Geestelijke en stoffelijke wonderen in het heelal

Alles, wat wij thans zullen ontmoeten en waarnemen zijn stoffelijke en geestelijke wonderen.
De eerste sfeer vraagt van ons de wetten van God te leren kennen.
Zo wij hoger willen gaan en ons nieuwe leven begrijpen, moeten wij die weg volgen, pas dan worden wij één met het leven van de eerste sfeer.
De eerste sfeer dwingt ons te denken en tot geestelijke eenheid te komen.
Het is het in het bezit nemen van de sfeer.
Het is ook het éénzijn van ziel tot ziel en het ontwaken in de geest, eerst nú leren wij het wonder van God kennen en spreekt het tot ons eigen leven.
Met tal van geestelijke en stoffelijke wonderen wil ik u verbinden.
Straks keren wij dan naar de Aarde terug en zien wij wat daar intussen is geschied.
Wij willen nu eerst dat éénworden beleven.
Want wij zagen zo-even geestelijke woningen en begrepen niet, hoe zo’n astrale woning eigenlijk tot stand komt.
En dit willen wij gaarne weten, want het is een geestelijk wonder.
Wij willen de wetten van dit geestelijk paradijs beleven, alles willen wij leren kennen, want het behoort tot ons bewustzijn.
Ik zei u reeds, dat er zeven sferen zijn, hemelen in de geest.
De eerste sfeer is een bestaanssfeer.
Door haar te betreden staan wij op astrale bodem en hebben we het stoffelijke leven afgelegd.
Maar er zijn nog aardse gevoelens en gedachten in ons en wij moeten trachten daarvan vrij te komen.
Maar hoe geschiedt dat vrijkomen van de Aarde?
U kunt hier bijvoorbeeld aan uw aardse vrienden en geliefden, aan uw leven daar denken, dat zal u niemand verbieden, indien u maar rekening houdt met uw eigen toestand.
En dat moet eerst aangeleerd worden.
De eerste bestaanssfeer zegt u, hoe ge moet denken, of u bent reeds in opstand met uw nieuwe leven.
Willen wij hoger komen, dan moeten wij deze wetten kennen, want dat is het terugkeren tot God.
In dit leven kunnen wij als op Aarde geen stukken overslaan.
Deze en de volgende sferen zijn om ons gereed te maken voor de vierde kosmische levensgraad.
Ook dat is weer een stoffelijke planeet, een wereld, waar zij leven, die eens op Aarde hun kringloop volbrachten en daarna de zeven hemelen doorliepen om nu op de vierde kosmische graad Gods wetten te beleven gelijk eenmaal op Aarde, maar thans geestelijk.
Al deze levensgraden vertegenwoordigen God en wij moeten hen leren kennen en hen ons eigen maken.
Zo u in de eerste sfeer aan uw aardse leven denkt, kunt u beleven dat de eerste sfeer onder uw voeten wegzinkt.
U hebt dan uw geestelijke concentratie afgelegd.
Het is nu mogelijk, dat u in de sfeer der Aarde ontwaakt, terwijl u daar toch niet wilde zijn, ja er eigenlijk niet eens scherp aan hebt gedacht.
U beleeft thans een astrale wet, die u moet leren kennen en u eigen maken.
Het zich eigen maken komt vanzelf, indien u het astrale leven volgt en wilt dienen.
Nu moet u vliegensvlug uw gedachten wijzigen, de Aarde loslaten, in gevoel de eerste sfeer aanvaarden en u realiseren wat u eigenlijk deed, omdat anders de eerste sfeer verwaast voor uw ogen.
Velen dachten, dat God hen op dat ogenblik alles afgenomen had en zij uit hun hemel werden verbannen!
De eerste sfeer riep hun het geestelijk halt toe.
Het Koninkrijk Gods eist van al het leven met de wetten van God in harmonie te blijven, omdat het anders eigen stoornissen schept.
Die mensen dachten aards en terwijl ze tot de geestelijke wereld behoren, trok de Aarde dat leven aan en de eerste sfeer verwaasde.
Zij moeten dus anders leren denken.
Zij moeten denken aan alles wat zij op Aarde hebben gekend, maar dan niet hun geestelijke persoonlijkheid afleggen, omdat zij zich daardoor weer met de stoffelijke wereld verbinden.
Wij leerden hierdoor ons te splitsen.
Het is het beleven van twee werelden.
Hierdoor kunnen wij vergelijkingen maken met de Aarde en ons nieuwe leven.
Zijn aan deze zijde ons denken en voelen verkeerd, dan komen onmiddellijk de wetten in werking en zien wij later, hoe wij hebben gedacht.
Zijn er in ons grofstoffelijke gedachten, dan sluiten wij ons voor deze sfeer af, want die gedachten behoren tot de stoffelijke wereld.
Bloemen vouwen ras hun kelken toe en het is alsof ze zich door ons bezoedeld voelen.
In wezen is dat ook zo, want wij zielen zijn in botsing gekomen met de astrale wetten.
De eerste schrik heeft velen doen neerknielen om God vergiffenis te vragen.
Maar dat waren lessen, waaruit zij leerden, net zolang, tot zij deze bestaanssfeer in eigen handen kregen.
Eerst nu kunnen zij zich voor een studie bekwamen, want de wetten voor ons leven zijn thans geleerd.
Al deze mensen maakten door hun denken en voelen de wetten wakker.
Zij leerden het grote verschil met hun denken op Aarde inzien en vonden het gebeuren een groot wonder.
Dit is op Aarde niet te beleven!
Om dit te beleven en zich eigen te maken zonderen velen zich in de natuur af en komen daar tot de geestelijke meditatie.
In die toestand volgen zij de astrale wetten en gaan daar vergelijkingen maken met het stoffelijk leven.
In deze stilte worden zij door niemand gestoord.
Ze kunnen door hun meesters worden geholpen, die op hen inwerken.
Zo zij zijn losgekomen van de Aarde kan de geestelijke studie beginnen.
Nu staan er zusters en broeders gereed om hen op te vangen.
Zoals zij in het schemerland ontwikkeld werden, volgen zij thans een studie in de astrale wetten.
Wij denken en overdenken steeds weer ons leven, omdat hetgeen wij moeten kennen zich aan ons leven en bewustzijn openbaart en nu deel uitmaakt van ons geestelijk bestaan.
Dat wat de eerste astrale mensen zich hebben opgebouwd, moeten wij volgen.
Wat zij beleefden moeten ook wij ons eigen maken.
Nu wordt ons duidelijk, hoever een Engel in de hogere sferen wel is en wat deze ziel heeft leren kennen.
Wel mochten we hier binnentreden, maar van al de Goddelijke wetten weten we niets af.
Toch hebben wij drie kosmische levensgraden beleefd.
Men zal ons hier de stoffelijke en geestelijke wonderen verklaren, elkeen, die hier binnentreedt, ontvangt deze wijsheid en kan dan verdergaan.
Hoe voelen zich de zielen, die de zevende sfeer hebben bereikt?
