Deelpersoonlijkheden -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘deelpersoonlijkheden’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘deelpersoonlijkheden’.

Jeugdpersoonlijkheid

Wanneer Jozef Rulof volwassen is geworden, praat hij geregeld tot zijn jeugdpersoonlijkheid ‘Jeus’:
Hij praat tegen het deel van zijn persoonlijkheid, dat „Jeus” heet.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 1, 1944
Meester Zelanus heeft de jeugdpersoonlijkheid ‘Jeus’ uitvoerig beschreven in de biografie van Jozef Rulof ‘Jeus van Moeder Crisje’.
Op een contactavond zegt hij hierover dat hij bij het schrijven van het eerste deel van de biografie ‘erg speels’ was, om het speelse karakter van Jeus uit te kunnen beelden.
Voor het schrijven van deze biografie heeft hij dialect moeten leren, om recht te doen aan de lieflijke taal van Jeus.
Ook om Jeus ‘op te trekken’ naar het mediumschap moest hij tot Jeus spreken in de taal van zijn jeugdig leven, zodat Jeus de meesters als vertrouwd aan zou voelen:
En dan, ik was erg speels.
Ik zei net zo vaak als Jeus ‘gadverdikke, dat mot ter nog biij komme.’
De mens kijkt: de meesters spreken dialect.
Ja, wij moesten en zouden, of we hadden dit leven niet kunnen optrekken.
En dan, daarbij is dat de lieflijkste taal van al de talen die we hebben leren kennen.
Waarom?
Omdat nu het leven spreekt.
Zijn niet vele lieflijkheidjes juist in het dialect?
Dat heb ik mij eigen moeten maken.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Elke mens bezit het kinderlijke in zich:
Dat heeft eigenlijk elk mens te beleven.
Doe aan kunst en gij zijt het!
Hoeveel karaktertrekken bezit de mens niet?
En die hebben hier een eigen leven én een eigen persoonlijkheid gekregen én, een eigen zelfstandigheid waardoor gij uzelf kunt leren kennen.
Elke mens bezit het kinderlijke dat nooit sterft, maar dat ééns het volwassen bewustzijn krijgt of gij staat nog steeds op een dood punt.
En het is wonderbaarlijk tevens, wie dat kinderlijke nu verloren heeft, zich dus in alles volwassen voelt, mist dat schone, dat reine gevoelsleven, waardoor dé mens lieflijk is, het kind blijft van Christus.
Heeft Christus daar niet over gesproken?
„Laat dé kinderen tot Mij komen, want hun behoort het rijk der hemelen” ... ís nu „Jeus” voor André ... maar ook dat kind staat voor de Kosmologie en heeft zich de wetten ervoor eigen te maken.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 3, 1944
Wanneer ‘De Kosmologie van Jozef Rulof’ beleefd gaat worden, doet ook de jeugdpersoonlijkheid Jeus zijn best om Standaardnederlands te praten, want met zijn dialect kan men nu niets meer beginnen:
„Natuurlijk, ik heb het toch gezien.”
„Fijn is het, dat wij nu ook volkomen van het dialect af zijn.
Wij hebben thans met onze jeugd niets meer uit te staan en gaan nu bewust verder.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944

Theo en Jack

In het boek ‘Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven’ vertelt Theo’s vader waarom we zo weinig weten over onze vorige levens.
Hij had het gevoel om dokter te worden, maar dat lukte niet, omdat hij gereïncarneerd was om goed te maken.
Zijn tweelingziel Angelica verklaart hem dat hij in een vorig leven dokter was, en dat die medische interesse in het nieuwe leven als gevoel is overgebleven:
„In een vorig leven op aarde was ik dokter, Theo.
Lach nu niet, ik spreek de heilige waarheid uit.
In dat leven leerde ik jou kennen, we werden vrienden.
Je heette toen Jack.
Begrijp je nu, waarom ik in dit leven het verlangen had dokter te worden?
Maar het moest niet zijn, ik was hier om goed te maken.”
„Maar vader, als dat zo is, waar is dan die kennis gebleven, die u als dokter toch bezat?”
„Angelica zegt, dat de ziel bij haar geboorte op aarde het nieuwe leven moet beleven en dat daarom het verleden oplost.
