Evolutie op onze Aarde

Op weg naar de aarde

Op Mars bereikt de menselijke ziel het eindstadium van de tweede kosmische levensgraad.
Na Mars vervolgt de ziel haar kosmische levensweg en gaat zij over naar de derde kosmische levensgraad.
Deze graad bestaat opnieuw uit zeven evolutionaire stadia die als planeten verstoffelijkt werden.
Op die planeten, die verspreid liggen in het universum, verfijnt de ziel de stoffelijke stelsels van haar lichaam.
Door de verschillende klimatologische omstandigheden op de verschillende planeten winnen vooral de inwendige organen aan kracht en afwerking.
Door duizenden overgangen verdicht de ziel haar ingeschapen blauwdruk tot wat uiteindelijk het menselijke lichaam zou worden op de moederplaneet van de derde kosmische levensgraad: Moeder Aarde.
Op de laatste overgangsplaneet vóór de aarde bevinden zich in de huidige tijd nog steeds zielen, die straks ver genoeg gevorderd zullen zijn om naar de aarde te reizen en daar dan hun eerste aardse leven te beginnen.
Links en rechts van je liggen de vele tussenplaneten, die op de aarde afstemming vinden.
Daarginds voor je, in het midden van al deze lichamen, ligt de aarde.
Al die toestanden heb ik je duidelijk gemaakt en verteld, dat er vele organen voor nodig zijn om die graad, die de bestaansplaneet is, te bereiken.
Dit is tevens voor de aarde.
Wanneer die overgangen er niet waren, ik maakte je ook dat duidelijk, zou het stoffelijke organisme ineen storten en het innerlijke leven, het zieleleven, bezwijken.
Maar God, de schepper van dit machtige, overzag dit alles en dit is dus voor het organisme van mens en dier.
Al die overgangen nu, die met de aarde in verbinding zijn, volmaken het stoffelijke kleed en toch vinden wij op aarde de laagste graad terug.
Dat stoffelijke kleed is reeds volmaakt, toch is het nog ver van de zevende graad verwijderd.
Doch wij kennen op aarde die stoffelijke lichamen die reeds tot de hoogste graden behoren en dat zijn de vijfde, zesde en zevende graad.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939

De menselijke evolutie op aarde

En dan kan de aardse levenscyclus beginnen.
Hier kan de ziel haar ingeboren blauwdruk om het menselijk lichaam op te bouwen ten volle realiseren.
Natuurlijk niet in één jaar, maar in biljoenen tijdperken.
Ook op aarde moeten de eerste zielen het menselijk-stoffelijke lichaam opbouwen, van enkelvoudige cel tot homo sapiens.
Maar niets kan de ziel tegenhouden.
Deze Albron in ons is immers gemaakt uit dezelfde energie als de eerste planeet, zelfs als de eerste ijle nevelslierten, met precies dezelfde karakteristieken: de drang om te groeien, te verdichten, te verruimen, te evolueren, zowel stoffelijk als geestelijk.
Het is dezelfde levenskracht die de dieren en de natuur inspireert tot groei, die sterren en planeten creëert, en al het leven verbindt in haar diepste kern.
De meesters noemen het 'Wayti'.
Door de warmte van de zon in ons huidige zonnestelsel konden de eerste zielen op Moeder Aarde hun lichaam weer meer verdichten dan op de vorige planeten.
De eerste zielen moesten op aarde het stoffelijk lichaam opbouwen van cel tot het volwassen menselijk lichaam.
Zij beleven dus eerst het cellenleven in de wateren, later het visstadium, het eerste landelijke bestaan, om ten slotte de menselijke gestalte te kunnen opbouwen.
Dit alles duurde biljoenen tijdperken. Latere zielen, zoals de middengroep waartoe wij behoren, hoefden dit niet meer te doen, omdat de menselijke lichaamsvorm al is opgebouwd door de eerdere zielen.
Toen wij als ziel de aarde bereikten om hier onze kosmische evolutie voort te zetten, was er dus al een lichaam beschikbaar dat de menselijke vorm had bereikt.
Wij konden dus meteen ons eerste aardse leven in een menselijk embryo incarneren bij ouders die het volwassen menselijke lichaam van de eerste menselijk-stoffelijke graad bereikt hadden.
Ook de zielen die nu nog van de overgangsplaneten aankomen en hun eerste leven op aarde gaan beleven, kunnen onmiddellijk incarneren in een menselijk embryo bij ouders van wie het volwassen lichaam behoort tot de eerste menselijk-stoffelijke graad
In zekere zin bouwt iedereen bij elke incarnatie het lichaam op van bevruchte eicel in de moederschoot tot volwassen gestalte.
Dit bouwproces is in alle tijden op dezelfde manier gebeurd.
Alleen, wij kunnen dit door de erfelijke bagage en het lichaam van onze huidige ouders in ongeveer twintig jaar volbrengen.
De eerste zielen moesten hier biljoenen tijdperken aan werken, leven na leven na leven...
Toen de meesters terugkeken naar de tijd dat de aarde zich begon te verdichten, zagen ze dat de eerste zielen daar op dat moment aan hun eerste cellevens begonnen.
Maar hoe heeft de ziel haar lichaam kunnen opbouwen temidden van alle evolutionaire stadia van Moeder Aarde?
Hoe heeft ze in haar stoffelijke levens de verhittings- en afkoelingsperioden, de vulkaanuitbarstingen en ijstijden overleefd?
Dat wij als mens en het dier de ijstijdperken en al die verhittingstijdperken en afkoelingsjaren overwonnen hebben, is nu nog géén levenswijsheid voor de geleerde van Moeder Aarde.
De geleerde zegt nú nog, dat er wellicht een „Tweede Schepping” is geboren.
Een tweede schepping, dat te betekenen heeft, dat wij als mens die eerste stadia niet hebben beleefd en ook niet mogelijk was, omdat géén mens, noch dier die tijdperken heeft kunnen beleven.
Doch kijk zélf, mijn broeders.
Wat doet de mens en het dier?
Wij zien thans, dat dier en mens zich verplaatsen.
Nu reeds bouwt Oost en Zuid, Noord en West aan de eigen bewustwording.
Wanneer de Aarde hier aan verhitting begint en die tijdperken heeft het eerste leven moeten aanvaarden, ging het leven verder, rustigjes verder, niets kon dit leven storen, want niet héél deze planeet stond in brand.
Daardoor zijn zich Noord, West, Zuid en Oost gaan verdichten en wil zeggen, de jaargetijden komen nu reeds tot bewustwording en hebben wij, hadden wij en ál het andere leven te beleven en te aanvaarden.
Wij gingen dus uit deze omgeving, wij voelden dat, wij konden vertrekken, omdat gans deze ruimte ons leven en bewustzijn toebehoort!
Waarom bezit de Aarde niet in élk land haar vuurspuwende bergen?
Dat is te begrijpen.
Het zijn haar ademhalingsorganen die van tijd tot tijd ruimtelijk de innerlijke werking tot de verstoffelijking voeren, doch waardoor wij haar innerlijke werking aanschouwen.
De mens en het dier ging verder, niets heeft de mens kunnen vernietigen.
Néén, wij moeten aanvaarden, dat mens en dier duizendmaal rond de Aarde zijn gewandeld, heengingen voor die warmte en die afkoeling om ons stoffelijk leven te kunnen voortzetten.
Er is dus géén tweede schepping geboren, geleerde, want dat ís niet mogelijk!
En ook daarvoor beleefde de Aarde haar zeven tijdperken.
Elke afkoeling, iedere cel heeft die zeven overgangen te beleven, ook voor de afkoelings- en verhittingstijdperken én later voor de verdichtings- en verhardingsuren die Moeder Aarde en wíj zélf te beleven kregen.
In het Oosten was er verhitting, dat groei en bloei betekent te beleven, doch wij trokken en met ons al het landelijke leven tot het Westen en het Zuiden, het Noorden, ónherroepelijk, óm ons zélf te beschermen, omdat wij ons stoffelijke leven zouden afmaken.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
De ziel is één met Moeder Aarde en voelt hoe ze haar levensweg moet bewandelen.
Als meester Alcar aan André een beeld toont uit die tijd, is André heel verbaasd:
Wat hij nu zag had hij reeds waargenomen.
Hij zag mens en dier zoals op de tweede planeet.
De mens en het dier hadden hun stoffelijke toestand aanvaard.
Groot en krachtig waren zij.
Waren dit de eerste mensen die op aarde hadden geleefd en die dieren de voorhistorische diersoorten, die thans niet meer op aarde leefden?
Hij zag een wonderlijk tafereel aan zich voorbijgaan.
Uit die lichtende bol was de aarde gegroeid en uit dat water de mens en het dier en toch was alles één toestand, één gebeuren, het ene kwam uit het andere voort.
Wild en woest was het beeld dat hij zag.
Ontzaglijk groot waren de dieren die hier leefden, toch weer niet zo groot als op de tweede planeet en de mens was behaard en sterk, hoewel dit een ander kleed was dan zij daar droegen.
Dit lichaam was reeds fijner en volmaakter, maar de huidskleur was donker.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Wij bevinden ons thans in het eerste stadium van de aarde en dit is het eerste tijdperk, waarvan, zoals ik reeds zei, men niets meer weet.
Maar je hebt nu gezien, dat alles één weg volgt.
Niet ineens kwam alles tot stand, het ene werd uit het andere geboren.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Wanneer de aarde tot rust is gekomen kunnen de eerste zielen de menselijke gestalte gaan verfijnen.
Stap voor stap evolueert het lichaam tot de eerste echt menselijke lichaamsbouw, die de meesters de eerste stoffelijke graad noemen.
De ziel als mens leeft in het lichaam van deze eerste graad in het dichte oerwoud.
Dat eerste menselijke lichaam is nog maar de eerste stap op weg naar de zevende stoffelijke graad waar de ziel zich naar toe werkt.
Voordat de ziel de aarde kon betreden heeft zij zes overgangsstadia moeten beleven op verschillende planeten van de derde kosmische levensgraad.
Op dezelfde wijze moet zij nu zes overgangsstadia als lichamen opbouwen op weg naar de zevende graad.