Om daar te komen hebben wij duizend jaar nodig.
Wat zullen wij ons in die tijd eigen maken?
Wat moeten zij dan wel niet hebben beleefd, die het Goddelijke Al binnentraden?
Zover moeten we echter maar niet doordenken en ons liever bepalen tot onze eigen sfeer en tot de stoffelijke wetten.
Want ook daarvan willen wij nu alles weten.
Geestelijke mensen zijn geestelijke wonderen.
Als mens zijn wij het allergrootste wonder in de schepping.
U op Aarde en wij aan deze zijde vertegenwoordigen dit Goddelijke scheppingswonder.
En toch is dat wonder niet begrepen.
Hoe denkt men op Aarde over dit Goddelijke wonder?
Miljoenen van deze wonderen worden er in uw eigen tijd afgeslacht.
De mens als Goddelijk wonder martelt, hij is duivels en als gif voor de andere mens.
In de eerste sfeer eist men van ons dat wonder Gods te volgen, het lief te hebben en het te leren kennen, of wij komen niet verder in ons leven en staan stil voor de geestelijke bewustwording.
Ik wil u door het verhaal van mijn eigen geschiedenis tonen, wat er in dit leven te doen valt.
Toen ik, komend uit mijn meditatie, die naar aardse berekening jaren had geduurd, mij afvroeg, hoe kom ik tot het hogere bewustzijn, geschiedde er een wonder.
Plotseling hoorde ik in mij spreken.
Luisterde ik wel goed?
Was het waarlijk een stem?
Vanwaar kwam deze stem?
Ik hoorde:
„Mag ik uw vragen beantwoorden, mijn broeder?”
Ik gaf onmiddellijk antwoord, zond het de ruimte in.
„Indien u mij uw groot en heilig bezit wilt schenken, bid ik God dat Hij mij de kracht geve het op te nemen en het mij eigen te maken.
Wie stuurt u tot mij?
Is God tot mij gekomen?
Wil God, dat ik ontwaak?
Waar bent u, die zo-even tot mij gesproken heeft?
Kunt u mijn woorden opvangen?”
En hoor, tot mij kwamen de volgende woorden:
„Wilt u de wonderen van ons leven leren kennen, zo aanvaard mij dan als uw broeder.
Gods wil is het, dat wij elkaar helpen.
Ik heb uw gebeden mogen volgen, ieder woord, en ik bad met u.
Ik ben dicht bij u en toch ver weg.
Wij zijn één van gevoel.
Onze levens voelen elkaar en hebben elkaar iets te zeggen.
Kom tot mij, mijn broeder, wij zullen elkaar in deze heiligheid ontmoeten.
Ga en wandel in Gods natuur, u zult mij spoedig zien.”
Mijn God, dacht ik, wat zijn dit voor wetten en wonderen?
Welke wonderen hebt Gij aan uw kinderen geschonken?
Kan een mens zóveel geluk ontvangen?
Ik had een geestelijk wonder leren kennen en dat wonder sprak tot mij.
Nu zou ik dat wonder zien.
Ik ging de natuur in, verliet mijn eenzame plek en zag mij al spoedig in een geheel andere toestand verplaatst.
Rondom mij straalde het leven van God, vogels zongen en bloemengeuren zoog ik in mij op.
Waar ik keek zag ik mensen, duizenden wezens, die als ik overtuigd wilden worden van de wetten.
Hoe en waar zou ik het wonder ontmoeten?
Toen ik hieraan dacht, stond ik plots voor een geest van het licht, die mij zei:
„Hier ben ik, mijn broeder.
Nu kunt u mij vragen stellen.
Ik ben gereed u op al uw vragen te antwoorden.”
Ik keek in de ogen van een stralend wezen.
Bent u, dacht ik, als ik op Aarde geweest?
Was u daar mens?
Ik heb u daar niet gekend.
Wie bent u?
Mag ik u deze vragen stellen?
Waarom komt u tot mij?
U wist van mijn leven, mijn voelen en denken af?
Volgt u mij in deze onmetelijke ruimte?
Mijn God, waaraan heb ik dit te danken?
Al deze vragen flitsen door mijn brein.
Wij stonden tegenover elkaar, onze blikken vloeiden ineen.
Deze meester kon mij in alles volgen, ik moest aanvaarden, voor mij evenwel bleef deze persoonlijkheid gesloten.
Toen sprak deze geest:
„Al uw onuitgesproken vragen zult gij beantwoord zien.
Ik ben tot u gekomen om u te overtuigen van de wonderen van God.
Ik ben gereed!
Vraag mij, mijn broeder, al mijn weten behoort u toe.”
Onmiddellijk stelde ik mijn eerste vraag:
„Ik ben mens als u.
Maar waar zijn wij geboren?
Ik weet, dat ik op Aarde ben geweest, vele wetten leerde ik kennen, toch ben ik mij nog niet bewust van al de heiligheid om mij heen.
Hoe kan ik mijn ontstaan beleven, meester?”
De meester twijfelde geen seconde met zijn antwoord en sprak: „Ga met mij, ik zal u de wonderen van God tonen en verklaren.”
Wij gingen naar de Maan.
Daar beleefden wij tezamen het ontstaan van de schepping.
Wij volgden niet alleen de stoffelijke wetten als Goddelijke wonderen, maar tevens de geestelijke.
Ik leerde al de opeenvolgende graden van leven kennen en ik zag in die tijd.
Toen wij daar het leven van God hadden gevolgd, trokken de bijplaneten ons aan, ook daar volgden wij al de stadia van leven.
Vervolgens gingen wij naar de Aarde.
Daar zag ik al mijn levens als man en als moeder.
Mijn meester verklaarde al die wonderen, hij voerde mij van de ene evolutie in de andere.
Miljoenen levens volgden wij zo en toen traden wij de astrale wereld binnen.
Wij hadden een reis gemaakt, die honderdvijftig jaar duurde.
Nu begreep ik de mens en zijn ontstaan en wist ik, waar ik geboren was en ik begreep Gods schepping.
Ik had miljoenen stoffelijke en geestelijke wonderen leren kennen.
Toch moest ik dit alles overdenken en trok ik mij daarvoor terug.
Er volgden maanden van meditatie.
Ik beleefde alles weer opnieuw en kon mij toen in al die miljoenen graden oriënteren.
Toen ik dacht gereed te zijn, keerde ik tot mijn meester terug en vroeg:
„Ik heb het ontstaan van mijzelf leren kennen, meester.
Nu ik dit alles opnieuw heb gevolgd, rijst in mij de vraag, hoe deze natuur en al het leven erin ontstaan is.
Dat ik hieraan niet heb gedacht, is mij een raadsel.
De vogels zingen mij toe, bloemen zenden hun geuren tot mij.
Maar waar is dit leven ontstaan?”
„Dan moeten wij opnieuw terug naar de Maan, mijn vriend, het is daar waar al het leven in de ruimte is geboren.