Als wij wakker worden in de moeder en gedurende de tijd, dat we tot kind groeien, zakt het verleden in ons weg en komt het nieuwe leven met z’n nieuwe wetten daarvoor in de plaats.
Wel blijft het deel uitmaken van ons bewustzijn, maar het is dan gevóel geworden.”
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
De vader van Theo kan deze wetten verklaren dankzij de beelden die hem getoond worden door zijn tweelingziel Angelica.
Angelica laat zien dat als een mens zich op één vraag instelt, de ziel als mens zichzelf naar het beantwoorden van een dergelijke vraag stuurt door het beleven van een toestand die hier antwoord op geeft:
Angelica heeft me die beelden getoond, al in vorige incarnaties zocht jij erachter te komen wat de ziel ervaart, als zij plotseling door een ongeval bijvoorbeeld uit het lichaam wordt gerukt.
Het lijkt zonderling een dergelijke manie te bezitten, maar hier in de sferen van licht lacht men er niet om.
Zij weten, dat wij mensen altijd de gevoelens zullen volgen, die ons leven en ons gehele wezen in beslag nemen.
Wel moet de mens weten wáárom hij in een of andere richting zoekt.
Is het om de studie, zoals bij jou het geval was, of daarentegen om de sensatie?
In het laatste geval wint de mens geestelijk niets, maar staat hij stil in zijn ontwikkeling.
Ik noem je als voorbeeld een groep mensen, die zich eveneens met jouw probleem bezighouden, namelijk die uitvinders, welke elke dag hun leven op het spel zetten om de mensheid iets te schenken.
Zij bereiden zich eigenlijk steeds op hun dood voor.
Ook in hen komen dan vragen op als deze, wat er met hen geschieden zal als de uitvinding, waaraan zij werken, hun eens noodlottig zou worden.
Waarheen dan hun zieleleven vaart, willen ze weten.
Leeft nu het verlangen om dit te weten diep in een mens, komt het steeds en steeds weer in hem terug, zodat het een deel wordt van de mens, dan roept het wetten wakker, d.w.z. men komt de een of andere dag, in het een of andere leven voor de vervulling van dit verlangen te staan, men beleeft dan het uiteenscheuren van het lichaam en het met een schok vrijkomen van de ziel; de mens is dan zelf wet geworden.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Deze wetten worden in het leven geroepen door de menselijke wil:
Maar het beleven van Theo uit het boek „De Grebbelinie” nu, is zuiver geestelijke wetenschap.
Hij wilde dit beleven en nu staat de menselijke „wil” ingesteld op het gebeuren.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Jozef zegt nog: „Alles, wat wij door onze bewuste „wil” doen en met onze geest, dus voor het leven aan Gene Zijde willen beleven, gebeurt ook en dat is ook voor ons leven op aarde.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Wanneer Theo op zijn leven terugkijkt, voelt hij dat het Jack in hem was die het gewichtige besluit nam om beroepsmilitair te worden:
Nu ik mij instelde op het besluit, dat me de militaire staat als beroep deed aanvaarden, kwamen de gevoelens weer in me, die me daartoe brachten.
Ze kwamen niet uit mezelf voort en toch weer wel!
Het was alsof er twee persoonlijkheden in mij huisden, waarvan de een de ander overheerste en zijn wil opdwong.
Die ene, de zwakkere, heette Theo.
Hoe was de naam van de ander?
Toen kwam de naam Jack in me.
Was Jack die ander?
Dan zou hij me dus in de betekenis kunnen voeren van m’n gewichtige besluit om beroepsmilitair te worden.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Jack wou alles van de ziel te weten komen in zijn leven als psychiater.
Hij wilde vooral te weten komen of de ziel alles kan doorstaan, ook een vreselijke lichamelijke schok.
Hij praatte hierover in dat leven met zijn vrienden Angelica en haar man, die later in het leven van Theo zijn vader werd:
Als het waar is, wat jij aanneemt, dat we meerdere levens bezaten, staat daar dan tevens mee vast, dat de ziel niet te vernietigen is?
Ook niet door een verschrikkelijke schok, die het lichaam in stukken scheurt?
Zo het waarachtig waar is, dat we meer dan een leven krijgen, wordt het voor mij nog maar moeilijker.
