In de tempel der Medici

In de eerste sfeer staat een majestueus gebouw, het is opgetrokken van sneeuwwit marmer, en het is daarin, dat de geleerden hun machtige wonderen voor de volken der Aarde voltooien.
Het gebouw is van Oost en West, van Zuid en Noord te bereiken, vele wegen voeren u naar de Tempel.
Het was Gods wil, dat dit machtige bouwwerk opgetrokken werd.
Het doel, waartoe de Tempel zou dienen, werd uit het Al ontvangen en de eerste sfeer kreeg er verbinding door met Moeder Aarde.
Nimmer behoeft de mensheid te denken dat zij alleen staat, alle hemelen, iedere ziel helpt aan de opbouw van uw geestelijk ontwaken.
De Tempel is geheel open, omdat er in de sferen voor het leven van God niets gesloten is.
Aan deze zijde heeft het leven van God als mens niets te verbergen.
In de eerste sfeer is elkeen bewust en kan eenieder het andere leven aanvoelen.
Die eenheid is door te dienen verkregen.
De mens weet, dat God liefde is, en hoe de hogere sferen bereikt worden.
Hier voelt men de eigenlijke afstemming en daalt men in het andere leven af, omdat de ziel het heiligste éénzijn heeft opgebouwd.
Al de gebouwen hier vragen aan ons erbinnen te treden en hun wijsheid te leren kennen en eigen te maken.
Op een hoog plateau, boven alles verheven, als het symbool van dienende liefde en opoffering, staat daar de Tempel der Medici.
Wij zullen erin binnentreden.
Voor de ingang zien wij een fontein, die wijsheid, kracht en liefde uitstraalt en ons vraagt, of ook wij deze eigenschappen bezitten.
Het is anders niet mogelijk deze reinheid te naderen, ons eigen leven roept ons het geestelijk halt toe.
Dit geestelijk product zegt tot ons bewustzijn al het leven van God lief te hebben en alles van ons eigen ik in te zetten.
Het is een stille wenk, niettemin een ernstige waarschuwing voor onze persoonlijkheid.
Aan haar kunnen wij ons leven toetsen, deze fontein spreekt tot het innerlijk leven.
Wij moeten voor deze eigenschappen ontwaken.
Wie meer van dit gebouw wil weten en met de meesters in verbinding wil komen, moet het hoofd buigen en de boodschap, waarvan de fontein de belichaming is, ter harte nemen.
Deze geestelijke boodschap is als een sferengebed, ze heeft afstemming op alle graden in de ruimte, die wij van ons leven uit hebben leren kennen.
De fontein spreekt tot ons en uw leven, Christus leeft door deze fontein, want het is de wijsheid, de kracht en de liefde, waardoor Moeder Aarde verheerlijkt is.
Wij leven nu dicht in de omgeving van de meesters.
Straks zullen wij hen ontmoeten en dan staan wij voor de toekomstige geleerden van de Aarde.
In deze Tempel zullen wij wonderen beleven.
Krachtige zuilen steunen het gebouw en zij hebben, als alles hier, geestelijke betekenis.
Het zijn zuilen met kunstig beeldhouwwerk, gelijk in de Egyptische tempels te zien is.
Iedere pilaar stelt hier een meester voor, die aan de Tempel zijn eigen krachten heeft geschonken en waardoor het gebouw opgetrokken werd.
Indien u het beeldenschrift kunt lezen, begrijpt u het leven van de meester.
Deze zuilen vertegenwoordigen de hogere wijsheid, de sferen waarin deze meesters leven en waarop zij afstemming hebben.
Deze bewuste zielen dragen de Tempel, door hun uitstraling kwam dit gebouw tot stand.
Andere Tempels, waar de kunstenaars hun wijsheid beleven, zijn weer door deze opgetrokken en behoren dus tot hun bewustwording.
Zo heeft elke Tempel in ons leven een eigen betekenis.
Iedere pilaar leeft voor ons en kan tot ons bewustzijn spreken.
Kunnen wij ons geheel overgeven, dan trekt de meester ons in zijn eigen leven op en ontvangen wij zijn levenswijsheid.
Door de liefde begrijpen wij deze genade, de kracht spreekt op verscheidene wijzen tot ons leven, waardoor ons bewustzijn zal veranderen.
Komen wij tot het eenzijn met een meester, dan spreekt deze hogere sfeer over al het leven van God, evenals de wijze, waarop hij die sfeer bereikte.
Dat is het geestelijk optrekken in een hogere toestand, die geldt voor al het leven in de eerste sfeer, dat zich die reinheid eigen wil maken.
De meester vertelt dan van de eigen ontwaking, over de wetenschappen, waarvoor hij zich heeft ingezet, en hoe die wijsheid is te beleven.
Het is het zuivere hand in hand gaan door de ruimte van God, wat door de meditatie tot ons komt.
Het is daardoor, dat wij velen zien neergeknield en mediteren, zij beleven dan dat opgetrokken zijn en lossen nu volkomen op.
In niets zullen zij gestoord worden, deze verbinding is heilig.
Waar wij kijken ligt de mens in volle overgave neer om te ontvangen.
Dat is op Aarde niet te beleven, uw gebouwen zijn stoffelijk bewust, aan deze Zijde spreekt God tot ons door Zijn Eigen Kinderen!
Op iedere vraag krijgen wij nu antwoord, duidelijk verstaan wij elk woord, dat tot ons bewustzijn gesproken wordt, wij zelf en de meester zorgen voor dit contact.
Duizenden zielen kunnen nu één toestand beleven, de meester spreekt tot ons allen en nu ontvangt elkeen antwoord op zijn eigen vraag.
Wonderbaarlijk is dit éénzijn met een hogere meester, hetwelk men niet eerder dan in de eerste sfeer kan beleven.
Wanneer wij de wetten in de ruimte hebben leren kennen, mogen wij ons hiervoor gereedmaken en de Tempels bezoeken.
In de diepte van de meester dalen wij af en nu zien wij die sfeer voor ons ontwaken.
Wij krijgen nu wijsheid uit een hogere bron, een sfeer, die nog ver van de onze verwijderd ligt, maar waarin wij ons niettemin zien.
Dat schonk God aan al Zijn kinderen, de verbinding van levensgraad met levensgraad, sfeer met sfeer, alles ten behoeve van ons geestelijk ontwaken.
Hierdoor heeft het leven van God verbinding met elkaar.
Het is nu mogelijk om vanuit de zevende sfeer met het Goddelijke Al te spreken en tot goddelijke eenheid te komen.
Er zijn er onder u op Aarde, die als instrument van de meesters in deze wereld werden opgetrokken en het geestelijke éénzijn mochten meebeleven, wat voor hen een ontzaglijke openbaring was.
Door dit éénzijn met een meester beginnen wij aan ons zelf te werken, deze bezieling geeft ons de kracht en het ontwaken.
Iedere voetstap vooruit betekent in het vervolg wijsheid voor ons leven.
Wij wandelen in het hart van deze meesters, zij dienen daardoor al het leven, dat tot hen komt.
