De laatste stormloop van de heidenen tegen Israël

De Duitse legers vallen Polen binnen.
Een rilling vaart door de mensheid.
De vreselijkste aller oorlogen is ontbrand.
Na maandenlang in martelende spanning te hebben geleefd, ziet de mensheid het ongelooflijke waar worden.
Voor de tweede maal in een korte spanne tijds ontketent het kwade in de mens een wereldramp.
Had dit verschrikkelijke niet voorkomen kunnen worden?
Kan God dan niet ingrijpen?
Miljoenen mensen vullen de kerken en smeken God om bijstand.
Maar intussen grijpt de oorlog al met razende snelheid om zich heen, duizenden mensen onder zijn geweld verpletterend.
De veertig procent in Duitsland schrikken wakker, nog geloven zij niet, dat de oorlog uitgebroken is.
De Führer voert ons in een nieuwe oorlog?
Het is niet waar!
Het is onmogelijk!
Maar wat haast niet te aanvaarden is, behoort tot de werkelijkheid.
Het fatale bevel is gegeven.
Wat ging er om in die ene mens, die over oorlog en vrede, over leven en dood van miljoenen had te beslissen?
Wat ging er om in Adolf Hitler, in die uren, dat hij tot z’n vreselijke, adembenemende besluit kwam?
Niet één mens op Aarde weet dit, want hij, die de beul van de mensheid zal worden, had zich teruggetrokken om in volstrekte eenzaamheid over te nemen besluiten na te denken.
Maar de meesters van Gene Zijde, engelen in de geest, zij zijn bij hem – zij zijn op Aarde, voor welker geluk zij hun krachten geven.
Adolf Hitler moet een besluit nemen, dat de wereld in brand zal zetten en miljoenen mensen vernietigen.
Wellicht ook zijn eigen volk en al wat hij als hoofd ervan heeft opgebouwd.
Hij ziet zijn taak voor zich en alles, wat hij nog ten behoeve van zijn volk tot stand wil brengen.
En toch moet hij handelen, de wereld wacht in angstige spanning op zijn beslissing.
Wat moet hij doen?
Als hij zijn soldaten bevel geeft tot de aanval op Polen, ontketent hij de oorlog, de oorlog met de rest van de wereld ...
Uren is hij reeds alleen, hij wil niemand ontvangen.
Thans, zo denkt hij, moet de Voorzienigheid hem raad geven, die hem al vaker tegen groot onheil heeft beschermd.
Hij leeft door deze mysterieuze kracht en voelt zich erdoor gedragen.
Nimmer twijfelt hij aan haar.
Al sinds zijn jeugd voelt hij deze kracht, die hij de Voorzienigheid noemt, in zich.
Zij leidt in zijn leven, waardoor het die ontzaglijke betekenis kreeg.
Wat raadt de Voorzienigheid hem?
Afgetobd tracht Adolf Hitler te rusten, maar het lukt hem niet, de spanning in hem doet hem weer opspringen.
Hij doet moeite z’n gedachten te verzamelen, ze op één punt te concentreren.
Hij wil denken, denken, maar hij kan het niet, hij krijgt geen vat op z’n gedachten.
Buiten drommen zijn getrouwen, hij moet nu besluiten.
Ontzettend is deze strijd in hem.
Oorlog of vrede?
Benauwende vragen.
Dan is het hem, alsof zijn innerlijk tot hem wil gaan spreken.
Ja, als hij er zich scherper op instelt, komt het hem voor, alsof er nog iemand anders in hem leeft.
Hij kan dit heel duidelijk voelen.
Er komt iets van blijdschap in hem, want hij meent te begrijpen, dat dit de Voorzienigheid is, die op hem wil inwerken om hem raad te geven.
Er komt werking in hem, de kracht in hem wil hem overheersen, zo voelt hij het.
Hij dwingt zich tot rust.
Hij wil nog scherper waarnemen.
Stil zit hij neer, gespannen luisterend, wachtend.
Is het werkelijk waar, bedriegt hij zichzelf niet?
De Führer gelooft een gestalte waar te nemen.
Meerdere zelfs.
Hij ziet hen nu heel duidelijk en schrikt.
Er doemen gezichten voor hem op, die hem vragen stellen.
Een felle kou voelt hij door zich heentrekken.
Hij slaat zijn handen voor zijn ogen om de gezichten kwijt te raken, maar dit helpt hem niet.
Lichtend treden ze uit de duisternis naar voren.
Hij springt op.
„Onzin!” roept hij uit.
„Ik verbeeld me maar wat.
Ik zie niets en ik wil niets zien.
Ik wil mijzelf blijven en weten, wat er met mij geschiedt.
Ik wil duidelijk weten, waar ik aan toe ben, want later moet ik weten, hoe ik op dit ogenblik heb gedacht.”
Met te ontkennen, dat hij hen ziet, verjaagt hij de gestalten echter niet.
Hij ziet hen duidelijk, waarheen hij ook kijkt.
Z’n kamer is vol vreemde verschijningen.
Demonen zijn het, mompelt hij, met hen wil hij niets te maken hebben.
De Voorzienigheid moet hem helpen, alleen de Voorzienigheid.
Hij valt in een stoel, maar de spanning is hem te machtig, jaagt hem op.
Hij loopt heen en weer en de tijd verstrijkt.
De gestalten ziet hij steeds duidelijker.
Hij is wakker en toch droomt hij.
Adolf Hitler zet zich opnieuw neer en tracht z’n gedachten te ordenen.
Er moet rust in hem komen.
Als de gejaagdheid hem weer overvalt en hem wil laten lopen, verzet hij zich.
Het wordt stiller in hem.
De gestalten ziet hij nu niet meer, al voelt hij wel, dat hij desondanks niet alleen is.
De Voorzienigheid, is de Voorzienigheid bij hem?
Het moet nóg rustiger in hem worden.
Dan zal de Voorzienigheid tot hem spreken en zal het gevoel in hem komen, dat alleen Zij in hem kan leggen, zoals hij al vroeger heeft ondervonden.
Dan zal hij weten, hoe te moeten handelen.
De Führer waakt en droomt.
Hij is zich bewust van zichzelf en gelooft zichzelf te kennen.
Als het stil in hem is, zal de Voorzienigheid tot hem spreken.
En het wordt stil in hem, er daalt een bovennatuurlijke rust in hem af en zijn ziel neemt haar op.
Zij maakt hem open naar alle kanten.
Er komen gevoelens in hem en hij gelooft reeds te weten, hoe hij straks moet handelen.
Toch houdt hij zich stil, hij is nog niet geheel zeker en ook wil hij zelf de rust niet verbreken, die hem van z’n zwaarte ontdaan heeft en hem boven de Aarde verheft.