Immers dan liggen in de ziel dus ook nog de machtig vele indrukken vast, die de mens in al die vorige levens opdeed.
Het duizelt me, als ik er maar even aan denk, wat dat weer voor nieuwe problemen inhoudt.
Hoe dan ook – het blijft machtig schoon het zieleleven te volgen, trachten te peilen, te ontraadselen.
Als het zo is, wat je denkt, dat wij meermalen geleefd hebben en nogmaals kunnen terugkeren, dan zou het me intens gelukkig maken.
Ik wil dan terugkeren in het leven, telkens en telkens, tot ik alles weet van de menselijke ziel.
Alles wil ik ervoor doen.
Mezelf geven, als het moet.
Verliezen wil ik mezelf, m’n lichaam uiteen laten scheuren om er zo achter te komen wat dan de ziel beleeft.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Wanneer Theo achteraf zijn aardse leven analyseert, voelt hij dat Jack steeds meer ging overheersen in zijn innerlijk, naarmate de gebeurtenis die tot de studie van Jack behoorde, naderbij kwam.
Jack ging uiteindelijk Theo overheersen, omdat de sterkst uitgebouwde persoonlijkheid het voortouw neemt:
Als Jack is er maar één doel, dat mij drijft.
Ik heb het leven gekregen om goed te maken en om te beleven.
Voor dit beleven sta ik thans.
Mijn leven van Jack, die een geleerde is, stijgt boven mijn bewustzijn van Theo uit.
Maar straks zullen ze in elkander overgaan.
Dat voel ik nu.
Dan – na het gebeuren dat me wacht – zal het leven van Jack gehéél overheersen, en dit is mogelijk, doordat ik in het leven van Theo niets heb beleefd, dat mijn ziel schokte.
Ik ga nu dieper voelen dan voorheen en ik ben daar vader zeer dankbaar voor.
Het is enorm leerzaam wat ik te voelen en te verwerken krijg.
Het wordt me meer en meer duidelijk, dat het niet Theo is, die dit beleven wil, maar Jack.
Theo bezat geen gevoelens als geleerde, hij wist van deze studie niets af, dat behoorde Jack toe.
In dit laatste leven op aarde ben ik Theo en behoor ik vader toe.
In dat andere leven bestond er echter ook een band tussen ons, hij was toen mijn vriend.
Zo is het mogelijk, dat hij me nu helpt, wat anders wellicht onbestaanbaar zou zijn gebleken.
Hoe ingewikkeld de mens is, wordt mij thans duidelijk.
Het is stil geworden in Jack.
Theo maakt nog maar voor vijfentwintig procent deel uit van de honderd, die ik ben.
Voor hem is er geen oorlog of verschrikking, hij ziet alles als in een droom.
Jack daarentegen is hevig bewust, hij staat op één punt ingesteld en maakt zich voor het beleven gereed.
Vader heeft hem hierbij geholpen.
Het is nu wachten op de dingen, die geschieden zullen.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Ook in de sferen van licht bouwt Jack verder op levens met een geestelijke betekenis:
Jack zal Theo geheel gaan verdringen, straks als de laatste zijn leven afgemaakt heeft.
Jack brandt van verlangen om te gaan beginnen, hij wil verder aan zijn studie, iets doen voor de wetenschap en dus voor de mensheid.
Van die beide persoonlijkheden in mij is het Jack, die iets goeds, iets nuttigs te brengen heeft.
In de sferen bouwen we slechts voort aan de levens waarin we ijverden voor een taak, een opgave, die geestelijke betekenis heeft.
Daarom móet het leven van Theo in mij wegzakken, want hij heeft de wereld niets te brengen, hij beleefde het leven gelijk een klein, onbezorgd kind.
O, hoe duidelijk en werkelijk is alles.
Het harde, rusteloze streven van Jack om de ziel te leren kennen, in het belang van de lijdende mensheid, heeft hem tot een persoonlijkheid gemaakt, die in elk verder leven krachtiger werd.
Het is déze persoonlijkheid, deze gevoelswereld, deze Jack, wiens wil om te dienen, wiens bezieling andere persoonlijkheden in mij verdringt.
