Een wonderbare genezing

In deze toestand beleefde André zeer merkwaardige verschijnselen, waardoor hij de psychische krachten leerde kennen van degenen, die het stoflichaam hebben afgelegd.
„Luister, André”, zei Alcar tot hem, „dit is het, wat bedoeld is door de profeet Joël, toen hij sprak: „En daarna zal het geschieden (tussen haakjes in eerste druk: zegt God), dat Ik Mijnen Geest zal uitgieten over alle vlees en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien.” (voetnoot in eerste druk: Joël 2: 28. Hand. 2: 17.)
André beleefde wonderen en kon daardoor de betekenis van deze woorden begrijpen, terwijl het hem tevens hoe langer hoe duidelijker werd, dat, wanneer een medium zich met lichaam en ziel aan hogere machten toevertrouwt, er door hem wonderen verricht kunnen worden.
Men kwam zijn hulp inroepen voor een twintigjarig meisje, dat zeer ernstig ziek was; en de diagnose, welke Alcar hem liet vaststellen, luidde: Paratyfus.
Op zijn vraag, of hij haar zou mogen helpen, antwoordde Alcar: „Wij kunnen haar pijnen en de koorts wel doen verminderen, doch voor deze ziekte is ook aardse hulp onontbeerlijk”.
Medische hulp werd nu door de familie ingeroepen en na een paar dagen besloot de behandelende geneesheer, zijn patiënte in een ziekenhuis te doen opnemen.
Daarna beleefde André wonderlijke dingen, waarvan hij de betekenis niet begreep.
Hoe hij ook nadacht, hij kon maar geen licht zien in deze, voor hem duistere toestand.
Wanneer hij een patiënt mocht genezen, of – wanneer om de een of andere reden – de behandeling gestaakt werd, maakte hij zich steeds geheel vrij, om zich dan weer aan andere zieken te kunnen geven, want om een diagnose te kunnen vaststellen is het nodig, zich innerlijk vrij te maken van iedere storende gedachte.
Maar dit was hem nu niet mogelijk, omdat haar beeld hem steeds voor ogen stond, waardoor hij in zijn werk belemmerd werd.
Dag in, dag uit moest hij aan het zieke meisje denken en hij vroeg zich meermalen af, wat dit alles toch wel te betekenen had, want zulk een innig contact met een patiënt, welke hij had moeten loslaten, had hij nog nooit gevoeld.
Het meisje moest dit ook voelen, meende hij, daar deze krachten bij zieken dikwijls in hoge mate ontwikkeld zijn.
Hij hoorde noch zag zijn leider, maar voelde aan, dat dit een betekenis moest hebben, welke hem vroeg of laat zou worden geopenbaard.
Zo ging een week voorbij.
Annie’s nicht Cor, die hij juist in behandeling had, hield hem van haar toestand op de hoogte en kwam hem op een avond uit haar naam vragen, of hij eens bij haar zou willen komen.
Toen was hij er zeker van, dat ook zij het contact voelde, al was zij zich daar misschien niet van bewust.
Haar lichaam was verstijfd, vertelde Cor, en steeds had zij hoge koorts.
Haar mond was gevoelloos en haar bloed vergiftigd.
Spreken kon zij bijna niet meer, omdat haar keel zo gezwollen was en haar gelaat had een loodblauwe tint.
De doktoren gaven geen hoop meer op herstel en dus had ook de familie de moed opgegeven.
Nadat André met Cor overeengekomen was, de volgende avond samen naar het ziekenhuis te gaan, voelde hij het contact verminderen en de spanning veranderen in een groot verlangen, weer een jong leven, dat met de dood worstelde, te mogen helpen behouden; want Alcar, de hoge geest, waakte – al liet hij zich niet zien – natuurlijk ook over dit leven.
Hij besloot dus in vertrouwen af te wachten en – eerder, dan hij had durven hopen – werd ook dit probleem voor hem opgelost en leerde hij nog weer meer de grote, heilige liefde kennen van degenen, die – achter de sluier – met al hun krachten, tot heil der mensheid, het hun door God opgedragen werk verrichten.
Het was in diezelfde nacht, dat hij plotseling wakker werd, omdat hij zich bij de naam hoorde roepen.
Hij keek om zich heen, maar zag niemand en wilde daarom maar weer gaan slapen.