De ontdekking van de mens

Om André de eerste menselijk-lichamelijke graad op aarde duidelijk te maken, neemt meester Alcar hem in uitgetreden toestand mee naar een groep mensen in het dichte oerwoud.
Alcar hoeft zich nu niet meer in te stellen op het verleden, op de eerste zielen.
André kan nu in zijn eigen tijd, 1939, blijven want in deze tijd zijn er nog zielen op aarde van wie het lichaam tot de eerste stoffelijke graad van lichamelijke ontwikkeling behoort.
Voor André was het een openbaring deze mensen daar te zien lopen en leven, want in 1939 wist de westerse mens nog maar weinig van deze stammen af.
Men was nog maar net begonnen de vleugels uit te slaan en de aarde te bereizen.
Er waren toen nog veel stammen in het oerwoud die nog nooit een blanke hadden ontmoet en bij het eerste contact deze wezens als 'van een andere planeet' beschouwden.
Voor de blanken werd het duidelijk dat ze hier hun hachje waagden, want deze oerwoudbewoners aten nog mensenvlees!
Zo hoorde Jozef Rulof over de radio een verslag uit de toenmalige Nederlandse koloniën.
Op 10 april 1952 bracht hij dit op een avond ter sprake:
Wij zijn zo gek op Nieuw-Guinea, maar als onze ambtenaren een beetje diep het oerwoud ingaan, gaan ze de pot in.
Wij willen gaarne Nieuw-Guinea bewustzijn geven.
Daar zijn al mensen die een doctorstitel hebben en die daar...
Ik heb ze voor de radio gehoord.
Ik denk: Nu moet je die mensen toch eens horen, dat zijn allemaal zomaar geen papoea’s meer.
Maar hij zegt het zelf, meneer: ‘Als we even over die bergen komen, gaan we de pot in.’
Daar doen ze nog aan schedelmeppen, eraf halen eventjes, dan komen we met zo’n grote haardos van een Hagenaar aan de jas en dan zeggen: ‘Ik heb er weer een.’
Dat gebeurt daar nog.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
In de eerste helft van de vorige eeuw beschouwden vele blanke westerlingen deze Papoea's niet als mensen, maar als dierlijke wezens.
Jozef niet.
Jozef voelde dat ieder mens gelijkwaardig is, ongeacht zijn lichaam, levenswijze of bewustzijn.
Hij wist immers dat elke ziel uit dezelfde bron geboren was, ook al was dat niet op hetzelfde tijdstip gebeurd.
In 'Het Ontstaan van het Heelal' vroeg hij Alcar of de aardse geleerden de oorzaak van het verschil in bewustzijn tussen de menseneters en de 'geciviliseerde' mens al doorgrond hadden?
„Weet men daarvan op aarde af?”
„Neen, niets, maar wel weten zij, dat er verschillende mensenrassen zijn, doch de betekenis van al die mensenrassen kennen zij niet.
Want waarom heeft de ene mens de hoogste graad bereikt en leeft de andere in het oerwoud en vergrijpt zich aan het leven van anderen?
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Meester Alcar maakte hem duidelijk dat ook op aarde het lichaam van de ziel evolueert van een eerste graad van stoffelijke ontwikkeling naar een zevende stoffelijke graad.
Alcar gebruikte in bovenstaand citaat de term 'rassen' om zich duidelijk uit te drukken voor de lezer uit de tijd dat dit boek haar eerste druk beleefde, september 1939. De meesters geven echter aan dat het lichamelijke onderscheid tussen mensen op basis van 'rassen' geen betekenis heeft:
Zwart, bruin en blank hebben geen betekenis, deze zeven levensgraden zijn het!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
In 1939 verbonden veel mensen aan ras en huidskleur nog vaak een waardeoordeel.
Maar Alcar legde reeds in die tijd uit dat de verklaring van het verschil in lichaam ergens anders gezocht moest worden.
Hij sprak over zeven levensgraden.
Hiermee bedoelde hij de zeven opeenvolgende graden van stoffelijke lichamelijke ontwikkeling die de ziel beleeft.

De ziel als koppensneller

Er liggen tussen het stoffelijke organisme zeven graden en de mensen die in de eerste graad leven, zijn diegenen op aarde, die men koppensnellers noemt.
Dat is dus de eerste stoffelijke graad op aarde.
Op al de planeten zijn deze graden en die graden heb ik je getoond.
Als dit nu zo is, waarom zou men dit alles op aarde dan niet kunnen aanvaarden?
Is dat zo vreemd?
Toon ik niet aan, dat wij allen zo zijn geweest?
Op aarde leven deze mensen en als dit niet zo was, was er een onrechtvaardigheid in het universum en had God zich vergist.
Zeven stoffelijke overgangen beleeft dus het menselijke wezen op aarde, wil de mens in het hoogste stadium overgaan.
Wat wij dus op al die planeten hebben beleefd, beleven wij tevens op je eigen planeet waar jij nog bent en die ik heb afgelegd.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
„Zwevende zullen wij ons voortbewegen, André.
Wij gaan naar de oerwouden.
Daar leven mensen in de eerste stoffelijke graad en ook hun innerlijke leven heeft deze afstemming.
Wij gaan dus thans in je eigen tijd over en verder.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
André zag deze mensen.
Wild en woest waren zij.
O, hoe begreep hij deze afstemming, hoe kende hij hun innerlijke leven en de diepe betekenis van dit alles.
Hoe wonderlijk volmaakt is de schepping.
„Deze mensenkinderen zijn als zij, die op de tweede graad leven, doch hun stoffelijke organisme is anders dan zij daar bezitten.
Vandaar komen zij naar de aarde en daalt het zieleleven in dit organisme neer.
Biljoenen jaren is de aarde oud en nog, je hebt dat beleefd, leven op aarde deze mensen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Overzie nu eens al die graden, al die planeten en al die biljoenen jaren, ga na wat ik je op onze eerste tocht duidelijk maakte, wat je van het begin van de schepping af hebt waargenomen, dan zie je, André, dat deze mensen nog op aarde zijn, dat zij geen God in de Hemel, geen Vader van Liefde kennen en dat alles eerst in een hogere graad, wanneer zij die hebben bereikt, zullen leren kennen.
Dit voordierlijke maar menselijke wezen is een kind van God en dit proces hebben wij gevolgd.
Zij leven zoals de mens op de tweede kosmische graad aan gevoel bezit.
Maar dáár hebben zij een voordierlijk monsterachtig lichaam en daarom kan ik van voordierlijke maar menselijke afstemming spreken.
In al die duizenden eeuwen is dit lichaam tot dat, wat zij nu bezitten, ontwikkeld.
Je hebt dat kunnen volgen.
Ook zij leven in groepen verdeeld.
En is dit nu niet merkwaardig?
Waarom leven deze wezens zo, waarom zonderen zij zich af van al die andere stammen?
Deze behoren toch tot het donkergekleurde ras en dat is het eerste kosmische stadium van de derde graad.
Dit hebben wij leren kennen, André, het is nog steeds als in het beginstadium van de planeet aarde.
Dit zien wij in jouw tijd dus terug en het gaat verder, want nog is die eerste stoffelijke graad niet uitgestorven.
Dit zal eerst dan geschieden, wanneer er op de tweede graad geen mensen meer leven.”
„Waar komen zij aan, Alcar, of waar gaan zij heen, wanneer zij op aarde sterven?”
„Deze vraag had je mij niet moeten stellen, André, je had deze nu zelf kunnen beantwoorden.
Naar de wereld van het onbewuste, André, daar gaan zij heen.”
„Moeten ook zij niet verder?
Is het voor hen reeds mogelijk het Hiernamaals binnen te treden?”
„Deze wezens leven eerst in de eerste stoffelijke graad en er zijn er zeven.
Wat dit betekent zul je nu voelen en begrijpen.
Zij, deze mensen, keren naar de wereld van het onbewuste terug en zullen opnieuw worden geboren.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Begrijpen deze mensen waarom zij hier zijn?”
„Ja, Alcar, dat bedoel ik.”
„Ook daarop moet ik neen zeggen, André.
Zij weten dat zij leven, maar meer ook niet.
Zij voelen zich als de mens op de tweede graad, zij jagen en moorden en eten mensenvlees en zijn als wilde dieren.”
„Maar als deze mensen nog op aarde zijn, kan men dan die verbinding met de tweede graad niet aanvaarden?
Waar komen deze wezens vandaan?
Waarom leven deze wezens op aarde?”
„Wij hebben dat alles kunnen volgen en dan kan ik je zeggen, dat geen mens van zichzelf kan zeggen, ik ken mijzelf, ik begrijp mijn leven, ik weet wie ik ben.
Maar nu je dit alles weet en hebt beleefd, zul je toch anders denken en voelen, je weet nu, dat al deze mensen kinderen van God zijn.
Zij leven hun eigen leven, zonderen zich van de massa af, leven in holen en krotten en zijn gereed om andere rassoorten af te slachten en hun vlees te eten.
Is nu deze mens, vraag ik je, zo vreemd, zo onbegrijpelijk, nu wij weten waarvandaan hij is gekomen en hoe dit is geschied?
Zie je thans niet diep in zijn ziel en herken je deze mens niet geheel, stoffelijk en geestelijk?
Doch vraag dat nu eens aan een geleerde van de aarde, die hiervan zijn studie heeft gemaakt.
Wat zal hij antwoorden?
Hij weet het niet, want hoe zou hij deze zwarte vrouw en man, deze beide wezens kennen?
Ziet hij niet als een Godheid op hen neer?
En toch, eens droeg hij dit zwarte kleed, want God kent en maakt geen onderscheid.
Eens leefden al die blanken in het oerwoud, allen zijn wij hier geweest.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Hier, mijn zoon, in dit diepe en donkere oerwoud, hier in dit zwarte stoffelijke kleed en in al die ellende, begon jouw en mijn leven op aarde.
Ik roep hun, mijn zusters en broeders op aarde, toe: „Mens, gij mens van het blanke ras, zie naar uw broeders en zusters op aarde.
Zie naar hen die hier leven, die op aarde zijn zoals gij en peil hun stoffelijke en geestelijke toestand en gij herkent uzelf.
Hier leeft Gods eigen leven.
Hier leeft de eerste en tweede kosmische graad, in dit stofkleed kennen wij Gods heilige wetten, daarin leefde u als de innerlijke mens.
Dit leven gaat verder en moet verdergaan, want ook in hen ligt de goddelijke vonk.”
„Hoe eenvoudig is alles, Alcar, nu wij dit weten.
Zouden de geleerden ook dit niet aanvaarden?”
„Neen, André, ook dit zullen zij niet aanvaarden, zij zullen, zoals ik reeds zei, dit alles, zoals al je andere boeken, ontkennen.
Zij staren zich blind op dat wat zij bezitten en komen niet verder.
Nog steeds roept de dood hun een halt toe.
Wanneer zij deze kloof kunnen overbruggen, eerst dan komen zij verder, dan eerst voelen zij dat er geen dood is en schouwen zij in het diepe verleden.
De één maakt de ander af, zij durven te kritiseren, maar kennen zichzelf niet, loochenen alles wat van deze zijde tot hen komt.
Nogmaals, André, mij zegt dit niets.
Ik heb geduld en velen met mij, want eens treden zij hier binnen, aan deze zijde zullen wij hen overtuigen, één voor één zullen zij daar sterven.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Deze uitspraken van Alcar werden hem door veel tijdgenoten van André niet in dank afgenomen.
In 1939 keken vele blanke westerlingen als een godheid neer op de kannibalen uit het oerwoud.
Alcar verklaarde dat zij zelf in het oerwoud hadden geleefd, en dus helemaal niet zo hooghartig hoefden te doen, dat iedere ziel in grote lijnen dezelfde evolutie beleeft, en dezelfde graden van stoffelijke en geestelijke evolutie doorloopt.
Dit betekent dat iedere ziel in essentie 'gelijkwaardig' is, ongeacht het evolutiemoment van die ziel in het heden.
Alcar getuigt van zijn eigen verleden in de eerste stoffelijke graad:
Eens, André, vertoefde ik op de tweede kosmische graad en ging op de aarde over.
Hier leerde ik het aardse leven kennen, maar in deze toestand was ik er mij niet van bewust.
Eens, in deze toestand, in dit donkere lichaam, slachtte ik mijn medemensen en at ik mensenvlees.
Hoe was mijn leven en dat van al mijn zusters en broeders, hoeveel hebben wij geleden en vernietigd?
Maar wij moesten hier zijn, wij zouden hierin overgaan, wilden wij de hoogste graden bereiken.
Eenieder zal dit echter beleven.
Ik heb al mijn levens gezien en in honderden levens keerde ik naar de aarde terug.
Al die levens zijn mij aan deze zijde getoond.
Ik weet tevens waarom ik op aarde was en een meester in de kunst werd en waarom dat is geschied, want dit wonder heb ik aan deze zijde leren kennen.
Al die wetten ken ik.
Die wetten en andere heb ik beleefd en zal ik je op onze volgende reis duidelijk maken en dan zul je mij en vele anderen geheel leren kennen.
Ik toonde je dit alles en al die wonderen en planeten ken ik, heb ik beleefd, maar ben nu in de geestelijke sferen.
Ik ben dus geweest, André, zoals deze mensen, maar ik schaam mij daar nu niet meer voor, want ik heb dat alles, al die ellende, al mijn fouten en zonden, goed gemaakt.
Ik hielp de duisternis opbouwen, want ik bracht leed en smart, waar ik liefde had moeten brengen.
Doch ik heb dat alles beleefd en biljoenen wezens eveneens en nu keren wij naar de aarde terug, nu zijn vele mensen zover om naar ons te luisteren.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Eenieder die op aarde leeft, welk ras ook, heeft hier eens geleefd en heeft die wetten, dat natuurwetten zijn, moeten volgen.
In al de mensenrassen gaan wij over en er is geen plaatsje op aarde of wij zijn er geweest en hebben daar geleefd.
Dat alles houdt met het stoffelijke organisme verband, de vele graden die er zijn en de vele rassen die verspreid op aarde leven.
Van het ene leven gaan wij in het andere over en zullen ons in die levens iets eigen maken.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Zij voelen alleen, kunnen niets dan voelen en dan nog op voordierlijke wijze.
Dit is de mens die in zijn voordierlijke maar stoffelijke toestand leeft.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Met de zeven stoffelijke graden wordt in eerste instantie de ontwikkeling van het menselijk lichaam bedoeld.
Het eerste lichaam dat de ziel op aarde heeft opgebouwd met een echt menselijke bouw en gestalte wordt de eerste stoffelijke graad genoemd.
Dit is een benaming voor het lichaam, niet voor de ziel of haar gevoelsleven, noch voor de persoonlijkheid, en ook niet voor datgene wat wij 'mens' noemen.
Er leeft geen 'mens' in een stoffelijke graad.
Als de meesters over stoffelijke graad spreken hebben ze het over het lichaam waarin de ziel op dat moment leeft.
Voor de aanduiding van de ontwikkelingsgraden van het innerlijke leven van de ziel, ons gevoelsleven, spreken de meesters over innerlijke gevoelsgraden of bewustzijnsgraden.
Het bewustzijn van de ziel waarvan het lichaam tot de eerste stoffelijke graad behoort is nog steeds hetzelfde als op Mars.
Alcar noemt het 'voordierlijk' omdat de meeste dieren het vlees van hun soortgenoten niet opeten.
De reïncarnaties tussen Mars en de aarde dienden dus alleen om het stoffelijke lichaam voort te stuwen en te verfraaien, maar het innerlijke gevoelsleven bleef achter bij de verfraaiing van het stoffelijke lichaam.
Pas wanneer de ziel de zevende stoffelijke graad bereikt heeft, zal zij aan haar geestelijke ontwikkeling beginnen.
Vergeleken met het leven van André bezit de ziel die in het lichaam van de eerste stoffelijke graad leeft niets van wat het westerse leven zo veraangenaamt:
Deze mensen lopen naakt, kennen al die aardse genoegens niet die de mensen nu bezitten en die het leven op aarde veraangenamen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939