De ellende, het vele leed, dat hij zostraks voor zich zag, zijn van hem afgevallen.
In de ijle stilte, waarin hij nu leeft, gevoelt hij plotseling ontroering.
Er doorstroomt hem een grenzenloos medelijden met de mensheid, die geslagen gaat worden.
Hij geeft zich rustig over aan deze gevoelens, hij wil ook deze beleven.
Toch weet hij wat hij wil!
Door deze gevoelens kan hij ook scherper denken dan zostraks.
Hij voelt zich opgenomen en terwijl zijn lichaam in de kamer achterblijft, zweeft zijn geest weg, de ruimte in.
Adolf Hitler is buiten zijn eigen-ik.
Hij stelt zich in en neemt waar, dat hij boven zijn land zweeft.
Het ligt in vreedzame rust onder hem.
Vreedzaam – vrede – vrede!
Het woord keert telkens in hem terug.
Hij wandelt door zijn land en ziet de miljoenen, die het Duitse volk uitmaken, in diepe rust.
In enkele seconden geschiedt dit alles, maar het is hem voldoende om het gehele rijk te overzien.
„Zij slapen, omdat ze weten, dat ik waak,” zo denkt Adolf Hitler, „ik, die hun leider ben”.
Alles wil hij voor zijn volk zijn, een leider, een vader en een moeder.
En terwijl hij boven steden en dorpen zweeft, voelt hij de liefde, die naar hem opstijgt.
Het slaapt, het grote volk, maar op een sein van hem zal het opstaan en gaan waarheen hij beveelt om met zijn leven en liefde zijn trouw aan hem te bewijzen.
Hun leven willen ze voor hem geven.
Leven en dood heeft hij in handen – leven en dood.
De Führer is weer terug in z’n lichaam, z’n reis is ten einde, maar de woorden trillen nog in hem na.
Even komt er een gevoel van schrik in hem.
Kan het de duivel zijn, die hem mee nam om hem z’n volk te laten zien?
Hij ziet thans de volkeren der Aarde voor zich, doch hij schudt thans het visioen van zich af.
Is het de Voorzienigheid, waardoor hij kan waarnemen en het is, alsof de wereld voor hem leeft?
Natuurlijk is het de Voorzienigheid!
En hij weet nu, dat hij alles wat deze van hem vraagt zal inzetten.
Zijn volk en zijn Groot-Duitse Rijk zijn zulks waard.
Een plotselinge drang, die uit hemzelf komt en zijn dagbewuste leven overheerst, doet hem neerknielen.
Adolf Hitler wil bidden.
„Mijn God ... mijn God ...” prevelt hij.
Hij wil verder bidden, maar nu smoren die gevoelens in hem.
Ze doen hem bijna stikken.
Toch blijft hij nog even in deze toestand, met het hoofd naar de grond gebogen, wacht hij af, maar tot bidden komt hij niet meer.
De rust is uit hem weg.
Hij wil denken, hij móet denken, er wordt een beslissing van hem geëist.
De Voorzienigheid zal het hem nu zeggen.
Hij wacht op het antwoord.
Op dit ogenblik dringt zich van binnenuit een gestalte aan hem op en deze wil bidden en God om hulp roepen.
Maar de Führer verdringt deze gelovige in zich, zijn eigen-ik overheerst weer.
Hij voelt, dat hij nu niet bidden moet.
Hij mag thans niet zwak zijn, sterk moet hij zijn, zichzelf blijven en handelen!
Als hij die zwakke gevoelens in zich volgt, zal alles wat hij ondernam, vergeefs zijn geweest.
Hij had dan de bewapening niet zo enorm hoog behoeven op te voeren.
Heeft hij zijn volk dáárvoor zo met het denkbeeld oorlog vertrouwd gemaakt?
Hij wil zijn volk groot en sterk maken als nimmer tevoren.
Dan komt het woord in hem naar boven, dat als gif in zijn aderen brandt – Versailles!
Dit satanische verdrag moet gewroken worden.
Het heeft zijn volk geknecht en gehoond.
Zijn miljoenen soldaten zullen het met één slag wegvagen, het vertráppen.
En ze zullen Polen vernietigen, dat hem en zijn volk uitdaagt en beledigt ...
Adolf Hitler loopt op en neer door z’n kamer, zijn brein is verward, hij is aan hevige emoties ten prooi.
Nee, krankzinnig wordt hij niet, hoe het ook hamert in z’n hoofd, koel en scherp wil hij denken, geholpen door de Voorzienigheid.
Als hij aan Haar denkt, komt de rust weer in hem, de bovenaardse rust, die hij al eerder heeft gevoeld.
Eens heeft Zij hem zelfs voor de ondergang behoed.
Het was in de oorlog van ’14 - ’18, toen Zij zich als een luide, dringende stem in hem openbaarde en hem toeriep weg te lopen van de plek, waar weinige ogenblikken later een granaat ontplofte, die zijn kameraden uiteenreet.
Dat was toen.
Nu is het anders.
De Voorzienigheid komt nu niet als een stem tot hem, hij leeft in Haar, hij is geheel in Haar opgelost.
Voelt hij dit goed?
Hij wil thans niet stuurloos handelen, later moet hij zichzelf kunnen zeggen: daarom deed ik dit en daarom deed ik dat.
Voelt hij het goed?
Weer stelt hij zich in en ondergaat hij de kracht, die zich met zijn leven heeft verbonden.
Ja, ja, het is de Voorzienigheid!
De bovennatuurlijke macht, die hem eens voor onheil behoedde en hem zijn leven lang heeft gevolgd en gestuwd.
De Führer laat zich meer en meer gaan, dieper wil hij oplossen in die kracht, want zó, voelt hij, zullen de plannen van de Voorzienigheid hem kunnen bereiken.
Maar tevens moet hij zichzelf blijven, niets van zijn bewustzijn mag nu verzwakken, anders komen er weer stoornissen en zal hij nog niet weten te besluiten.
Nooit mag de Voorzienigheid hem verlaten, door in haar krachten te leven zal hij immer weten, hoe hij handelen moet.
Dan kan hij denken en voelen, dan kan hij besluiten en is hij voor zijn volk en de wereld zeker.
Gedragen door de Voorzienigheid en door Haar geleid zal hij zijn volk naar de overwinning voeren!
Nu weet hij het!
Dát is het, wat de Voorzienigheid hem wil laten voelen.
Is het zo niet?
Adolf knielt neer, hij wil de Voorzienigheid danken.
Hij moet zijn volk naar de overwinning voeren!
Oorlog dus!
Oorlog?
Hij springt op.
Heeft hij het werkelijk goed gevoeld?
Hij mág zich niet vergissen nu.
