Een geestelijke inzegening en terug naar de aarde

De vogel, die nog steeds op André’s schouder rustte, maakte zich gereed, als voelde hij, dat het uur van scheiden was gekomen.
Hij vloog op Alcars schouders, die hem streelde en enkele woorden van liefde tot het dier sprak.
In een wijde boog om de fontein heen, alsof hij de fontein en alle andere leven beschermde, verdween de vogel in de natuur.
„Vaarwel, mijn leven.
Wij zullen terugkeren.”
En ook tot de andere vogels, die op de rand van de fontein gezeten waren, sprak Alcar woorden van liefde, waarna ze heengingen.
Alcar staarde hen na; André wist met zichzelf geen raad, zo greep hem dit afscheid aan.
Ontroerend was het gebeuren.
„En nu, mijn jongen, nog één blik in een geestelijk huis.
In lange tijd zul je hier niet terugkeren.
Maanden zullen voorbijgaan, omdat je eerst dit alles op aarde moet verwerken.
Neem alles diep in je op, zodat je het in waarheid zult doorgeven.”
André stond op het punt van vertrekken.
Hij voelde, dat hij zou inéén zinken.
Hoe moeilijk was het, om van dit alles te scheiden.
Toch moest het.
Hij schrok reeds voor het ogenblik, dat hij op aarde zou wakker worden en het leven in de stof weer zou beginnen.
Maar hij wilde niet ondankbaar zijn en wilde zijn leider voor al dit heilige danken.
Geen woord kon hij echter uitspreken.
Hij sprak zich zelf moed in.
Eerst moest hij dit geluk trachten te verdienen.
Hoe moeilijk was het niet voor Alcar, hier te kunnen leven en al dit schone achter te laten, om in duisternis en koude te werken.
Hij begreep zijn leiders strijd op aarde om de mens te helpen.
Het ogenblik was gekomen.
Alcar stond voor de fontein en keek naar het leven, dat zich in het bassin voortbewoog.
„Alcar”, zei André.
„Veel kan ik niet zeggen, toch voel ik behoefte om u te danken.
Maar voordat ik van hier ga, wilde ik u toch dit zeggen: Ik zal op aarde mijn best doen en het u niet moeilijk maken.”
André knielde voor zijn grote leider neer.
Alcar boog zich over zijn instrument heen, de weinige woorden zeiden hem boekdelen.
„Ik dank je, mijn zoon.
Gods zegen zal op ons werk rusten.
Thans naar het feest in de sferen.”
Een siddering voelde hij door zich heen gaan, toen hij Alcars woning ging verlaten.
Hoe zou Alcar zich voelen?
„Een geest van het licht draagt zijn hemel innerlijk.”
André begreep.
Hand in hand zweefden zij verder, een andere toestand tegemoet, die de laatste zou zijn op deze reis.
In alles lag een goudachtige glans.
Wat was liefde machtig.
Hoe leerde hij haar kennen.
Door veel leed en smart hadden zij zich dit geluk eigen gemaakt.
Hij zag, dat het land steeds hoger opklom.
Het was alsof hij vanuit een dal, in een zacht glooiende, opwaartse richting het hoogste gedeelte naderde.
In prachtige tinten zag hij onder zich tempels en gebouwen, die alle straalden, waarvan hij de betekenis thans begreep.
Vele wezens zweefden hen voorbij, die een zelfde richting volgden.
Zij voerden met elkander gesprekken, wat hij duidelijk zag en voelde.
Wonderlijk was het.
Voor hen heel gewoon, omdat zij in dit leven leefden.
Soms zag hij hen voor zich, om dan ineens voor zijn ogen te verdwijnen, als losten zij op in de lucht.
André begreep het niet en vroeg aan zijn leider de betekenis hiervan, die hem zei: „Wanneer wij ons verbinden, op hun concentratie afstemming hebben, zien wij hen, anders is het niet mogelijk.
Ook zij kunnen onzichtbaar blijven, al leven zij in deze sfeer en hebben wij één afstemming.
Dit is dus, omdat zij zich sneller verplaatsen dan wij en daardoor onzichtbaar zijn.