Het stoffelijk bezit

Die aardse genoegens ontdekt de ziel als mens pas in de volgende graad van stoffelijke ontwikkeling.
Alcar legt uit dat de eerste zielen pas na duizenden reïncarnaties het lichaam tot de tweede stoffelijke graad hebben gebracht.
De zielen stuwen - net als op de vorige planeten - het lichaam vooruit en de persoonlijkheid van de mens ervaart het beleven van die verhoogde lichaamsgraad van stoffelijke ontwikkeling.
Deze beleving van het lichaam van de tweede stoffelijke graad geeft de persoonlijkheid nu het gevoel van iets 'te bezitten'.
Om André duidelijk te maken hoe anders de ziel als persoonlijkheid zich nu al voelt reist Alcar met André naar een groep zielen waarvan het lichaam tot de tweede stoffelijke graad behoort.
„Ja, Alcar, ik weet het.
Behoren die anderen reeds tot de tweede graad?”
„Ja, je ziet dat zij andere lichamen bezitten en al is die verandering niet zo opvallend, toch is dit een andere graad en de tweede stoffelijke graad die wij kennen.
Ook deze mensen zijn innerlijk anders, want zij voelen en begrijpen meer, zijn niet meer zo schuw.
Er zijn reeds vele innerlijke veranderingen zichtbaar, innerlijk en uiterlijk zijn zij dus anders.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Deze mensen nu voelen anders.
Zij zijn niet voordierlijk meer, maar dierlijk.
Ook zij kunnen niet nalaten om hun medemensen af te maken en op te eten, ook al zijn zij over het algemeen verder dan zij waar wij zoëven waren.
Toch gaan zij nu reeds andere dingen doen, want zij bezitten gevoel, hoewel dat gevoel dierlijk is.
Ook zij kennen nog geen God en hebben geen begrip van al die hogere graden.
Toch is er iets in hen wat hen boven die anderen verheft en dat is de tweede stoffelijke graad waardoor zij dit gevoel ontvangen.
Dus nog ontvangen zij, hebben geen bezit, maar ontvangen steeds, totdat zij iets van zichzelf maken.
Eerst dan wanneer zij niet meer kunnen doden, dan komen zij in harmonie met het leven waarin zij zijn.
In elk aards leven leren zij.
Wat zij zich in een aards leven eigen hebben gemaakt, dat blijft hun bezit.
Op deze wijze gaan zij verder.
Maar hoelang nog?
Tot in de hoogste graad, want ook daarin zullen zij leven en zich vergeten.
Zo is de gehele schepping, zo gaan zij van het ene leven in het andere over.
De mensen willen bezit en wanneer zij het bezitten, dan moeten zij weer wat anders en ook dat andere deugt niet.
Het ene stoffelijke kleed, dit zal je thans duidelijk zijn, geeft hun meer dan het vorige.
God geeft het innerlijke leven steeds meer.
In al die stoffelijke graden ligt aards geluk en dat geluk is hetgeen op aarde tot stand is gebracht.
Dat zijn de dingen die zij van onze zijde hebben ontvangen en in al die graden aanwezig zijn.
Je voelt dan tevens, dat iedere stoffelijke graad zijn eigen kracht bezit en dat het geluk en die dingen, die het leven op aarde veraangenamen, daartoe behoren.
Voel je wat hen wacht?
Dat zij dit zullen ontvangen, maar dat zij zich tevens zullen vergeten?
Dat zij, naarmate zij hoger komen, al die stoffelijke dingen, al die rijkdom, al die schatten der aarde willen bezitten, maar dat ook zij daarin ten gronde zullen gaan?
Dit gaat zo voort, André, totdat zij de hoogste graad in de stoffelijke wereld hebben bereikt en dit geschiedt, zij moeten hun aardse kringloop volbrengen.
Wij zullen dat zien en ik zal het je tonen, nog weten zij hier niet beter en kennen al die schatten der aarde niet, maar zie, hoe zij hier reeds al die aardse prullen verzamelen.
Hier reeds ontwaken deze hartstochten.
In het oerwoud, ver van de intellectuele wereld verbannen, verzamelen zij aardse dingen en daar ligt hun menselijk geluk en hun ganse innerlijk aan vast.
Dat is het wezen, dat is de ziel, dat is hun persoonlijkheid.
En die persoonlijkheid groeit, ontwaakt, moet ontwaken, nadat zij in een hoger stadium komen, wat voor hen het verhoogde stoffelijke organisme is.
Doch zij zelf, het bezielende leven zal daardoor ontwikkelen.
De ontwikkeling die zij thans bezitten, stemt hen op het dierbewustzijn af.
Hier zien wij het beginstadium van menselijke harts­tochten, die wij in verfijnde toestand in de hoogste graad terugzien.
Zie, hoe zij zich reeds opmaken, nu reeds hun donkere lichamen versieren.
Zie, waarheen dat gaat en je komt in de bewoonde, de intellectuele wereld, in de grote steden, daar waar alles anders is.
Ook daar zien wij deze eigenschappen, verzamelen de mensen alles, bezitten zij hartstocht voor al deze dingen.
Nog bevinden deze wezens zich in de natuur, in het oerwoud, doch hoe verder zij komen, hoe meer verliezen zij al dit natuurlijke dat nog in hen is en gaan tot hoger bewustzijn over.
Zij worden wellicht koningen en keizers en de intellectuelen van de aarde, of de armen.
Want eens is het zo ver, eens hebben zij dat bereikt, maar dan zijn wij duizenden eeuwen verder.
Langzaam maar zeker gaan zij in die andere stoffelijke graden over.
De natuur of de schepping brengt hun dat aardse geluk.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Zij verlangen te bezitten en zullen bezitten wat in hun ogen zo mooi is.
Hier zijn het stukken steen, stukken hout en een stuk ijzer, dat de hogere soort mens heeft vergeten of verloren, maar zij zamelen het op.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Op oudere leeftijd waren die gevoelens krachtiger en door onze lichamelijke kracht sloegen wij anderen neer om alleen dit, wat zij hadden, te willen bezitten.
Dat is het oergevoel, dat in het instinct is overgegaan, maar dat velen zelfs in de hoogste stoffelijke toestand op aarde nog bezitten en dat je zult zien en beleven.
Daar worden mensen geslacht voor die prullen, doch dan zijn die dingen goud, zilver, diamanten en paarlen, al die kostbare aardse dingen die alleen voor hen kostbaar zijn.
Dat bezit wil eenieder bezitten, maar dat moesten zij naast zich neer kunnen leggen.
Dat is echter niet mogelijk, want zij zijn nog niet zo ver, zodat zij daar vele malen voor terug zullen keren.
Dat terugkeren is voor hen een kwelling, maar die kwelling komt, omdat zij gaan voelen wat hen wacht.
Want de mensen willen geen strijd, geen smart, zij willen al deze aardse dingen behouden, genieten van al deze prullen, die wij reeds in de oertijd begonnen te verzamelen.
Eens komt hieraan een einde.
Dan verzamelen wij alleen geestelijke schatten en maken ons al die eigenschappen, die ons geestelijke karakter uitmaken, eigen en dat neemt ons niemand meer af.
Van Gene Zijde juichen zij ons dan toe, want hoe meer wij van die schatten verzamelen, hoe meer zien wij ons innerlijk veranderen en ontwikkelen en verfraaien wij onze geestelijke woning.
Dat laatste ligt duizenden eeuwen van hen die hier leven verwijderd, maar ook voor hen die reeds die stoffelijke hoogte hebben bereikt.
Eens zullen zij sterven en het leven na de dood binnentreden.
Ook in de hel verzamelen zij al die dingen, die aardse prullen, dat heb je beleefd, André, ook daar tooien zij zich met paarlen en diamanten, doch die prullen zijn even vals als hun geestelijk leven.
Zie die prachtige stoffelijke lichamen!
Zie hoe dit lichaam leeft en straalt, hoe krachtig het is.
Het tintelt van levenskracht en hoe vurig zijn zij en hoe kinderlijk en natuurlijk!
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Nu wij thans zover zijn gekomen, is het stoffelijke organisme het innerlijke leven ver vooruit.
Deze stoffelijke lichamen zijn in wezen volmaakt, doch hun innerlijke leven heeft eerst de voordierlijke en dierlijke afstemming bereikt.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Door de verhoogde kracht en werking van het lichaam van de tweede stoffelijke graad krijgt de ziel als persoonlijkheid nu andere gevoelens.
Zij leert de gevoelens 'waardevol' en 'eigendom' kennen, ze krijgt belangstelling voor het 'bezitten'.
Waar de ziel als persoonlijkheid met een lichaam van de eerste stoffelijke graad helemaal niet bezig was met de jacht naar persoonlijke eigendommen, spendeert ze in een lichaam van de tweede stoffelijke graad al veel tijd aan het verkrijgen en behouden van datgene wat in haar ogen waardevol is.
In een lichaam van de eerste stoffelijke graad is het gevoelsleven van de ziel alleen bezig met eten, slapen en voortplanten, net als op de tweede kosmische levensgraad.
Wanneer er geen dieren voorhanden zijn, is ook een menselijk lichaam een stukje vlees dat de honger kan stillen.
Honger voelen, honger oplossen.
Net als op Mars.
Basisgevoelens van overleving.
De ziel in een lichaam van de tweede stoffelijke graad op aarde krijgt al enig gevoel voor 'schoonheid', de persoonlijkheid gaat zijn lichaam al 'opmaken', gaat zichzelf al mooi maken voor zijn medemens.
Schoonheid en eigendom doen hun intrede in het menselijk bewustzijn.
Toen de eerste zielen dit lichaam van de tweede graad van stoffelijke ontwikkeling hadden opgebouwd, zonderden zij zich af van de zielen die later op aarde waren aangekomen en waarvan het lichaam nog tot de eerste stoffelijke graad behoorde.
De zielen die in een lichaam van de tweede stoffelijke graad leefden wilden immers een ander soort leven uitbouwen, en voelden zich niet meer verwant met de voordierlijke levenswijze van de eerste stoffelijke graad.
Op dat moment leefden de zielen waarvan het lichaam tot verschillende stoffelijke graden behoorden dus van elkaar verwijderd:
Luister André: Zij kunnen zich niet aaneensluiten ook al zouden zij dat willen.
Die graden kunnen niet worden verbonden, want die stoffelijke graden leven gescheiden.
Het is een wet die hen van elkander scheidt.
Dit is de natuur en is de eerste en tweede graad.
Diep in hen ligt dat wonder en zij reageren erop als iets natuurlijks.
Beide graden kunnen elkaar niet uitstaan.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939

