Mozes’ wedergeboorte op aarde

Het leven op Aarde is een chaos.
De mensen begrijpen niets van zichzelf en van het leven, waarin zij staan.
Zij leven zich uit en keren zich niet tegen hun hartstochten, die hen steeds verder wegvoeren van de weg, die God Zijn kinderen gewezen heeft.
Toch is er al een kleine vooruitgang te bemerken.
Er zijn reeds zielen, die zich afzonderen en aan een hoger leven beginnen.
Zij voelen scherper dan de massa, dat een hogere macht bezig is op de mensen in te werken.
Zij spreken al over een God, over een oppermacht, die mens en dier en wereld geschapen heeft.
Verscheidene van hun leiders zijn door die God aangeraakt.
Hij sprak hen toe en gebood hun Hem te dienen en de andere stammen van Zijn bestaan en Zijn geboden te spreken.
Zij ondervinden, dat hun God hen leidt en bijstaat en ze putten kracht uit Zijn steun.
Veel is er door de meesters dus al bereikt, maar toch zijn zij niet tevreden.
De massa moet krachtiger bewerkt worden en om zulks te kunnen doen, hebben de kinderen van Israël een sterke persoonlijkheid nodig.
Wie zal die enorme taak op zijn schouders kunnen nemen?
Wie is ertoe geschikt de domme, zich in hartstocht uitlevende massa wakker te schudden en zo nodig krachtdadig de ogen te openen voor de geestelijke zijden van dit leven?
De meesters weten het antwoord op de vragen.
De mens, die deze gewichtige taak vervullen zal, leeft aan Gene Zijde, maar weet zelf nog niet wat hem wacht.
Deze mens toeft in het schemerland en hij is een van de velen, die zich afvragen, wat hij voor het geestelijk ontwaken van de mensheid kan doen.
Moet het leven op Aarde zo voortgaan, overpeinst hij, walgend van de brute zinnelijkheid, waaraan dit leven zich zonder ophouden overgeeft.
De mens denkt niet, leeft zich slechts uit en beseft niet, hoe hij zichzelf erdoor vernietigt.
Hoe wil deze mensheid dan weten, dat er een leven na de dood is?
Dat er een andere wereld bestaat, waarin de ziel verder leeft?
Daarvan, zo voelt deze mens, moet de massa weten, anders is zij niet op te trekken.
Hij zou weer terug willen zijn op Aarde en staande te midden van de mensen willen getuigen, dat de ziel na de dood verder leeft.
Hij zou hem toe willen schreeuwen, zich af te keren van de hartstocht en zich te gaan voorbereiden op het leven na de dood.
Maar hoe zou hij opnieuw geboren kunnen worden, hij, die de Aarde voorgoed verlaten heeft?
Zou de Oppermacht zijn wens niet waar kunnen maken?
Men spreekt er hierover, dat er voortgang is, de mens hoger en hoger kan gaan.
Er moeten werelden zijn, waar het altijd licht is en zielen wonen, die zich bewusten kunnen noemen.
Zijn zij niet in staat hem te helpen?
Hij verlaat zijn schemeroord en daalt af naar de Aarde.
Hier gaat hij van stad tot stad en volgt de bewoners ervan.
Hij neemt waar, hoe meedogenloos het ene leven het andere behandelt, hij ziet de verdrukten en de rijken der Aarde.
Hij staat midden in hen, op de dag en in de nacht, en blijft zichzelf, ook als hij beleeft, hoe man en vrouw één zijn.
Hij zoekt deze belevenis niet meer, dit hoort de aardse mens toe.
Hij kent deze wetten, hij heeft die als stoffelijk mens en als astrale persoonlijkheid beleefd.
Hij wil slechts dienen en verlangt ernaar opnieuw op Aarde geboren te worden.
Maar wie geeft hem het nieuwe organisme?
Hij daalt in de moeder af, juist op het ogenblik, dat de bevruchting plaatsvindt.
Zo hoopt hij een nieuw lichaam te ontvangen.