Maar er zijn er onder hen, die reeds op een verbindingssfeer afstemming hebben en spoedig de zesde sfeer zullen binnentreden.
Wij zullen ons thans sneller voortbewegen.
Spoedig zullen wij daar zijn.”
In de verte dacht André een groot wit licht waar te nemen.
Hoe dichter zij naderden, hoe duidelijker werd ook het licht voor hem zichtbaar.
„Wat is dat voor een licht, Alcar?”
„Wat je ziet, is het licht, dat de Tempel van geluk uitstraalt.
Het is de kracht van het leven.
Daar worden wezens verbonden.
Je zult beleven, dat enige van onze zusters en broeders hoger zullen gaan.
Zij zullen in de zesde sfeer worden opgenomen.”
André zag een ontzaglijk groot gebouw, van sneeuwwit marmer opgetrokken, zeer merkwaardig van vorm, een kruis voorstellende.
Indrukwekkend was het om het van ver waar te nemen.
Langzaam daalde Alcar, tot zij de begane grond bereikten.
Uit alle richtingen zag hij de engelen aanzweven.
Zwevende engelen zag hij.
Wat op aarde een sprookje was, zag hij in de geest bewaarheid.
Prachtige gewaden, die fosforesceerden.
Jong en schoon waren allen, stralend in een hemelse glans.
Alles leefde, allen straalden licht uit.
Jong, eeuwig jong zouden zij blijven.
„Velen zijn duizend jaren oud, mijn zoon, anderen weer jonger.
Er zijn er ook onder hen, die twee- en drieduizend jaren oud zijn.”
André zag niets dan wonderen.
Welk een geluk hier te mogen leven.
André dacht, dat zij aan de voorkant van de tempel waren.
Hij keek zijn leider daarbij aan, om uit zijn mond de waarheid te ontvangen.
Doch Alcar glimlachte en zei: „Wij kennen hier geen voor- of achtergedeelte, hier is alles open, waar je ook leeft.
In het leven van de geest kan niets verborgen worden.
De Tempel stelt het leven voor van onze grote Meester Jezus Christus, het volmaakte Kind Gods, door Zijn heilige krachten opgetrokken.”
Overal zag hij fonteinen, die hemelhoog hun stralen uitspoten, waardoor het leven in myriaden van kleuren werd omgetoverd.
Overal zag hij geluk, niets dan liefde.
Duizenden wezens waren bijéén, in liefde.
Wat was schoonheid op aarde vergeleken bij dit alles?
Hij voelde zich gelukkig met hun geluk.
Wijsheid, kracht en liefde straalden allen uit.
Was dit het land van liefde, waarover hij had gesproken?
Een zelfde beeld zag hij tijdens zijn spreken.
Alles wees erop, dat het deze toestand zou zijn.
Alcar had hem zeker de inspiratie doorgegeven.
Wat hij aan de levende doden had weergegeven, was Alcars bezit.
Hij had niets dan waarheid verteld, niets dan eeuwige waarheid.
Hij was reeds gelukkig, dat hij alles zo duidelijk had doorgegeven.
Alcar had hen overtuigd, door hun van zijn eigen leven te vertellen.
Gelukkig was hij, dat hij eens deze kracht en dit geluk zou bezitten.
O, wat waren zij allen schoon.
In hun ogen lag een hemelse glans.
Daarin lag de kracht van het wezen.
Dit viel hem daarom zo sterk op, omdat er zovelen bijeen waren.
Welk een vergelijking met de mens op aarde.
De mooiste mensen, die hij ooit had gezien, waren ongelukkigen aan deze zijde, wanneer zij hun schoonheid voelden.
Hun schoonheid was niets dan zielige ijdelheid.
Op aarde waren de mensen oud, al dachten zij jong en schoon te zijn.
Oud in de geest waren allen hier en jong en schoon, dat was hun wijsheid, waardoor zij straalden.
Allen waren zonnen, die anderen konden verwarmen.
„Kom hier André, wij zullen hier plaatsnemen.”