Kralen en handel

Vervolgens neemt Alcar André mee naar een groep zielen waarvan het lichaam tot de derde stoffelijke graad behoort.
Ook hier beleefde de ziel als persoonlijkheid door de verhoogde werking van het lichaam van de derde stoffelijke graad zodanig andere gevoelens, dat zij het niet meer uithield bij de zielen waarvan het lichaam tot de tweede stoffelijke graad behoort.
Daarom gingen de zielen waarvan het lichaam tot de derde stoffelijke graad behoort in andere groepen leven, waar ze onder elkaar een andere levenswijze konden opbouwen.
Wij gaan nu naar de derde graad of overgang en die wezens zijn dierlijke wezens, want ook zij slachten en moorden zoveel als zij willen.
In verschillende groepen leven dus deze mensen tezamen.
Maar al die groepen hebben wij van de tweede planeet af kunnen volgen en ook dit natuurproces vinden wij dus op aarde terug.
In deze donkere wouden leven dus drie graden.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Alcar zweefde over de aarde en André nam waar en beleefde al deze wonderlijke dingen.
Hoe diep was het leven, wat wist men daar van op aarde?
Wie zou dit kunnen peilen?
Wonderlijk was alles wat zijn leider hem duidelijk maakte.
Veel had hij reeds beleefd, maar nog meer zou hij beleven, nog was het niet voldoende.
Hoe dankbaar was hij voor alles!
„Zie daar, André, een volgende graad.”
André zag andere mensen.
Ook zij waren wild en woest en toch, die stoffelijke lichamen waren anders.
Zij waren niet zo grof en hadden niet dat voordierlijke.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Zij waren geheel met alle mogelijke versierselen behangen.
Hoe hadden zij zich mooi gemaakt!
Hij zag niets dan kralen en nog eens kralen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
In hen zien wij meer leven, meer gevoel en intuïtie.
Zij bezitten reeds enig gevoel, dat voor ons het geloof is.
Toch is hier nog geen godsdienst aanwezig, nog zijn zij het niet bewust.
Het duurt nog duizenden jaren voordat zij zover zijn.
Toch, je ziet en voelt het, is er meer gevoel, ze zijn levendiger dan die anderen die wij hebben ontmoet.
De angst voor andere wezens bezitten zij niet meer, zij hebben zelfbeheersing geleerd.
Die anderen waren schuchter en angstig, Deze zijn brutaal en gereed om ieder aan te vallen, die in hun bereik komt.
Deze graad leeft als de voorgaande, in vele groepen verspreid, doch de kern van deze afstemming leeft in een hoofdgroep bijeen, al weten zij zelf daarvan niets af en kunnen zij dit ook niet omvatten.
Dit is voor al die overgangen, dus ook voor de hoogste graad.
Ook het tegenwoordige ras leeft verspreid en is toch één, allen hebben één stoffelijke graad van organisme bereikt al spreken zij verschillende talen.
Dat heeft met dit alles niets uit te staan.
God schiep geen talen, niets van al die aardse dingen die de mensen zelf hebben ingesteld.
God schiep het universum en de mensen zijn de heersers over alle planeten.
In verschillende gewaden leven zij, ieder in hun eigen afstemming waartoe zij behoren.
Het is opmerkelijk dat deze meer gevoel bezitten dan die anderen.
Wij kunnen dit aanvaarden, want wij kennen de werking van al die stoffelijke lichamen.
Hoe dichter zij een ander ras naderen, hoe meer zij daarvan tevens gaan leren en dit vermeerdert hun kennis.
Die kennis is niets dan aardse wijsheid, belevenissen die zij in hun dagelijks leven opdoen, maar waardoor hun innerlijke leven niet kan veranderen, integen­deel, het zal hen aansporen het kwade te zoeken, omdat zij al die dingen die de verhoogde toestand bezit en dus een hogere graad is, willen bezitten.
Hoe deze mensenkinderen hebben te lijden, zal je duidelijk zijn.
In hun natuurlijke toestand zijn zij rustig, maar in verbinding met de meer hogere stoffelijke graden geheel overstuur, omdat al die menselijke eigenschappen hen in de war brengen.
Toen de eerste mensen op aarde leefden en met anderen in verbinding kwamen, ontstond de handel.
Wat de één bezat wilde de ander ook hebben en dit is nu nog allemaal aanwezig.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Toen de eerste zielen hun lichaam na duizenden jaren tot de derde graad van stoffelijke ontwikkeling hadden gebracht en zich hadden afgesplitst van de andere twee stoffelijke graden, leefden er drie soorten stammen op aarde.
Al deze zielen leefden nog in het oerwoud, maar ze leefden gescheiden van elkaar omdat ze door hun verschillend lichaam een verschillend gevoelsleven hadden ontwikkeld, waardoor ze een andere levenswijze hadden opgebouwd.
Op dat moment was de ziel als persoonlijkheid in deze drie graden nog 'rustig'.
Alcar geeft aan dat de ziel die rust verloor toen er later meerdere stoffelijke graden ontstonden.
De 'bezittingen' van de hogere stoffelijke graden, zoals goud en sieraden, prikkelden het gevoelsleven van de derde stoffelijke graad.
Al dat stoffelijk bezit maakte deze mensen verschrikkelijk onrustig, het veroorzaakte een jacht in hun gevoelsleven om zich dat ook eigen te maken.
In eerste instantie wilden ze dat bezit van die hogere stoffelijke graden wegroven, maar dat werd onmogelijk omdat de persoonlijkheid van de ziel in de hogere lichamelijke graden ook meer dodelijke wapens ontwikkelde.
Toen is het gevoel van 'ruilen' ontstaan, de ruilhandel deed haar intrede.
Voordien kende de ziel als persoonlijkheid waarvan het lichaam tot de derde stoffelijke graad behoort dit gevoel nog niet, bij haar gold alleen het (dierlijke) recht van de sterkste.
Wie het sterkste lichaam bezat, roofde en steelde het bezit van een ander, en vergaarde zo zijn eigen rijkdom bij elkaar.

Uit het oerwoud vandaan

Wanneer Alcar André meeneemt naar een groep zielen waarvan het lichaam tot de vierde graad van stoffelijke ontwikkeling behoort, kan André het 'kannibalistisch gevoel' achter zich laten:
Wij gaan nu naar de vierde graad, André en daar ga ik verder.”
Zwevende verliet Alcar deze plaats.
André voelde dat hij enigszins in de bewoonde wereld kwam.
Hij zag niet meer die oerwouden, waarin de mensen verborgen leefden.
Nu leefden zij meer in de natuur en hij zag dat dit een hogere toestand moest zijn, want in alles nam hij dit waar.
Overal leefden mensen en toch ging zijn leider verder en verder.
Nu zei Alcar tot hem: „Hier zullen wij blijven.
Een andere en wel de vierde stoffelijke graad van stoffelijk organisme hebben wij bereikt.
Zie daar voor je, naar deze mensen.”
Hoe is het mogelijk, dacht André, deze zijn weer anders, wie heeft daar op aarde nu erg in.
„Weet men dit op aarde, Alcar?”
„Ja, waarom zouden zij dit niet weten?
Begrijpen doen zij dit echter niet.
Deze mensen zijn anders dan zij, die wij hebben ontmoet.
Hun stoffelijke organisme is in een fijnere toestand gekomen.
Zie dit kleed, André, hoe opmerkelijk is dit gewaad.
Hoe anders van bouw en gestalte.
Dit weet men in de geleerde wereld, maar zij weten niet hoe dat komt.
Wie zou dat ook kunnen vaststellen?
Zij kennen al die wetten niet, weten niet hoe alles van het begin af vast ligt, hoe het is geschied en de schepping tot stand kwam.
Dit is de vierde graad.
Deze mensen zijn uiterlijk en innerlijk anders.
Wat de drie andere graden doen hebben zij eeuwen geleden reeds afgelegd.
Wat men daar eet, verkiezen zij niet meer, hun stoffelijke organisme vraagt naar andere dingen die om hen heen groeien.
Iedere constitutie vraagt naar dát voedsel, waar zij behoefte aan heeft.
Zij voeden zich met vlees evenals die anderen, doch geen mensenvlees, dat eten zij niet meer.
Je ziet, innerlijk en uiterlijk zijn zij verder, want het is het innerlijke wezen dat dit wil en het stoffelijke lichaam neemt dat tot zich, wat het verwerken kan.
Alles harmonieert, niet alleen geestelijk, doch tevens stoffelijk.
Dit zijn stoffelijke en geestelijke wetten.
Dit is natuurlijk, zover zij zich op de natuur afstemmen, want eenieder bezit een eigen wil en doet dingen die niet tot de natuur behoren.
Dan komen zij tegen die wetten in opstand en hebben dat te verwerken.
In hen is al iets dat hun geloof uitmaakt.
Er leeft in hen een gevoel, dat het geloof van het volmaakte stoffelijke wezen ver overtreft.
In wezen doen deze mensen niet zoveel kwaad als de volmaakte stoffelijke mens.
De natuur roept hun een halt toe.
Zij leven natuurlijk, zoals zij innerlijk zijn en kennen ontzag voor hem die de sterkste is.
Hun gevoel voor een oppermacht is aanwezig doch zij zien deze in de natuur en het zijn de elementen die hen angstig maken.
Dat gaat boven hun vermogen.
Doch komen wij verder, dan zoeken zij juist daarin hun steun en aanbidden zij die natuurkrachten.
Het voordierlijke en dierlijke bewustzijn is dan in een hogere gevoelsafstemming gekomen.
Toch, al zijn wij de vierde stoffelijke graad binnengegaan, bezit het innerlijke wezen de dierlijke afstemming.
Je ziet, dat nu het stoffelijke organisme de innerlijke mens reeds ver vooruit is.
In die vier graden zijn wij tot de dierlijke bewustzijnstoestand overgegaan.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Gaan wij verder, dan betreden wij de vierde graad en die leeft reeds buiten het oerwoud.
Het organisme geeft de ziel dus meer gevoel en door dat gevoel durft de mens zich te verplaatsen en de Aarde als lichaam te verkennen.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
Wanneer de ziel op haar levensweg het lichaam van de vierde stoffelijke graad mag ervaren, is dit een hele stap vooruit.
Deze graad van lichamelijke ontwikkeling geeft de ziel hogere gevoelens, hier legt de ziel als mens haar kannibalistische gevoelens af.
Het opeten van andere mensen wordt niet meer geduld in deze samenleving, het gevoelsleven van de ziel is volledig tot het 'dierlijke bewustzijn' overgegaan.
De verhoogde werking van de vierde graad van stoffelijke ontwikkeling geeft het gevoelsleven van de ziel verruiming.
Daarom gaan deze groep zielen reeds aan de rand van het oerwoud wonen.
Zij vormen dan ook de overgang naar de volgende stoffelijke graden.
Hier maakt de ziel als mens zich los van de leefomgeving waar zij in de eerste drie stoffelijke graden haar bestaan heeft opgebouwd.
Het leven buiten het oerwoud brengt ook heel andere noodzakelijkheden met zich mee, en geeft weer heel andere gevoelens te beleven.
Deze zielen staan aan de vooravond van de verkenning en verovering van de gehele aarde als levenstuin.
Ze worden zich meer 'bewust' van andere streken als woonmogelijkheid.
Die andere klimatologische omstandigheden zullen ook het lichaam van de volgende stoffelijke graden beïnvloeden.