Ik vraag u echter, kniel neer bij een boom, omarm dit leven en vraag wat het u te zeggen heeft.”
„Kan een boom tot mijn leven spreken, meester?”
„Uw bewustzijn is voor dit leven ontwaakt.
Maak u één met al het leven van God en hoor dan, wat dit leven zal zeggen.
Indien u zich volkomen kunt overgeven, u zich kunt losmaken van uw eigen leven, spreekt dit leven van God tot uw eigen levensgraad.
Ook een boom vertegenwoordigt het eigen bewustzijn.”
En zie, de boom nam mij geheel in het eigen leven op.
Ik beleefde een groot wonder in de geest.
Ik zag mijzelf in de ruimte.
Ik beleefde, dat in het onzichtbare alles leefde, wat ik tot nu had leren kennen.
Ik voelde de boom als energie, als kracht, als verdichte stof, ik zag de stoffelijke en geestelijke graden.
Hij zelf trok mij in al zijn beleefde stadia.
Ik zag alles voor mij en beleefde wonder na wonder, wet na wet door God geschapen.
Eindelijk sloeg ik mijn ogen weer op en keek in die van mijn meester.
Dadelijk gaf hij mij antwoord op m’n onuitgesproken gedachten en gevoelens en zei: „Wij keren naar de Maan terug.
Kom, mijn broeder, daar is het waar wij het ontstaan van al het leven in de natuur kunnen volgen.
Ook dit leven is miljoenen jaren oud en uit het onzichtbare tevoorschijn getreden, door God kreeg al dit leven betekenis.
Het behoort tot uw bewustzijn, gij moet u al deze wetten eigen maken.”
Opnieuw beleefde ik op de Maan het verdichten van de planeet, nu echter alleen om het planten- en dierenrijk te volgen.
Ik zag het afsterven van al die stoffelijke cellen opnieuw, daarna het verdichten van de planeet en het ontstaan van het eerste groen, dat uit die verdichte aarde ontstond.
Ik nam waar, dat het dier uit de mens voortkwam, nadat de eerste menselijke cel het afstervingsproces beleefde.
Toen zich dit alles aan mij had geopenbaard, gingen wij verder, volgden opnieuw de bijplaneten en beleefden ook daar, hoe de natuur evolueerde, het leven doorgaf aan andere planeten.
Door God was dit ongelooflijke tot stand gekomen.
God had zich in myriaden deeltjes gesplitst en al dit leven splitste zich op zijn beurt om deel te nemen aan deze schepping.
Uit het ene was het andere ontstaan, elk vonkje van God gaf zich weer aan het andere vonkje, nam deel aan het scheppingsplan en evolueerde.
Daarna zweefden wij weer naar de Aarde.
Flitsend volgden wij daar de graden van leven voor dier en plant, beleefden al deze wonderen van God in de ruimte, om hierna naar de sferen van licht terug te keren en dit alles weer te verwerken.
In alle bewuste en onbewuste stoffelijke en geestelijke stadia had ik Gods openbaringen nu leren kennen.
Nu begreep ik een boom, een bloem, een plant en een dier.
Ik kende de geboorte van al dit leven in al die duizenden van miljoenen graden.
Toen begreep ik beter mijzelf en de wonderbaarlijke machten en krachten, die ik als mens had ontvangen, en moest getuigen:
Ik vroeg mijn meester:
Het machtigste wonder in de Goddelijke ruimte is de mens!
„Wat kan ik nu doen, meester?”
„Ga met mij, mijn broeder.
Wij zullen een wandeling maken.
Leer eerst alles van uw eigen leven kennen.
Wij zullen nu het leven van de eerste sfeer volgen, ook dit moet u kennen en zich eigen maken.
Daarna kunt u mij opnieuw vragen stellen over dit probleem en weet u zelf wellicht al wat gij voor dit leven zult gaan doen.”
Wij maakten een wandeling door de eerste sfeer.
Onderweg stelde ik vragen, die mijn meester beantwoordde.
Nu keek ik anders naar een geestelijke woning.
Wat wist ik er eigenlijk van?
Dit was een Koninkrijk op zichzelf.
En daarin leefde een mens.
Wat waren de gevoelens van die mens?
Ik dacht aan al die sferen geluk, maar begreep het niet.
Ik dacht aan heel veel dingen tegelijk, maar kwam er niet in.
En toch wilde ik er alles van weten, want het behoorde bij mijn sfeer en mijn bewustzijn.
Wat moest ik eigenlijk nog veel leren en wat had ik nog weinig voor anderen gedaan!
Ik moest aanvaarden, dat ik voor anderen nog niet gereed was.
Ik zei mijn meester:
„Meester, ik voel, dat ik in dit alles moet ontwaken.
Ik ken duizenden wonderen van God, maar hier sta ik weer voor talloze nieuwe wonderen.
Ook een geestelijke woning is een heilig wonder.
Ik wil bewust worden in mijn eigen wereld.
Wilt u mij helpen?”
„Dat is het, mijn broeder, wordt één met uw eigen wereld.
Wil daar alles van weten en u ontvangt uw Koninkrijk Gods.”
„Hoe ontstaat een astrale, geestelijke woning, meester?”
„Ik zal u dit wonder laten beleven.”
De meester zette zich neer.
Ik nam waar, dat zich rondom hem iets ging verdichten.
Ik zag de eigen uitstraling van mijn meester en die uitstraling verdichtte zich voor mijn ogen.
Zijn gehele wezen was bijna door deze fluïde afgesloten en toen verdween mijn meester voor mijn ogen.
Er was een hechte afsluiting gevormd, ik zag de geestelijke woning groeien en ontstaan.
Ik stond naast mijn meester en bleef dit wonder volgen.
Nu vroeg hij:
„U hebt het verdichten van mijn woning in deze sfeer kunnen volgen?”
„Ja, meester, maar hoe ontstaat deze afsluiting?”
„Door mijn eigen wil, mijn vriend.
Ik doe dat door concentratie.
Maar nu weet u nog niets.
Als u de eerste sfeer hebt bereikt en u wilt een plaats hebben om uit te rusten, trekt God u in Zijn Leven op.
Doordat ik mij op rust ga instellen, stroomt de levenskracht uit mij weg, die anders van mijn eigen leven en persoonlijkheid deel blijft uitmaken.
Nu wil ik denken, ik wil mij ergens voor bekwamen en mediteren.
En zie, indien ik mij hier volkomen op instel, zal mijn uitstraling mij voor al het andere leven van God afsluiten.
Alles wat in mij leeft vormt nu en schept.
Iedere eigenschap in mij schept een eigen afsluiting.
Voel ik voor kunst, dan zullen die eigenschappen mijn geestelijke woning versieren.
Is mijn gebed volkomen ingesteld op de ruimte en de wetten van God, dan bouw ik aan een Tempel.
Geloof en liefde scheppen, alsook de overgave, kortom al de eigenschappen, die van uw persoonlijkheid deel uitmaken, bouwen aan uw geestelijke woning.
