honderdduizend jaar duren voordat hij het dal van smarten kan verlaten om weer op aarde tot bewustzijn te komen:
Hij komt ook weer tot het bewustzijn, voor terug te keren naar de aarde.
Kan nog wel een honderdduizend jaar duren.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Hetzelfde geldt voor Napoleon:
Die kan ook niet eerder dan over honderdduizend jaar terugkomen en bewustzijn krijgen, want die heeft ook iets gedaan op deze wereld.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950

Ontwaking

Het geestelijke lichaam wordt gevormd naar het gevoelsleven van de ziel.
Elk afbrekend gevoel en iedere verkeerde gedachte heeft invloed op de vorming van het geestelijke lichaam.
Duistere en onnatuurlijke gedachten vervormen de natuurlijke menselijke vorm van het geestelijke lichaam.
Wanneer alle gevoelens en gedachten onnatuurlijk en afbrekend zijn geworden in de extreme graad van het voordierlijke bewustzijn, dan wordt het geestelijke lichaam ook in extreme mate vervormd tot een hoop slijm dat op een kwal lijkt:
Dus de goddelijke ziel is de stuwing voor organisme.
Ja, dat is nou goed.
Is dat niet zo?
De goddelijke kern in ons geeft u pertinent een nieuw leven.
En we hadden ook harmonie, rechtvaardigheid gekend in al die miljoenen levens indien wij niet naar die duisternis hadden gekeken.
Maar de goddelijke kern ...
U hebt toch in ‘Een Blik in het Hiernamaals’ gelezen: er leven daar mensen in de duisternis als kwallen aan het strand.
Dat is toch erg?
U kunt, wij kunnen onszelf verkwallen, dame.
En dan blijft er ook pertinent niets meer van ons bewustzijn over, want wij mismaken alles.
Elke verkeerde gedachte is al de mismaking van de goddelijke harmonische geest voor de mens.
Begrijpt u dit?
Elke mismaking, elke verkeerde gedachte is de mismaking van de goddelijke harmonische geestelijke mens.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Het voordierlijke gevoelsleven is helemaal verslijmd:
Als kwallen ligt de mens daar in de duisternis aan het strand, er is geen strand, maar ze liggen daar als kwallen, verslijmd.
Kunnen wij ons op aarde dan niet in deze maatschappij verslijmen, veretteren?
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Een rottend kadaver is er niets bij:
Kwellend voor hen is de stank, waarin ze leven.
Het is de stank, die van hun eigen innerlijk uitgaat.
Ik kan geen woorden vinden, die deze afschuwelijke reuk kunnen weergeven.
Hij is erger dan de weerzinwekkende lucht, die van een rottend kadaver uitgaat.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Het massale moorden bracht hen in deze toestand:
Wij hebben de mens gevolgd die álle wetten overschreden heeft.
Die mensen liggen in deze wereld als kwallen aan ’n strand en bezitten géén leven meer, noch dood.
Zij hebben de massa vermoord.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Maar hoe diep deze mensen ook gedaald zijn, toch is er iets dat hen terug tot de normale werkelijkheid zal voeren.
Dat ‘iets’ is hun goddelijke kern, hun ziel:
Maar die goddelijke kern in ons voert de mens uit dat kwallenbestaan terug tot de werkelijkheid.
Anders bleef de mens kwal.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
De ziel wringt dat kwallenbestaan weer tot werking:
Dus die goddelijke kern, dat is bewezen, kruipt door graniet, dame.
Een zaadje op de grond, een graszaadje, een sprietje komt zo door die harde stenen, of naast die stenen vandaan en wringt er zich eerst in en gaat erdoor, onherroepelijk, door asfalt heb ik gras zien groeien.
En dat moest, dat arme kleine zaadje, die had ...
De mens zegt: ‘Hoe bestaat het?’
Maar dat grassprietje liet asfalt, beton scheuren!
Dat is bewezen.
Zo machtig is die onbewuste goddelijke cel in ons.
Die is nog onbewust, zeggen wij, onbewust goddelijk, maar die wringt dat kwallenbestaan weer tot werking.
En dan komt de mens ... de mens als gevoelsleven wordt weer wakker en hij móét verder, of hij wil of niet.
Verdoemdheid ligt dus alweer aan de kant.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952

Reïncarnatie

De bewoners van het dal van smarten kunnen zich alleen van hun duistere toestand bevrijden door te reïncarneren op aarde en het andere leven te gaan dienen in plaats van te vernietigen.
Al die heersers, die vernietigers moeten verder en hoger en daarvoor is de wedergeboorte op aarde, of zij kwamen niet verder.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Dit geldt voor Napoleon en al zijn soortgenoten:
Die ligt daar nóg als een kwal aan het strand.
Die moet eerst weer tot het leven komen, en dat is de wedergeboorte.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Hoe meer hun gevoel is afgedaald tot het voordierlijke, hoe langer het zal duren voordat zij opnieuw kunnen reïncarneren:
Er is er één hier die miljoenen mensen heeft omgebracht.
Stel je straks zijn strijd, zijn leed en smart voor.
Hij zal nog duizenden jaren lang moeten slapen, eerst dan zal ook hij opnieuw geboren worden.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Alleen in ontelbare nieuwe aardse levens kunnen zij hun vreselijke daden goedmaken:
Wij, mijn broeder André, hebben deze wetten voor de boeken „Het Ontstaan van het Heelal” mogen beleven.
Wanneer de ziel de wetten van God overschreden heeft, dat mogelijk is, door moord ná moord te beleven, ligt zij in de astrale wereld neer als een kwal aan het huidige strand en kan afwachten, doch móét thans terugkeren tot de Aarde om die disharmonische daden goed te maken.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944