De aarde als levensruimte

Alleen hier, in de oerwouden, leven dus de eerste graden afzonderlijk.
Doch in de vijfde graad leven al die mensen over de aarde verspreid en dit is tevens voor de zesde en zevende graad.
Doch het ene ras is anders dan het andere en dat is heel duidelijk, omdat dit met het klimaat heeft te maken.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Alcar geeft hier aan hoe de wetenschapper uit 1939 zich verkijkt op de verschillende rassen binnen de hogere stoffelijke graden.
Hij legt uit dat de verschillen onderling aanpassingen kunnen zijn aan het klimaat waar een groep woont:
Ik ga nu naar de vijfde graad, althans waar duizenden van deze graad leven, omdat die graad over de gehele aarde is verspreid.
Op alle hoeken van de aarde vinden wij hen terug en zij leven afgezonderd van de zesde en zevende graad.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Nu gaan wij naar het Noorden, daar leven nog mensen die tot de vijfde graad behoren, doch het grootste aantal leeft verspreid.
Zij leven van de jacht en zijn geestelijk niet onbegaafd.
Je voelt dat het thans reeds zover is gekomen, dat het zieleleven een aanvang neemt en zich in begaafdheid manifesteert.
Zie daar, André, de vijfde stoffelijke graad.”
André zag deze mensen.
„Kent men hen op aarde, Alcar?”
„Ja, men noemt hen Eskimo’s.
Vroeger, dus vele duizenden eeuwen geleden, droegen zij een anderen naam.
In het Zuiden, Westen en Oosten leven al die andere mensen, die allen tot de vijfde graad behoren.
De vijfde graad heeft zich als de zesde en zevende op alle hoeken van de aarde in die miljoenen eeuwen verspreid en dat komt, omdat velen van hen op zoek waren naar bezit.
Toch is hier de kern van de vijfde graad aanwezig.
Hun lichamen zijn gehard en kunnen tegen dit klimaat.
Een ontzaglijk krachtig beendergestel heeft dit organisme.
Velen hebben een geloof, dat hun door een andere graad is gebracht.
Toch zijn ook zij natuurkinderen en het is niet toevallig dat zij hier leven.
De zevende graad zal in dit leven niet kunnen overgaan en de zesde evenmin.
Een andere afstemming kan dit leven niet beleven, ik bedoel overgaan in alles.
Dat is niet mogelijk, want de stoffelijke toestand past zich aan hun innerlijke leven aan.
Beide behoren tot elkander, al is ook hier het stoffelijke organisme het innerlijke ver vooruit.
Ik zei reeds, zij zijn niet onbegaafd, doch onder de zevende graad te moeten leven, is voor hen moeilijk, want zij kunnen zich slecht aanpassen.
Toch vinden wij in hen ook overgangen en dit betekent, dat er onder hen enkelen zijn, die zich aan de zesde en zevende graad kunnen aanpassen, doch hun stoffelijke afstemming blijft zoals ze is.
Miljoenen jaren geleden waren er hier miljoenen wezens, doch in al die eeuwen zijn zij verspreid geraakt en leven overal op aarde.
Hun innerlijke leven is wonderlijk één met hun stoffelijke leven.
Dat komt, omdat zij alleen zijn en geen beïnvloeding van andere rassen dulden.
Daarvoor ging ik ook hen bezoeken, omdat hier de zuivere vijfde graad aanwezig is.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Iedereen voelt en bezit zijn eigen stoffelijke leven en dat is niet omdat dit een ras is, maar omdat dit de graden zijn die de mens zijn stoffelijke graad en toestand op aarde bepalen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De verhoogde werking van het krachtige lichaam van de vijfde stoffelijke graad stuwt het gevoelsleven van de ziel omhoog.
Vele zielen konden hierdoor het dierlijke gevoelsleven achter zich laten en een hogere gevoelsgraad, het grofstoffelijke gevoelsleven, ontwikkelen.
Hierdoor bouwden zij een samenleving op waarin reeds het (dierlijk lichamelijke) recht van de sterkste aan banden werd gelegd.
Zij legt hierdoor reeds de basis voor de gelijkwaardigheid van alle mensen in hun voelen en denken, ongeacht de aard en kracht van het lichaam.
Toch behielden zij nog steeds een harmonie tussen lichaam en ziel.
Hun innerlijk gevoelsleven was wonderwel één met hun levensomstandigheden, hun levenswijze was perfect aan het barre klimaat aangepast.
Wanneer de ziel naar de volgende stoffelijke graden reïncarneert zal zij deze natuurlijkheid verliezen.
Alcar beschrijft hier een groep zielen waarvan het lichaam tot de vijfde stoffelijke graad behoort.
Op aarde spreekt men over Eskimo's.
Dit is echter niet hetzelfde.
De term 'Eskimo's' suggereert dat het om een homogene groep mensen gaat met gemeenschappelijke kenmerken.
Geestelijk-wetenschappelijk geanalyseerd klopt dit wat betreft hun lichaam, maar niet wat betreft hun innerlijk gevoelsleven.
De zielen waarvan het lichaam tot de vierde, vijfde, zesde of zevende graad van stoffelijke ontwikkeling behoort, kunnen sterk verschillen in hun innerlijke gevoelsgraad.
Sommige zielen zijn hun lichaamsgenoten ver vooruit.
Sommige zielen waarvan het lichaam tot de vierde of vijfde graad behoort hebben reeds alle graden van stoffelijke lichamen beleefd, waardoor ze veel meer ervaringen hebben opgedaan, wat hun gevoelsleven aanzienlijk veranderd kan hebben.
De verklaring van dit verschijnsel wordt verderop gegeven in het hoofdstuk 'Herkansing en begaafdheid'.
Dit verschijnsel legt de nadruk op het verschil tussen menselijke benamingen en de geestelijk-wetenschappelijke wetten die door de astrale meesters beschreven worden.
Geestelijk-wetenschappelijk gesproken bestaan er geen 'mensen' en ook geen 'Eskimo's'.
Geestelijk-wetenschappelijk spreekt men over ziel en lichaam.
De gevoelsgraad van de ziel en de stoffelijke ontwikkelingsgraad van het lichaam kunnen in vele verschillende 'combinaties' voorkomen, die menselijk gesproken over één kam geschoren worden, en dan als 'Eskimo', 'blanke', 'neger', 'Indiër', enz. benoemd worden.

Het adonisch lichaam

De zesde graad vinden wij in Achter-Indië (Birma, Cambodja, Laos, Maleisië, Singapore, Thailand en Vietnam) terug en tevens in China en Japan en op andere delen van de aarde.
De kern van de zesde graad ligt echter in het verre Oosten (het huidige China, Taiwan, Hong Kong en Macao, de beide Koreaanse republieken, Japan en de Ryukyu-eilanden, vaak delen van Zuidoost-Azië en soms van Oost-Siberië en zelfs Zuid-Azië), eveneens de zevende graad die over de gehele aarde is verspreid.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Dit wil niet zeggen dat het lichaam van alle zielen die nu in China en Japan leven, behoort tot de zesde stoffelijke graad.
Ook de zevende stoffelijke graad is daar aanwezig.
Er zijn dus ook mensen die op aarde 'Chinezen en Japanners' genoemd worden, waarvan het lichaam tot de zevende stoffelijke graad behoort.
In het vierde deel van 'De Kosmologie van Jozef Rulof' geven de meesters duidelijk aan dat de verschillen nu eerder waar te nemen zijn aan het innerlijke gevoelsleven van de ziel dan aan het stoffelijke lichaam.
Vanzelfsprekend is nu ook, dat de zesde bijna niet meer te onderscheiden is van de zevende levensgraad, toch is dat waar te nemen, omdat nu het bewustzijn spreekt.
Elk volk vertegenwoordigt nu dus een eigen levensgraad.
De rassoorten vertegenwoordigen een organische afstemming voor de levensgraad.
En dat is het menselijke organisme.
Scherp tekenen zich de levensgraden voor de stoffelijke ontwaking af, ten opzichte van de eerste vier graden.
Chinezen en Japanners, vertegenwoordigen de zesde en zevende levensgraden.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
De mens nu van deze maatschappij is ontwaakt.
Deze mens heeft zich een wereld geschapen, hoe die wereld is, doet er niets toe.
Deze mens leeft in de steden en op het land.
Dat zijn nu dus miljoenen mensen die de zevende levensgraad vertegenwoordigen.
En dat zijn bovendien volken, stammen dus, die zich door de eeuwen heen als levensgraad afsloten en zich een naam als volk hebben gegeven.
Ook die ontwikkeling heeft duizenden eeuwen geduurd, waardoor al die nationaliteiten zijn ontstaan.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
(Meneer in de zaal): ‘Ja, ik mocht dat even horen, u zegt daar dat, de Japanner en de Chinees hebben het fraaiste organisme.’
Het fraaiste?
Wie zegt, hebt u mij over ‘fraai’ horen spreken?
Die vertegenwoordigen het hoogste ras.
U moet niet naar die oogjes kijken; u kijkt naar het organisme, dat is de zevende graad.
U hebt oosterse graden, u hebt westerse graden, u hebt ze in Zuid, Noord, Oost en West.
En dat lichaam heeft, of u nu daar leeft of u komt daarvandaan of hiervandaan, u hebt het hoogste organisme, de zevende graad voor organisch leven: u hebt u vrij- en losgemaakt van het oerwoud.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Maar, voelt u, is dit geen verschil dan wat u hebt?
Dit is een tempel.
En dat is de eerste graad voor organisch leven, organisch bewustzijn; dat noemen wij, is voor de ruimte, de dierlijke graden.
Vergelijk dit dierlijke niet met een dier – een kat en uw hond en uw tijger, dat zijn ook dierlijke graden – maar dat is eigenlijk het onbewuste lichaam dat de straling, de uitdijing, het bewustzijn voor alle stelsels nog niet heeft bereikt.
Is het niet eenvoudig?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De Japanner en de Chinees hebben het hoogste organisme, hoewel het Chinese en Japanse ras de zesde en de zevende graad vertegenwoordigen.
Begrijp goed wat ik bedoel: u hebt in uw maatschappij waarin u leeft een volmaakt organisme, de aarde heeft niet hoger.
Komt hoger, komt hoger, dat lichaam, dat organisme verfraait en verijlt; dat lichaam krijgt een normale hoogte.
U kunt geen, voor de ruimte, geen twee meter groot zijn, en een halve meter: dat zijn stoornissen.
Over vijfduizend, tienduizend jaar is het menselijke organisme verfraaid, verruimd, verijld; dan ziet u schone wezens.
En wanneer u aanstonds daar nog even op doordenkt en...
Daar kunt u tien lezingen over geven (krijgen).
Bijvoorbeeld, ik wil u een beeld geven: waarom zijn er adonissen op aarde?
Waarom maar één, twee, drie, tien van een volk?
Waarom is elk mens niet zo?
Wat wil dat zeggen?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Ooit zal iedere ziel een 'adonisch' lichaam als aardse levensruimte mogen ontvangen.
Het feit dat er nu nog niet zoveel adonissen rondlopen zegt, dat de ziel met haar verfraaiing van het menselijke lichaam nog niet klaar is.
Die evolutie is nog in volle ontwikkeling en eerst over duizenden jaren afgerond.
En dan hebben we het nog niet over de innerlijke ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid.
Het gevoelsleven van de ziel waarvan het lichaam tot de zevende stoffelijke graad behoort, loopt nog miljoenen jaren achter op de natuurlijke harmonie van het adonisch lichaam.