Het bestaan van zijn volk staat op het spel.
Hij moet een beslissing nemen, welker draagwijdte hij kent.
Weer stelt hij zich op de Voorzienigheid in en opnieuw, even scherp en overheersend als daareven, voelt hij haar macht.
Hij gaat de gevoelens na, hij test of hij niet het slachtoffer is van fantasie of zinsbedrog.
Scherp bewust wil hij de gevoelens ondergaan, pas dán zal hij in vol vertrouwen kunnen handelen.
Allereerst de stilte – is zij echt?
Hij zet zich in een stoel, sluit de ogen en beleeft haar.
Zij is echt, ja bovennatuurlijk.
Nimmer was het zo stil in zijn innerlijk, nu weet hij het.
Waar is hij nu?
Hij ziet om zich heen en herkent zijn omgeving.
Dit is zijn geliefde stoel, daar is de deur, waarachter zijn vrienden wachten.
Adolf Hitler heet hij – hij gaat zijn leven na.
Ik ben het, Adolf Hitler, de Führer aller Duitsers, ik ben het zelf, de rijkskanselier.
Die is het niet die beslist.
Hier vanbinnen, binnen in mij wordt er gevoeld en gedacht, hierin woont Adolf Hitler.
De kanselier voelt niets, als Adolf Hitler alleen kan ik handelen.
Ik ken mijzelf.
In dit uur heb ik mijzelf leren kennen.
Als Adolf Hitler leef ik in de Voorzienigheid.
Dit gevoel ligt bewust in mij.
Ik ben thans gereed.
U kunt op mij rekenen.
Maar laat mij geen seconde alleen.
Ik weet nú, hoe ik handelen moet.
Ik twijfel niet meer.
Nimmer twijfelde ik aan U, maar ik moet zeker zijn.
Nu echter ken ik de gevoelens, die van U uitgaan.
Ik zal hen nimmer verwaarlozen.
Alles wat U vraagt en U mij laat voelen, zal ik doen.
Laat het mij weten!
Dag en nacht zal ik mijzelf inzetten en voor mijn volk werken, dat U toch groot wil zien, nietwaar?
Ik ben gereed en anderen met mij.
Laat mij echter nimmer alleen in de uren, die komen.
Als Adolf Hitler zal ik mij op U instellen.
Dát is het!
Neergeknield blijft Adolf Hitler liggen en lost op in de stilte, die voor hem oneindig is.
God is met hem, voelt hij, met hem en zijn volk.
Dan staat hij op – en weinige tijd na zijn fatale bevel vallen reeds de eerste schoten.
De vreselijkste oorlog aller tijden is door toedoen van een onbewuste ontbrand.
Eeuw na eeuw is er oorlog gevoerd, stromen bloed zijn er vergoten, dood en verderf over de mensheid gekomen en toch was geen van deze oorlogen zo verschrikkelijk, als die, welke u thans beleeft, nu de technische middelen nagenoeg volmaakt zijn.
Wat deze oorlog de mensheid aan offers zal kosten is ontzettend en niet te beschrijven.
Waarom het niet helpen zal God te bidden de ellende van u af te nemen, kunt u nú weten.
De volkeren der Aarde moeten hun houding bepalen.
Waarvoor willen zij leven?
Voor tirannie?
Voor egoïsme?
Voor de demonen van de hel of voor God en Zijn engelen?
Voor roof, moord, verkrachting?
Voor de verdierlijking van het eigen-ik?
Of willen zij daarentegen met inzet van al hun krachten, de vrede en de geestelijke opbouw van de Aarde dienen?
Dit heeft elk volk zich thans af te vragen.
Ieder volk, iedere ziel moet nu aan een hoger leven beginnen – om dit aan de mensheid duidelijk te maken is deze oorlog gekomen.
Gods leven moet opwaarts gaan, het moet terugkeren naar zijn schepper.
Deze oorlog eist van u, dat u alles doet wat in uw vermogen ligt, om uzelf en anderen naar een hoger geestelijk stadium op te trekken.
Wij, die weten, dat de Eeuw van Christus een aanvang heeft genomen, zijn naast u op Aarde om u in deze gigantische strijd bij te staan.
Wij leerden reeds onze hoofden te buigen, wij kregen lief alles wat leeft en zochten in harmonie te komen met de wetten van God.
We bereisden Gods ruimte en knielden neer, dankbaar, dat wij tot Zijn leven behoren.
Deze oorlog zal de aardse mens leren hetzelfde te doen.
De volkeren van Israël zijn reeds bezig zich de liefde eigen te maken.
Háten kunnen zij al niet meer.
Duitsland en zijn soort haten echter nog wel en zoeken te overheersen.
Ze zijn nog zo grof en dierlijk afgestemd, deze heidenen, dat zij de volken van Israël zoeken te vernietigen.
Als zij in plaats daarvan álles hadden gedaan om hun kwade eigenschappen af te leggen en zich bij Israël aan te sluiten, zou de wereld de huidige verschrikkingen nimmer hebben behoeven mee te maken!
Duitsland en de zijnen móeten de oorlog verliezen, want deze heidense staten zouden na een overwinning niet een Koninkrijk Gods, maar een oerwoudstaat opbouwen.
Het Duitsland van Adolf Hitler gelooft er evenwel niet in te zullen verliezen.
De geniale Führer kijkt met zijn vreselijke helpers naar het moordtuig, dat zij in enorme massa’s lieten vervaardigen, en voelen zich oppermachtig.
Zij denken onoverwinnelijk te zijn en geloven dat weldra de gehele wereld aan hun voeten zal liggen.
Niets of niemand kan Duitsland meer evenaren en zij voelen zich reeds de heersers der Aarde.
Tot de laatste seconde zullen zij strijd voeren om hun doeleinden te bereiken, geen offer zal hun te veel zijn, geen misdaad te groot.
Denkt u eens in, wat de gevolgen zouden zijn, als daar niet de meesters waren geweest om deze veroveraars te beletten hun dierlijke plannen te volvoeren.
Maar wees gerust – deze misdadigers zijn zonder het te weten of te willen instrumenten in de handen van de meesters en dienen hun plannen, hun verheven doel, om van al de volkeren een grote eenheid te maken, zij dienen dus tóch de Voorzienigheid, maar anders dan zij het zich zullen kunnen indenken!
De schijnbaar zo machtige gestalte van Adolf Hitler is niet meer dan een pionnetje op ’s werelds schaakbord.
Zo er in hem het waarachtige voelen en de natuurlijke intuïtie voor onze wereld ware geweest, zou men hem niet hebben kunnen dwingen de oorlog op het door de meesters gekozen tijdstip te beginnen, ja, hij zou zelf ook nimmer oorlog hebben gewild, begrijpend, dat hij al hetgeen hij door zorg en vlijt had opgebouwd zou afbreken en zijn volk erdoor naar de vernietiging zou voeren.