Ik kan mijn woning bouwen, waar ik dat wens.
In Gods paradijs zijn er vele woningen, voor elk kind van God is er plaats.
Dat legde God in onze handen.
God schiep op deze wijze het Heelal!
Wij hebben ons leven in deze levensgraad gebracht, in dit geestelijke stadium, maar wij moeten nog verder!
Miljoenen zielen aan deze zijde hebben nog geen tijd om uit te rusten, al dat leven wil verder, wil hoger gaan om de vierde sfeer te bereiken.
Velen maken zich gereed om op Aarde het leven van God te dienen, anderen mediteren in hun eigen woning en zullen daarna aan een taak beginnen, die hun door de meesters van de sfeer opgedragen wordt.”
„De mens in rust, meester, schakelt zich dus eigenlijk volkomen uit?”
„U denkt na over het leven, over die mens, wiens woning u daar voor u ziet?”
„Ja, meester.”
Mijn blikken waren blijven rusten op een astrale woning, ik zag ook de bezitter ervan en ik dacht aan hem.
Wat deed die man daar?
Leerde hij iets?
Vele vragen kwamen er in mij op.
Al die vragen wilde ik gaarne beantwoord hebben, want ik begreep dat ik niet bewust in mijn eigen toestand kon zijn, vóór ik alles van mijn sfeer wist.
Ik vroeg:
„Er komen gevoelens in mij, meester, die mij zeggen, waarom deze ziel hier een eigen woning heeft opgebouwd.
Kan ik deze gevoelens aanvaarden?”
„U moet steeds aanvaarden wat in u komt.
In deze sfeer kan de leugen u niet meer bezoedelen.
Op Aarde en in andere ruimten is dat wel mogelijk, in de eerste sfeer bent u vrij van leugen en bedrog.
Indien u alles van uw eigen sfeer wilt weten, kunt u zich daarop instellen en zal het leven tot u spreken, u vertellen hoe het ontstaan is en in welke toestand het zich bevindt.
Wat u voelt, is heel duidelijk en waarachtig.
U bent nu bezig met het leven van God te spreken, zoals ik het deed.
U maakt zich deze ruimte eigen.
Al dit leven wil in reine liefde benaderd worden.
En deze liefde kunt u beleven en ontvangen.
Uw eigen leven wil thans weten.
U, als de persoonlijkheid, vraagt, wil weten, hoe dit leven is ontstaan.
U hebt nu geen tijd om te rusten, maar andere zielen hebben dat wel.
Zij beleven hun eigen verlangens en dat zijn soms wetten, de openbaringen van God.
Deze ziel hier voor u is wachtende.
Deze ziel denkt en maakt zich gereed voor een toestand, die zij straks zal ontvangen.
Uw leven vraagt en wil zich de ruimte van God eigen maken.
Deze ziel zal de heiligheid van de liefde beleven, het geestelijke éénzijn in deze sfeer, het Koninkrijk Gods.
U bent op reis en miljoenen met u, allen willen ontwaken.
Deze ziel ontwaakt thans in het eigen bestaan en geeft zich geheel aan God over.
U wilt weten hoe al dit leven geboren is en wat ook die ziel straks zal gaan doen.
Niet één mens is eigenlijk in ons leven gelijk, wij allen hebben andere verlangens en zullen alléén die kunnen beleven.
Toch beleven wij de wetten van God, zoals God Zelf dat wil.
De eerste sfeer nu zegt u, dat gij uzelf moet leren kennen en eerst daarna al het andere leven in uw eigen omgeving.
U ziet welke studie u te volgen heeft.
Deze ziel wacht op het leven, dat straks hier zal binnentreden.
Dit leven verwacht de tweelingziel.
Dat geluk kan men in de eerste sfeer ontvangen.
Daarom heeft dit leven de woning opgetrokken en wil er zijn reine liefde in ontvangen.
Beiden werken aan dit goddelijk bezit, hij aan deze zijde en zij op Aarde.
Hun heiligheid hebben zij tezamen verdiend.
Uw weg is evenwel anders, u volgt thans al de wetten van God en zult daarin ontwaken.
Deze mens zal straks met zijn tweelingziel de ruimte beleven en dan zal hij haar, zoals ik het u doe, van Gods Almacht overtuigen.
Dan gaan beiden op reis, een reis van honderden jaren volgens aardse berekening, ze helpen onderweg, waar zij helpen kunnen, en nemen zo de eerste drie levensgraden van dit Universum in bezit.
Wat dit zeggen wil en betekent, is niet te vertellen, dat moet u kunnen beleven.
U hebt dat beleefd, maar dat beleven is nog dieper, als het door tweelingzielen geschiedt.
Zij volgen tezamen al de levensgraden, waarvan ik u de wetten verklaarde, zo lang, tot zij dit bewustzijn hebben verkregen.
Nu staan zij voor al het leven van God in hun eigen wereld open.
Ze zijn gereed aan een studie te beginnen en voleinden deze.
Daardoor bereiken zij de vierde sfeer.
Wat u leert, maken ook zij zich eigen.
Maar zij doen dat tezamen.
U alleen, omdat u niet gereed bent voor deze liefde, want uw leven is vol van studie.
Gij zult u geen geestelijke woning optrekken, omdat gij nog overal wilt zijn om er te leren.
Deze ziel wacht nu en zal aanstonds heengaan om haar, die zijn tweelingziel is, op Aarde af te halen.
Twee zielen vertegenwoordigen Gods ruimte.
Twee mensen, mijn broeder, als man en vrouw, dragen de gehele schepping!
Voor deze twee zielen heeft God het Universum geschapen.
U zult dit alles leren kennen, de wetten van uw eigen leven zullen u ervan overtuigen.
En daarenboven zult u dát volgen, waarvan uw leven zich bewust is, al het andere kan nu nog niet tot uw bewustzijnsgraad spreken.
Wat gij op dit ogenblik leert kennen, is het eigenlijke waarnemen van uw levensgraad.
En daarvan moet u alles weten en in bezit nemen, eerder kunt u zich niet gereed achten voor een geestelijke taak.
Dat zijn de wetten van God, die al het leven in de ruimte zich eigen moet maken, want door hen keren wij tot God terug!
Als u daarmee gereed bent, mijn broeder, volgt het andere, het hoogste en heiligste, dat God u als mens schenken kan.
Gij zult dan het kosmische wonder beleven, de hoogste en reinste liefde, het beleven van uw eigen levensgraad, u komt dan als een bewuste te staan tegenover uw tweelingziel.
Dat te zien, het heiligste in de ruimte te mogen beleven, in dat leven te mogen afdalen als „Moeder”, is voor dit leven het bezit van de „Grote Vleugelen” en wil zeggen, dat Gods ruimte in uw handen is neergelegd!
Een geestelijke woning trekken dus alleen zij op, die waarlijk willen mediteren of uitrusten, het andere leven van God beleeft de miljoenen levensgraden in de ruimte van God en maakt zich deze eigen, om daarna het allerheiligste voor ons leven te ontvangen, dat de „tweelingliefde” is!