Van het oerwoud naar het blanke ras

De zesde en zevende graad wordt vertegenwoordigd door het blanke ras!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
Zo leert André zijn eigen blank lichaam dat tot de zevende graad van stoffelijke ontwikkeling behoort, kennen.
De zielen waarvan het lichaam in de huidige tijd tot deze stoffelijke graad behoort zijn verspreid over de hele wereld en zien wij als de meeste mensen en volkeren die op dit moment de aarde bevolken.
Naast de blanken, de Chinezen en de Japanners, behoren hier ook de mensen toe die in 1939 benoemd werden als 'het oosterse type', 'negers' en 'kleurlingen'.
Over het verschil tussen hen en de zielen die in de eerste stoffelijke graden een lichaam met een donkere huidskleur bezitten, zegt meester Alcar tegen André:
Er zijn vele rassoorten, kleurlingen dus, die toch de hoogste stoffelijke afstemming hebben bereikt.
Is je dit duidelijk?”
„Ja, Alcar, maar zijn die mensen door de natuur zo gekleurd?”
„Ja, de kleurlingen die jij bedoelt, hebben met deze wezens niets uit te staan.
Maar zie deze wezens en zie dan naar hen, die je als kleurlingen ziet.
Hoe groot is het verschil!
Deze mensen zijn nog niet zo ver, zij zijn primitief, onbeholpen en schuchter.
Zij zonderen zich van de massa af en kunnen zich nog niet aanpassen.
Die kleurlingen bezitten meer gevoel en zij leven tussen de blanken.
Die wezens, dat zal je nu duidelijk zijn, bevinden zich in een heel andere toestand en zij hebben met ons zieleleven verbinding.
Ook hun stoffelijke organisme is volmaakt en niet te vergelijken met al deze graden die wij tot nu hebben gevolgd.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Dus vanuit het oerwoud naar het blanke ras en naar de kleurlingen, India dus, Indische volken, die toch reeds het hoogste ras als organisme, als graad dus, hebben bereikt.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Gij weet bovendien, dat de kleurlingen als de donkere rassen, bovendien de zevende graad voor het menselijke organisme hebben bereikt en dat die kleurlingen géén oerwoudbewoners meer zijn.
Negers hebben afstemming op de zesde en zevende levensgraad.
Gij kunt de verhoogde bewustwording vaststellen, de oerwoudbewoner moet dat stadium nog bereiken.
Dat zijn voor de negers de bloedafstemmingen en heeft niets meer te betekenen voor de zeven levensgraden.
Daardoor bevinden die mensen zich voor het huidige stadium onder het blanke ras.
Dat bewustzijn is in staat de huidige maatschappij te vertegenwoordigen, hoewel het blanke ras de geestelijke ontwikkeling opgebouwd heeft.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
In de boeken van Jozef Rulof wordt de gigantische evolutie van het lichaam van de eerste tot de zevende stoffelijke graad meestal samengevat met de uitdrukking 'van het oerwoud naar het blanke ras'.
Het blanke ras is immers een onderscheidend kenmerk, omdat dit alleen in de vijfde, zesde en zevende stoffelijke graad voorkomt, terwijl de donkere huidskleuren in al de zeven stoffelijke graden vertegenwoordigd zijn.
Want er zijn donkergekleurde kannibalen in het oerwoud waarvan het lichaam tot de eerste stoffelijke graad behoort, en er zijn donkergekleurde 'negers' waarvan het lichaam tot de zevende stoffelijke graad behoort.
Het feit dat iemand een donkere huidskleur heeft vertelt dus niets over de graad van afstemming van het stoffelijke lichaam, terwijl het blanke lichaam verwijst naar de vijfde, zesde of zevende stoffelijke graad.
De term 'het blanke ras' staat in deze uitdrukking dus voor 'de hogere stoffelijke graden', met inbegrip van alle kleurtjes die in die hogere graden vertegenwoordigd zijn.

Door de duisternis naar het licht

André vraagt zich af waar die hogere ontwikkeling van de zevende stoffelijke graad in bestaat.
Hij heeft immers van Alcar gehoord dat de ziel in die hogere stoffelijke graden juist haar natuurlijke harmonie met haar lichaam en omgeving verloren heeft.
Dit ziet hij onder meer terug in het feit dat de blanke moeders uit zijn omgeving medische hulp nodig hebben om hun kinderen te baren:
U heeft mij al die stoffelijke graden van de aarde duidelijk gemaakt, maar is daar niet één graad bij, die de geboorte op natuurlijke werking beleeft?
Hebben al die mensen hulp nodig, Alcar?”
„Neen, mijn zoon, er zijn mensen op aarde die zoals de natuur zijn en dit wonderbaarlijke proces alleen beleven, dus zonder hulp.
Het zijn die mensen, die wij in de eerste, tweede en derde stoffelijke graad hebben ontmoet en die hebben, zoals zij hier, al die aardse hulp niet nodig.
Je ziet daardoor hoe de intellectuele mens de natuurlijke weg heeft verlaten, ook al denken al die wezens verder te zijn dan deze arme zielen in die donkere gewaden.
Zij hebben zich een toestand geschapen die niet natuurlijk meer is.
Zij behangen zich met sierlijke dingen, gaan goed en rijk gekleed, doch hebben hun natuurlijke afstemming afgelegd.
Zij zijn verdwaald in hun mooie en rijke levens en doen dingen die de mensen in het oerwoud niet zouden kunnen doen.
Dat is het instinct, de natuur en die natuurwetten en krachten heeft de intellectuele mens verloren en bezoedeld.
Is het dan zo vreselijk wanneer ik zeg dat de natuurlijke kern zoek is?
Dat zij hun lichamen uiterlijk verfraaien en dat het innerlijk aan geestelijke honger sterft?
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De zielen die reïncarneerden in een blank lichaam kregen door de verhoogde werking van het stoffelijke lichaam meer intellectualiteit, maar velen onder hen gebruikten dit om 'de beest uit te hangen'.
Met hun scherper denken ontwikkelden ze zeer dodelijke wapens om de wereld te kunnen overheersen.
Hierdoor brachten de zielen tijdens hun levens in het blanke organisme meer leed en ellende dan zij in enig ander lichaam deden.
Doch voor hen die in een lagere graad van stoffelijk organisme leefden en het blanke ras ontmoetten, was het tevens een groot wonder deze mensen te zien.
Zij begrepen daar niets van, maar de blanken wisten met hen wel raad en vielen hen aan.
De meer stoffelijk gevorderde mens overheerste dus de planeet aarde, maar deed dit door doodslag en geweld.
Ook daarin is in al die miljoenen jaren niets veranderd.
Wij zien dus niets dan dierlijk geweld, doden en nog eens doden, tot andere dingen waren deze wezens niet in staat, doch ook die tijd zou komen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Volgens Alcar is deze intellectualiteit echter slechts een fase in de evolutie van de ziel.
Dit 'bewustzijn' is een noodzakelijke stap, en pas daarna begint de ziel aan haar geestelijke bewustwording.
De ziel kan geen stapje overslaan, en gaat door de duisternis naar het licht!
Hoe meer bewustzijn, des te dieper haar ellende wordt.
Is dat jammer?
Wij kunnen niets anders beleven.
Heeft de „Almoeder” dat geweten?
Já, want dit is de menselijke én de dierlijke evolutie.
Wij gaan door de duisternis naar het licht.
En die duisternis hebben wij ook voor de „Almoeder” moeten beleven, daarin waren geen andere wetten te beleven.
En dan werd het licht.
Ook de mens als ziel zal zich licht scheppen en daardoor aan het geestelijke leven beginnen!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944