Maar het grote genie van Duitsland is daarom voor onze wereld een leeg, dom en onbewust kind van de Aarde.
Ten opzichte van de astrale wetten, die geestelijk, kosmisch en Goddelijk zijn, heeft dit zieleleven geen betekenis, omdat zijn voelen en denken aards zijn en tot de onderwereld behoren.
Adolf Hitler zoekt slechts het aardse leven, hij heeft zich nimmer op het hogere leven ingesteld.
En dat toch had hij moeten doen.
Nu voelt hij zich toch in de machtige wetten opgenomen, maar hij kent ze niet, hij kent zijn eigen leven en het grote verleden niet.
Toch voelt hij zich door die krachten gedragen en geleid, maar hij mist de zuivere geestelijke intuïtie, die tot deze wereld behoort en eeuwigdurend onfeilbaar is!
Hij is niet in staat zijn eigen leven te ontleden en toch had hij dit moeten doen!
Hij had zich moeten afvragen in welke levensgraad hij leefde, in welke krachten hij voelde en dacht te zien, hij had, toen hij zijn fatale intuïtie instelde, op dat ogenblik moeten weten, wie hem beïnvloedde!
Maar hij tastte en zocht, in plaats van de gedachten te volgen, die in hem kwamen en op vrede en rust waren ingesteld.
Hij was daartoe echter niet in staat, in hem en zijn eigen soort leven de haat en het geweld, leeft ... Versailles!
Zijn wil is het ’14 - ’18 en Versailles te wreken, de Engelsen te verpletteren.
Zijn haat drijft hem voort en met hem al de anderen, die in hem een godheid zien.
In de Eeuw van Christus valt er niets meer te wreken, noch om te brengen, nu moet de mens zich buigen en al het leven van God liefhebben.
Maar weten Hitler en zijn soort van de Eeuw van Christus?
Hitler is méér, nog meer dan Christus!
Wat weten zij van Israël?!
Het schuim van zijn natie trekt Hitler tot zich, demonen omgeven hem en voelen zich door zijn ideeën bezield.
Deze lage individuen hebben geen greintje liefde in zich, zij zoeken alleen zichzelf te dienen en zien zich als koningen en keizers.
De wereld zal hun wreedheid en niets ontziend raffinement leren kennen.
In stilte hebben zij zich gereedgemaakt, tot het moment daar is, waarop zij de volkeren der Aarde gaan overwinnen en ze het jodendom kunnen uitroeien.
Niets zal hen meer tegenhouden, Engeland moet vallen en dan hoort hun de ganse Aarde toe.
Het kost hun moeite hun plannen niet uit te krijsen, maar nog moeten ze zwijgen, de jakhalzen.
Dan komt het grote ogenblik, hun Führer beveelt tot de aanval op Polen.
Nu kan het erop losgaan!
Het kwaad breekt zich baan en een woeste horde, lang in toom gehouden, stort zich over de grenzen.
Hitlers satellieten juichen, deze sadisten ruiken bloed.
Het dringt niet tot hun verhitte hoofden door, dat zij tegen een ondoordringbare muur stormlopen.
Zij vechten tegen Israël, tegen de volken, die eindelijk aan de opbouw van de wereld willen beginnen.
Zij vechten tegen een Goddelijke macht, die onfeilbaar is.
Zij strijden tegen de afgezanten Gods, die de leiding voor de volken in handen hebben.
Deze meesters, die allen kosmisch bewust zijn, die leven en dood, Hemel en Aarde hebben leren kennen, die Christus naar Golgotha hebben begeleid, staan thans tegenover een geestelijk krankzinnige, een onbewuste ziel, en moeten hem bevechten.
Hitler weet van dit alles niets, hij heeft geen geloof, kent God noch gebod, weet niets van een leven na de dood, niets, niets bezit hij behalve zijn eigen lege-ik.
En terwijl hij als Führer zijn plannen ontwikkelt en zijn machtige legers de bevelen geeft, plaatsen de meesters hem onder hun controle.
Alle volken wijzen zij geestelijke helpers toe.
De meesters zijn van gevoel tot gevoel één met de leidende persoonlijkheden.
Van een eigen gevoelswereld voor Israël uit handelen is nu niet mogelijk meer, het bewustzijn van deze staatslieden is naar de meesters overgegaan, maar niet een van hun weet of voelt dit, onbewust als ook zij zijn van de astrale wereld en de taak waarvoor zij dienen.
Hitler valt Polen aan, de meesters hebben hun eerste zet gedaan.
Nog is het spel niet ingewikkeld, maar toch raakt het reeds leven en dood.
De meesters overzien alles, zij zullen zich inspannen zoveel mogelijk bloed te sparen of er blijft niet één mens over van al de miljoenen, die in de strijd betrokken zijn.
Israël zal dit beleven!
Naarmate de tijden verstrijken, zal het spel ingewikkelder worden.
De hellen stromen leeg, de demonen zoeken zich uit te leven en storten zich op het menselijke wezen van de Aarde.
Haat verbindt zich met haat, hartstocht met hartstocht.
Maar ook de Satan zal Christus’ werk niet kapot kunnen maken.
En terwijl de demonen ware orgiën ontketenen, verrichten de engelen hun verheven werk.
Er is veel te doen op Aarde, duizenden mensen sterven en moeten naar onze wereld worden gebracht.
Miljoenen zielen behoeven bescherming.
(Tussen haakjes in eerste druk: Over dit gezegende werk wordt uitvoerig verteld in het boek „Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven”, dat ik eveneens van Gene Zijde ontving. J.R.)
Polen is door Duitsland onder de voet gelopen.
Ontzettend is de ellende, die over dit volk kwam, maar het trok die zélf aan en zij is nodig om de Polen naar een hoger bewustzijn te brengen, hun te leren het hoofd te buigen.
De ellende op de wereld zal nóg groter worden.
Duitsland valt Denemarken, Noorwegen, Nederland, België en Frankrijk binnen en vermorzelt deze landen.
Zo overrompelend snel gaat alles in zijn werk, dat zelfs Hitler verrast is.
Nu aarzelt hij – zal hij Engeland meteen aanvallen?
Als hij het doet is het verloren!
Maar de meesters waken.
De Führer keert naar zijn volk terug.
Hij wordt als een God ontvangen, ook zijn helpers beleven bewieroking.
Een bloemenregen daalt op de Führer neer – op hem, aan wiens handen het bloed kleeft van duizenden van zijn volksgenoten, mannen en vrouwen, kinderen en grijsaards.