Hij is het ook, die eenmaal in de sferen dadelijk naar de wegen zoekt, die hem kunnen brengen naar de vervulling van zijn idealen.
Het zou niet anders mogelijk zijn.
Ik wil studeren, vader, alles weten wat mijn geest verwerken kan.
Wellicht zal ik dan eens mogen terugkeren naar de aarde.
Ik hoop het zo, vader.
Ik verlang naar niets anders, dan naar de nieuwe geboorte.
De wetenschap wil ik helpen, haar mededeling doen van alles, wat ik hier over de mens en zijn zieleleven ervaren mag.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Jack wil opnieuw reïncarneren om de mensheid geestelijke kennis te brengen.
De vader van Theo legt uit dat dit verlangen wetten in beweging brengt waardoor hij zal reïncarneren vóór andere zielen, die slechts op zichzelf staan ingesteld:
We krijgen onze levens om er ervaring in op te doen, om onze verkeerde eigenschappen te bevechten en om het bedreven kwaad goed te maken.
En de laatste drie levens, die ons toebedeeld worden, zijn er om ons het geestelijk evenwicht te doen vinden.
We herstellen ons dan van al het machtige, dat beleefd is, en maken ons het hogere bewustzijn eigen.
Kun je de orde hierin voelen?”
„Ik begrijp u, vader, maar ik wil nog lang over dit machtige nadenken.
U kunt zich thans dus geestelijk bewust noemen, vader?”
„Ja, mijn jongen, ik mocht me dit eigen maken.
In vorige levens eraan begonnen, kon ik er in m’n laatste leven op aarde in overgaan.”
„Als ik alles goed begrijp, vader, bent u al verschillende malen aan deze zijde geweest om van hieruit naar de aarde terug te keren.”
„Dat is geschied.
Van God kreeg ik deze genade.
Angelica mocht het beleven en miljoenen met ons.”
„Maar is dan het leven op aarde zo makkelijk te ontvangen?”
„Als we bezig zijn aan ons bewustzijn, als wij willen dienen en het verlangen in ons is op aarde werkzaam te zijn, dan roepen we een wet wakker en deze gaat zelfs voor alle andere wetten.”
„Is dat door God, vader?”
„Door de kosmische wetten van goed en kwaad, Theo.”
„Waarheen voert mij dit weer, vader?”
„Ik zal het je uitleggen.
De wet, die we wakker roepen, stuurt ons naar de aarde terug, en wel om daar de schaal van het goed en het kwaad in evenwicht te houden.
Deze wet is zo belangrijk en gaat dáárom voor alle andere wetten in vervulling, omdat er, je voelt het, van de aarde weinig of niets terecht zou komen, als daar de hogere bewustzijnsgraden niet leefden.
Voel je wat dit zeggen wil?”
„Als ik het goed begrijp, is het dus zo dat, als ik het goede wil en een ander het slechte, ik vóór hem ga en het leven daar ontvang?”
„Je raakt de werkelijkheid wel, maar niet geheel.
De op het duister afgestemde zielen hebben niets te willen, zij móeten terug.
Hun afstemming eist dat; hoe zouden ze hoger, verder willen komen, als hun het leven op aarde onthouden werd?
Maar wat zou er geschieden als deze duistere zielen op aarde gingen overheersen?”
„God zorgt dus voor evenwicht?”
„Ja, door Hem gaan we in de wetten van leven en dood over.
We ontvangen dan een taak op aarde en weldra worden we daar aangetrokken.”
„Maar hierover heb ik toch op aarde niets gelezen, vader, is het wel?”
„Nee, deze wijsheid is daar nog niet.
Ze zou er niet begrepen zijn, want ze raakt de kósmische wetten.
Straks echter komt deze wijsheid op aarde, ze wordt er door de meesters zélf gebracht.”
„Voor de nieuwe tijd dus, die thans in aantocht is?”
„Daarvoor, mijn jongen, en eenieder van ons in de sferen van licht is bereid alles van zichzelf ervoor in te zetten.”
„Ook ík wil werken, vader, de meesters helpen bij hun taak.
Maar dan moet ik zeker nog heel veel leren?”
„Zeker, mijn jongen, je zult echter zo ver komen.
Ga er rustig aan beginnen, je zult dan straks gereed zijn als je voor je taak de wetten ontvangt.