Het is de geestelijke ontvangst voor de sferen van licht en bovendien het éénzijn met God.
Deze graad verwacht van ons die heiligheid te eerbiedigen.
Ons geluk kent geen grenzen meer, wanneer de meester zich opent, ons innerlijk voelen en denken tot zich trekt.
Dit voelen en denken staat boven iedere eigen gedachte, het is op Aarde niet te beleven.
Als een vader en moeder aanvaarden wij de meester, ook hij heeft al deze wetten beleefd en hij toont ons, waar zijn laatste levens zijn beleefd.
Wij zien ons nu opnieuw op Aarde teruggeplaatst, beleven met hen al de levensgraden in de ruimte, hoofdzakelijk die levens, waarin ons eenzijn met hem stoffelijke betekenis heeft gehad.
Wij wisten al, dat duizenden van onze moeders en vaders de sferen van licht hebben bereikt.
Zij allen stellen zich voor ons open en de meester toont ons, hoe onze band toen op Aarde met hem was.
Nu zijn wij zusters en broeders van elkander en we hebben lief gekregen alles wat door God is geschapen.
Allen worden we gelijk kinderen van één Vader, niets van de Aarde kan ons éénzijn evenaren.
Het toegewijde hart opent zich voor ons en wij leren daardoor alles van onszelf in te zetten.
In de eerste sfeer spreekt alles tot ons bewustzijn, indien wij dat leven willen volgen.
Wie wil dat niet?
Elkeen verlangt open te staan voor het leven van God, een stadium, dat men echter pas bereikt, als wij de schepping bewust leren kennen en ons de wetten van God voor de hogere levensgraad eigen hebben gemaakt.
Dat is het in bezit nemen van ons geestelijk bewustzijn en het gereedkomen voor het verdere opwaartsgaan in de geest.
Ook u op Aarde kunt in de geest denken en werken, want iedere gedachte schept, bouwt aan de sferen van licht of aan de duisternis.
Ik zei u immers, dat één goede daad de sferen van licht helpt verdichten.
Gij bouwt door uw goede daden aan uw geestelijke woning.
Velen van de Aarde zien aan deze zijde tot welke hoogte zij zijn gekomen.
Hun streven werd hier beloond, hier kwam hun eigen bezit tot stand!
Mijn eigen meester heeft deel genomen aan de opbouw van de Tempel en draagt met anderen het grote wonder, waardoor miljoenen zielen zullen ontwaken.
De vorige meesters trokken zich terug en gingen hoger.
Deze nieuwe meesters namen het geheel over, zodat het voortbestaan ervan verzekerd is.
Het marmer lijkt op dat van u op Aarde, het onze straalt echter de eigen levensafstemming uit en leeft bewust.
Dat van u op Aarde bezit de stoffelijke levensgraad, deze geestelijke stof is aan de kosmos onttrokken en heeft een heel andere betekenis.
Dit marmer is elastisch en toch stoffelijk verdicht.
Ook de stof op Aarde leeft of ze zou oplossen.
De onze is levend, maar straalt dat bewuste leven uit, omdat al het leven van deze sfeer een hogere graad van bewustwording heeft behaald.
Zelfs die stof kan ons vertellen hoe het geheel ontstaan is.
Wij behoeven ons er maar op in te stellen en dan nemen wij de geboorte ervan waar.
Deze substantie vertelt ons, hoe de verdichting heeft plaatsgehad en dan doorkruisen wij de goddelijke ruimte.
Maar de geestelijke afstemming ervan blijft deze sfeer behouden en zegt ons dat de fundamentele ondergrond dit leven raakt, of het gebouw zou voor onze ogen verdwijnen.
Dat is de afstemming van de eerste sfeer, ook het gebouw heeft deze hoogte bereikt, het is eigenlijk een stuk van ons zelf!
Wat wij in de Tempel waarnemen is ons, zoals ik al zei, geschonken door de meesters.
De bodem, waarop wij staan, kwam door hun denken, voelen en levenskrachten tot stand.
Wij toeven nu in hun eigen leven en treden hun hartkamer binnen.
Wij voelen hoe hun enorme kracht ons doorstroomt en blijven daardoor bewust, terwijl wij zonder hen zouden wegzinken in hun diepte.
Het hoofd buigen hebben wij thans geleerd, niets liever willen wij dan ons zelf inzetten, wij beseffen de grootte van de genade, die ons geschonken is.
In dit gebouw leeft de liefde – wie hier binnentreedt, dient.
Hij leeft dan in alle kosmische graden.
Wij begrijpen hoe machtig het leven van de geest is.
Het ganse universum leeft in de Tempel.
Hoog boven ons leeft het Heelal, fonkelen sterren en planeten en zien wij de stoffelijke kosmos.
Beneden ons beleven wij de werkelijkheid van de eerste sfeer, wij weten, dat duizenden meesters in de Tempel leven en zij ons kosmisch zullen verbinden.
Dit ontzaglijke leven roert ons, wij voelen de hogere gevoelswereld van de meester.
Alle faculteiten van de Aarde, die geestelijke afstemming hebben, vinden wij in de Tempel terug.
Wie hen volgen wil, zich een studie eigen wil maken, is gereed om te dienen en kan zich hier bekwamen.
Deze zielen ontvangen de nodige wijsheid, de kracht en de liefde en zullen ontwaken.
Wat wij thans aanschouwen grenst aan het ongelooflijke, doch het is Gods werkelijkheid.
Dit alles schonk Hij aan Zijn kinderen!
Honderden jaren zijn er nodig, zo wij alles van de Tempel willen afweten.
Wat in het Heelal leeft en geboren is, vinden wij in de Tempel terug.
Wij kunnen ons met dat leven verbinden en er van gevoel tot gevoel mee spreken.
Iedere studie is voor deze zijde oneindig, omdat wij er de stoffelijke en astrale wetten door leren kennen.
Elke levensgraad is in de Tempel te volgen en voert ons naar alle bestaande levensgraden in het Goddelijk Heelal.
Als wij iets van de Aarde willen beleven, de een of andere wijsheid, dan lossen wij tijdelijk voor de eerste sfeer op en komen dan van gevoel tot gevoel met de Aarde tot eenheid.
Dan kunnen wij de ziekten daar volgen en van deze wereld uit doorschouwen.
Wij ondergaan nu bewust al die ellende en voelen ons waarlijk stoffelijk en op Aarde, zo intens is deze verbinding.
Van de eerste sfeer uit kunnen wij op Aarde waarnemen en ons met hen, die achterbleven, éénmaken, van hieruit volgen wij hen en omstralen deze levens door onze heiligende liefde.
Heiligend zijn deze wetten van God, indien wij ons hen eigen maken en de liefde ervan in ons leven komt.
Nu spreekt God Zelf tot ons leven en begrijpen wij de zielen, die zich voor de Tempel der Medici hebben ingezet.
Zouden wij niet alles doen om ons deze heiligheid eigen te maken?
Wij willen dit bewustzijn tevens op Aarde brengen en dan kan het ontwaken in de geest geschieden.
Voor deze geestelijke schatten zetten wij ons eigen bezit in.