Dan ontstaat deze werking, die dus van u zelf uitgaat.
Iedere gedachte schept en vormt.
Maar u als de persoonlijkheid bent het, die overheersend is in uw eigen bestaanswereld.
Dat is door het verkregen bewustzijn tot stand te brengen, te beleven in de eigen graad en in de sfeer waarop u afstemming hebt.
Het allerkleinste van uw leven komt tot het geestelijke scheppen.
In ons leven zijn al de karaktereigenschappen ten volle geestelijk ontwikkeld.
Dat kunnen wij in ons leven op Aarde niet zeggen, tal van eigenschappen vragen daar om afgebroken te worden, ervoor in de plaats komen de geestelijke graden voor iedere eigenschap.
Het is het bewustworden van de persoonlijkheid en hier zet men aan deze zijde alles voor in!
Iedere goede daad van haar, die de tweelingziel is van die mens daar en thans nog op Aarde leeft, schept ook en bouwt aan deze woning.
Beiden zetten voor deze woning dus hun hele persoonlijkheid in.
Dat zij tot deze ontwaking zijn gekomen, mijn broeder, hebben zij zich in vele levens eigen mogen maken.
In één aards leven is dat niet te bereiken.”
„En als die vrouw op Aarde nu een ander toebehoort, meester?”
„Mijn lieve broeder, aan deze zijde kennen wij geen ander, niets is te veranderen aan de wetten van God.
Zij hoort hem toe, die haar ziel is.
Het aardse organisme is geen bezit voor deze wereld.
De ziel is het!
De ziel heeft haar eeuwigdurende betekenis, niet het organisme!
De ziel ontvangt en móét ontvangen wat tot haar behoort.
Dat wat mij toebehoort en God mij op de Maan geschonken heeft, kan niet van een ander zijn, wat God mij geschonken heeft keert in de eerste sfeer tot mij terug en samen gaan wij verder.
Hij wacht nu op haar, die nog op Aarde is en daar een ander toebehoort, maar haar innerlijk leven behoort hem toe en het zijne aan haar.
Dit is één wereld!
Zij vertegenwoordigen het Universum!
Zij hebben zich al de levensgraden in deze ruimte eigen gemaakt.
Op Aarde heeft men het organisme lief, wij daarentegen het innerlijk leven.
Het is Gods wil!
Die andere persoonlijkheid zal zich gereedmaken voor deze zijde.
Al het leven schonk God naast het eigen bewustzijn het andere, beiden zijn van één kleur, ze zijn in voelen en denken volkomen gelijk en in de liefde geheiligd.
Eens vinden ze elkaar in de ruimte en beleven dan hun geestelijk, kosmisch of goddelijk geluk.
Dat ontvangt de mens na de dood en het is een machtig wonder.”
„Maar als dit zieleleven nu gereed is en het andere op Aarde niet, meester, wat dan?”
„Dan is er geen geestelijke verbinding mogelijk, mijn vriend.
Hoe wil dit leven zich gereed voelen, indien de wetten niet tot het innerlijk en de persoonlijkheid spreken?”
„U bedoelt, dat de wetten voor deze toestand beiden tot dit ontwaken hebben gebracht?”
„Juist, zo is het.
Hij weet reeds dat zij komen zal, zij op Aarde verlangt – al weet zij niet, dat haar tweelingziel wacht.
Geestelijk contact bezitten zij niet, maar ook dat is mogelijk.”
„U weet dat van hem, meester?”
„Ik lees deze wijsheid uit zijn aura, broeder; zijn geestelijke woning, alles wat hij hier bezit, kan het mij vertellen.
Ik zie in zijn leven!
Dit leven spreekt tot het mijne, omdat ik een andere en hogere bewustzijnsgraad bezit.
Maar het is ook voor u mogelijk.
Deze ziel vertoeft vaak op Aarde en helpt haar daar om tot het geestelijk ontwaken te komen.
Hij is volkomen gereed om haar te helpen.
In zijn leven op Aarde was hij een dokter.”
„U kunt al deze levenswijsheid waarnemen, meester?”
„Ik zei het u immers zo-even, ik zie dit aan zijn levensaura, mijn broeder.
Zijn persoonlijkheid straalt deze wijsheid uit.
U voelt zeker dat wij aan deze zijde niets meer voor elkaar kunnen verbergen.”
„Hoe wonderlijk, machtig is alles, meester.
En nu de mensen, meester, die deze liefde niet bezitten, hoe zijn hun verlangens aan deze zijde?”
„Die zielen moeten dan nog voor de reine geestelijke liefde ontwaken.”
„Eén ziel in de ruimte behoort dus tot ons leven, meester, en zij is het heiligste, wat wij aan deze zijde ontvangen.”
„Waarlijk, mijn broeder, wie gééstelijk liefheeft, kan het stoffelijk kleed niet meer beminnen.
Aan deze zijde ontvangt de ziel het eigen leven; de andere ziel, waarmee God ons verbonden heeft, draagt dit leven door al de levensgraden van God en is gereed om het in al deze levensfasen te begrijpen, lief te hebben, zodat het verhoogde stadium voor beiden kan ontwaken.
Maar wie nog stoffelijk liefheeft, staat voor dit goddelijk geluk en deze geestelijke reinheid niet open.
Toch is het samenzijn van twee mensen op Aarde voor de Goddelijke Schepping heilig, wanneer zij hun eigen leven en dat van de ziel, die aangetrokken wordt, voelen, liefhebben en begrijpen, of het éénzijn is grofstoffelijk en heeft niets met deze heiligheid uit te staan.
Elk mens moet voor deze levensgraden, voor deze geestelijke liefde ontwaken, het behoort tot ons leven en het in bezit nemen van de eerste sfeer!”
„U zegt, dat zij hier aanstonds zal binnentreden?”
„Dat aanstonds, mijn broeder, is over enige weken volgens de lichamelijke berekening.
Dan zal zij daar sterven, zodat de ziel in dit leven verder kan gaan.
Deze ziel wordt afgehaald door haar tweelingziel, God gaf hun deze genade, doch ze hebben haar zich op Aarde in vele levens eigen gemaakt.
In tal van levens hebben zij elkaar ontmoet, om weer uiteen te gaan, maar na dit leven zullen zij aan deze zijde verdergaan en elkander hier herkennen.
Zij zullen hier hun eeuwigdurende liefde in bezit nemen!”
„Het is zo hoopvol, zo machtig, meester.”
„En heilig voor ons als mens.
Wanneer wij deze heiligheid mogen ontvangen betekent dat, dat wij het bewustzijn van de eerste sfeer hebben bereikt en reeds dienende zijn, openstaan voor al het leven van God, waardoor wij voor het verdere hoger gaan kunnen ontwaken.
Hierdoor kan de ziel bergen verzetten en is zij nimmer buiten bezieling.
God schiep Hemel en Aarde voor ons en als man en vrouw, als tweelingzielen, dragen en vertegenwoordigen wij de Kosmos!