Hij wordt ingehaald, als nog nimmer één mens op Aarde heeft beleefd.
De mensen zien vol eerbied en bewondering op naar hun Führer, zij zien echter niet de dreigende schaduw, die hem volgt.
Het is de ondergang, die de Führer op de voet zit.
Hij weet niet, wie hem achtervolgt, maar desondanks is er angst in hem.
Geen seconde is die angst uit hem weg, al tracht hij hem van zich af te schudden.
De Voorzienigheid is met hem, Zij zal hem leiden, prent hij zich in en hij richt het hoofd op en laat het gejubel van zijn volk over zich komen.
Hij weet wat hij wil, verzekert hij zichzelf nog eens, en wat hij doet is goed.
De oorlog zal het uitwijzen.
Heeft hij zelfs Frankrijk niet in weinige weken ter Aarde geworpen?
Wie zal hem kunnen weerstaan?
Zo denkt ook zijn volk erover.
Het jubelt nog harder dan voor de oorlog, het weet thans zeker, dat Engeland verslagen zal worden.
Eindelijk is het zover.
Geen Duitser twijfelt hier nog aan, de Führer heeft de bewijzen gegeven.
Zijn genie maakt hen onoverwinnelijk – God heeft hem hun gezonden, God is met hen.
Dit dan schijnt de werkelijkheid.
Maar de meesters van Gene Zijde weten beter.
Hun doel is Adolf Hitler de ene overwinning na de andere te laten behalen.
Hierdoor brengt hij de volken tot Israël en put hij zichzelf geheel uit.
Achter de schermen, onzichtbaar voor iedereen, doen de meesters zet na zet en ze zien, dat alles goed gaat.
De volken van Israël ontvangen harde slagen.
Velen zijn reeds door de heidense volken overwonnen en de Engelsen zijn zwaar gehavend hals over kop uit Frankrijk moeten vluchten.
Maar ook dit was nodig.
In Israël leeft nog altijd niet de wil om te overwinnen, Israël onderschat Duitsland.
Door de nederlagen nu laait het innerlijke vuur op, Israël krijgt er de nodige bezieling door, het beseft plotseling, dat het de kracht van de heidense volken heeft onderschat.
Niet eerder mag het rusten, voelt het, voor het beest met de vele koppen overwonnen is.
Zo spelen de meesters het spel, dat over de toekomst van de wereld beslist.
In hen is geen angst, ook al weten zij, dat de volken van Israël de inzet zijn van het spel, hetwelk zij moeten spelen.
Het geluk, de vrede en de rust van de gehele mensheid staan op het spel, maar de meesters weten zich gesteund door de Goddelijke sferen, door Christus.
Zij dienen God!
Het ziet ernaar uit, dat Hitler er buitengewoon voor staat, maar niemand weet, dat hij de behaalde winst vermocht te boeken door de wil van de meesters, die hem geven, wat hun nodig dunkt.
Al lijkt het, dat de winst aan Hitler is, de geschiedschrijvers zullen eens vaststellen, dat de winst aan God en daardoor aan de mensheid is.
Ook Mozes leeft thans in de sfeer van de Aarde en voert er met straffe, bewuste hand de leiding.
Hij is bezig het werk te voltooien, waaraan en waarvoor hij eens met de andere profeten zijn leven heeft ingezet.
Zij volgen het afgrijselijke gebeuren, dat zich op Aarde ontwikkelt en waarover de Bijbel spreekt en waarop eeuwen is gewacht.
Als kosmisch bewuste zielen volgen zij Israël, waartoe allen behoren, die God en Christus volgen.
Zij staan naast de beul van de mensheid en weten hoe hij zich voelt en wat hij denkt.
Arm kind toch, denkt Mozes en bepeinst, dat het diens verlangens om te overheersen zijn, die dit wonder van de twintigste eeuw zullen vernietigen.
Terwijl de Führer de tijd gebruikt om nieuwe militaire acties te beramen, zijn de meesters bezig het profetische woord in Bijbel: „Ik zal de heidenen tegen elkaar opzetten” in vervulling te doen gaan.
Nog zijn Duitsland en Rusland door een pact verbonden, maar lang zal hun vriendschap niet meer duren.
De mensheid zal beleven, dat Duitsland Rusland aanvalt!
Gods wetten grijpen thans in het aardse gebeuren in en beheersen het.
God zal Israël helpen en niet de heidenen.
Als de heidenen zich echter uitputten in een strijd op leven en dood, krijgt Israël gelegenheid en tijd zich te herstellen en sterk te maken.
Dit gewichtigste gebeuren van de gehele oorlog zal bewijzen, hoe God over al Zijn leven waakt en hoe Zijn afgezanten de zetten weten te doen, die Israël de overwinning zullen bezorgen.
Groot zijn de triomfen van het Duitse leger.
Niets of niemand schijnt het te kunnen tegenhouden.
De landen, die nog niet aangevallen zijn, wachten in angstige spanning op het ogenblik, dat de Duitse soldatenlaarzen zich in hun richting zullen bewegen.
Adolf Hitler heeft de blikken naar het Oosten gewend.
Hoe moet hij thans handelen?
Er is twijfel in de Führer.
De problemen, die tot nu toe met de gigantische oorlogvoering samenhingen, heeft hij snel en vermetel opgelost, bezield en beschermd als hij zich weet door de Voorzienigheid.
Maar daar rijst thans dreigender dan ooit de Russische beer voor hem op.
Zal hij de strijd met hem aanbinden?
Waarheen zal een oorlog met Rusland hem voeren?
Wat weet hij van dit geheimzinnige en onmetelijke land, dat ondoordringbaar bleek voor eenieder, die meer wilde weten van de plannen van de machthebbers in het Kremlin?
Is het sterk?
Is het zo sterk als zijn land?
Toch moet hij tot een besluit komen, nimmer zal hij zijn plannen rustig kunnen volvoeren met dit dreigende gevaar in zijn rug.
De Führer zondert zich af om te mediteren.
In de eenzaamheid wil hij de stem van de Voorzienigheid luid en duidelijk in zich horen spreken.
Tot nu toe is zijn voelen en denken juist geweest.
Zijn overweldigende successen hebben bewezen hoezeer hij zich op zijn intuïtie kon verlaten.
Door te mediteren wil hij erachter komen welke weg hij thans moet bewandelen.
Dagen en nachten gaan voorbij en Adolf Hitler wacht op de gegevens, die de Voorzienigheid in hem zal leggen.
Hij voelt reeds dat men hem voor grote gebeurtenissen plaatst.
Ook krijgt hij de gevoelens al, hoe dan te moeten handelen; maar de Führer gaat niet over één nacht ijs, telkens weer controleert hij zijn gevoelens.