Maar hij moet ervaren, dat het een andere ziel is, die aangetrokken wordt en hem buitensluit.
Hij moet uit de moeder gaan, dit is niet voor hem.
Wie staat het deze ziel toe in de moeder af te dalen om een nieuw lichaam te ontvangen?
Welke kracht, welke macht beschikt het zo?
Zijn deze wetten niet in eigen handen te krijgen?
Waar valt dit te leren?
Ik wil naar de Aarde terugkeren en er opnieuw leven.
Ik wil die domme massa helpen, wakker te worden.
Zie toch eens hoe stakkerig ze zijn.
Wat zullen ze veel goed te maken krijgen, wat moest ik al niet lijden, omdat ik mezelf en het leven niet kende!
Ik zou op hen in willen hakken, hard, hard, om hun toch maar aan het verstand te brengen, dat ze bezig zijn zichzelf te vernietigen.
Hóe kan ik opnieuw geboren worden?
Hij zoekt het schemerland weer op, trekt zich in de eenzaamheid terug en vervalt in droef gepeins.
Hevig en diep is zijn verlangen.
Het laat niet af, maar wordt nog sterker.
Het is ondraaglijk nu.
Dan gaat deze mens voelen, dat hij niet alleen is.
Dit stoort hem, hij wíl alleen zijn.
Hij staat op en trekt nog verder weg.
Hier, afgezonderd van elkeen, peinst hij verder.
Maar weer, en sterker nog, komt het gevoel terug, dat hij niet alleen is.
Er spreekt iemand in hem.
Ja, als hij een vraag zou durven stellen, zou hij zeker antwoord krijgen.
Wie is het, die hem in zijn eenzaamheid gevolgd is?
Is het een mens?
Zou die mens hem iets te zeggen hebben?
Hij durft niet te spreken.
Hij voelt in en om zich een grote kracht.
Wie is het?
Wat is het?
Dan opent hij de mond en vraagt zacht:
„Wie is erom mij heen?
Kunt gij mij antwoorden?”
En hij hoort een stem, die zegt:
„Wat u voelt, zijn Mijn gevoelens.”
En hevige schrik bevangt hem.
Een mens sprak er tot hem en toch is deze mens niet waar te nemen.
„Wie bent U?
Waar zijt Gij?” vraagt hij nu.
„Ik behoor tot het leven, zoals gij ertoe behoort, want Ik ben het die Mij aan u gaf.”
„Ik begrijp U niet.
Kunt U iets duidelijker zijn?”
„Daar waar u leeft, leeft ook Mijn leven.”
„Maar zeg mij toch wie U bent.”
De stem antwoordt: „Uw oppermacht, uw God, uw Schepper.”
In de hoogste verbazing vraagt de mens:
„Zijt gij wezenlijk de kracht, die alles geschapen heeft?”
„Zo is het.
Ik kom tot u om u te helpen.
Wilt gij naar Mij luisteren?
Wilt gij niet terugkeren naar de Aarde?
Wilt gij voor Mij dienen?
Wilt gij niet een nieuw lichaam ontvangen en daarin voor Mij werken?
De aardse mens moet geholpen worden, zo is Mijn wens!
Wilt gij niet hetzelfde, wilt ook gij niet, dat de mensheid ontwaakt?”
„Gij weet, wat er in mij leeft?”
„Hoort gij niet, dat Ik u ken?
Ik ken al uw gedachten en verlangens.
Ik weet wat gij voelt en waarom gij de eenzaamheid opzoekt.
Het is daarom, dat Ik tot u kom.
Waarlijk, mijn kind, Ik ben als God.
Ik ben als gij zijt, Ik ben één met uw leven.
Ik zal u de wedergeboorte schenken.”
„Kunt Gij mij wezenlijk geven wat ik verlang te bezitten?
Als dat zo is, als Gij waarlijk God zijt, geef mij dan een nieuw kleed.
Ik wil daar werken.”
„Gij zult uw nieuwe kleed ontvangen.”
„Wat betekent dit woord, ik bedoel, het woord God?”