Het ontstaan van ziekten

De eerste zielen bouwden lichamelijk graad na graad op, en bereikten uiteindelijk de zevende stoffelijke graad.
Alle zeven stoffelijke graden als stammen verwijderden zich van elkaar, om een eigen levenswijze te kunnen opbouwen.
Op dat moment, miljoenen jaren geleden, leefden de zeven stoffelijke graden gescheiden, maar tezamen bevolkten ze de aarde.
Als de zevende stoffelijke graad het eindpunt is van de lichamelijke evolutie op aarde, waarom zijn deze lichamen dan zo onderhevig aan de vreselijkste ziekten?
Het lijkt wel of het lichaam in de hogere stoffelijke graden gedegradeerd is in plaats van geëvolueerd?
Waar en wanneer zijn de ziekten ontstaan, of heeft het lichaam ze altijd met zich meegedragen?
Was de oermens ziek?
Het boek 'Maskers en Mensen' lost dit raadsel op en onthult het begin van alle ellende:
„En nu moeten wij aanvaarden, dat wij mensen niets dan ellende bezitten.
God sloeg ons leven met ziekten.
Wij bevinden ons in ontzagwekkende ellende.
Maar wist u, dat gij niet nodig waart geweest, doktoren, indien gij uw eigen levensafstemming niet had bezoedeld?
Ik voer u thans miljoenen jaren terug!
Toen er nog geen steden waren, de mensen van uw universiteitswetten niets wisten, maar de wateren reeds hadden verlaten, of gelooft u dit ook niet, de stammen zich hadden gevormd, de bossen werden beleefd, zijn de ziekten ontstaan, geboren.
Maar waardoor, vraag ik mijn geleerde vader en de heren medici?
Gij moet mij uw antwoord schuldig blijven.
U ziet thans nog die rassoorten op Aarde.
Dit zijn verschillende volken.
Elk volk was voor miljoenen jaren terug een stam.
Die stam was een levensgraad, een graad van bewustzijn voor het menselijke organisme.
Gij ziet, zei ik u al, rassoorten.
Ik en wij, de miljoenen zielen van God die de Hemelen vertegenwoordigen, zien alléén stammen, soorten van organismen, voor de ziel.
De ziel beleeft de eerste en volgt hierdoor de ontwikkeling op Aarde.
De Aarde schiep zeven stoffelijke levensgraden voor de ziel.
Elke levensgraad bezit miljoenen mensen.
Miljoenen mensen als mannen en vrouwen, vertegenwoordigen één levensgraad voor het menselijke organisme.
De ziel bezit dus volgens haar eigen bewustzijn een lichaam en dat is de afstemming van een levensgraad, waartoe haar organisme behoort.
Maskers en Mensen, 1948
Wij vertegenwoordigen de hoogste afstemming voor het menselijke organisme.
Maar in onze omgeving leeft ook de vijfde en zesde, ver en over de Aarde verspreid, de vier andere levenswetten als mensen voort, die zich evolueren.
Ik ben vader.
En mijn vrouw, als dierlijke wezens zijn wij, leeft hier ook.
Wij zijn in staat om kinderen te scheppen.
En die kinderen worden als gij dat nu nog beleeft, op dezelfde wijze geboren.
Waar vandaan de ziel in dat leven komt, hebben wij het nu niet over.
Het gaat ons (erom), dat die mensen, wij, kinderen baren en kinderen scheppen.
Vanuit ónze eigen verkregen levensgraad.
Wij vertegenwoordigen als man en vrouw de hoogste bewustwording, omdat ons organisme die hoogte heeft bereikt.
Ons innerlijk leven past zich aan die bewustwording aan en heeft te luisteren.
Ook hierin is er geen verandering gekomen met uw eigen tijd van leven.
Ook nu hebt gij het lichamelijke te aanvaarden, gij kunt de stoffelijke lichamelijke wetten niet ontlopen, gij kunt de natuurlijke weg volgen en zoals God het heeft gewild, scheppen en baren, waarvoor deze lichamen geschapen zijn.
Ook zij hebben dat gekund!
Maar nu komt het!
Die mannen zochten naar ander leven.
Daar in dat oerwoud trokken zij verder en ontmoetten vele levens.
De gevoelswijsheid, om uw eigen leven te verzorgen, die bewustwording droegen zij niet onder hun harten, zij leefden, zich volkomen uit.
De hoogste graad splitste zich met een lagere.
Waar wij kwamen verwekten wij kinderen.
Toen begon de mens aan zijn eigenlijke inteelt!
Hij scheurde zijn oerkrachten vaneen en deelde die levenswet met ’n ander.
De zevende en hoogste graad deelde zich met de vierde en derde graad.
Uit die derde en vierde levensgraad werden er kinderen geboren.
En die kinderen zetten dit proces voort.
Wat zien wij, na miljoenen jaren is dit Universele lichaam verzwakt.
De eigenlijke oerbron is gesplitst.
De Goddelijke Universele zelfstandigheid, die tegen weer en warmte, koude en natuurwetten is berekend, verloor door de eigenlijke splitsing de natuurlijke kern, de Universele afstemming, die God aan deze levens voor de eigen soort en levensgraad heeft vastgelegd.
De mensen verloren hun weerstand!
De mannen en vrouwen kunnen niet meer tegen die enorme wetten op en bezwijken.
Er komen verzwakkingen tot stand, die oersterke lichamen kunnen niet meer tegen de natuurlijke wetten op en zoeken naar kleding.
Voordat deze afbraak begon weerstond dit natuurlijke organisme elke natuurlijke verandering.
Want het menselijke lichaam is als de wateren, is als de verdichte stof, in landelijk bestaan opgegroeid, maar heeft door de splitsing met de lagere levensgraden de eigen oerbron verloren en daardoor zien wij de eerste ziekten ontstaan!”
Maskers en Mensen, 1948
Elke stoffelijke graad bezat een eigen kracht en werking.
Die kracht en 'afstemming' van dat lichaam was terug te vinden in de sterkte van het beenderstelsel, de samenstelling van het bloed, de werking van spier- en zenuwstelsel, kortom de graad van ontwikkeling van alle stoffelijke stelsels en organen.
Wanneer twee mensen uit dezelfde stoffelijke graad zich voorplantten, erfde het lichaam van hun kind de oerkracht en afstemming van die graad.
Wanneer echter twee mensen uit een verschillende stoffelijke graad een kind voortbrachten, leefden in het lichaam van dat kind twee verschillende afstemmingen als lichamelijke kracht en werking.
Dit veroorzaakte een organische disharmonie.
Voor de natuurlijke evolutie van de ene stoffelijke graad naar de volgende graad had de ziel duizenden jaren gewerkt om alle stelsels van dat lichaam tezamen op een verhoogde kracht van een volgende stoffelijke graad te krijgen.
Door de geleidelijke lichamelijke evolutie bleven alle stoffelijke lichaamsstelsels van de volgende graad toch in harmonie met elkaar, omdat ze allemaal een verhoogde kracht en werking hadden en elkaar dus niet stoorden.
Maar wanneer twee mensen uit een verschillende stoffelijke graad een kind kregen, kon de natuur dit evolutionair verschil niet in één klap opvangen.
Hierdoor ontving het kind een lichaam waarvan de stelsels niet meer op eenzelfde kracht functioneerden Het ene deel van het lichaam functioneerde op de ene stoffelijke graad, terwijl het andere deel de stelsels naar een andere graad van werking stuwde.
Dit verschil trok het lichaam als het ware uit elkaar en zorgde voor een inwendige spanning in alle weefsels.
Bij de eerste vermengingen had deze inwendige spanning nog geen verzwakking van het lichaam tot gevolg.
De oerkracht van de stoffelijke weefsels overheerste nog de eerste verschillen in evolutionaire graad.
Maar het aantal vermengingen vermeerderde explosief.
Na duizenden vermengingen was de spanning zo toegenomen, dat geen enkel weefsel hier nog tegen bestand was.
Hierdoor nam de stoffelijke weerstand van de weefsels tegen externe omstandigheden drastisch af, wat de deur opende voor de eerste 'ziekten'.
Die eerste ziekten waren heel miniem, omdat de weerstand in vergelijking met ons huidige lichaam nog heel groot was.
Maar na miljoenen jaren waren alle lichamen dusdanig verzwakt, dat ook de ziekten konden 'evolueren' tot de huidige ellende.
En het zal nog een tijdje duren voordat de meesters deze ellende uit de wereld hebben geholpen (zie 'Hulp voor de aarde').

Duizenden graden

Alcar legt uit dat de vermenging zich generatie na generatie meer uitbreidde, zodat in de huidige tijd geen enkel lichaam op aarde nog gerekend kan worden tot één stoffelijke graad.
Er zijn in feite duizenden graden ontstaan, waardoor de weerstand van alle menselijke lichamen drastisch gedaald is:
„Het menselijke ras, al die zeven graden, zijn in duizenden graden overgegaan.
Daarover wilde ik je vertellen, wanneer wij de hoogste graad hebben bereikt.
Er is geen zuivere rassoort (bedoeld wordt: lichamelijke graad) meer op aarde.
De zevende graad is besmet, is in andere graden overgegaan, met andere woorden: in die hoogste graden stroomt het bloed van de derde, tweede, vierde en vijfde en zelfs eerste graad.
Is je dat duidelijk?”
„Ja, Alcar, volkomen.
Het is wonderlijk hoeveel hier aan vast ligt.
Heeft dit een grote betekenis voor al die stoffelijke graden?”
„Ja, zelfs een diepe betekenis en niet één, maar duizenden.”
„Kunt u die overzien?”
„Ja, wij kennen al die gebeurtenissen, maar niet alleen die gebeurtenissen en mogelijkheden, doch de geschiedenis van al de zeven stoffelijke graden.
Daardoor, André, is dat prachtige stoffelijke kleed in alle graden verzwakt, zijn er die innerlijke stoornissen, dus ziekten en vele andere kwellingen, die men op aarde kent.
Geloof mij wanneer ik zeg, dat de mens schuld is aan zijn eigen leed en smart, maar tevens aan al zijn ziekten.
De mens heeft zijn eigen afstemming bezoedeld.
In het dierenrijk is dit niet mogelijk, want een dier zou dat niet kunnen, dat leven handelt, ik heb je dat duidelijk gemaakt, naar zijn natuurlijke afstemming en kan niet anders handelen.
Doch de mens bezit hartstocht en door die hartstocht heeft hij zijn eigen afstemming vernietigd, ging dus die afstemming in een andere graad over.
Daardoor verzwakte de natuurlijke afstemming en trad er een onnatuurlijke toestand in.
Dit ligt echter miljoenen jaren terug en is niet meer te herstellen.”
„Er leven dus geen mensen meer op aarde, die de zuivere natuurlijke stoffelijke toestand bezitten?”
„Neen, als natuurafstemming, niet één.”
„Komen daardoor al die ziekten?”
„Daardoor komt de verzwakking en achteruitgang van dit natuurlijke stoffelijke gewaad.
Al die organen zijn er, zijn steeds zo geweest, doch de weefsels, dat miljoenenproces, is verzwakt.
Het stofkleed dat de hoogste graad als afstemming bezit, is een prachtig kleed en wanneer deze afstemming zuiver was gebleven, dan waren er al die ziekten niet die men thans kent, dan bezat datzelfde lichaam meer kracht, was beter tegen alles bestand, kon tegen zomer en winter, omdat dat kleed als de natuur, waarin het leeft, waardoor het tot stand is gekomen, één en dezelfde kracht en werking heeft.
In die tijd was het volmaakt natuurlijk, doch ook het blanke ras heeft dit proces verduizendvoudigd, is in die lagere graden teruggekeerd en bezoedelde zijn eigen stoffelijke afstemming.
De kinderen die werden geboren, deden op volwassen leeftijd niet anders en daarom is het verduizendvoudigd en is de natuurafstemming zoek.
Nu is dit organisme zwak, zoeken de geleerden naar al deze ziekten, gaan tot in het derde en vierde geslacht terug om te trachten vast te stellen hoe dit komt.
Dit is voor verschillende ziekten mogelijk, doch de eigenlijke kern ligt miljoenen jaren terug.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Zullen de doktoren echter nimmer die diepte kunnen voelen, of berekenen, Alcar?”
„Je bedoelt de verzwakking van het stoffelijke organisme?”
„Ja, Alcar, dat bedoel ik.”
„Neen, dat is niet mogelijk, dat ligt te diep in het verleden.”
„Maar wanneer er kinderen uit kerngezonde ouders zijn geboren, is dan nog die verzwakking aanwezig?”
„Ook dan, ook zelfs wanneer zij nooit ziek zijn geweest en op normale wijze zijn gestorven, dan nog is die verzwakking aanwezig.”
„Dan zou men toch niet zeggen dat die er is.”
„En toch is die verzwakking aanwezig, want de natuurlijke kern is reeds miljoenen jaren zoek.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Alcar geeft aan dat de dieren zich 'van nature' niet vermengen met een andere stoffelijke graad.
Maar ook hier heeft de mens ingegrepen.
De mens begon verschillende dierlijke rassoorten te kruisen om iets anders te 'fokken', waardoor de natuurlijke weerstand van de dieren verzwakte.
Zo zijn er zelfs rassen gefokt die niet meer levensvatbaar zijn, omdat hun lichamelijke kracht en weerstand volkomen afgebroken werd.
Een dergelijk proces is ook gaande met het menselijk lichaam, generatie na generatie verlaagt onze lichamelijke weerstand.
Ondanks de medische inspanningen blijven hierdoor de ziekten voortwoekeren.Door deze vermenging van stoffelijke graden behoort geen enkel menselijk lichaam dat nu op aarde is nog tot één graad.
Nu wilde Adolf Hitler het zuivere bloed kweken, maar dat kan niet voor de rassoorten heeft nu geen betekenis meer.
Die tijden zijn voorbij!
Wij zijn net te laat en het was toch niet mogelijk geweest het te voorkomen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941

Ons eigen verleden

André begreep dat de eerste zielen die op aarde geleefd hadden reeds met de vermenging van de stoffelijke graden waren begonnen.
Dat gebeuren ligt miljoenen jaren in de tijd terug.
In onze huidige tijd leven we pas goed in de gevolgen hiervan, want ons huidige lichaam is duizendvoudig verzwakt.
André vraagt zich in naam van de mensheid af of het rechtvaardig is dat wij nu de gevolgen ondergaan voor het onbewuste gedrag van andere zielen.
Want wijzelf hebben hier toch geen 'schuld' aan?
„U zegt Alcar, dat dit miljoenen jaren terug ligt, hebben de mensen van deze tijd daaraan dan schuld?”
„Dat is een vraag die eenieder zal stellen.
Wat gaat ons dat aan, wat hebben wij daarmee te maken?
Wij leefden rein en kuis, hebben God lief en bidden en gaan iedere dag naar de kerk.
Is het niet zo?
Bedoel je dat niet met je vraag?”
„Ja, Alcar.”
„Ik kan mij voorstellen, André, dat mensen, die hiervan niets weten, mij een dergelijke vraag stellen, doch jij had mij deze vraag niet mogen doen.
Ik vraag je, André, heeft de mens te maken, met dát wat voor miljoenen jaren is geschied?
Heb ik je dan zoëven niet duidelijk gemaakt, dat deze mensen in het oerwoud hebben geleefd en wij allen daar hebben geleefd?
Heb ik je niet duidelijk gemaakt, dat wij miljoenen jaren oud zijn?
Dat wij duizenden en duizenden malen op aarde hebben geleefd en in die tijd leefden?
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Alcar maakt André duidelijk dat wij allen op onze eeuwenlange reis van het oerwoud naar de zevende stoffelijke graad meegewerkt hebben aan de vermenging van de stoffelijke graden en zo aan de afbraak van het organisme dat we nu ontvangen.