Overal waren rustbanken, waar hij ook in de sferen was geweest.
Hier waren het beeldhouwwerken, in verschillende voorstellingen.
Zonnen waren uitgebeeld, sterren en planeten, sferen en andere symbolische voorstellingen.
Hij begreep tevens, dat hij zich in een bijzondere toestand bevond, omdat geen wezen op hem lette.
Hoe gaarne zou hij met hen hebben gesproken, om maar even hun stemmen te horen.
Maar hij voelde, dat het niet mogelijk was, daar hij in Alcars eigen afstemming leefde.
Hij was ook tevreden.
Hoe groot was de genade niet, dit alles te mogen zien en te beleven.
Het zou reeds voor velen op aarde geluk betekenen, wanneer zij dit alles in een visioen zouden mogen waarnemen.
Neen, hij was dankbaar gestemd.
Uit het diepst van zijn ziel kwam zijn dank tot God.
Eens zou hij aan alles mogen deelnemen, wanneer ook hij deze afstemming zou bezitten.
Vechten zou hij om dit grote te bemachtigen.
O, hoe veel geluk wachtte nog hem en alle mensen op aarde.
Eens zou hij voor eeuwig met Alcar één zijn.
Voor dit geluk wilde hij gaarne op aarde sterven.
Voor ieder leven, wie zijn leven wilde overnemen.
Maar het was niet mogelijk.
Hij wilde alles doen, want het was in dit leven hier niets dan geluk.
„Zijn hier allen tezamen, Alcar?”
„Ook hier, mijn jongen.
De rijksten der aarde, heersers en keizers, de armsten der armen, hier is alles één.
Hoor, de meesters beginnen hun hoge geestelijke gevoelens in kunst weer te geven.”
Een diepe stilte voelde hij.
Het heilige ging gebeuren.
Hij hoorde de tonen in de verte aanzwellen.
Van uit verre oorden kwam het hierheen en klonk melodieus in zijn oren.
Het was begonnen als een zacht gefluister.
Doch in dat gefluister waren hemel en aarde verbonden.
Het was één, hij voelde het duidelijk.
Het tintelde in zijn gehele lichaam.
Het was een geweldige kracht, die in hem kwam.
Alle wezens knielden neer.
Ook Alcar, en hij knielde naast zijn leider neer.
Hij voelde zich deemoedig worden, zoals hij nog nooit was geweest, of had gevoeld.
Zijn ziel schreide van dankbaarheid jegens God.
Thans voelde hij een andere deemoed dan hij op aarde dacht te kunnen voelen.
In vergelijking met dit gevoel was hij op aarde in opstand, al dacht hij God te naderen.
Hoe ver was hij daar van dit heilige gevoel verwijderd.
Mijlenver lag het van hem vandaan.
Zijn hart trok samen en het leven drukte hem.
Het was alsof hij al zijn begane zonden weer voelde.
Hij had toch om vergiffenis gevraagd voor al zijn fouten, toch voelde hij, dat ze in hem waren.
Hoe schoner de muziek, hoe meer hij veranderde.
Telkens veranderde zijn gevoelskracht.
Alles keerde in hem terug, zijn gehele leven op aarde zag hij aan zich voorbij trekken.
Een schrijnend leed overviel hem.
Hij voelde in alles zijn tekortkomingen.
Hij beleefde alles hier, door de meesters vertolkt.
Hij schreide innerlijk, maar er kwamen geen tranen tevoorschijn.
Hij slikte ze terug, niemand wilde hij zijn tekortkomingen laten zien.
Dit alles wilde hij zelf verwerken.
Het was één met hem, het was zijn leven.
Nu voelde hij zich hier vandaan zweven.
Over bergen en dalen voerde men hem.
O, wat een muziek, het was geen muziek, zoals men op aarde aan instrumenten ontlokte.
Ontzaglijk was het, het scheurde een mens vaneen.
Steeds voelde hij zich verder zweven.
Dan weer was hij heel hoog, dan weer bevond hij zich boven de aarde.
Het leven danste in hem, het was de dans des levens.