De bloemen in de Tempel zenden ons hun geuren toe en doen ons genieten van hun schoonheid.
Alles leeft en spreekt van de eigen bewustwording uit tot ons leven.
Duizenden soorten bloemen uit één graad vertolken wat het zeggen wil waarachtig persoonlijkheid te zijn, ongelooflijk is het, wat wij mogen waarnemen.
Al die bloemen stralen licht uit, een eigen licht bezitten zij, dat anderen van hen waarnemen!
Overweldigd door de heilige kracht, leggen we ons neer en rusten uit op een bed van witte leliën en nieuwe kracht en energie stromen ons toe en overladen ons met geluk.
Reine stilte komt tot ons.
Ziel met ziel gaan omhoog, tweelingzielen voelen zich door God omarmd.
Mens en dier van de Aarde voelen zich één met God, de vogelen zingen, de mens is stil van innerlijke ontroering.
Voelt u ons geluk?
Begrijpt u, wat het leven na de dood u schenken kan?
Wij zenden deze gedachten tot de Aarde, tot hen, die nog moeten ontwaken.
Dit alles wacht u na de dood, indien gij het beste van u zelf voor het leven van God kunt openen, wilt dienen; dan treedt ook gij straks het Koninkrijk Gods binnen.
Niemand kan ons storen, allen hebben ons lief, de liefde overheerst in de Tempel der Medici.
Wij volgen al de mensen hier en wij weten, dat zij zichzelf dit geluk hebben eigen gemaakt.
Hoe zijn hun levens op Aarde geweest?
Zie hun geestelijke gewaden.
Zie naar de ongelooflijke uitstraling ervan, hun persoonlijkheid en karakter worden erdoor vertegenwoordigd, dit geestelijk licht schept en dient, heeft waarachtig lief en is eeuwigdurend in dit leven op volle kracht, het staat altijd open en voor elkeen.
Wij staan nu voor de ruimte waar de meesters leven, die zich op Aarde zullen geven voor de lijdende mensheid.
Om u een beeld te geven hoe zij deze studie van uw aardse ziekten maken, zullen wij hen even volgen.
Treden wij hier binnen, dan bemerken wij alras, dat wij voor een afsluiting staan en worden tegengehouden.
Hoe moeten wij binnentreden?
Dit is alléén mogelijk voor hen, die een studie volgen en er gereed voor zijn.
Wie er niet klaar voor is, moet aanvaarden, dat dit heiligdom voor hem nog gesloten blijft.
Wij echter kunnen door deze afsluiting heen, omdat de Aarde deze geestelijke wijsheid moet ontvangen.
Ik vertel u thans, wat mijn meester mij gaf.
Door hem trad ik binnen.
U zult mij volgen en met mij binnengaan, omdat uw leven zich wel afstemt op dit reine bezit.
Deze astrale afsluiting is als de stoffelijke verdichting, waarvan het gehele gebouw opgetrokken is.
Deuren zijn er niet, wie hier leeft, wandelt er doorheen.
Deze aura is elastisch en de geleerde heeft deze wetten overwonnen.
Voor hen, die deze wetten willen beleven, is er geen afsluiting, tenzij stoornissen optreden.
Dat is nu uitgesloten.
In de sferen is alles te beleven, maar dan moet dit beleven op volle kracht geschieden en nut hebben, want hier wordt nieuwsgierigheid niet geduld.
Wij treden een zaal binnen en zien in een geestelijk laboratorium, dat zich echter in weinig onderscheidt van een aards.
Hier worden de ziekte-aura’s van de Aarde bewaard en onderzocht, en wel die van de kanker.
Een van de vreselijkste ziekten, die het menselijke organisme ondermijnt en grondig vernietigt, zullen wij thans leren kennen.
U weet zelf, hoe verschrikkelijk deze ziekte op de wereld huishoudt, zonder dat de wetenschap er iets tegen vermag te doen.
En toch, in de sferen van licht heeft men deze ziekte leren kennen, ja meer!
In de Eeuw van Christus zal het wonderbaarlijke instrument op Aarde worden gebracht, dat deze afschuwelijke ziekte met succes zal bestrijden en doen oplossen!
Wij zien de meesters aan het werk.
Rondom ons merken we de zieke aura’s op, ze stralen een eigen, maar verschillend licht uit, waarvan wij de betekenis zullen leren kennen.
Ieder mens bezit een eigen uitstraling, zijn aura, die zijn persoonlijkheid vertegenwoordigt.
Doordat de persoonlijkheid en de wereld van ieder mens anders zijn, is ook niet één aura eender.
Al het leven van God straalt de eigen levensfluïde uit.
Zelfs het lijk geeft licht af.
Tot aan de laatste seconde blijven die stoffelijke delen de levensaura uitstralen, nu echter is die uitstraling onbezield, daar deze bezieling van het organisme, van de persoonlijkheid uitgaat.
Aan de aura is de afstemming van een mens vast te stellen, door een meester aan deze zijde tenminste.
Door hem is te zien tot welke levensgraad en tot welke sfeer een mens behoort, of diens innerlijk leven afstemming heeft op een van de zeven hellen, die u leerde kennen, dan wel op de sferen van licht.
Alles wijst de aura uit, iedere karaktereigenschap is erin te zien.
Ook het mannelijke of vrouwelijke kleed ligt aan de aura vast.
Niet slechts het innerlijk leven van de aardse mens bezit de eigen levensuitstraling, maar ook het organisme, want het lichaam wordt weer door het zieleleven bezield.
Nu kunnen onze geleerden aan de aura ook de ziekten van de mens vaststellen.
Zo is de aura stoffelijk en geestelijk ontzagwekkend diep.
Het zou u duizelen, wanneer u alles van haar afwist!
De aura, waarin ziekte leeft, kan u met verschillende werelden verbinden en u heel veel van het eigen ontstaan vertellen, wanneer u tenminste de astrale wijsheid bezit om achter het zieke leven te kijken.
Wat weet uw geleerde eigenlijk van een ziekte af?
Hij kán er ook niets van weten, hij kent zichzelf niet eens, hij vermag niet áchter de dingen te zien.
In de sferen is dit wel mogelijk, daar heeft men ervaren, dat een ziekte voor een aards, aan de stof gebonden en dus begrensd geleerde onpeilbaar is en slechts te doorschouwen door astrale meesters, die de middelen daartoe uit het Al ontvingen.
Nu ziet men hier door elke ziekte heen, doordat wij de stoffelijke en astrale wetten volgen, die ons terugvoeren naar het beginstadium van de ziekte.
Iedere ziekte is kosmisch diep en bezit stoffelijke en geestelijke graden, die men op Aarde nog niet kent.
De astrale geleerde is bewust, niets kan hem het halt toeroepen, hij heeft de wetten overwonnen en is een geestelijk wonder.
Heel veel aardse doktoren, die zelf aan de vreselijke kanker te gronde gingen, leerden aan deze zijde zichzelf en hun kwaal kennen.
Hier konden zij hun studie voortzetten en zich met de wonderbaarlijkste wetten vertrouwd maken – zoveel heeft het Eeuwige Leven te schenken aan de ziel, die zien en ervaren wil.