Wij dragen de geestelijke en stoffelijke ruimte en al het leven op Aarde als mens moet zich deze afstemming eigen maken.
Welk een geluk de mens wacht na de stoffelijke dood, zult u in de eerste sfeer kunnen waarnemen.
En dit geldt voor de massa en voor de gehele mensheid!”
„Hoe groot is God om ons al deze heiligheid te schenken.”
„God is Liefde, in alles liefde.
Voor God is er geen ontbinding, al het leven in de ruimte zal tot Hem terugkeren.
God is steeds liefde geweest!
Maar hoe hebben wij deze wetten van God op Aarde begrepen?
In ons leven daar waren wij niet bewust.
Hebben wij ontzag gekend voor al Zijn leven?
Het zieleleven moet dus ontwaken voor deze levensgraden, eerst dan volgt het bewuste hoger gaan in de geest.
Nu moet de mens zichzelf leren kennen en het „kwade ik” overheersen, het voert hem tot de zichtbare en onzichtbare wetten in deze ruimte, die ons op de Maan zijn geschonken.
Volgen wij deze wetten van God op, dan bouwen wij voor onszelf en anderen een Tempel op in deze en andere sferen, waarin wij het leven kunnen ontvangen.
Door het leven van God te dienen komen wij zover!
Al het leven in deze sfeer, mijn broeder, zal u daarbij helpen.
Daardoor treden wij de hogere hemelen binnen.”
Ik begreep mijn meester, een geestelijke woning vond ik een heilig wonder.
En dit wonderbaarlijke behoorde de mens toe.
Dit was zijn eigen bezit, zover waren deze zielen dus reeds gekomen, zij wilden tezamen op weg.
In mij leefde het grote verlangen alles van dit leven te mogen weten.
Ik zou geen rust hebben neer te zitten en te wachten totdat mijn ziel zou komen.
Waar leefde mijn eigen levensafstemming, mijn tweelingziel?
In deze ruimte moest zij aanwezig zijn.
Maar waar?
Ik voelde nog geen behoefte om haar te zien, maar wel voelde ik, dat deze heiligheid hierna tot mij zou komen.
Wellicht leefde zij nog op Aarde en kon ik haar vanuit deze wereld helpen.
„In Mijn Vaders Huis zijn vele woningen.”
Hier had ik de waarheid van dit schone woord leren kennen en begrijpen.
In mijn leven kwam dankbaarheid en de bereidheid het hoofd te buigen voor God.
Wat weet men, dacht ik, hiervan op Aarde af?
Arme mensheid!
Toen gingen wij verder.
Waar ik keek, stonden tempels en geestelijke woningen.
De ene mens was verder dan de andere.
Welk een bezit!
Hoe machtig vond ik alles!
Mijn meester bracht mij tot de geestelijke kunst.
Ik zag vele meesters bijeen en aan het werk.
Er waren er onder hen, die zich gereedmaakten om op Aarde kunst te brengen.
Toen wij dat hadden waargenomen beleefde ik, hoe een Tempel aan deze zijde opgetrokken werd.
Dit bouwsel was eigen schepping.
Een Tempel bestond door de krachten van hogere meesters.
Op dezelfde wijze als een geestelijke woning opgetrokken werd, bouwde men in dit leven Tempels.
Ik voelde de oneindige diepte van al deze gebouwen.
Hier kreeg al het leven van God vorm en kleur door de wetten van deze wereld, die de mens zich echter eerst had eigen te maken.
De eerste sfeer en al de hogere hemelen waren erdoor opgebouwd.
Een wonderbaarlijke architectuur mocht ik bewonderen.
Kunstig was alles in de sferen, rein en natuurlijk.
Dit waren geestelijke wonderen en ze behoorden bij dit leven.
Ik knielde neer om God te danken, dat ik tot het leven behoorde.
Ik maakte als vonk van God deel uit van al deze heiligheid.
Ik was het grootste wonder, want als mens was ik als God!
Tussen al deze wonderen beleefde ik mijn geestelijk ontwaken, mijn voelen en denken en het in bezit nemen van al deze heiligheid!
Jaren gingen voorbij.
In die tijd leerde ik al het leven aan deze zijde kennen.
Ik begreep nu het stoffelijke uitspansel en wist hoe het ontstaan was.
Ik begreep nu, hoe al deze miljoenen zielen hun schone, licht-uitstralende gewaden hadden ontvangen en hoe het kon, dat al deze gewaden het bezit van de mens vertegenwoordigden.
Ook keerde ik van tijd tot tijd naar de Aarde terug om er verschillende vergelijkingen te maken tussen onze wereld en het aardse leven, waardoor mijn leven zich verruimde.
In mijn leven was het bezit gekomen van de eerste sfeer, thans behoorde al deze heiligheid mij toe.
En mijn verlangen groeide; naarmate ik mijzelf en al het leven van God leerde kennen, wilde ik iets voor de wetten van God en al dit leven gaan doen, ik wilde mij geheel inzetten, ik wilde dienen!
Wie mijn meester eigenlijk was, wist ik nog niet, maar ook dat zou mij op tijd geopenbaard worden.
Ik vroeg aan mijn meester:
„Wat kan ik nu voor het leven van God doen?
Ik zou voor alles wat ik hier en op Aarde van God gekregen heb, mijn eigen leven willen inzetten.
Mijn dankbaarheid voor hetgeen ik mocht ontvangen en leren kennen raakt de diepte van dit leven.
Ik wil nu gaarne een taak ontvangen, meester.”
Mijn meester liet mij niet wachten en antwoordde: „Werk voor het ontwaken van de mensheid.”
„U denkt, dat ik naar de Aarde moet terugkeren?”
„Is het Moeder Aarde niet, mijn broeder, wier leven door ons bezoedeld werd?
Moeten wij al onze krachten dan niet inspannen om ook daar het geestelijke bewustzijn te brengen?
Zo u de hogere sferen wilt betreden, werk dan voor de mensheid.
Keer terug naar de Aarde en sluit u in het menselijk wezen op, tracht u al de fysische en psychische wetten voor het leven op Aarde en dit leven eigen te maken, want straks hebben de meesters u nodig.
U zult dan een taak ontvangen!
Maak u voor dat grootse werk gereed.
Ontzie u zelf niet, ga in de wetten van God, leer de stoffelijke levensgraden en de geestelijke gaven kennen en maak u die wonderen eigen.
Volg alles, wat op deze evolutie afstemming heeft.
Zie op Aarde, hoe de mensen het leven in de ruimte hebben begrepen.
Volg daar alles, wat tot de geestelijke ontwaking behoort, en volg hen, die zichzelf vernietigen, leer al de onbewuste levensgraden kennen.
Ga van uit de voordierlijke naar de geestelijke graad, beleef die graden stoffelijk én geestelijk, maar in de mens, en maak vergelijkingen met uw eigen bewustzijn.
De mens op Aarde gaat door zijn eigen geschapen ellende te gronde.