Na een paar minuten hoorde hij echter nogmaals zijn naam noemen, terwijl hij tevens tot de ontdekking kwam, dat men hem van zijn stoflichaam had bevrijd en hij dus uitgetreden was.
Dit was nog nimmer zo onvoorbereid gebeurd, daar Alcar hem tot nog toe van tevoren gewaarschuwd had, opdat hij zich dan geheel daarop zou kunnen instellen.
Voor de derde maal hoorde hij roepen: „André!”
En toen hij naar de plaats keek, waar het geluid vandaan kwam, zag hij twee, hem onbekende, geestelijke wezens staan, van wie het ene hem wenkte hen te volgen.
Moest hij aan dat verzoek gehoor geven?
In gedachten vroeg hij dit aan Alcar en voelde toen onmiddellijk een weldadige rust over zich komen.
Het was als het ware het antwoord op zijn vraag, waarvan hij de kracht kende.
Zijn leider waakte; met hém alleen was hij op deze wijze verbonden.
En wanneer hij met hem in de sferen vertoefde, onderhield Alcar zich met hem in de geestelijke taal, waarvan de ons voorgeganen zich daar bedienen – de taal der gedachten.
Alcar wist natuurlijk van alles af en liet hem dit probleem op zijn wijze beleven.
Hij besloot dus, mee te gaan, daalde met de twee Intelligenties de trap af en volgde hen op enige passen afstand naar buiten.
Het was een pikdonkere nacht, geen levend wezen der aarde ontmoette hij onderweg en er werd geen woord met hem gesproken.
Zou men dit geloven, wanneer hij later vertelde, dat hij ’s nachts als geest rondwandelde en hem onbekende Intelligenties volgde?
Zou men dit geen fantasie noemen, terwijl het toch de zuivere waarheid was?
Hij voelde zich zo begenadigd, dat zijn geesteslichaam zich van het stoffelijke los kon maken en zich in die toestand vrij bewegen.
En hij was na de les, welke hij gedurende Doortjes ziekte ontvangen had, zo vast overtuigd van Alcars onzichtbare tegenwoordigheid, dat hij zich vol vertrouwen kon overgeven aan degenen, die voor hem uit gingen, al wist hij niet, voor welk doel zij hem waren komen halen.
Als antwoord op deze gedachtengang keerde het geestelijke wezen, dat hem geroepen had, zich om en keek hem zó liefdevol aan, dat een warm gevoel hem doorstroomde en hij door een vuur zou willen gaan voor deze liefdegeesten, die hem wellicht voor hun werk op aarde nodig hadden.
Plotseling zweefden zij een straat in, welke naar het ziekenhuis leidde, waarin Annie opgenomen was.
Zou deze nachtelijke uittreding met haar in verband staan?
Dan werd het hem ook duidelijk, waarom hij zo intens met haar verbonden was.
Voor de ingang van het ziekenhuis aangekomen, wenkte de geest, die hem geroepen had, hem naderbij te komen.
Een hemels wezen stond toen voor hem, jong en schoon, dat hem glimlachend aankeek en tot hem zei: „Wij zijn je komen halen, André, omdat wij je hulp als medium nodig hebben.
Wij kwamen je in je nachtrust storen, omdat dit nodig was, zoals je aanstonds duidelijk zal worden.”
Het andere wezen verwijderde zich enige passen van hem en toen legde de spreker de hand op zijn schouder terwijl hij vervolgde: „Zie naar de ingang, mijn zoon.
Zij, die daar in en uit gaan, leefden ook eenmaal op de aarde en trachten nu hun achtergebleven dierbaren en anderen met alles te helpen, terwijl zij overgeganen naar de plaats van hun afstemming geleiden, welke voor de één groot geluk, voor de ander, helaas, diepe duisternis betekent, al naar mate zij hun aardse leven ten goede of ten kwade besteed hebben, daar geen sterveling, die in het Hiernamaals aankomt, aan Gods rechtvaardige wet van oorzaak en gevolg ontkomen kan.
Hij zal maaien, wat hij gezaaid heeft.
Later zult ge met uw leider weer sferen bezoeken, zowel hogere als lagere gebieden, opdat ge op aarde nog meer bekend zult kunnen maken, wat de mens aan onze zijde wacht, wanneer de aardse leerschool is doorlopen.