Nooit te voren had muziek hem zo ontroerd als thans.
Zachtkens voerde het hem terug op de plaats waar hij zich bevond, in hun midden, in de vijfde sfeer.
Dan werd het weer sterker en heftiger, het was als een storm, die alles vernietigde.
Het keerde terug, alsof een heilig wezen hem iets toefluisterde en van geluk en zaligheid vertelde.
Hij voelde alles en begreep deze machtige symfonie, die het leven betekende.
Het was, alsof God zelf tot hem sprak.
Hier zei men hem, dat hem veel geluk wachtte, wanneer hij het leven begreep.
Als een film zag hij honderden beelden aan zich voorbijtrekken.
Werelddelen herkende hij en met andere planeten ging men hem verbinden.
In diepe diepten daalde hij af en hij zag de duisternis en voelde de koude in zich komen.
Christus zag hij, in Zijn leed, dat Hij doorstaan had en hij voelde de smarten, toen men Hem aan het kruis sloeg.
Wie liet hem dat alles beleven?
Hoe zou hij dit alles kunnen uithouden?
Hij was één in deze sfeer, men liet hem beleven, wat zij hier voelden.
Ontroerd was hij en voelde zijn krachten wegzinken.
Lang zou het niet meer moeten duren.
Welk een kracht lag in deze muziek!
Alle engelen waren met de meesters verbonden.
Ook zij voelden hun heilige kracht.
Nog intenser moest hij zich inspannen, wilde hij dit alles tot het einde kunnen uithouden.
Hij pakte Alcars hand en sloot die in de zijne.
Wat hoorde hij nu?
Een prachtig gezang kwam uit de verte tot hem.
Er waren wel duizenden stemmen verenigd.
Zo rein had hij nog niet horen zingen, het was zo rein als hun uitstraling.
De meesters begeleidden het gezang.
Een hemels schone stem, het was een helder geluid, hoorde hij boven alle andere uitkomen.
Het was, alsof hij nog meer geluk zou ontvangen.
Het leven kwam in hem.
Hij voelde de kracht van hun liefde, die in hun gezang lag opgesloten.
Woordelijk verstond hij alle klanken.
Alle engelen zongen in koor.
God is liefde.
God is geluk.
Liefde is leven door alle eeuwen.
Liefde is één zijn met Hem.
O, een ogenblik van groot heilig geluk was in hem gekomen.
Hij verstond hun gevoel, het leven was in hem.
Zalig zijn zij, die het geluk ontvangen.
In liefde verenigd, in vrede, in geluk, voor eeuwig één.
Het was voor hen, die zouden verbonden worden.
Wat God verbond, verbond Hij aan Zich.
Sferenschoon, sferenliefde.
Engelengeluk, engelenschoonheid.
Geef liefde en gij zult ontvangen.
Hij kon niet meer, het was te veel voor hem.
Alcar hield hem krampachtig vast, om hem staande te kunnen houden.
In een heilige stilte eindigde alles.
Lang bleven de engelen neergeknield.
Stil waren allen, nog stiller was het dan voordat de meesters begonnen waren.
Eindelijk stonden allen op en begaven zich naar de Tempel van geluk, waar zij binnentraden.
„Hun en ook ons gebed is geëindigd, André.
Zo bidt men in de sferen.
Zo bereiden wij ons voor om aan een feest deel te nemen.
Allen voelden een hogere liefde, die zij later zullen bezitten.
Sterk zijn, mijn jongen.
Nog is het einde niet daar, ook wij zullen binnentreden.”
André hield zijn leider stevig vast, hij wilde Alcar niet meer loslaten.
Duizenden engelen waren naar binnen gegaan.
Hij durfde niet; was hij wel bereid om in hun midden te vertoeven?
Zou hij dit heilige gebeuren niet verstoren?
„Neen, je mag binnentreden, mijn jongen.
Je gebed is verhoord, daardoor heb je nieuwe krachten ontvangen.”
Hand in hand traden zij binnen.
Hier werden geen wezens teruggestuurd, miljoenen wezens konden binnen.
Alles was almachtig.