Wij allen zijn op weg daarin verbetering te brengen, elkeen die dienen wil en zichzelf op de wetten van God wil afstemmen, moet helpen!
Doe dat voor Moeder Aarde, zij gaf u alles!”
Ik nam afscheid van mijn meester.
Op Aarde beleefde ik alles, wat de mens kent en bezit en nog niet kent of voelt.
Ik daalde in de aardse onwetendheid af, in onkunde en ellende.
Duizenden problemen van de Aarde zag ik nu anders.
Miljoenen menselijke toestanden kon ik van dit leven uit volgen.
Ik leerde alles van de geboorte kennen en begrijpen, het aantrekken van het zieleleven eveneens en het stervensproces.
Het menselijk lijden trok mij aan.
Ik nam waar, hoe al die prachtige organismen door ziekten werden vernietigd.
Hierdoor ontwaakte ik geestelijk en stoffelijk.
Na enige eeuwen keerde ik tot mijn meester terug.
Hij aanvaardde mij als voordien en vroeg:
„U heeft gezien, wat Moeder Aarde nodig heeft?
Waardoor al die ellende op te lossen is?”
„Ja, meester.”
„Hebt u tevens vast kunnen stellen, waardoor de mensheid moet ontwaken?”
„Ook dat heb ik in de sfeer der Aarde leren kennen, meester.”
„U heeft begrepen, dat wij als mensen krachten en machten bezitten, waarvan de Aarde niets weet?”
„Ik ben daarvan overtuigd, meester.”
„Weet u ook, dat die ellende door ons is ontstaan?”
„Ook dat heb ik moeten aanvaarden, meester.”
„Voelt u, mijn broeder, dat het geestelijk ontwaken de mensheid het paradijs zal schenken?”
„Ja, meester, en dat is het, waarvoor ik mij geheel wil geven.”
„Wij zullen de mensheid helpen, miljoenen met ons zijn reeds op weg en geven alles van zichzelf om dat doel te bereiken.
Er zullen wonderen op Aarde worden gebracht, geestelijke wonderen, die ons door de hoogste meesters aan deze zijde zijn geschonken.
De mensheid zal hierdoor ontwaken.
Moeder Aarde heeft deze geestelijke schatten nodig.
Wij volgen echter een andere weg en dienen de innerlijke mens.
Met Gods hulp zullen wij ons werk afmaken.
Eeuwen zullen nog voorbijgaan, maar de Eeuw van Christus is op komst en daarvoor zullen wij dienen!”
„Ik wil dienen, meester, geef mij deze genade, ik beloof u, dat ik geen seconde tijds zal verliezen en mij gereed (zal) maken voor deze taak.
Ik heb God leren kennen; de stoffelijke en geestelijke wonderen maakten mij wakker.
Kunt u dit van mij aanvaarden?
Ik wil u in alles volgen, meester.
Ik wil mij eigen maken, dat, wat deze twee zielen reeds bezitten, want ik ontmoette hen op Aarde.
Ik heb hun geluk mogen aanvoelen en ik boog toen diep mijn hoofd voor deze reine liefde, voor al de heiligheid van hun levens.
Zij bereizen thans de Goddelijke ruimte en zij helpen waar hulp nodig is, intussen verdiepen zij zich in de wetten van God, voelen de ene afstemming na de andere in zich ontwaken, wat ik met eigen ogen heb mogen aanschouwen.
Hun geestelijke woning is nu opgelost, meester, ook die wetten heb ik door deze tweelingzielen leren kennen, maar ik ontwaakte erdoor!”
„Benijdenswaard is dit alles, mijn broeder, voor hen, die zichzelf begrijpen, want het is hierdoor dat wij aan deze zijde hoger gaan.
Nu kan ik u van de andere wetten van dit leven overtuigen.
Gij zult hierna aan uw taak voor de meesters beginnen en de mensheid treedt dan de Eeuw van Christus binnen.
Ook ik dien voor de meesters en voor mijn Vader in de Hemel.
Wij allen zullen de mensheid op Aarde overtuigen van ons geestelijk en eeuwigdurend voortgaan.
Ge zult leren kennen, wat God en de Engelen in ons bestaan tot stand willen brengen voor de aardse mensheid.
Het machtige doel is, de mensheid in ons eigen leven op te trekken.
Ik ga u op dit ogenblik van het Koninkrijk Gods op Aarde overtuigen en dan leert u, wat wij in de sferen van licht aan openbaringen beleefden.
U zult wonderen zien, mijn broeder, technische openbaringen, die op Aarde worden gebracht.
Die wonderen zijn voor de Eeuw van Christus!
U bent niet wachtende, ook de beide zielen niet, die u hebt mogen ontmoeten, ook zij dienen al het leven van God.
Maar hij keert straks terug naar de Aarde om opnieuw geboren te worden, beiden hebben een grootse taak ontvangen.
Als geleerde zal hij op Aarde ontwaken en zichzelf en zijn heilig bezit voor de lijdende mensheid inzetten.
Ook zij maken zich dus gereed voor hun taak, hij als dokter op Aarde, zij blijft aan deze zijde en zal hem van hieruit bezielen.
Voelt u, mijn vriend, wat hiervoor nodig is?
Zij nemen dan voor één leven afscheid van elkaar, maar diep in hen leeft de geestelijke eenheid, niets kan hen nog uiteenrukken.
Hij zal op Aarde scheppen, door hem ontvangt de Aarde medicijnen om de lijdende mensheid van haar leed en smart, haar pijnen te verlossen.
Dat is hun levenstaak en die van anderen.”
Mijn meester voerde mij daarna naar de Tempel der Medici.
Wat ik daarin beleefde zijn toekomstige wonderen.
Moeder Aarde zal deze ontvangen.
Zij behoren tot de Eeuw van Christus en zijn voor het Koninkrijk Gods op Aarde.
De lijdende mensheid zal ze ontvangen, maar ze kwamen aan deze zijde tot stand.
Deze technische wonderen zijn niet alleen voor het organische leven, maar bovendien voor het innerlijke, voor de geestelijke bewustwording.
De Eeuw van Christus zag ik voor mij, groots en levend, sterk en waarachtig, onfeilbaar en bezield door God!
Als dit de mensheid mag weten – voelde ik, móét het geestelijk ontwaken komen!
Mijn meester zei tot mij:
„De zieken moeten geholpen worden, u begrijpt zeker dat dit eerst nú mogelijk is.
Spoedig zullen wij daaraan op Aarde beginnen en gij zult dat op Aarde vertellen.
Ik zal u hierbij helpen, tezamen moeten wij ons gereedmaken voor die tijd, voor de Eeuw van Christus.”
Geachte lezer.
In de Eeuw van Christus moeten de ziekten van de Aarde oplossen, of er komt nooit geluk op Aarde.
Dat heeft Christus gewild en Hij is hiervoor gestorven.
De technische meesters en andere geleerden leven nu reeds op Aarde, die zielen hebben voor deze geestelijke wonderen het nieuwe aardse leven ontvangen.