Mediums, die begrijpen, dat de boodschappen, welke wij doorgeven, ons heilig zijn, kunnen gezegend werk verrichten, daar zij alleen door liefde te geven en in het volle besef van hun heilige taak, goede instrumenten in onze handen kunnen zijn.
Onthoud, dat de schatten des geestes eeuwig zijn en niet te vergelijken met die van de aarde.
Dit wil je leider je steeds meer en meer duidelijk maken.
Volg daarom zonder dralen onze weg.
Wij zullen je helpen.”
Na deze toespraak hoorde André luide kreten.
Er werd geroepen: „Het leven zal ontwaken, het leven is eeuwig”.
„Hoort ge hen, mijn jongen?
Het zijn zusters en broeders, die de aarde reeds verlaten hebben en aan onze zijde voortleven.
Zij willen de achtergeblevenen overtuigen van hun eeuwig, heilig geluk.
Dit zal je aansporen, al de kracht, welke in je is aan te wenden, om ons te helpen, hen gelukkig te maken.”
Weer klonken er stemmen.
„De mens moet ontwaken”, hoorde hij zeggen.
„Help ons, help ons, gij mediums, die hiervoor de krachten bezit.
Help ons de niet-wetenden gelukkig te maken.
Het is Gods wil.”
Dit ontroerde André tot in het diepst van zijn ziel, want hij voelde het innige verlangen van de overgeganen, hun dierbaren te mogen overtuigen van hun voortbestaan.
„Zie thans omhoog, André.”
Hij keek op naar de donkere hemel, ontwaarde eerst niets, doch meende na enige seconden, een flauwe lichtstraal waar te nemen.
Ja, hij had goed gezien; er kwam licht in de duisternis.
Overal bemerkte hij lichtflitsen, welke de hemel in vuur zetten.
Het was een machtig gebeuren, dat hem evenwel niet angstig maakte, daar hij zich in veilige handen wist.
Plotseling hoorde hij een geweldige knal; het hemelgewelf werd als het ware vaneengescheurd, waardoor een prachtige, lichtblauwe hemel zichtbaar werd.
Een stralend, wit licht brak door en zette de aarde in gouden glans.
„Het Licht”, hoorde hij nogmaals roepen, „het Licht, Gods heilig Licht!”
„Gods Licht”, herhaalde de Intelligentie naast hem, „door dit Licht zullen wij haar genezen.
Vertrouw, vertrouw, mijn jongen.
God is Liefde.
Het is Zijn wil, dat de geestelijk doden ten leven worden gewekt.
Laat hen leven; schud hen wakker.”
Opeens zag hij een klein, wit licht – het leek wel fosfor – in de vorm van een bal door de ruimte naar zich toe zweven.
Maar toen het vlak bij hem was, zweefde het weer van hem weg en kwam daarna weer terug, wat enige keren herhaald werd.
Het vroeg hem als het ware, het te volgen.
En toen hij daartoe besloten was, zweefde het hem vooruit, het ziekenhuis binnen en, door een paar gangen heen, een kamer in, waarvan de deur open stond.
Voorzichtig trad ook hij binnen; maar zag toen tot zijn verbazing het licht niet meer.
Toch voelde hij, dat een onzichtbare macht hem binnenleidde.
„Zou Annie zich hier bevinden?” dacht hij.
Voorzichtig keek hij om een hoekje van het scherm, dat om een bed stond en schrok toen hevig, want, ja, daar lag zij.
Maar wat was zij oud geworden!
Hij wilde op haar toevliegen, maar voelde, dat hij tegengehouden werd.
Daarom bleef hij achter het scherm en werd toen onmiddellijk gewaar, dat zijn onzichtbare geleiders hun concentratiekracht lieten verzwakken.
Arme Annie!
Zij scheen hevig te lijden.
Hoe was het anders mogelijk, dat zij in weinige dagen zó kon verouderen!
Het ging hier om leven of dood.
Haar tint was werkelijk loodkleurig en haar ogen lagen diep in de kassen.
Hij hoorde haar zachtjes kreunen.
Gelukkig!
Daar zag hij het licht weer, welks uitstraling zo schoon was en rein.
Het bleef boven het hoofd van de zieke zweven en verbond zich met haar.
Toen kwamen er klanken tot hem.