„Het woord God betekent: Ruimte, Onmetelijkheid, het betekent Leven!
Het woord betekent: Liefde.
Wie Mij zoekt, zal het eeuwige geluk vinden.
Wie Mij waarachtig aanvaarden kan en Mij dienen wil, zal Mij leren kennen ...
Ik leef in deze ruimte en kan alles schenken, wat gij verlangt, als ge Mij maar zoekt.
Ik ben tot u gekomen, omdat gij wilt dienen.
De betekenis van Mijn leven zult gij leren kennen.
Geef de mensheid op Aarde Mijn beeld, vertel haar van uw wijsheid.
Blijf voortgaan op de weg, die u bent ingeslagen en die naar Mij voert.
De mens moet God leren kennen.
Waarin u leeft, voelt en ziet is het weten van God.
Al het leven in de ruimte vertegenwoordigt Mij als God.
God omvat álles, dit woord geeft u de betekenis van Mijn leven.
Door dit éne woord overziet gij uw eigen leven en het Mijne, álles ligt er in besloten!
Ik ben het Universum, Mijn kind.
Ik ben het leven.
Ik ben de Liefde.
Ik ben in álles.
Ik ben licht en duisternis.
Ik ben zichtbaar en onzichtbaar en Ik spreek tot u als mens en toch ben Ik God.
Dit moeten de mensen op Aarde leren kennen, eerst dan zien zij in Mijn leven.
Om zulks mogelijk te maken, zal Ik u de macht en de krachten geven om naar de Aarde terug te keren.”
Lang zwijgt de mens, overweldigd door wat de stem hem geopenbaard heeft.
Dan vraagt hij:
„Maar waarom komt Gij tot mij en niet tot al die anderen, die hier leven?”
„Is er één onder hen, die gereed is om af te dalen?
Is er in hen het verlangen, dat in u leeft?
Zijn zij waarlijk wakker voor dit leven?
Niet één onder hen is zich bewust van z’n denken en voelen, zoals gij dat zijt.
Ik heb u nodig, gij zijt gereed voor de taak, die Ik u op wil leggen.
Gij moet er al uw krachten voor geven.
Ik ga met u en zal steeds naast u zijn om u te helpen.
Hij, die, zijnde in uw staat, naar de Aarde wil terugkeren, moet willen dienen.
Gij bezit die verlangens.
Blijf nu mediteren, blijf ingesteld op wat Ik u zei en verlang om het leven op Aarde te ontvangen.
Wacht en gij zult Mijn wetten leren kennen.”
„Zal ik U daar zien – God?”
„Twijfelt gij aan mijn woord?”
„Het is moeilijk te geloven dat ik de nieuwe geboorte zal beleven.”
„Gij moogt niet twijfelen.
Ik zeg u, gij zult terugkeren naar de Aarde en daar zult gij Mij horen.”
„Zal ik daar dan alles van dit leven weten?”
„Gij zult er weten, wat Ik u geven zal.
Het leven daar gaat voor dit.
Al het andere zal weer in u komen als ge naar deze zijde terugkeert en uw taak volbracht is.
Ge zult de mensheid dienen, maar daardoor tevens voor uzelf verdienen.
Gij zult Mijn rijk leren kennen en de wetten van al Mijn leven eigen maken, eerst dan komt het geestelijke ontwaken voor uw eigen leven.”
„Wat wil dit zeggen, mijn God?”
„Eerst later zal u dit duidelijker worden.”
„Ik heb daar niet aan gedacht.
Maar wat wilt Gij mij dan schenken, God?”
„Wat Ik u schenken zal, is het eeuwige leven, Mijn eigen hemelrijk.”
„U bent de macht, waarover men hier spreekt?”
Hij twijfelt er niet meer aan, deze mens, maar het wonder, dat hij thans beleeft, is zo machtig en het verwerken ervan bijna ondraaglijk.
„Ik ben die macht, die u het leven zal geven,” antwoordt de stem.
„Op Aarde zult ge Mij horen en Mij herkennen.”