Velen zijn al aan hun taak begonnen, anderen bevinden zich nog in de wereld van het onbewuste en wachten op de geboorte.
Zij hebben voor de Eeuw van Christus een grootse taak te volbrengen.
Voor God is alles mogelijk!
Die genade heeft Hij hun geschonken!
En aan deze zijde staan al die wonderen gereed.
Het zijn technische instrumenten, waardoor alle kwade stoffen in het menselijk organisme zullen oplossen.
Wanneer de mens ermee wordt verbonden, moeten al die vreselijke verschijnselen verdwijnen.
Het is het machtigste instrument, dat ooit aan de Aarde geschonken kan worden.
Andere instrumenten hebben weer een geestelijke betekenis, maar alle zijn wonderen voor de Eeuw van Christus!
God heeft dit gewild!
Christus zette er Zijn leven voor in, maar deze oorlog bracht het u!
Thans eerst kunnen deze geestelijke wonderen op Aarde worden gebracht, want nú komt de mensheid tot geestelijke eenheid!
De verschijnselen ervoor zijn reeds door u op Aarde waar te nemen.
De ziekten van de Aarde zijn u bekend.
Alle bestaande ziekten zijn echter in handen van de astrale meesters, d.w.z. dat men er aan deze zijde een geweldige studie van heeft gemaakt.
Uw aardse studie is de afschaduwing van de geestelijke en dat wil ik u straks verklaren en aantonen.
Wat u op Aarde bezit, is door deze wereld verkregen.
Gene Zijde bracht het op Aarde, Gene Zijde schiep uw maatschappij, Gene Zijde leeft en denkt voor de mensheid, omdat God wil, dat al het leven van Hem dient!
Ik heb op Aarde al die ziekten leren kennen, mijn meester zond mij ervoor terug en ik sloot mij in uw zieken op en hielp waar ik kon.
Ik heb op Aarde en aan deze zijde geleerd, hoe de meesters deze ziekten naar de sferen van licht brachten en ik mocht tevens bij dat geestelijke onderzoek aanwezig zijn, omdat ik er u over zou kunnen vertellen.
Dit behoort, zoals alles wat u gegeven is, tot de Eeuw van Christus, de Bijbel heeft daarvan al gesproken.
In u zal de gedachte komen, dat het niet mogelijk is, alle ziekten van de Aarde te doen oplossen.
Wij zeggen u: God gaf ons de genade ervoor!
God gaf aan de meesters die kracht.
Thans is het mogelijk, nú is de mensheid zover gekomen, zij heeft zich van het overrompelende, verstikkende, afgrijselijke kwaad en het voordierlijke afbreken losgemaakt!
God is Almachtig, God heeft al Zijn kinderen even lief en in het Al, waar Christus leeft en miljoenen zielen het Goddelijke leven hebben aanvaard, is deze astrale wijsheid beleefd.
Ze is ontstaan uit het Goddelijk principe en toen intussen doorgegeven aan de andere Kosmische levensgraden, waartoe ook Moeder Aarde behoort.
Hiervoor is Christus gestorven.
Hij zette Zijn Goddelijke Bewustzijn ervoor in.
Hij schiep met anderen deze wonderen.
Al deze zielen leefden eens op Aarde.
Zij kennen dus de ellende, het leed en de smart van de Aardse mens, zij weten hoe ver Moeder Aarde en Haar kinderen voor de geestelijke bewustwording gekomen zijn.
Ja, zij kennen het leven op Aarde in al de graden, want zij bouwden zelf aan uw maatschappij en aan dit machtige geluk, ook zij gingen door de duisternis naar het licht.
Deze zielen, die thans het Goddelijke Al hebben bereikt, brachten een verbinding tot stand met de hoogste meesters uit de sferen en door dit contact konden deze aan de bouw van de instrumenten beginnen.
En nu alles gereed is en op de aardse geboorte wacht, komen wij als Gods afgezanten tot u om hierover te vertellen en u die wonderen te profeteren.
Een hemelse taak, waarvoor mijn broeders en ik ons gereedmaakten en waarvoor wij onze levens hebben ingezet.
Er is geen ziekte op Aarde of de meesters aan deze Zijde kennen haar.
Het zijn er vele.
God schonk ons Zijn Eigen Leven en Zijn Wijsheid, toch wist Hij, dat het leven op Aarde zich desondanks zou vergeten.
Hij wist echter ook, dat Zijn kinderen door de duisternis bewust het licht zouden binnengaan.
God wilde, dat de Eeuw van Christus wonderen zou ontvangen, die de door de mens in zijn ontwikkeling naar het geestelijk bewustzijn tevoorschijn geroepen ziekten zouden doen oplossen.
In de Eeuw van Christus zal de mensheid aan haar betere-ik bouwen en zich Christus’ leven en bewustwording eigen maken.
Nu krijgt uw leven op Aarde betekenis.
Christus sprak: „In Mijn tijd zal de mensheid wonderen beleven”.
Die wonderen komen straks op Aarde.
Het kind van de Aarde, dat het stoffelijk leven verliet en aan deze Zijde ontwaakte, keert er opnieuw terug om er die hemelse schatten te brengen.
Dat bewuste kind dient thans de massa en de mensheid.
Dit is mogelijk geworden doordat miljoenen zielen in de loop der tijden hun levens inzetten op brandstapels en in leeuwenkuilen.
Zij gaven hun geestelijk bezit, het mooiste en aller-, allerheiligste van henzelf, de liefde, die zij voelden voor al het leven van God in de onmetelijke ruimte, waarin zij woonden.
Al deze zielen zijn thans Engelen in de geest, zij gaven hun krachten voor deze wonderen, waarvan ik u vertellen mag.
Gij zult die wonderen door hen ontvangen, opdat gij de geestelijke bewustwording zult verkrijgen, die heiligend tot uw leven zal spreken en waardoor u en de uwen de opstanding wordt mogelijk gemaakt.
Wij zijn ervan doordrongen, dat gij u met dit bewustzijn geliefd zult maken bij hen, die u omringen, en dat gij door al die levensgraden op handen gedragen zult worden.
Dan staan ook de sferen van licht voor u open en kunt gij ingaan in de heiligheid, die door Christus gevestigd werd en waarvoor Hij op Golgotha bloedde.
„O, mijn God,” bid ik met u, „sta mij toe, dat ik opgenomen word in de vérstrekkende wetten van uw leven, dat ik Uw Onmetelijkheid beleven mag.
Geef mij als Uw kind het geestelijk weten, opdat ik kan dienen en ook mijn leven zal worden geopend in al de door u geschapen stadia.”
Gij zult deze geestelijke wonderen thans leren kennen.
Ga met ons, zo spreken de meesters aan deze Zijde.
Ik vraag u, ga met hen, die gereed zijn uw leven te verwarmen.
Zij willen u dienen, ze willen u in hun onmetelijkheid optrekken en u ziende maken, zodat gij eens kunt zeggen: „Ik weet!”