Het leek wel een heilig gezang.
Wonderbaarlijk was het, dit alles te mogen beleven.
„André”, hoorde hij fluisteren, „kijk naar het licht.
Het leeft en God wil, dat zij genezen zal.
Help ons, dit wonder tot stand te brengen.
Gods heilige kracht werd ons daartoe geschonken.
Zijn wil geschiede.”
Toen verdween het licht en voelde hij zich opnemen en in zijn stoflichaam terugkeren.
Daarna viel hij weer in slaap.
De volgende avond ging hij Cor afhalen, om samen naar haar zieke nichtje te gaan.
Bij haar bed gekomen, moest hij zich beheersen, om zich goed te kunnen houden en alle krachten inspannen, om haar niet te laten blijken, hoezeer hij van haar uiterlijk schrok.
Zij keek hem onderzoekend aan, greep zijn hand en trachtte te spreken.
Doch dit gelukte haar niet, omdat haar keel zo gezwollen was.
Toen trachtte zij hem door blikken en gebaren duidelijk te maken, dat zij van hem verlangde te horen, hoe hij over haar toestand dacht.
Het was de blik van een stervende, waarmee zij hem aankeek; een blik, die hem zeer ontroerde en hem dwong, haar hoop op herstel te geven en haar moed in te spreken, hoewel hij voelde, dat er een wonder zou moeten gebeuren, wanneer er werkelijk sprake van herstel zou kunnen zijn, want haar ogen waren omfloerst en begonnen reeds te breken.
Zij lagen diep in de kassen en keken hem toch smekend aan.
Verschrikkelijk was de blik, waarmee zij trachtte de waarheid uit te vorsen.
Enige seconden gingen op deze wijze voorbij, welke hem een eeuwigheid leken.
Het was een ware marteling, want wanneer hij die blik niet kon weerstaan, zou dit haar einde kunnen verhaasten.
Eindelijk liet zij zijn hand los en bleef afgemat in de kussens liggen.
Op dat ogenblik trad haar vader binnen en ging aan haar bed zitten, waardoor zij gelukkig wat rustiger werd.
Maar dat duurde niet lang, want na enige minuten gelukte het haar, haar vader met gebroken stem te vragen of hij een spiegeltje bij zich had, wat tot André’s onuitsprekelijke verlichting niet het geval was.
Maar hoe schrok hij, toen hij Cor hoorde zeggen: „Ik heb er wel een voor je”.
Hoe was dit mogelijk!
Begreep zij dan niet, waar het hier om ging?
Dat een blik in het spiegeltje Annie noodlottig zou zijn?
Domme, domme mensenkinderen!
Annie’s aardse leven hing toch al aan een zijden draad.
En nu greep zij naar het spiegeltje, dat Cor voor de dag haalde, haar omfloerste ogen aanschouwden haar spiegelbeeld en met een gesmoorde gil viel zij bevend in haar kussens terug.
Op hetzelfde ogenblik voelde André, dat er sterk op hem werd ingewerkt.
Een geweldige kracht ging door hem heen, welke bergen zou kunnen verzetten.
Daarna ontwaarde hij boven Annie’s hoofd een prachtig, wit licht, dat haar bleef beschijnen.
Zijn gehele lichaam trilde.
Vervolgens voelde hij zich opgenomen en naast de zieke neergezet worden, terwijl hij een klankvolle stem hoorde vragen: „André, André, ben je dan alles vergeten?
Leg je linkerhand op haar hoofd en houd haar rechterhand als contact vast.
Let op, jongen en herinner je het visioen en al de wijsheid, welke je werd geschonken.”
Hij luisterde vol eerbied naar die stem uit een hogere wereld, welke vervolgde: „Genees haar, André; God wil, dat zij beter wordt.
Het is Zijn heilige wil.
In jou heeft Hij geneeskracht gelegd.
Help haar.”
Diep getroffen door deze woorden, nam hij Annie’s rechterhand in de zijne, legde zijn linkerhand op haar voorhoofd en blikte omhoog.
Weer zag hij het stralende licht zich met haar verbinden.
De kamer verdween voor zijn ogen en een prachtige, blauwe hemel werd zichtbaar.
„Het Licht der lichten,” hoorde hij zeggen, „het Licht Gods.
Genees haar, André.”