Je moet echter eerst nog voor Angelica en haar meester werk verrichten.”
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Dat werk is het schrijven van het boek ‘Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven’.
Daarin beschrijft hij zijn eeuwenlange studie:
Ik ging de ziekteverschijnselen na, die als gevolg van opgedane schokken lichaam en ziel aanvraten.
Leven na leven was ik met dit onderzoek bezig, steeds vorste ik verder en dieper, maar zelfs in mijn leven als geleerde kwam ik niet tot de totale kennis.
In mijn laatste leven onderging ik zelf de geweldigste schok, die een mens ondergaan kan, het uiteenspatten van mijn eigen lichaam.
Het was de vervulling van een wens, die mij in al die levens van onderzoek begeleid had.
Aan den lijve wilde ik de schok ondervinden, want zo dacht ik tot weten te komen en het doel van mijn eeuwenlange studie te bereiken.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Een dergelijke studie kan niet in één leven uitgevoerd worden:
In één leven zou dat onmogelijk zijn.
Een mensenleven is al te kort om één kwade eigenschap in een goede om te zetten.
En hoeveel eigenschappen maken niet deel uit van ons karakter?
En zou ik me in één simpel leven tot een hoogte in de kunst, in de wetenschap kunnen opwerken?
Kan ik me in één leven een wereld van gevoel eigen maken?
Zou ik me in één leven kunnen gereedmaken voor een hemel?
Miljoenen wetten regeren Gods leven, ik moet ze álle bewust kennen – kan me dat in vijftig, zestig jaren gelukken?
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942

Wie in ons leest deze artikelen?

Op een contactavond komt een toehoorder terug op een lezing die door meester Zelanus is gegeven.
Daar werd gesproken over de vier deelpersoonlijkheden die in het leven van Jozef Rulof te onderscheiden zijn: Jeus, Jozef, André en Dectar.
Dectar is de priester uit het oude Egypte, die in het boek ‘Tussen Leven en Dood’ wordt belicht.
De toehoorder begrijpt niet hoe deze ziel in latere levens de mystieke kennis van Dectar verloren heeft:
(Meneer in de zaal): ‘Ik zou even terug willen komen op de lezing van vorige week zondag.’
Ja.
‘Daar is gesproken geworden over de vier persoonlijkheden in de persoon Jozef.’
Prachtig.
‘En er werd gesproken over Dectar’, ja, ‘die het priesterschap in de tempels gehad heeft en de ‘Gevleugelde’ was.’
Ja.
‘Over André, Jeus en Jozef.’
Ja.
‘En als we nu die ‘Gevleugelde’ Dectar eens nemen als priester’, ja, ‘dan is het eigenlijk onverklaarbaar hoe hij in al die levens zijn priesterschap heeft kunnen en moeten verliezen.’
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Jozef antwoordt dat hij dat priesterlijke gevoelsleven nooit heeft verloren:
Heeft hij niet verloren!
(Zaal): ‘Nee.’
(Meneer in de zaal): ‘Dectar niet.’
Wat is priesterschap?
Wat is dat?
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Jozef koppelt deze vraag terug naar de toehoorder:
Wie verlangt er in u om hier te zitten, wie is dat van u?
(Meneer in de zaal): ‘Ikzelf.’
Deze die hier in Den Haag geboren is?
(Meneer in de zaal): ‘Nou, waarschijnlijk niet.’
Daar heb je hem nou.
Dat is misschien ook iemand uit de tempel, meneer, want u kunt scherp denken, u stelt goeie vragen, u kunt scherp denken, maar u hebt een enorm verlangen gekregen om hier in dit leven, nu, die boeken te lezen, naar mij te luisteren.
Meneer, hebt u dit hier in Den Haag geleerd?
(Meneer in de zaal): ‘Nog nooit.’
Daar heb je het nu.
Die Dectar in mij, dat is de mystiek, dus eigenschappen in mijn gevoelsleven nu, die openstaan voor mystiek.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Hoe groot is het deel van onze persoonlijkheid dat zich al geestelijk wil verrijken?
Ik zeg tegen meneer van Rossen zo-even, ik zeg: ‘U heet Nico, niet?’