„En onder al die mensen zult Gij mij vinden?”
„Weet Ik ook thans niet, waarnaar gij verlangt?
Luister goed!
Ik eis niets van u, gij zelf hebt uw taak gewild.
Hoort ge Mij nu?”
„Ik hoor U, geen woord is mij ontgaan.”
„Welnu, dáár zullen wij één zijn als op dit ogenblik.
In niets zal deze band gestoord worden.
In uw denken en voelen zult ge Mij horen en uw bevelen ontvangen omtrent vele zaken.
Van nu af aan zijt gij met het Al verbonden.
Met Mijn leven en dat van uw God, de schepper van Hemel en Aarde en al het leven in de ruimte.
Thans zijt gij gereed.
Ik groet u nu.
Ons werk gaat beginnen!”
De mens is weer alleen.
Hij denkt lang en diep na over wat hem gezegd is.
God?
God?
God?
Het woord daalt in hem af, neemt bezit van hem.
De astrale persoonlijkheid voelt er zich één mee.
Telkens herhaalt zij het woord.
‘Ik ben God en door Mijn kracht zult ge naar de Aarde terugkeren.’
Hoe zal mijn leven daar zijn?
Hij komt niet uitgedacht, deze mens, hij blijft in diepe meditatie.
Dan voelt hij zich verwazen.
Hij wordt als een schijngestalte.
Meer en meer lost hij op.
God?
Waar is God nu?
Zal hij mij volgen?
Ik ben stervende.
Ik zink weg in een ongekende diepte.
Waarheen ga ik?
Is dit nu de geboorte?
De wereld van het onbewuste heeft deze mens opgenomen.
Wie is hij?
Mozes is zijn naam.
Als Mozes zal dit leven op Aarde geboren worden en deel uitmaken van het Huis Israël.
Aan Deze Zijde heeft men het oplossen van deze ziel in de wereld van het onbewuste gevolgd.
Niet God was het, die tot haar sprak, maar een engel, een meester in het eeuwige leven, een bewuste vonk Gods.
Nu zullen de wetten van God tot werking komen.
God zal hem helpen.
Wie liefde bezit en dienen wil, zal ontvangen, wat hij nodig heeft.
Dit beleven de meesters en dit beleeft Mozes.
Mozes zal op Aarde het woord God opnieuw horen en herkennen, hij zal handelen naar het eeuwigheidsgevoel, dat in hem leeft.
Er is geestelijk bewustzijn in zijn leven gekomen.
En dit zal zich laten gelden!
Hij is gereed voor de grote taak, die hem wacht, en zal te bereiken zijn.
Alle twijfel is uitgeschakeld, er is niets in dit leven, dat weigeren zal.
Door deze mens zullen de meesters op Aarde wonderen tot stand brengen, zij kennen de astrale wetten, ze hebben ze zich eigen mogen maken.
Uit het Al bereikte hem de opdracht met alle krachten de bewustwording van de mensheid ter hand te nemen.
Uit het Al kwam het woord God tot hen, de naam van Hem, Die Zijn schepselen als een Vader en Moeder moesten leren kennen en beminnen.
Uit het Al verkregen ze de gegevens, hóe de mensheid het geloof in Hem te brengen.
„Tot u spreekt het leven van God,” zo hadden de meesters uit het Al gesproken, en hun woorden waren door de zevende sfeer ontvangen.
„Wij zijn Goden.
Eens leefden wij op de Aarde als gij.
De Goddelijke sferen hebben ons opgenomen en toch weten wij, hoe gij denkt en voelt en hoe het leven op Aarde nu is.
Laat u dit tot steun zijn.
De aardse mensheid moet door u tot ontwaking gebracht worden.
Zet alles van uzelf daarvoor in, zoals ook wij onszelf daarvoor hebben ingezet.
Elk schepsel is een kind van God.
Goddelijk is al het leven in de ruimte.
Spreek tot de mensheid als God, of gij wordt niet gehoord.
Baan voor ons de weg, wij komen terug naar de Aarde.