Zij zullen de aardse geleerde helpen bij zijn strijd óf van God de genade verkrijgen zelf naar de Aarde te gaan om er te werken voor het welzijn van de mensheid.
De wijsheid, die tot nu op Aarde werd gebracht, ging zo hoog als de gevoelsgraad van de mensheid toestond.
Voor de wetenschappen kan geen stap worden overgeslagen.
In de Eeuw van Christus zal men ook in dit opzicht veel verder kunnen gaan, dan zal ook uw dokter het geestelijk ontwaken beleven!
Terwijl het voor de astrale mens mogelijk is in het organisme af te dalen en er alles van te volgen, wat hem voor zijn diagnose nodig schijnt, kan de aardse dokter slechts een stoffelijke diagnose stellen.
Wel beschikt hij over het röntgenapparaat, dat hem in vele gevallen helpt de zieke weefsels te doorlichten.
Toch, u zult dit beseffen, is dit nog slechts een onvolkomen hulpmiddel, terwijl voor het bewuste astrale oog niets en niets verborgen blijft!
Ik merk nog op, dat dit röntgenapparaat door onze zijde op Aarde werd gebracht en dat dit het enige instrument is, dat afstemming heeft op en deel uitmaakt van de wonderbaarlijke apparatuur, dat u eens op Aarde zult ontvangen.
De wijsheid van de astrale geleerde is de Aarde duizenden eeuwen vooruit.
Het is te wijten aan de onbekendheid met de wetten van het leven na de dood, dat de aardse geleerde zijn machteloosheid moet aanvaarden.
U kunt hieraan tegelijk het peil vaststellen, dat de mensheid en de massa nog bezit.
Nog staat de wetenschap voor de kist en denkt, dat het leven geen voortgang heeft.
Als dit wanbegrip overwonnen is, zal het aspect van de Aarde veranderen en treedt de massa het hogere stadium binnen.
De Eeuw van Christus zal u naar deze wijsheid voeren, niets of niemand zal haar ervan kunnen weerhouden.
Wanneer men op Aarde het innerlijk leven van de astrale persoonlijkheid aanvaarden kan, dan volgt daarop, dat de dokter zijn gehele studie moet veranderen, want nu staat deze voor het zieleleven.
En dat leven denkt, voelt, spreekt en overheerst de ziekten.
Een enorme studie wacht hen, die in de Eeuw van Christus de lijdende mensheid willen dienen.
En voor hen komt thans het ontwaken!
De aardse geleerde staat voor het ongelooflijke zenuwstelsel van de mens en hij moet zijn machteloosheid aanvaarden, omdat hij het innerlijk leven als de persoonlijkheid niet weet te peilen.
Bitter weinig weet men op Aarde van deze wonderbaarlijke stelsels af.
Aan deze zijde is dat te volgen en waar te nemen, hier kan men die stelsels in werking zien en de kracht ervan op andere organen berekenen.
Men ziet aan deze zijde, hoe het lichaam het werk verricht en al de delen op elkaar ingesteld zijn.
Onze geleerde ziet het centrale levenscentrum voor zich en kan nu volgen, waardoor het aardse stofkleed ondermijnd is.
Van de zonnevlecht uit is zulks waar te nemen, daar de stelsels van daaruit worden gevoed.
Ook hiervan weet men op Aarde niets af.
Het instrument, dat de Eeuw van Christus ontvangen zal, is kosmisch ingesteld.
Dat lijkt nieuw voor de Aarde en toch, vele eeuwen terug reeds, heeft men de zieken natuurlijk genezen.
De Egyptenaren waren hierin heel ver, maar ook zij kregen hun gegevens van deze zijde.
Men genas daar door kruiden en door het volle Maanlicht.
De Maan trok het zieleleven in zich op, waardoor de zieke stoffelijke organen nieuw voedsel kregen en op volle kracht kwamen.
Wat weet men hiervan in het Westen?
Is de Maan voor het Westen niet dezelfde?
Toch kreeg zij alleen in het Oosten betekenis.
Door het diepgaande aanvoelen van de genezende priester en zijn overgeven aan de astrale meesters kregen de zieke organen de juiste ligging en kon Moeder Maan genezend inwerken.
De kruiden spoorden de zieke organen tot werking en de zachte uitstraling van de Maan deed de rest.
Duizenden zieken werden op deze wijze genezen van kwalen, waarvoor schijnbaar geen genezing bestond, geen kruiden waren gewassen.
Aan deze zijde leeft nog de wijsheid, doch toen Egypte tot verval kwam loste ook die geneesmethode op.
Als de Maan kracht oefent op uw zeeën, het verschijnsel van eb en vloed tot stand kan brengen, hoe groot moet dan haar werking zijn op het menselijk organisme?
Juist doordat de ziel dáár geboren is, is die moederlijke oerkracht nog steeds door het innerlijk leven aan te trekken.
De Egyptenaren waren wijs en in vele opzichten almachtig, een almacht, die zij kregen door de meesters aan deze zijde.
Zij hebben al de diepte van het menselijk hart ingezet om hun zieken te genezen.
Eerst toen Egypte verviel, loste, zoals gezegd, ook deze grote geneesmethode op.
De westerse beschaving wil alles koel wetenschappelijk verklaren en vaststellen, en dit is noodzakelijk, maar hierdoor zullen er eeuwen voorbijgaan.
Voor de zieken is dat niet prettig, heel veel lijden en veel leed zouden voordien oplossen, indien het westerse begrip iets van het zielebewustzijn kende.
In de eerste plaats moet men toch aanvaarden, dat er geen dood is, en, eenmaal tot dat inzicht gekomen, op de wijze van Egypte voortgaan.
Dan zou de wetenschap zeker duizenden jaren verder zijn geweest, terwijl zij thans ten achter is gebleven omdat men álles stoffelijk bewezen wil zien.
In de Eeuw van Christus zal Gene Zijde echter met zulke verpletterende bewijzen op Aarde komen, dat ook de wetenschap zal moeten aanvaarden!
Het instrument, waarmee wij komen, is kosmisch diep, de zieke wordt erdoor met (de) kosmos verbonden.
De Egyptische priesters gaven de kosmische bestraling aan de zieken, térwijl wij deze straks door een technisch wonder met de ruimte verbinden.
Indien de wetenschapsmens zichzelf kende en ons bewustzijn had verkregen, zouden reeds vele ziekten door de kracht van de natuur zijn overwonnen.
Doordat er steeds oorlog gevoerd is en de gelden daarvoor werden weggesmeten, waren de volken ook niet gereed om elkaars zieken te kunnen ontvangen.
De Westerling had dan naar het Oosten verhuisd, de Oosterling naar het Westen, want de klimatologische gesteldheden spelen een enorme rol, waar het zieke organen betreft.
In de toekomst echter komt men op Aarde zover en wordt het de zieke mogelijk gemaakt naar het oord te reizen, dat voor zijn herstel geschikt is.
De heelmeesters in het oude Egypte waren kosmisch bewusten, terwijl het Westen van heden nog altijd stoffelijk onbewust is.