’s Nachts houdt hij het binnenshuis niet uit, in het uur, waarin hij zulke verstrekkende en dramatische besluiten moet nemen, kan hij niet slapen.
Hij gaat de natuur in.
Weer staat de Führer voor de ruimte, voor de Voorzienigheid.
Hij praat in zichzelf.
Boven hem leeft God.
Uit die onmetelijkheid moet hij ook nu weer zijn hulp ontvangen.
Zijn gedachten dwalen naar vele richtingen.
Hij voelt zich nu als Christus zich eens gevoeld heeft in de hof van Gethsemane.
Staande in de nacht gaan zijn gedachten uit naar Christus, aan Wie hij nog maar zelden eerder in zijn leven heeft gedacht.
Hij stelt zich op de Goddelijke mens in, zoals Deze op Zichzelf aangewezen in de eenzaamheid van de Hof de komende, grote gebeurtenissen verbeidde.
Adolf Hitler denkt hieraan, zonder dat in hem ook maar iets is van het machtige en heilige, dat toen in Christus leefde.
Hij ziet slechts een overeenkomst, ook hij is alleen en ver van de mensen en ook hij staat voor grote gebeurtenissen, groter dan die van Christus.
De Führer kijkt naar het sterrenbeeld, zijn armen over de borst geslagen, en peilt de onmetelijkheid.
Zijn gedachten blijven bij de Goddelijke mens in de Hof van Gethsemane en deze arme geest beseft niet, dat hij het heilige leven bezoedelt, door de woorden, die Deze eens sprak op zichzelf te betrekken.
Ook hij wil de drinkbeker weigeren, zo mompelt hij, maar hij gelooft zijn eigen woorden niet, want hij is begerig als een hyena en zijn gevoelsleven jankt naar buit.
Hij denkt ook aan de woorden, door Christus tegen Zijn slaperige Apostelen gesproken: „Kunt gij dan geen uur met Mij waken?”, maar de Führer werpt deze gedachten weldra van zich af.
Heeft hij soms iemand nodig?
En zijn leven heeft meer betekenis dan dat van die vreemde mens, die men daar in Jeruzalem aan het kruis sloeg.
Adolf Hitler vindt nu ook, dat hij zou kunnen zijn als de Messias, zijn grote volk heeft hem lang geleden reeds als een godheid aanvaard.
Is voor hem en zijn volk niet de ruimte geschapen?
Dwingen de feiten hem niet dit te geloven?
Zou de Voorzienigheid de Duitse wapens zo zichtbaar en doeltreffend zegenen als Zij niet bereid was de wereldheerschappij in zijn handen te leggen?
Maar hij moet zich die waard tonen en de moeilijkheden, welke zich nog voordoen, koen en zeker uit de weg ruimen.
De Führer weet nu hoe hij handelen moet.
De Voorzienigheid heeft in hem gesproken, in hem leeft de waarachtige inspiratie, zijn intuïtie is onfeilbaar.
Nog kan hij zich niet losmaken van deze stille nacht, met de handen op de rug wandelt hij nog wat rond, bouwend aan zijn plannen.
Adolf Hitler is tot handelen gereed.
Maar hij ziet niet de lichtende gestalte naast hem.
Het is Mozes, die in al deze uren bij hem was en hem tot zijn besluiten dwong.
En terwijl de Führer verder spint aan zijn gedachten, zweven Mozes en de meesters van Gene Zijde weg – naar het koude, barre land van Jozef Stalin.
Adolf Hitler gelooft waarlijk, dat de ruimte voor hem en zijn volk geschapen is.
Niets zal hij nalaten om die ruimte met alles wat daarin is voor zich en de zijnen te winnen.
Zijn begeerte naar macht drijft hem, nu en dan schrikt hij alleen terug voor de enorme omvang van zijn ondernemingen.
Had ooit een mens zoveel macht in handen?
Soms huivert hij zelf van de verschrikkingen, die zijn wapens ontketenen.
Maar hij moet verder, nimmer was de overwinning zo dichtbij.
Het koste, wat het wil, hij moet zich hard en genadeloos tonen, niet eerder zal de zege hem zijn.
En nu, u zult het beleven, geeft hij het bevel tot nieuwe militaire ondernemingen, die heel Europa aan zijn voeten zullen brengen.
Tot zelfs in het klassieke Griekenland zal de Duitser macht krijgen.
Daarna zal de strijd tussen Duitsland en Rusland ontbranden, gelijk de profeten het voorspelden.
Adolf Hitler is een tragische figuur, niet, omdat hij een pion in de handen van de meesters van Gene Zijde is (zie rulof.nl/Hitler), maar om de lage driften in hem, door welke hij een heerser, maar tegelijk een pion werd.
Straks zal ik de gelegenheid hebben, u zijn persoon en zijn verleden te schilderen, wat u veel van hem en zijn toestand zal verklaren.
De heidense heersers zullen moeten ervaren, dat zij hun volken niet ongestraft naar de afgrond kunnen voeren.
Zij kregen alleen macht, omdat de volken der Aarde naar Israël moeten, of het zou voor hen niet mogelijk zijn geweest andere volken aan te vallen.
In de toekomst zullen er geen heersers meer zijn, want nu worden deze demonen op Aarde reeds vervloekt, daar de wereld ziet, dat ze er alleen op uit zijn het leven van God te vernietigen om zelf daardoor aan de macht te geraken en zich te kunnen uitleven.
Daartoe offert de dictator het bloed van zijn volk, daartoe zet hij zijn schone, aan kunst zo rijke land op het spel ...
Hoe vreselijk zal hij ontnuchterd worden!
Toen in de eeuwen de volkeren van Israël ten strijde trokken, geschiedde dat om de kleine volken en stammen tot Israël op te trekken.
Het was erom begonnen de volken hierdoor op den duur vrede en rust te geven.
Die strijd lag in de handen van de meesters.
Wij weten nu, dat het hen erom ging de volken tot eenheid te brengen.
Terwijl de massa het verkeerde van een oorlog inziet en haakt naar rust, leerden de dictators niets uit de oorlogen, zij maken de strijd zelfs tot een instrument in hun handen, dat hun macht en roem zal schenken.
Ze zullen echter beleven, dat ze zichzelf vernietigen als hetgeen zij tot stand willen brengen het doel van de meesters raakt.
Te pletter zullen ze zich lopen tegen de wetten van God!
Deze dictators zijn onbewust, kortzichtig en geestelijk leeg.
Dit zijn geen genieën.
Een genie, dat vandaag overwint en morgen alles weer verliest, is geen genie.