Voor de bewustwording van de mensheid zal de meester uit het Al naar de Aarde afdalen en er geboren worden!
Door hem zal de mensheid tot ontwaking komen.
Wie in Zijn Naam leven wil, zal zijn leven geheiligd zien.
Wij volgen u, wij zijn wachtende.
Als ge met uw taak zover gekomen zijt, zult ge uit deze Goddelijke sferen nieuwe berichten ontvangen en zal de hoogste meester tot u spreken.
Alléén het bewúste gevoel zal naar God kunnen luisteren.
Werk dus aan het bewustzijn van de mens en geef daartoe aan het woord de Goddelijke betekenis!”
Mozes en de zijnen zouden onder leiding van de meesters de weg bereiden voor de hoogste meester uit het Al.
Door Mozes zullen de mensen op Aarde met het Al verbonden worden.
Hem zal het woord bereiken van de mens, die tot God was teruggekeerd en geworden was als God het wilde.
Ja, waarlijk dit woord wás God.
Nog zou het niet dadelijk begrepen worden, hoe simpel het ook was, voor wie de kosmische wetten kent.
Meer zouden de meesters Mozes echter onmogelijk kunnen zeggen.
De bewustzijnsgraad van de mensheid stond het niet toe!
Daarmee moesten zij rekening houden.
En wat ze door Mozes aan haar zouden schenken, zou toch al een geweldige omwenteling in de toenmalige opvattingen teweegbrengen.
Zelfs Christus, de hoogste meester uit het Al, zou de aardse mens niet kunnen vertellen, wat nodig was om hem inzicht te geven in de kosmische wetten, die het Heelal regeren.
Er zouden na Zijn verblijf op Aarde nog eeuwen moeten verlopen, alvorens deze fase in het gigantische plan van Hem en de Zijnen zou zijn aangebroken!
 
Mozes is vanuit de wereld van het onbewuste naar de Aarde aangetrokken.
Hij groeit op, er komt meer en meer bewustzijn in hem.
In hem leeft God.
Mozes weet dit.
Hij krijgt visioenen, God spreekt tot hem in de slaap.
Mozes droomt van een Oppermacht, die hem leiden zal en naar een grootse taak voeren.
Hij ziet de chaos, waarin de mensen leven, hun haat, hartstocht en geweld.
Liefde kennen ze niet, voor het geestelijk leven staat bijna niemand open.
Afschuwelijk is hun hardheid jegens de evennaaste, onmetelijke rijkdom leeft ernaast grenzeloze armoede en Mozes huivert van de ellende, die de wereld hem toont.
In deze duisternis, in deze vreselijke hel, begint Mozes zijn taak.
Hij, nieteling die hij is, moet deze wereld en deze mensen gaan veranderen ...
Ik ga hier niet een uitvoerige beschrijving van zijn leven geven, maar ik volg alleen dat, wat ook betekenis heeft voor de huidige mensheid.
God wil, dat Mozes van zijn volgelingen strijders maakt.
Hij moet in staat zijn tegen de heidenen oorlog te voeren, want het zal niet lang meer duren, of men valt hem en zijn kleine kudde aan.
Hij moet dan weerstand kunnen bieden, wil hij niet met de zijnen uitgeroeid worden.
De meesters van Gene Zijde hebben goed gezien, de heidenen zoeken de stam Mozes te vernietigen, zij dulden haar niet.
Mozes strijdt zijn eerste strijd!
Deze is kort, maar er vloeit bloed en velen van Mozes’ volgelingen worden omgebracht.
En toch is deze korte strijd van Mozes van ontzaglijke betekenis voor de ganse mensheid.
Het is het eerste gevecht tegen de heidenen, duizenden zullen er nog volgen en ze zullen duren tot in uw eigen tijd, lezer, nu voor de laatste maal slag geleverd wordt, een slag, die de kinderen van Israël blijvend over de heidenen zal doen zegevieren!!
De meesters aan deze zijde zien Mozes’ kudde groeien.