Nu, deze, deze die nu die man is, die heeft te maken met dat kind van vroeger.
Deze persoonlijkheid luistert en wil dorsten, maar die man, dat kind van vroeger leeft nóg in hem.
En zou u denken dat dat kind ook al bewust is?
Vecht u niet dagelijks tegen gevoelens van vroeger die nog in u leven en die nog lang geen mystiek willen?
Zijn er geen gevoelens in u, dames en heren, die het nog doodgewoon vinden, maar nog lang niet deel uitmaken van geestelijk onderzoek?
Zijn al die gevoelens in u aan het dorsten geslagen, hebben die honger?
Wie zit hier te luisteren?
Maar daar zit veel in.
Maar (dat) bent u allemaal.
En zo, zegt meester Alcar, gaat ge uzelf begrijpen.
En wij hebben te maken met je jeugd.
Doet u nu en dan niets dat afstemming nog heeft op uw jeugd of voor twintig jaar terug toen je links en rechts van u afsloeg?
En wat gaat nu die ...
Wilt u zeggen dat al die karaktereigenschappen van vroeger, de tijd, tien jaar terug, twintig jaar terug, dat die al deel uitmaken van dat willen en dat dorsten?
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Wellicht laten we slechts een deel van onze persoonlijkheid de maatschappelijke taak afhandelen waarmee we ons dagelijks brood verdienen:
En meneer en mevrouw, en dat bent u allemaal, hebt u in uw eigenschappen alles zover gebracht dat al uw eigenschappen geestelijk harmonisch zijn?
Zitten die hier allemaal?
‘Dat kunt u de kat wijsmaken’, zegt Frederik, ‘maar dat bestaat niet.’
Is dat niet eerlijk?
(Meneer in de zaal): ‘Jazeker.’
U hebt twee, tien, twintig persoonlijkheden, die hebben een naam.
U bent in uw werk die, maar bent u in uw werk net zo geestelijk waarachtig als onze leer ons zegt dat wij hebben te doen, hebben geleerd?
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951

Meervoudige persoonlijkheid

Soms kan een deelpersoonlijkheid voor problemen zorgen:
Vandaag heet u wel Mientje of Anneke, maar over veertien dagen hebt u plotseling van die gekke allures, en dan begrijpt uw man u niet meer want dan is het: mevrouw Anna.
(Jozef praat deftig.) Dan zegt ze: ‘Ik wil iets anders.’
Dan komt er iets hoogs, iets van adel komt er voor de dag.
En dan zeg je: ‘Zeg, hoe kom jij aan die gekke gedachten?’
‘Centjes!’
En als de man me dan niet begrijpt en zij begrijpt het niet, dan komt dat nog sterker tot bewustzijn, en dan krijgen we ruzie.
Dan zegt ze: ‘Ga weg, gierigaard.’
En als de vrouw niet sterk in haar liefde is voor het huisgezin, dan kijkt ze naar de ander die wel centjes heeft.
En dan zeggen wij: ‘Wat een mirakel, of een merakel is dat.
Ze loopt zomaar weg.’
Meneer, maar het kan haar verleden zijn.
Want ze begrijpt zichzelf niet.
Nu zul je wel denken: Die praat alles goed.
Maar zo diep is de mens.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
De mens die de wedergeboorte niet aanvaardt, leert de persoonlijkheid niet volledig kennen:
(Meneer in de zaal): ‘De maatschappij wil zoiets nog niet aanvaarden.’
De maatschappij kan het toch ook niet aanvaarden.
(Meneer in de zaal): ‘Nee, natuurlijk niet.’
De psycholoog zegt: ‘De mens is voor het eerst op aarde.
Als een kind geboren wordt, is dat voor het eerst.
Want God maakt nog altijd nieuwe zieltjes.’
De psycholoog staat machteloos en kan de wedergeboorte niet aanvaarden.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

Splitsing van persoonlijkheid

In het boek ‘Maskers en Mensen’ vertelt Frederik hoe René hem de zelfmoord van Vincent van Gogh verklaart.
Van Gogh had zijn leven niet op die wijze moeten beëindigen, als hij dieper had kunnen doordenken:
„Van Gogh,” zegt hij, „had zijn leven niet behoeven te verliezen, indien hij had kunnen denken.