Hij voelde, dat ook dit gebouw zich zou oplossen.
Het dijde uit, er waren muren, maar de muren leefden.
Daarin lag het leven van Christus.
Het eerste wat hem opviel, was de kruisvorm van de Tempel.
Het was Christus’ heilig leven.
Het geheel bevond zich in een wit stralend licht, dat alle wezens verlichtte.
Aan de Tempel zag hij geen einde.
Christus’ liefde was eindeloos, onuitputtelijk, er bestond geen einde.
Hier waren zij in Zijn liefdehuis.
Alle wezens, die in de vijfde sfeer leefden, zouden kunnen binnentreden.
Het duizelde hem, alles was te machtig.
Wonderen uit een hogere sfeer werden hem hier getoond.
Dit alles kwam tot hem en hij begreep, dat Alcar het hem innerlijk zei.
In geestelijke taal werd tot hem gesproken.
Tot ver kon hij de engelen waarnemen.
Hier was geen afstand, hij voelde en zag alles, wat zich op deze plaats bevond.
Er was geen belemmering in de geest, allen waren één.
Bloemen in onbevlekt wit versierden het innerlijk van de Tempel.
Op een verhoogd voetstuk zag hij twee wezens neergeknield, in sneeuwwitte gewaden gekleed.
Hun hoofden diep gebogen, hun handen gevouwen, als marmer zo wit.
André voelde, dat zij op hogere krachten waren ingesteld.
Het heilige scheen te komen.
God was in hen, hij voelde de adem des levens, die alle leven onderhield.
Een zacht hemels geluid weerklonk.
Alle engelen richtten hun hoofden omhoog, wachtend op iets, dat komen zou.
Boven de twee gelukkigen zag hij thans enig licht komen.
Allen keken ernaar.
Nu hoorde hij een melodieus gezang.
Het was een gebed, dat de twee wezens tot God opzonden.
Steeds inniger werd het gebed, het stroomde zijn ziel binnen en ook hij bad voor hun geluk.
Om beider hoofden zag hij een stralenkrans van licht, die hij duidelijk kon onderscheiden.
In haar licht zag hij zachtere tinten dan in dat van hem, waardoor hij de mannelijke krachten aanvoelde.
In zijn scheppingskracht, daarin lag zijn krachtig sterk licht, dat zich met het hare verbond.
De lichten vloeiden ineen, zij waren in uitstraling reeds verbonden.
Vele andere wonderen zag hij thans.
De muren begonnen te leven, gehele taferelen zag hij er in afspelen.
Hij zag het heelal, sterren en planeten en het leven van Christus aan hem voorbijgaan.
Boven de twee engelen zag hij dezelfde taferelen.
Het universum ontwaakte, het werd aan allen getoond.
Zie, voelde hij, het leven wacht u.
Het leven wacht, hogere sferen kunt ge binnentreden.
Andere planeten werden getoond, het was het leven, dat neerdaalde.
Christus de volmaakte Zoon Gods zou komen.
Met Hem waren allen één, Hij, de kosmisch ontwaakte, zou neerdalen.
De verbinding was tot stand gekomen.
Een flits van Hem hadden allen waargenomen en zij waren met Zijn heilig leven verbonden.
Thans boog eenieder het hoofd, ieder wezen bad om kracht en liefde, om ook, zoals zij daar, in een hogere toestand te worden opgenomen.
Na deze indrukwekkende stilte werd plotseling de gehele Tempel verlicht.
De twee engelen werden door een lichtstraal beschenen.
Nog werd het steeds lichter.
Uit alle richtingen schoten lichtstralen en verlichtten de beide kinderen, die voor eeuwig zouden verbonden worden.
Vóór hen zag hij een goudachtig licht, als een zon, opkomen.
Het leven was in aantocht.
Het heilige ogenblik was genaderd.
Alcars hand drong in de zijne, als wilde zijn leider hem zeggen, dat het ogenblik was gekomen.
De beide wezens waren als marmeren beelden.
Hun gewaden vlamden, door het hemels licht beschenen.
Alle engelen concentreerden zich op dit ogenblik.