Daarom staat deze persoonlijkheid ook machteloos tegenover deze stoffelijke en geestelijke wetten en voelt zij er zich het halt door toegeroepen.
Weet echter, dat de Maan scheppend en barend is.
Talrijke genezingen zijn door de meesters aan onze zijde tot stand gebracht, genezingen, waarvan men in het Westen thans zou griezelen.
En toch, wie de krachten van Moeder Maan in zich heeft gevoeld, kan bergen verzetten, deze oerbron is nog steeds onuitputtelijk, ook al is de Maan stervende.
Het zieleleven van de mens is nog altijd één met zijn innerlijk leven, waardoor het dan ook ontstaan is.
Dat is het oerbewustzijn van de ruimte, dat is God!
Een moeder met innerlijke gezwellen, een ziekte, die men thans in uw tijd baarmoederkanker zou noemen, werd genezen door een Maankuur.
Maar wat is een Maankuur?
De priesters brachten de zieke bij het opkomen van de Maan in een slaaptoestand.
De Maan deed dan de rest!
De zieke sliep zich als het ware beter.
Enige kruiden waren voor de stofwisseling noodzakelijk, maar Moeder Maan trok dit leven op en genas het.
Door deze enorme werking kwamen die organen weer op volle kracht en herstelden de zieke weefsels zich.
Andere priesters gaven een bergkuur.
In de kilte van de nacht moesten hun zieken genezen.
Vele volken beleefden deze nacht processies, nachtelijke openbaringen, waarin zij de levende mystiek leerden kennen, die een grote rol speelde bij de genezing.
Deze genezingen kunt gij met uw spontane genezingen door gebedsverhoring vergelijken.
Ze zijn in wezen niet anders.
Uw bedevaartgangers beleven iets dergelijks.
Maar het Oosten werkte bewust, liet niets aan het geloof alleen over.
Deze nachtelijke feesten brachten de ziel tevens het geestelijk ontwaken en tal van heiligheden meer, die door het directe contact van de priesters met deze wereld tot stand kwamen.
Ook door handopleggen genazen zij, hoewel het toch de „Nachtgod” was, die het eigenlijke ziektebeeld genas.
Weer anderen genazen door het koude water en brachten zo wonderen tot stand.
Of ze voerden hun patiënten door de warmte naar de koude en eerst dan naar Moeder Maan.
Zelfs blinden werden door de Maankuur genezen en kregen het licht in hun ogen terug, indien er gedeeltelijke verlammingen waren vastgesteld.
Onfeilbare diagnoses konden deze genezers stellen door de wijsheid van hun geestelijke, astrale meesters.
De zonnekuur werd eveneens door hen toegepast, steeds gevolgd door het inschakelen van het nachtelijk duister op de zieken, waardoor er een kosmische verbinding tot stand kwam.
De Egyptenaren begrepen reeds, dat de polen van de Aarde elkaar moesten raken, ook al hadden zij er in die tijd nog geen weet van.
De genezers voelden echter, dat er na de zonnewarmte een afkoeling moest komen, wilde er genezing volgen.
Indien er op Aarde in de goede richting met warmte werd gewerkt, door dus op warmte-bestraling een afkoeling te laten volgen, zouden de zieke weefselen juist de natuurlijke reactie krijgen, die zij nodig hebben.
De Egyptenaren hielden hierbij rekening met de persoonlijkheid, aan de persoonlijkheid werd vastgesteld, hoe de behandeling moest geschieden.
Een stug karakter moest door krachtsoverlading overwonnen worden, anders sloeg deze persoonlijkheid de wetten van de natuur volkomen neer en bleef zij de behandeling overheersen.
De Egyptenaren stelden dus éérst de geestelijke afstemming van de zieke vast, daarna konden zij beginnen.
Nu kon het niet gebeuren, wat uw aardse geleerde zo vaak overkomt, dat de persoonlijkheid hun het geestelijk halt toeroept en medicijn en wetenschap volkomen uitschakelt.
Boekdelen zijn hierover te vullen.
Wie de ruimte kent, is een genezer!
Wie onbewust is, kent zichzelf niet en moet eerst hierin ontwaken.
De oude Egyptenaren kenden de dood, uw geleerde vraagt zich nog steeds af, wat er met het innerlijk leven geschiedt.
Anderen weten wel, dat de ziel eeuwigdurend is; doch zij kennen dit slechts door hun geloof, de Egyptenaren kregen directe bewijzen van hun geestelijke leermeesters.
De kennis van uw onbewusten is gering ten opzichte van al deze wetten.
Wat heeft hun wijsheid te betekenen?
Wat kan een onbewust geleerde het mensdom schenken?
De Maan genas alle zenuwzieken, zelfs krankzinnigen.
Wat doet men op Aarde voor hen?
Het westerse begrips- en gevoelsleven struikelt nog steeds over zichzelf, het moet nog voor al deze wetten van God en de ruimte ontwaken!
Maar de Eeuw van Christus zal het hun schenken, nú komen uw geleerden tot het hoger gaan in de geest, maar vooral tot het hoofd buigen voor al deze astrale heiligheid, die men eerst dán op Aarde in toepassing kan brengen.
Het koele en nuchtere Westen vindt de wijsheid van het oude Egypte kwakzalverij, doch u moet dan weten, dat deze kwakzalverij ons door God Zelf is geschonken.
Aan deze zijde leerden wij de wetten ervan kennen en mochten ons deze tevens eigen maken.
Hierdoor is Gene Zijde uw geleerde duizenden eeuwen vooruit en dit is alleen mogelijk geworden, doordat wij het zieleleven hebben leren kennen als de astrale persoonlijkheid.
De aardse medicus zet grote ogen op, wanneer hij het laboratorium betreedt en de astrale wijsheid leert kennen.
Voor hem zijn alle mogelijkheden geestelijk tot stand gekomen wonderen en hij voelt zich nu door meesters gedragen.
Hij is hier een leerling, ook al was hij op Aarde een genie.
Hij duizelt van hetgeen hij te leren heeft.
De Mentor van al deze geleerden is een Engel uit de Vijfde Sfeer en naast hem staan zes andere meesters, die de wetenschappen voor de Aarde in handen hebben.
Zij dienen de lijdende mensheid en wat u thans op Aarde bezit is daar in de gang van de eeuwen door hen gebracht.
Deze geleerden moeten de levensaura grondig kennen, willen zij niet zelf in deze studie wegzinken, zichzelf verliezen.
Ze moeten weten, waarom de aura’s een zo verschillende lichtuitstraling bezitten en waarom het ene licht het andere overheerst.
Waarom is de ene aura lichtgroen en de andere bruinachtig rood en flitsend scherp?
Andere weer stralen het harde geel uit of het inktzwarte, dat wijst op de afstemming, waarin de betreffende zieke zich bevindt.
Dat is hun geestelijke studie, ze moeten de afstemming van de aura kennen willen zij een scherpe diagnose kunnen stellen.
Daarna staan zij voor het stadium, waarin de zielekrachten berekend moeten worden ten opzichte van het zieke organisme.