Door zich sterk daarop te concentreren, kon hij toen door gedachtenkracht zijn wil tot haar bewustzijn laten doordringen.
„Luister, Annie,” gebood hij in gedachten, „ik wil, dat je je niets meer van het spiegeltje herinnert en rustig gaat slapen, omdat het Gods wil is, dat je beter wordt.”
Na drie minuten liet hij haar hand los en ging een eindje van haar vandaan.
Het was een angstig ogenblik; maar de spanning duurde gelukkig maar kort, want in die drie minuten was het wonder geschied.
Annie lag rustig te slapen en was opnieuw jong geworden en aantrekkelijk.
Een wonderbaarlijke verandering had plaatsgevonden.
Wat was haar vader gelukkig!
Hij dankte God in stilte en liet zijn tranen de vrije loop.
De volgende dag ging André weer naar het ziekenhuis, waar hij Annie in de beste welstand aantrof.
Zij was zeer verheugd, hem te zien en blij met de tuil rode rozen, welke hij voor haar meebracht.
Van alles, wat de vorige avond had plaatsgehad, herinnerde zij zich blijkbaar niets meer.
„Wat ben ik ziek geweest,” zei ze.
„Ik dacht heus, dat ik niet beter zou worden en nu voel ik me opeens weer gezond.”
Toen hij ’s avonds rustig thuis zat, hoorde hij tot zijn grote vreugde Alcars stem.
„Zo, mijn jongen,” zei hij, „nu zal ik je weer veel duidelijk maken.
Je mocht weer een wonder beleven.
Ik verbond je met Annie, opdat mijn Meester dit tot stand zou kunnen brengen.
Wij wisten, wat er geschieden zou en mochten op het laatste ogenblik ingrijpen.
Ik hield mij onzichtbaar en wilde zien, of je het goede van het kwade weet te onderscheiden; je volle overgave werd verlangd.
Ik liet je uittreden, omdat mijn Meester je het heilige van je mediumschap wilde laten zien, waardoor je je zult inspannen, om in deze verhoogde afstemming te geraken.
De bedoeling was, je vertrouwen meer en meer te versterken, omdat je steeds grotere problemen gegeven zullen worden.
Weet, dat wij terug zullen komen en dat je dan bewust handelen en de wetenschap overtuigen zult.
Geloof mij; eens zullen wij velen overtuigen van het bestaan van de heilige krachten, welke de Meesters bezitten.
Mijn Meester heeft tot je gesproken; het kleine licht was ik.
Aan onze zijde kunnen wij verschillende vormen aannemen.
Steeds was ik bij je, om je te steunen.
Wij hadden ons met je verbonden, toen wij je naar het ziekenhuis brachten en je gehoorzaamde aan onze wil.
Wij stonden naast je, maar hielden ons onzichtbaar.
Je gedachtengang konden wij volgen en wij zijn je dank verschuldigd voor je liefde en je vertrouwen.
Mijn Meester is met mij gelukkig.
Nu zal ik je het volbrachte wonder verklaren.
In hetzelfde ogenblik, dat je Annie’s hand vasthield en je linkerhand op haar hoofd legde, werden ge beiden met de Kosmos verbonden.
Het was een zelfde toestand als toen je gedematerialiseerd werd en waarvoor dezelfde krachten werden aangewend.
Is dit je duidelijk?
Het was Gods wil; anders zou het ons niet mogelijk geweest zijn, deze wonderbare genezing tot stand te brengen.
Wij hebben je eerst in een visioen laten beleven, hoe geweldig deze krachten zijn, deze kosmische stralen – Gods eigen uitstraling – welke Zijn ganse Schepping doordringen en zonder welke niets zou kunnen bestaan, geen leven mogelijk zou zijn.
De mensen op aarde kennen de werking van de kosmische stralen nog niet, omdat zij de oorsprong daarvan nog niet kunnen begrijpen en de betekenis benaderen.
Later zal ik je meer daarover vertellen en je zult nog meer wonderen mogen beleven, wanneer je deemoedig blijft vertrouwen op de leiding van geesten uit hogere gebieden, die in deze zware tijden weer naar de donkere aarde komen, om op allerlei wijzen te trachten, haar bewoners te bereiken, ten einde hun rust en vrede en geluk deelachtig te doen worden.”