Zo ze ook maar een beetje bewustzijn van Gods wetten hadden bezeten, zo zij een sprankje liefde voor het eigen volk hadden gevoeld, zouden zij nimmer de oorlog hebben gekozen.
Dan was Mussolini niet naar Abessinië gegaan om dat volk af te slachten, want hij zou begrepen hebben, dat het huidige stadium en het bewustzijn van de mensheid hem toch een krachtig halt zou toeroepen.
Doch deze zielen hebben daar geen begrip van, ingekapseld als zij door hun eigen lage begeerten zijn, voelen ze ten opzichte van de Goddelijke wetten en het leven na de dood verkeerd, fout!
De eenvoudigste, ongeschoolde mens, die de Bijbel kent, had hun kunnen zeggen, hoe verkeerd het is in deze tijd een ander volk aan te vallen.
De „genieën” echter begrepen het niet.
En deze mensen willen u dan bewijzen, dat zij voor hun volken, ja, voor de wereld zijn geboren.
Zij denken bewust te zijn in hun handelingen, maar breken af wat zij zelf met moeite en zorg hebben opgebouwd.
Daarom zijn de dictators mensen zonder intuïtie, voor onze wereld zijn ze halfbewust, voor de Aarde bewuste krankzinnigen.
Ze willen onfeilbaar zijn en stapelen fout op fout.
Zij willen heersen, maar kennen zichzelf niet, noch de wetten, waardoor ze leven en door welke zij het leven kregen.
Zij offeren het bloed van miljoenen zielen, maar denken niet aan het leed van die mannen, vrouwen en kinderen, in hen is alleen het gevoel om geschiedenis te maken.
Hartverscheurend is hetgeen zij veroorzaken, en dat noemen zich de genieën van de Aarde!
Ik zei u, voor onze wereld zijn het waanzinnigen, die met het leven van God spotten en het ombrengen.
Het zijn de ellendigsten onder de volken en de armoedigsten van geest in de ruimte.
Ze zijn doofstom en blind voor het licht van God, of ze zouden nimmer zoveel bloed hebben geofferd uit pure machtswellust.
Ze zijn niet diep, deze heersers, want het kleinste insect kijkt door hen heen.
Het zijn zuiver stoffelijke, maar menselijke hyena’s, die ten behoeve van hun eigen begeerten regeren, doch de betekenis van het aardse leven ten opzichte van God niet kennen.
Ze weten er niet eens van, dat God toch de winst van hun vreselijke handelen ontvangt, want ook de zwartjes (zie rulof.nl/anti-racisme-en-discriminatie), waarheen Mussolini trok om hun land en hun goederen te overmeesteren, moesten ontwaken.
God schiep Hemel en Aarde, doch niet voor de demonen, maar omwille van Zijn eigen evolutie.
De dictators zijn onbewust van deze wetten en ze moeten er nog voor ontwaken.
Maar deze geestelijke intuïtie leeft boven hun vermogen, daar hun innerlijk leven er ongevoelig voor is.
Daardoor begaan zij zulke afschuwelijke domheden.
Ze worden neergeslagen, omdat in deze eeuw het goede definitief moet overwinnen.
Het bovennatuurlijke aanvoelen is niet in hun bezit, ze zouden er ruimtelijk diep voor moeten zijn.
Hun onbewustzijn echter kost het volk bloed.
Ze vernietigen de stuwkracht en de bezieling van al die mensen.
En dan hebben ze nog de schaamteloosheid de Voorzienigheid om hulp te roepen.
God moet hen naar de overwinning voeren.
God zond hén, zo durven ze spreken, want ze willen het bloed, dat ze in hun razernij vergieten, ook nog geheiligd zien.
Ze denken geschiedenis te maken, maar brengen een vloek over zichzelf en hun volken!
En hoe zouden deze dictators hebben kunnen dienen.
Hoeveel zouden ze voor hun volken hebben kunnen doen, met de macht, die hun ter beschikking stond.
Zij handelen echter naar de eigenschappen, die in hen zijn, en joegen hun volken de oorlog in.
In hen leeft het gevoel, dat de stoffelijke wereld raakt.
Hoe zouden het dan genieën kunnen zijn?
Hoe willen ze vooruit zien?
Kijk eens naar de fouten, die zij maken en zullen maken.
Volg hen in de besluiten, die zij nemen, en bedenk dan eens hoe ellendig, hoe wreed en hoe bekrompen hun innerlijk leven is.
En zie dan naar de massa die hen bejubelt en u weet meteen, dat al deze mensen levend dood zijn.
Elk ander bewustzijn, dat even boven het normale aardse ligt en voelt, kan door de meesters bezield worden.
Zij zullen dan dienen voor het goede en zo verkrijgt hun leven betekenis voor onze wereld.
Hierdoor komt vast te staan, dat niet één aards mens uitsluitend op eigen kracht ook maar iets voor de wetten van God tot stand kan brengen.
Alleen hij, die voor de meesters een taak te volbrengen heeft, bouwt voor de massa en voor zichzelf aan „Het Koninkrijk Gods op Aarde”.
Die zielen zijn steeds door onze wereld geholpen, ze maakten deel uit van Israël.
Deze demonen echter in uw eigen eeuw zijn de vijanden van Christus, van de mensheid en van al het leven in de ruimte.
Ook zij ontvingen hun inspiratie, maar alleen omdat hun plannen de Eeuw van Christus zouden dienen.
Wat zijzelf uitdenken en trachten te volbrengen buiten Gods wetten om, voert hen naar de vernietiging.
Zij beroepen zich op God en God laat hen begaan, omdat Hij weet dat het leven van Hem op Aarde zich in goede handen bevindt.
Hoeveel bloed er dan ook vloeit, voor niets wordt er nimmer geofferd.
Ik wees u terloops al op het geval van Abessinië.
Dat volk had een gevoelige les te ontvangen én nodig, omdat het ontwaken moest.
Zij moesten zich aan de gewelddadige indringer overgeven, maar het is Mussolini, die erdoor ten onder gaat.
Hij zal hebben te aanvaarden, dat het Góds wetten zijn, die het leven op Aarde beheersen en niet de zijne.
God waakt ook over Zijn zwartjes (zie rulof.nl/anti-racisme-en-discriminatie) en Hij zal hun het eigen Koninkrijk teruggeven.
Maar door Israël!!!
En tot Israël zal dit volk daardoor overgaan.
Als Mussolini enige honderden jaren terug dit land zou hebben kunnen roven, had Israël nog niet kunnen ingrijpen, omdat het toen nog niet zover was.
Uit dit alles treedt wel duidelijk naar voren, dat de mens op Aarde maar niet naar zijn eigen verlangens kan handelen, zo zijn leven niet is ingesteld op het heil van de mensheid.