De zielediepte moeten zij kunnen aanvoelen, om natuurlijk en scherp de wetten voor dit leven te kunnen peilen, zodat zij het geestelijke éénzijn met de zieke kunnen beleven.
Hoe diep is de ziel geworden op haar lange en kosmische weg van de Maan af?
Toch moet de geleerde deze nagenoeg onpeilbare diepte kunnen meten en de levensgraad en afstemming kunnen waarnemen, anders zinkt hij in de ziekte weg.
Daarna volgt hij de stoffelijke graden voor de Aarde, de zeven lichamelijke graden, die Moeder Aarde voor het organisme heeft geschapen.
En ook de ziekte kent deze zeven graden.
In duizenden toestanden zien wij die terug.
De slaap heeft hen en de psychische trance en voorts zijn er zeven hellen en hemelen, enz.
Deze geleerde moet hen allen kennen.
Dan moet hij alles weten van de moeder en haar organisme kunnen peilen, ook moet hij weten, dat de kanker voor de moeder anders is dan van het mannelijk kleed.
De ziel speelt hier een grote rol en die leert hij kennen.
Hij kan dan aan de hand van de kwaal constateren of de vrouw kinderen gebaard heeft, want haar aura is door deze gebeurtenis beïnvloed.
De zieke weefsels stralen die kracht uit en ze zijn duidelijk zichtbaar voor hem.
Nu deze geleerde het mannelijke en vrouwelijke aan de zieke aura kan vaststellen, is het ook mogelijk voor hem de geschiedenis van deze ziel te volgen.
Hij peilt de uitstraling en neemt al die doorleefde fasen over.
De geleerde ziet in dit leven.
Het ene visioen volgt na het andere.
De aura vertelt de geleerde van het eigen bestaan en van de plaats, waar de zieke heeft geleefd.
De geleerde ziet mooie en vreselijke taferelen, want zelfs de gedachte ligt aan de levensaura vast en niet één graad gaat er verloren.
Het leed en de smart, de hartstocht en het geweld, de gehele persoonlijkheid kan hij aanvoelen en waarnemen, ja, hij wordt volkomen één met dit leven.
Doch wat is eigenlijk deze aura?
Niet meer dan een heel klein beetje licht en vaak zelfs een dof.
Maar enkele mensen hebben een lichtende uitstraling en dan ziet deze geleerde in de zieke een sfeer van licht.
Dat is de aura van de eerste, tweede of derde sfeer, de ziel heeft dan afstemming op deze werelden, die geestelijke hemelen zijn, en ze is op Aarde aan kanker gestorven.
Leeft de ziel nog op Aarde, dan kan de geleerde ook dat waarnemen.
Zijn studie is kosmisch diep, op Aarde wist hij van deze wetten nog niets af en hij ziet thans, dat Gene Zijde de Aarde duizenden eeuwen vooruit is.
Hier, in dit geestelijk laboratorium, liggen duizenden ziekteaura’s voor de kanker, waarvan de geleerden niet meer het oerwoudstadium kennen.
Ver moet de geleerde terugkeren om het ontstaan van de kanker vast te stellen.
Hier is voor hem waar te nemen, welke voorstadia de kanker heeft beleefd eer zij het huidige stadium kon binnentreden.
De zieke aura wijst hem echter de weg.
Hij kan nu de ongelooflijkste gevolgtrekkingen maken, de ziekte voert hem in alle graden voor het stoffelijk organisme.
De aardse geleerde, die hier binnentreedt, begrijpt, dat de wijsheid voor de Aarde tussen hemel en Aarde zweeft.
En deze moet op Aarde ontvangen worden, zij is uit eigen kracht niet te peilen, te beleven of te scheppen.
Door de geestelijke inspiratie komt ons weten op Aarde, ook al weet de geleerde daar zelf niet, dat een meester van het licht tot zijn gevoelsleven spreekt.
De kanker bezit zeven graden, men heeft die aan deze zijde kunnen vaststellen, op Aarde zijn ze nog niet bekend.
De laatste drie zijn dodelijk, er is niets tegen te doen, de zieke moet eraan sterven.
Deze mensen gaan meestal, voor zij veertig jaar op Aarde hebben vertoefd, naar deze zijde, sommigen zelfs reeds na omstreeks dertig jaar.
Die organismen zijn door de hoogste graden voor de kanker besmet.
Dan zijn de lichamen reeds ondermijnd en volkomen door de kanker vernietigd.
De weefsels geven nu de strijd op, tegen een dergelijke oermacht valt niets te ondernemen, de ziekte overheerst alle stelsels.
De geleerden hebben aan deze zijde die verrotting kunnen volgen en vaststellen, het grote instrument heeft hen met de zeven graden verbonden.
De zieken, die tussen de derde en vierde graad leven, kunnen zelfs oud worden, weer anderen bezwijken, omdat het hun tijd van overgaan is.
Al deze zieken kennen hun eigen geestelijke afstemming niet en ook de aardse dokter kan hun die toestand voor de Aarde en voor ons leven niet verklaren.
De eerste drie graden kunnen geholpen en zelfs genezen worden.
Doch die genezing is meestal tijdelijk.
Als de lichamelijke zwakte komt, keert ook de kanker terug en dan is hij niet meer tegen te houden, dan moet de zieke eraan sterven.
Door de kanker sterven de weefsels af en de nieuwe krijgen geen voedsel, zodat deze plaatselijke toestand niets anders is dan een verrottingsproces.
Door de radiumbestraling doet men heel veel op Aarde, toch komen tal van geleerden erop terug, omdat dit machtige wonder de zieke weefsels meestal doodt!
Deze kunnen die enorme kracht niet verwerken, zodat onherroepelijk hun verbranding volgt.
Ook dat, wat nog leven bezit, gaat nu te gronde en wordt door deze bestraling eenvoudig en natuurlijk vernietigd.
Het radium is soms zo hevig afbrekend, dat tal van doktoren het wonder niet meer durven toepassen.
Wil de zieke in de eerste drie graden genezen, dan moet zijn organisme voortdurend kracht kunnen opnemen, maar de radium voorkomt nu deze natuurlijke wet en stelt zelfs nog de gezonde weefsels buiten werking.
En de kanker woekert intussen voort en breekt af, wat maar enigszins verzwakt is.
De eerste drie graden zijn niet in staat het gehele lichaam aan te tasten, dit heeft men aan deze zijde kunnen volgen en vaststellen.
De verschijnselen van de eerste drie graden zijn dan ook volkomen anders dan die van de laatste graden.
Het voor- en najaar op Aarde zijn verschrikkelijke tijden voor de ziekte en de zieke.
In het voorjaar geeft Moeder Natuur het leven een impuls en opent zij zich.
Ook het menselijk organisme beleeft dit.
De organen móéten nu werken, de poriën gaan open, het organisme ontvangt stuwing en voelt een enorme kracht.
De zieke weefsels zetten erdoor uit en de kanker overheerst nu in erge mate.
Deze stuwing kunnen die zieke weefsels niet verwerken.