Rust krijgt de stam niet, van links en rechts wordt hij aangevallen, uiteengeslagen, maar vernietigd wordt hij nimmer.
De meesters waken!
Zij leiden Mozes en de zijnen door alle gevaren heen, zij zien vooruit en kunnen het leven op Aarde in alles volgen, geheimen bestaan er niet voor hen.
Zij dalen af in de heidense aanvoerders, ze zijn de onzichtbare toeschouwers bij hun handelingen en weten erdoor wat zij in hun schild voeren.
Zij waarschuwen Mozes en zo is deze hen telkens een stap voor.
Waarlijk, Mozes is een profeet, één, die met God spreekt en wonderen doet in Zijn Heilige Naam.
Mozes krijgt de nodige bevelen niet alleen tijdens zijn slaap, maar ook op de dag bij vol bewustzijn.
Op verschillende wijzen kan Gene Zijde hem bereiken.
De intuïtie, die in hem is, maakt hem tot een meester.
Hij is volkomen voor zijn taak gereed, hij leeft in twee werelden tegelijk, doch het is de astrale wereld, die overheerst.
In zich voelt hij het eigenlijke weten.
Hij kent de wereld, die achter de dood ligt, diep in hem ligt en leeft die kennis.
Maar zij komt niet naar boven, z’n astrale bewustzijn behoort nog tot zijn onderbewuste leven.
Mozes inspireert zijn volgelingen, hij onderricht hen in de rustpozen, die zijn vele vijanden hem laten, en geeft hun geestelijk weten.
Hij schenkt hun een geloof.
Toch zijn ze niet zo gereed als hun grote leider.
Wat God van hen allen vraagt is voorzeker niet gemakkelijk.
Hij eist alles van hen.
En te midden van de vreselijke ellende, die ze vaak moeten doormaken, klagen en jammeren ze en schijnen alles, wat Mozes hun aan geestelijke wijsheid bijbracht, vergeten te zijn.
Desondanks vordert Mozes bij de uitvoering van z’n grootse opgave.
Steeds meer mensen sluiten zich bij hem aan.
Zijn wonderen nemen hun twijfel weg, het geloof ontwaakt in hen.
Bij verscheidenen openbaren zich geestelijke gaven, ze worden helderziend en ontvangen visioenen.
Deze zieners en zieneressen vormen een steun voor Mozes in zijn zware strijd.
De meesters werken niet alleen aan dit volk om het groot en sterk te maken en het verder te brengen op de geestelijke weg, zij geven het ook uitvindingen, voeren de kunst op.
Miljoenen zielen van Gene Zijde werken in de sfeer der Aarde en dienen het stoffelijk leven, gedachtig aan het doel van de meesters, steeds meer mensen tot Israël op te trekken, opdat de heidense volken eens in de minderheid zullen geraken en door gebrek aan macht hun op kwaad en vernietiging gerichte plannen wel móeten opgeven.
Mozes weet al, dat hij vecht voor de grondvesting van het Koninkrijk Gods op Aarde.
Deze wetenschap doet hem zo fanatiek verder strijden.
Hij weet, dat hij God en de mensen dient.
Er vloeit veel bloed!
Om te bestaan en te kunnen prediken moet het ene gevecht na het andere worden geleverd.
Mozes’ kinderen doden en worden gedood.
Velen geven hun leven voor de heilige zaak.
Zullen zij in het hiernamaals een hemel binnentreden, wacht hun daar de beloning voor hun strijden en streven?
Mozes weet dat niet, verdiept er zich ook niet in, hij vecht en leert en predikt het bestaan van de Levende Almachtige God, in Wie hij met heel z’n wezen heeft leren geloven.
En als hij zijn einde voelt naderen, weet hij, dat de Aarde door de kinderen van Israël in bezit genomen zal worden.
Op de fundamenten, die hij heeft helpen leggen, zal eens stralend het Huis Israël verrijzen, waarin dan allen zullen wonen, die in een God van Liefde geloven en alles van zichzelf willen inzetten om Gods leven te dienen en geestelijk rijker te maken.