Maar die ziel dacht verkeerd.
Datgene waaraan hij had moeten denken, kwam niet in hem op.”
Maskers en Mensen, 1948
Toen Van Gogh naar een revolver greep, wist hij niet dat hij zich zou vernietigen:
Van Gogh beleefde zijn kunst door zijn ziel en tóch, wie zegt ons, dat hij zijn ziel op volle kracht liet spreken?
Ik zie het anders.
Van Gogh beleefde de kunst, maar liep zich door zijn belevenissen te pletter.
Toen greep hij naar een revolver en schoot zich door z’n hoofd.
Ik wed met je, Frederik, dat hij niet wist, dát hij zich vernietigen zou, want dan doe je het niet.
Voel je, wat ik bedoel?”
Maskers en Mensen, 1948
Slechts tien procent van zijn persoonlijkheid haalde de trekker over:
Ook Van Gogh wist op het ogenblik van zijn daad niet wat hij deed.
Op het ogenblik van zijn val, dwong iets hem in die toestand, doch hij als kunstenaar en persoonlijkheid stond erbuiten en had naar zichzelf kunnen kijken.
Maar omdat hij de wetten niet kende, sloeg hij zichzelf neer.
En dat is de wereld voor de „Ziel” en de ruimte voor onze „Geest”!
Voor Vincent was het een splitsing van persoonlijkheid.
Hij kon zijn toestand niet beredeneren, omdat hij niet kon denken, want dan spreek je met je eigen leven en heeft ook het andere leven iets te zeggen!
Wist je dit, Frederik?
Toen stond Vincent voor zélfmoord, doch slechts povertjes, ik bedoel, voor hoogstens tien procent, tien procent levensinhoud, stuwing, de rest van zijn grote karakter deed er niet aan mee.
Maskers en Mensen, 1948
Deze splitsing van persoonlijkheid is niet alleen voor zelfmoord gevaarlijk:
Of dacht je, Frederik, dat moordenaars altijd met al hun krachten zichzelf willen verliezen?
Dacht je, dat wij mensen geen moord kunnen begaan op tien procent wilskracht?
Ik geloof het zeer zeker, want de dingen zélf komen het je vertellen.
Maskers en Mensen, 1948

Dat ene ik

Wanneer André aan zijn belangrijkste werk ‘De Kosmologie van Jozef Rulof’ gaat beginnen, moet hij alle gedachten van al zijn deelpersoonlijkheden tot één concentratie samenvoegen:
En dan voelt André reeds op dit ogenblik dat zijn Jeus, zijn ik uit ’s-Heerenberg zich zal aanpassen aan de toestand waarin hij nu leeft en dat dit tenslotte en uiteindelijk noodzakelijk is.
Maar nú, nu moet elke gedachte hem helpen en steunen.
De volle honderd procent voor de bron kosmologie moet hij gaan inzetten.
Lezingen Deel 3, 1952
In elk mens zullen alle deelpersoonlijkheden uiteindelijk deel moeten uitmaken van dat éne ik:
Hij voelt dat zijn andere ik, die karaktereigenschappen ontwaken.
Hij gaat voelen dat ook Jeus tot bewustwording komt.
Dat Pietje, die Hendrikje en dat Jopie, maar zég maar Johan, die Johan, die Herman, die Hendrik en die Nico – hoe heten de namen? – die Fransen, die moeten nu de naam vertegenwoordigen als een persoonlijkheid en dat zijn geen Pietjes meer, geen Johannetjes, dat moet deel uitmaken van dat éne ik.
En dat ik zal alles inzetten om aan het werkelijke leven te beginnen, de reis naar de bron die alles heeft geschapen.
Lezingen Deel 3, 1952
In de lichtsferen is er voor verschillende deelpersoonlijkheden geen plaats meer:
Nu zijn „Jeus en Jozef” opgelost en kent hij niet meer.
Maar ook zij zullen deze wetten leren kennen en ze zich eigen maken.
Voordat hij van de aarde vertrekt, dus hier de kist ingaat, zal hij ook Jeus en Jozef ín zich optrekken en dat moet elk mens doen, in de sferen van licht is er van splitsing van persoonlijkheid geen sprake meer.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944