André zag, dat in die gouden zon iets zichtbaar werd.
Het was een wezen.
Duidelijk zag hij het in deze gouden omlijsting.
Nu trad het tevoorschijn, het leefde.
Het wezen bleef in een waas gehuld, maar stak beide armen uit en zegende de twee engelen.
Het heilige ogenblik was daar, twee levens werden opgenomen.
Zo plotseling als het gekomen was, verdween het licht.
Christus, de Volmaakte Zoon Gods had zich gemanifesteerd.
Engelen zongen, de meesters begeleidden, een machtig koor stemde in, het was één groots geheel, alles was liefde.
André voelde zich wegzinken, dit kon hij niet verwerken.
Nog hoorde hij het gezang, dat al verder en verder zich verwijderde.
Daarna was hij zich van niets meer bewust.
Toen hij ontwaakte, voelde hij nog steeds Alcars hand in de zijne en hij begreep, dat geen andere machten dan alleen die van God hen zouden kunnen scheiden.
Hij sloeg zijn ogen op en keek zijn leider aan.
„Zo, mijn jongen.
Weer bewust?”
André nam Alcars beide handen om hem voor alles te danken.
Geen woord kon hij spreken.
Lang zweefden zij zo verder, de aarde tegemoet.
Nog was zijn concentratie niet teruggekeerd.
Zijn gedachten waren als verlamd.
Het hoogste geluk had hij beleefd, bedwelmd was hij van geluk.
Langzaam keerden zijn krachten terug.
„Waar zijn wij, Alcar?”
„Op weg naar de aarde.”
„Niet meer in uw sfeer?”
„Neen, mijn jongen.”
„O, hoe schoon was alles.
Ik ben bedwelmd van geluk.”
„Het zal je zielekrachten versterken.
Het heiligste van onze reis heb je beleefd: een hemelse verbinding als aards mens te mogen beleven.
Het is een genade, die slechts één mens op duizenden zal ten deel vallen.”
André zag, dat hij in de derde sfeer was en voelde, dat zij met grote snelheid de aarde tegemoet zweefden.
Nog enkele ogenblikken en ook deze schone uittreding behoorde tot het verleden.
Voor zijn gehele leven op aarde zou het hem steunen.
In weinige ogenblikken hadden zij de aarde bereikt en hij trad zijn kamer binnen.
„Alles wat je hebt beleefd, mijn zoon, zul je bewust weten.
Het betekent wijsheid in de geest en het zal niets dan kracht betekenen in je aards leven.
Ga spoedig aan je taak beginnen, om het aan de mensheid bekend te maken.
Ik zal je daarbij helpen.
Doch alles hangt af van je eigen gevoel het mee te delen, zoals ik het je toonde.
Dat is jouw werk, op onze hulp kun je rekenen.”
Nogmaals knielde André voor zijn leider neer, om hem voor alles te danken.
„Sterk zijn, mijn jongen, spoedig zullen wij weer samen zijn.”
André voelde, dat hij omhoog ging, weer daalde en met een lichte schok in zijn stoflichaam terugkeerde.
In een groots, gelukkig gevoel ontwaakte hij en hoorde zijn leider spreken: „Je bent thans weer met je stofkleed verbonden.
Jij leeft op aarde, ik aan deze zijde, toch zijn we één, voor eeuwig, voor eeuwig.
Maar alvorens het contact te verbreken, vraag ik je, vergeet niets van alles wat je hebt mogen beleven.
Ga spoedig aan je taak beginnen.
Daarna wachten je nieuwe wonderen.
Je Alcar.”
André hoorde niets meer en viel in een diepe slaap.
’s Morgens werd hij wakker en wist, wat hij die nacht had beleefd.
Hij voelde zich gelukkig en kon wel huilen van geluk.
In hem lag een groot heilig gevoel, waarvan hij de oorzaak kende.
Het was het geluk, dat zij voelden, die in het Hiernamaals leefden.
In geluk, in liefde, voor eeuwig één.
Zij hadden het stofkleed afgelegd; zij begrepen, wat het leven op aarde betekende.