Die plaatsen zetten dik op en dit is voor de zieke uitermate pijnlijk, zo vreselijk, dat alle grenzen van de eigen weerstand overschreden worden.
Het najaar werkt anders, het is voor de organen het samentrekken van alle energie, waardoor de zieke plaatsen reageren en er pijnen optreden.
Zo hebben warmte en koude grote betekenis voor de kanker, de zieke weefsels kunnen die werking, die in alles overheersend is en blijft, niet tegengaan, waarna het instorten volgt.
De zenuwcentra, die door de kanker besmet zijn, zorgen nu voor die afschuwelijke pijn.
De hoogste graden voor de kanker bezwijken dan ook meestal in het voor- en najaar en dan bezwijkt ook het zenuwstelsel.
Zo ontzettend zijn deze natuurkrachten!
De kankerpatiënt beleeft nu een lijdensweg, totdat de natuurlijke stuwing verzwakt en het lichaam weer de eigen natuurlijke harmonie heeft verkregen, welke alléén het krachtige lichaam beleven kan.
Vele andere zieken komen echter van deze toestand niet los, zodat de kanker blijft overheersen.
Er zijn reeds geleerden op Aarde, die aan de medicijn ertegen werken.
Ze zijn ervoor naar de Aarde teruggekeerd en worden straks door hun eigen meesters geïnspireerd.
Nog kan de dokter niet meer doen dan wat verdovende middelen geven, want medicijnen, die de zieke genezing moeten brengen, moeten voor de kanker nog geboren worden.
Alleen de eerste drie graden zijn enigszins te helpen.
Anders is het met de hoogste graden, hier helpen geen verdovende middelen meer.
Medicijnen helpen evenmin, meestal breken zij nog af, wat de natuur in stilte heeft opgebouwd.
Als nu nog een bestraling volgt, dan doodt deze de gezonde weefsels en is de zieke nog verder achterop.
Door de verdovende middelen zijn de gezonde en werkende weefsels stilgelegd en in dat stadium is bestraling funest.
Er is innerlijk geen weerstand meer, de organen zijn lamgeslagen, dodelijk ziek en verzwakt, maar ze zullen na de verdoving toch weer gaan werken, waarna de pijnen weer naar voren treden.
Dat Gene Zijde in al die vervlogen eeuwen hiertegen niets heeft kunnen doen, komt, omdat er geen gelden beschikbaar waren.
Nu is Gene Zijde bezig een middel aan de Aarde te schenken, dat dienen moet, tot straks het instrument op Aarde is.
De geleerde moest proeven kunnen nemen, maar dat kostte stromen geld.
En de staat geloofde het welzijn van de eigen massa beter te dienen door vernietiging.
Dat was tot nu toe het bewustzijn van de mensheid, maar straks zal er een ander bewustzijn bevochten zijn.
Dan kan de geleerde op grote schaal proefnemingen doen en zal hij zich door de geestelijke inspiratie gesteund weten.
Dan kunnen de wonderen voor de Eeuw van Christus ontstaan.
Het enige, wat wij van deze Zijde uit thans nog kunnen doen is het magnetische bestralen door onze eigen levensfluïde.
Nu kunnen wij die zwakke lichaamsdelen versterken, we geven hun kracht, zodat ze weer werken kunnen en de pijnen daardoor wegtrekken.
Wij trekken die zieke weefsels dus in het natuurlijk-harmonische werken op.
En dat is soms spoedig te bereiken, omdat onze geneeswijze astraal is en de zieke deze aura opneemt.
Maar ik zeg u, het zijn slechts de eerste drie graden, die geholpen kunnen worden, de hogere graden zijn te ver van het normale gezonde stadium verwijderd, hebben te veel door deze afbraak geleden.
Zo wij het verder afsterven van de weefsels konden voorkomen, zouden ook die graden te helpen zijn, maar wat vandaag opgebouwd is, breekt zich morgen zelf weer af.
Niet één geest van het licht kan deze graden overwinnen, ze zijn voor de zieke dodelijk!
Dat onze fluïde krachtig is, hebben wij op Aarde kunnen volgen.
Zelfs het radium wordt door ons overtroffen.
Dit lijkt ongelooflijk, doch wáár is het.
Hoe enorm de radiumbestraling ook is, hoe ontzaglijk doordringend ook, toch verdreven wij het door onze eigen uitstraling, door onze levenskracht, uit het zieke lichaam.
Het radium verbrándt de weefsels, onze geestelijke kracht wekt op!
Het verschil is geweldig, doch niettemin weigert men onze genezende mediums te aanvaarden!
In de toekomst wordt ook dat anders en zullen onze krachten begrepen worden.
Toen mijn meester mij naar de Aarde stuurde, leerde ik daar al deze wetten kennen.
Later ging ik erop door en bewonderde ik uw radium.
In uw eigen tijd beleefde ik het volgende.
Ik vertel het u om te tonen dat er niets boven onze menselijke krachten gaat, indien wij de wetten van leven en dood kennen.
Ik doe dit tevens, omdat ik u straks toch in verbinding moet brengen met het wonderbaarlijke instrument.
Intussen leert gij deze gigantische wetten van God kennen en bovendien kunnen wij dan gevolgtrekkingen maken.
Om te weten hoe het radium op de kanker werkt, sloot ik mij in een kankerpatiënte op en beleefde met haar deze vreselijke ziekte.
Deze vrouw leed ontzettend en toch leefde zij in de derde graad van kanker.
Haar baarmoeder was erdoor aangetast.
Men had haar reeds geopereerd, maar de ziekte keerde terug.
Nu wilde men haar een tijdlang met radium bestralen.
Haar onderlichaam was reeds half dood en deze moeder gaf niets meer om haar leven.
Ik bleef met haar verbonden en wilde het proces met haar beleven om er u thans iets van te kunnen vertellen.
Ik wist al vooruit wat er zou geschieden, want dat kon ik volgen.
Onder de bestraling stelde ik de optredende verschijnselen vast.
De behandelende geneesheer kon echter haar zenuwkracht niet berekenen en schreef haar meer weerstand toe dan zij bezat.
Dit was zijn eerste fout, spoedig zou hij dat waarnemen.
Ik werkte snel op hem in, gaf hem mijn eigen weten en onder deze invloed veranderde hij de bestraling.
Dit redde haar het leven.
Wel voelde zij zich even opgefrist na de eerste bestralingen, maar even later liet het radium zich toch gelden.
De vrouw kreeg een gevoel, alsof men haar levend had verbrand.
En zo was het!
Eindelijk werd zij uit het ziekenhuis ontslagen.
Nu wandelde zij met haar innerlijke brand rond en wist zich geen raad.
De dokter noemde het een radiumkater.
Zij zei: „Ik was liever gestorven, liever de grootste operatie dan deze helse brand.
Het is niet uit te houden.”
De dokter was niet in staat gebleken de weerstand van haar zenuwstelsel tegen radium vast te stellen.
En toch was dit noodzakelijk, anders had hij geen bestraling mogen toepassen.
De één helpt het, een ander wordt erdoor vermoord.
Die bewijzen heeft het radium reeds gegeven, deze oerkracht is te sterk voor de zieke weefsels.