Het zijn Gods wetten en die van het leven na de dood, die u op Aarde te leren en na te volgen hebt.
Ook zult u moeten aanvaarden, dat treedt naar voren, dat wij mensen ons eigen leven in handen hebben, maar dat wij van dat van anderen moeten afblijven.
Mensen, die denken met de levens van anderen te kunnen doen wat zij willen, lopen zich vroeg of laat tegen de wetten van God te pletter.
Deze heerszuchtige demonen hebben dus niet het recht in uw leven in te grijpen en het ondergeschikt te maken aan hun wrede plannen.
Eens zal dit moeten worden goedgemaakt, ook al denken zij dan dat ze door hun aardse leven deze wetten hebben overwonnen.
Hun taak op Aarde is aards, hoe heilig ze die dan ook voorstellen, onbeholpen, ja, dierlijk onbewust!
Mussolini zal erdoor uit zijn paradijs worden verdreven en de manden met heerlijke vruchten, die hij de zwartjes (zie rulof.nl/anti-racisme-en-discriminatie) heeft ontstolen, zal hij achter moeten laten.
Meenemen alleen mag hij de vreselijke gevolgen, die hij met zijn gewelddadige onderneming schiep.
Hij en de hele mensheid zullen moeten aanvaarden, dat het aardse leven opwaarts gaat en niet meer terug te voeren is tot het prehistorische tijdperk.
Welk een intuïtie bezitten Mussolini en Hitler?
U zult in de loop van deze oorlog nog duidelijker ervaren, welk een genieën het zijn.
Zet nu voor deze bewuste krankzinnigen uw leven maar in, offer voor hen uw bloed en steek uw handen maar omhoog – zij voeren u tot de vernietiging van al uw bezit, van al het heilige, dat u zich hebt weten eigen te maken.
Deze beide dictators gaan over uw lijk!
Weet dan, dat u met hen ten onder zult gaan.
De geschiedenis van Adolf Hitler heeft weer een heel andere betekenis dan die van Mussolini, al is ook hij een meester in het kwaad.
Mussolini was in een van zijn levens een Romeins heerser.
Hij kon zijn bloeddorstige gaven in die tijd evenwel niet voor het kwade ontplooien in een mate, die hem zinde.
In uw tijd kreeg hij echter zijn kans.
Nu is hij in staat alle wetten Gods te overschrijden en geestelijke ondergang over zijn volk te brengen.
Doch hij zal moeten aanvaarden, dat de „Eeuw van Christus” een aanvang heeft genomen en dergelijke praktijken niet meer duldt.
Hij zal er dus zijn stoffelijke en geestelijke ondergang door tegemoet gaan, de feiten zullen het hem en u tonen!
Voor onze wereld heeft Mussolini geen betekenis, al is zijn strijd wel van belang voor Israël, omdat zijn volk er het bewuste, geestelijke leven door zal leren aanvaarden.
Het leven van Adolf Hitler heeft meer betekenis voor onze wereld en voor de mensheid, want het waren tal van astrale wetten, die hem naar de Aarde terugzonden.
Mussolini is maar een zwakke afschaduwing van diens persoonlijkheid.
Hitlers leven raakt de kosmos!
Hitler is de ziel van het karma van de mensheid, een mens met een zeer diep en betekenisvol verleden ten opzichte van Golgotha, en de ontwaking van de mensheid.
Toch is hij ondanks deze wetten een levend dode, een geestelijke nar voor de astrale wereld en de miljoenen engelen.
Voor onze wereld ligt zijn leven open, iedere geest van het licht kent hem, doordat wij van onze zijde uit zijn gevoelsleven hebben kunnen peilen en volgen.
Het is daarom, dat wij kunnen zeggen, dat iedere hond en kat meer intuïtie hebben ten opzichte van het Heelal en de wetten Gods dan deze beiden, die dachten het leven op Aarde te kunnen overheersen.
Amerika noch Engeland hadden andere volken kunnen aanvallen of willen vernietigen, omdat die mentaliteit aan een ander en hoger leven wilde beginnen.
Er was daarom geen volk op Aarde, dat Duitsland wilde aanvallen, zelfs Rusland niet, want dit land wist té goed, hoe ontzaglijk sterk Duitsland was.
Rusland wist tevens, dat het, zo het aanviel, tegenover de gehele wereld kwam te staan.
Het is Duitsland, dat strijd wil!!!
Uit vrees voor het intellectuele Duitsland bouwde Rusland gedurende jaren aan een groot en sterk leger.
Straks zal het dit nodig hebben en dan alles van zichzelf inzetten om Duitsland het hoofd te kunnen bieden.
Doordat de Führer in zijn overmoed zich vergist en doordat de meesters en Israël helpen, zal Rusland de vreselijke strijd winnen, of het zou overrompeld en verpletterd zijn gelijk Duitslands slachtoffers dat hebben beleefd en nog beleven zullen.
Na uw land bezet en uw goederen geroofd te hebben, wil het nationaal-socialisme ook uw ziel bezitten.
Maar zien ze dan niet in, dat de kinderen van Israël niets met hun onzin, hun leeg gepraat, hun verdierlijkte opschik, hun leugen en bedrog, hun verderfelijke invloed, niets, maar dan ook niets te maken willen hebben?
Komt het hun dan zo onwaarschijnlijk voor, dat u door hen niet naar het prehistorische tijdperk gevoerd wilt worden?
Ze kennen niet eens zichzelf, hoe zouden ze dus het kind van Israël begrijpen?!
Hun domme mentaliteit beseft niet, dat een waarachtig christen liever sterft dan zijn arm op te heffen om hun heidense groet te brengen.
Wie de Bijbel kent, weet, dat Duitsland en zijn bondgenoten moeten verliezen.
Hij weet, dat al hun geredeneer vals is en dat eer en roem in de Eeuw van Christus geen betekenis hebben.
Voor de geestelijk bewuste is de roem van het slagveld achterlijk bezit, alleen het geestelijke weten voert de mens naar de hogere bewustwording.
Wie het geweld gebruikt komt er zelf door om.
Wie ridderkruisen en lintjes liefheeft, staat in het eeuwige leven voor de eigen armoede.
In deze paar laatste regels ligt het ganse drama van Adolf Hitler en zijn soort.
Hij en de zijnen moeten straks aanvaarden, dat het kind van God door zijn geloof méér bereikt dan hun dood en verderf zaaiende machtsmachine.
Het is het geloof in God, dat bergen verzet.
De mens, die Golgotha volgt, weet zich door God gedragen.
Hij weet, dat de Tien Geboden voor hem zijn geschreven en handelt ernaar.
Doch de onbewusten vergeten zichzelf en denken Goden te zijn.
Des te dieper zal hun val worden!