Wat nu?
Hoe kan men deze geweldige kracht gebruiken?
De geleerde is nog niet zover, dat hij het weet.
Hij moet de fysieke toestand van de zieke en het stadium van zijn kwaal aanvoelen en op grond daarvan uitmaken hoe ver hij met deze bestraling kan gaan.
Niet alle weefsels hebben één kracht, duizenden mogelijkheden moeten overwonnen worden, voordat het radium waarlijk genezend is!
Ik zond mijn beschermelinge naar een astraal genezer, een magnetiseur.
Zij werd tweemaal in de week geholpen.
De eerste behandeling gaf haar een zachte en toch verfrissende koelte in het onderlichaam.
De astrale genezende kracht van het medium en van mij tezamen brachten deze koelte tot stand.
Ik zag en stelde vast, dat onze kracht nog sterker was dan die van het radium.
En dat is heel eenvoudig, indien u bedenkt, dat het radium een stoffelijke kracht is en de onze een geestelijke.
De stralen van radium dringen niet tot het zieleleven door, onze inwerking wel!
De ziel en de persoonlijkheid nemen onze krachten in zich op en verdelen die over de organen.
Daarvan zuigen de zieke weefsels zich vol en nu treedt er ontspanning in.
Het radium verbrandde de stoffelijke weefsels echter, nu kon de geestelijke kracht van de zieke niet meer werken en zij werd uitgeschakeld.
Onze kracht bracht koelte, het radium verstikkende hitte.
Deze krachten zijn dus in strijd met elkaar.
Welke is nu beter?
De bewijzen kregen wij al spoedig.
Na vier maanden voelde de zieke zich beter.
Maar onder dit bestralen leerde de zieke een andere werking kennen, die door het opgenomen radium werd veroorzaakt.
Wanneer zij kwam, voelde zij een hevige hitte in haar onderlichaam.
Onder de behandeling werd haar lichaam ijskoud.
Het radium kreeg nu een geheel andere kracht.
Deze elementale wetten gingen door het levensmagnetisme tot deze werking over.
Het andere stadium van het radium openbaarde zich aan mij: het was deze ijskoude stroom, waardoor de hitte overwonnen werd.
Maar deze afkoeling in het radium kent men op Aarde nog niet.
Hier liggen dus warmte en koude in één toestand bijeen, het zijn de levende, elementale krachten van het radium.
Wij kregen daar de bewijzen van.
Het radium moet bij u nog ontdekt worden, men kent de ware persoonlijkheid van het radium nog niet.
Ik snelde naar de meesters terug en toonde hun mijn beleven op Aarde.
Zij kenden deze werking van het radium echter reeds lang.
Door deze koude verbeterde de stoffelijke toestand van de patiënte, die verschrikkelijke hitte loste volkomen op, waarna zij zich genezen voelde.
Het radium kán genezen, maar dan moet men andere middelen toepassen.
Het radium wordt dan ook straks opnieuw ontdekt, want tal van mogelijkheden liggen in zijn bereik!
Wij als mens overheersten tijdens onze behandeling deze miljoenenkracht.
Ik vertel u dit, omdat – zoals ik reeds opmerkte – ik u straks met het machtige instrument ga verbinden.
Dan kom ik hierop nogmaals terug.
Een langdurige radiumbestraling moet dus de zieke weefsels doden, ten gevolge waarvan het organisme plaatselijk bezwijkt.
De dokter moet daarom het zieke lichaam kunnen aanvoelen om die verbranding te voorkomen.
De jarenlange bestraling is weer beter dan de korte, want deze breekt af, de eerste bouwt op.
Uw toekomstige dokter moet sensitief zijn, hij zal zich op het zieleleven instellen en dan weten, hoe hij de behandeling moet toepassen.
Vele geleerden zijn al reeds zover, zij peilen de zieke en trachten aan te voelen, wat zijn organisme kan verwerken.
Hoe overheersend de kanker op Aarde kan zijn, is bewezen.
In een dorpje werd eens iedere inwoner door de kanker besmet, zelfs de krachtigste organismen werden aangetast.
De aarduitstraling daar zoog de ziel in zich op, eerst daarna werden de stoffelijke weefsels beïnvloed en trad de ziekte naar voren.
Proeven stelden vast, dat al deze mensen zwaar of licht door de kanker waren aangetast, maar dat, wanneer zij zich van die plek verwijderden, de verschijnselen weer oplosten.
Het innerlijk leven reageerde op die uitstraling, het zoog die kwade invloeden in zich op en verdichtte zich in het organisme, zij tastte de zwakke organen aan.
Toen de pijnen tevoorschijn traden en men de hulp van de dokter inriep, kon deze slechts kanker constateren.
Die plaatselijke rottende uitstraling besmet dus het organisme, doch het was de ziel, die haar in zich opzoog, waarna de stoffelijke delen werden beïnvloed.
Moeder Aarde bezit kanker, maar waar leeft deze ziekte?
Hoe is deze ellendige ziekte ontstaan?
In de menselijke aura, in uw levensadem leeft de besmetting, van de Aarde uit stijgt deze afbrekende kracht op en wordt daarna door het menselijke wezen aanvaard.
De zwakke organische stelsels bezwijken vroeg, de sterkere organen hebben een eigen bescherming en voorkomen besmetting.
Het is wel merkwaardig, dat steeds die organen het meest besmet zijn, die voor het organisme ook het meeste werk verrichten.
Dat is voor het moederlichaam en het mannelijk organisme precies hetzelfde.
Aan al deze ziekelijke toestanden zal een einde komen, als het technische wonder voor de Eeuw van Christus op Aarde zal zijn.
Ons instrument bezit al de eigenschappen om de vreselijke aardse ziekten te overheersen.
Ons instrument reinigt en zuivert, meer doet het niet en dit is net voldoende.
Daardoor komt er genezing!
Dit wonder roept al de ziekten van de Aarde het geestelijk halt toe, want het zieleleven en het organisme worden kosmisch verbonden.
De ruimte straalt nu door de stoffelijke organen en de weefsels, een oerkracht, die overheersend is in alle graden.
God schonk ons deze heiligheid en deze genade behoort tot de Eeuw van Christus.
Door Christus zal de mensheid een Goddelijk wonder ontvangen!
Het instrument verdicht de levensaura, het protoplasma.
Door deze toepassing ontstonden er weer andere wonderen, technische instrumenten, die alle op Aarde tot stand zullen komen.
Ze dienen de toekomstige mens.
Uit het Goddelijke Al kwam de boodschap, dat het protoplasma te verdichten was en dat men daar aan instrumenten bouwde, die eens doorgegeven zouden worden!
Alle aardse ziekten zijn in de Tempel der Medici overwonnen, maar de wijsheid moet nog op Aarde gebracht worden.
Christus keert door de komende geestelijke wonderen naar de Aarde terug en schenkt opnieuw alles van Zichzelf aan de mensheid.
En Zijn Eeuw roept u toe hiervoor uw hoofd te buigen, want gij zult er het geestelijk ontwaken door ontvangen!