Hulp voor de aarde

Maar de eerste zielen hebben hun 'schuld' niet vergeten.
Toen zij inzagen dat zijzelf aan de basis lagen van het begin van deze ellende, togen zij aan het werk om deze ellende op te lossen.
Zij vormden een orde in het leven na de dood, die zich tot doel heeft gesteld de mens op aarde te dienen door het menselijk lijden te verzachten en een geestelijk weten te brengen.
Meester Alcar behoort tot deze orde.
Om de mens op aarde te kunnen helpen, bestuderen zij het leven op aarde.
Zij vergaren hun kennis door ervaring, door geestelijk-wetenschappelijk onderzoek.
Doordat zij met duizenden zijn, en niet meer beperkt worden door aardse belemmeringen of aardse tijd, hebben zij in de loop der eeuwen een machtige geestelijke universiteit opgebouwd, die de 'Universiteit van Christus' wordt genoemd, omdat Christus de 'mentor' is van deze universiteit.
Toen de allereerste mensen de sferen van licht hadden opgebouwd, begrepen zij, dat er voor de mensheid op Aarde gewerkt moest worden.
Zij hadden het leven op Aarde en aan deze zijde leren kennen en door zichzelf in het stoffelijk organisme op te sluiten beleefden zij ook de ziekten van de Aarde, waardoor zij ruimtelijk bewustzijn kregen.
Zij volgden van de Maan af al de stoffelijke en geestelijke graden en keerden toen naar de eerste sfeer terug.
„Wat moeten wij voor al die mensen doen?” vroegen zij zich af, in het weten, dat het leven op Aarde een lijdensgeschiedenis was.
Zij zagen van deze wereld uit in al hun duizenden levens en begrepen nu eerst goed de ellende er van.
Spoedig kwamen zij tot een besluit en gingen aan het werk.
Duizenden van hen keerden naar de Aarde terug om er te helpen.
Anderen werden er opnieuw geboren en werden van deze Zijde uit geïnspireerd en zo ontstonden de eerste vindingen.
Van deze Zijde uit zag men steeds scherper hoe de mensheid geholpen kon worden.
Uit hen kwamen de eerste doktoren-medicijnmannen voort, want zij kenden de ziekten van de Aarde, ook al wisten zij toen nog niet hoe die eigenlijk waren ontstaan.
Maar alras leerden zij ook het ontstaan van de ziekten kennen en toen ontstond de Tempel der Medici aan deze zijde!
Zij bleven de zieken van de Aarde volgen en maakten er een grondige studie van.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Onder hun werk en dienen zagen zij de goddelijke kracht van het zieleleven en hoe de stoffelijke organen door het innerlijk leven werden gevoed.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Zij besloten toen om het allereerste verschijnsel er van te onderzoeken.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
In het embryonale leven waren er geen ziekten.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De meesters gingen naar de bijplaneten.
Maar op de tweede kosmische levensgraad, een planetenstelsel, dat het innerlijk leven als ziel van de Maan ontving, konden zij al evenmin ziekten vaststellen.
Ook hier was het stoffelijk en innerlijk leven in niets besmet, want het bewustzijn er voor moest daar nog ontwaken.
Mens en dier begrepen dus niets van ziekten of van de verkeerde handeling, waardoor ziekten zouden kunnen ontstaan, dat was daar niet mogelijk.
Mens en dier beleefden de natuurlijke wetten en konden nog geen eigen weg volgen.
De meesters stonden voor grote problemen, maar Moeder Natuur, het leven zelf wees hun de weg.
Zij zweefden naar de Aarde terug en volgden ook op deze planeet al de levensgraden voor het stoffelijk lichaam.
Toen zagen zij het ontstaan van de ziekten!
Het volwassen bewustzijn schiep ellende, omdat de mens zichzelf niet kende.
Op de Maan konden er geen ziekten bestaan, omdat het menselijk wezen daar geen volwassen bewustzijn bezat.
Op Aarde bezat de mens dat bewustzijn wel en toen ontstonden de ziekten.
De meesters zagen een geweldige studie voor zich.
Alles gingen ze nu na en kwamen zo tot ontleding.
Zij zelf, leerden ze, hadden aan het ontstaan geholpen, door hun wil om te beleven, te bevruchten.
Door met andere stoffelijke levensgraden het éénzijn te beleven, schiepen zij afbraak voor het organisme.
Hun graad splitste zich er door.
Die bewijzen er voor kregen ze, toen zij hun eigen levens volgden.
Zij hadden zelf schuld aan al die ellende en moesten aanvaarden, dat zij niet de geestelijke, maar de stoffelijke afbraak hadden gediend.
Ze stonden nu voor hun eigen gedrag, voor hun levens, die in onbewustzijn waren volbracht, en zij begrepen!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De mensheid stond voor een ramp en in de loop der eeuwen zou de aftakeling nog verschrikkelijker worden!
Er moest iets tegen dit onheil worden gedaan, het was meer dan noodzakelijk, dat zij de aard van de ziekte leerden kennen.
En ook moesten ze nagaan, met welke middelen ze deze ziekten zouden kunnen bestrijden.
De eigenlijke oerkracht van de Maan, begrepen de meesters, was verdwenen.
Kind na kind, man na man, vrouw na vrouw hielp mee aan de stoffelijke afbraak.
Deze meesters werden als gebroken door de natuurlijke bewijzen, die ze opdeden.
Een berg van ellende zagen zij voor zich.
Wie zou al die verschrikkingen kunnen oplossen?
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
In al de graden voor het organisme viel de verzwakking waar te nemen.
Ook het hoogste ras was bezoedeld, niet één graad was er aan ontkomen.
Zenuw- en spierstelsels leefden op halve krachten, want de ondergrond was volkomen vernietigd.
Dât was de afstemming van het organisme, die zij te aanvaarden hadden.
Niet één mens in de ruimte was van schuld vrij te pleiten.
Het menselijk bewustzijn, het dierlijk verlangen in de mens, had deze ellende geschapen.
De man wilde stoffelijk bezit nemen van de vrouw, en waar hij haar ontmoette, overmeesterde hij haar en leefde zich door haar lichaam uit.
In de bossen speelde zich dit drama af en hier reeds begon de stoffelijke afbraak.
Door zo voort te gaan moest het leven op Aarde eens instorten.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Toen kwam het ogenblik, dat deze meesters berichten ontvingen uit de hogere regionen, dat er instrumenten zouden komen, die de mensheid van dit lijden zouden verlossen.
Er werd reeds aan gewerkt.
Zij behoefden dus niet te wanhopen, de meesters.
Zij hadden al ingezien, dat de medicijnen maar een hulpmiddel waren.
Medicijn alléén kon de ziekte niet overwinnen.
Nu zouden er dus instrumenten op Aarde worden gebracht en deze zouden de ziekten geheel doen oplossen.
De mensheid zou er evenwel eerst voor moeten ontwaken.
En daarop was het wachten.
De meesters kregen bericht, rustig verder te gaan en zich door niets te laten storen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Straks krijgen deze technische wonderen geestelijke betekenis, ze dienen dan voor het machtig instrument, dat alle ziekten van de Aarde zal doen oplossen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941

Van tijger tot huiskat

Wat leert het gevoelsleven van de menselijke ziel door het beleven van de lichamen van die zeven stoffelijke graden?
Meester Zelanus, een leerling van meester Alcar, haalt het dierenrijk aan om duidelijk te maken hoe het innerlijke gevoelsleven van de menselijke ziel verruimt door het beleven van telkens een lichaam van een hogere stoffelijke graad.
Bij de mens is dat lichamelijk verschil in stoffelijke graden voor aardse ogen niet zo duidelijk te zien en het effect hiervan moeilijk te beredeneren.
Bij het dier is het stoffelijk verschil groter.
De eigenlijke werking blijft dezelfde.
Want ook het dier heeft een gevoelsleven en een ziel, en ook het dier reïncarneert.
Juist, de diersoorten geven ons nu een heel duidelijk beeld te zien van één levensgraad en deze overgangsstadia.
Een tijger zult gij terugzien als huisdier, doch nu is dat leven een „kat”.
De hond voert u terug tot de wolf en voor duizenden organismen voor de dierenwereld zien wij deze overgangsstadia terug en hebben die ook te aanvaarden.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
De dierlijke ziel die als tijger rondgelopen heeft, reïncarneert later in dierlijke organismen die een hogere stoffelijke evolutie vertegenwoordigen.
Uiteindelijk reïncarneert deze dierlijke ziel in het organisme van een huiskat.
De kat als lichaam is een 'verfijning' van het stoffelijke organisme ten opzichte van het organisme van de tijger.
Het organisme van een kat heeft een meer verfijnde bouw, en dat organisme stuwt het innerlijke gevoelsleven van de dierlijke ziel omhoog.
Door het beleven van het organisme van een kat krijgt die dierlijke ziel andere ervaringen en kan zij innerlijk evolueren.
Daarom kan een kat zich ook beter aanpassen aan het leven als huiskat, in harmonie met de mens, omdat haar gevoelsleven hoger geëvolueerd is dan dat van een tijger, waardoor ze dichter bij het menselijke gevoelsleven komt.
Gaat u nu naar een valk, naar uw roofvogels, dan komt u bij uw duifje terecht.
En dat duifje eet uit uw hand, dat heeft menselijk gevoel.
Is dat niet zo?
Uw duif kunt u naar Engeland sturen, naar Frankrijk; komt op uw plaats terug.
Kunt u niet eens, want u stoot uw hoofd, u loopt zich te pletter in de duisternis, u verdrinkt.
Maar het dier kunt u wegsturen; het komt naar uw huis terug.
Hoger bewustzijn en voelen, dat voor de duif reeds als het hoogste gevoelsleven voor de diersoorten... de gevleugelde soorten, met menselijk voelen en denken... dat de mens nog niet eens heeft.
Ik zeg u: laat me nu maar ergens los, blind.
Waar komt u terecht?
Waar vindt u uw goddelijk huis terug?
Dat kan wel uw duif, maar de mens heeft dat gevoel nog niet bereikt.
Heel eenvoudig.
Wilt u mij tegenspreken, dan zeg ik u: Probeer dat eens met uw valk, met uw adelaar, zet dat dier eens op uw huidje daar: in vijf minuten bent u gekild.
Maar het diertje, de duif, is de hoogste liefde, het hoogste gevoelsleven, het hoogste bewustzijn voor dat soort, voelt u?
Maar vroeger, dáárvoor, waar leefde dat dier, waar leefde uw duif, waar leefde uw adelaar daarvoor?
Hebt u niet gelezen, in de prehistorische tijdperken, dat men vogelen had die in de wateren zwommen, en nu nog, vissen reeds?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De dierlijke ziel van een valk en een adelaar reïncarneert na vele overgangsorganismen in het organisme van een duif.
Deze duif is als organisme een verfijning van lichaamsbouw en organen ten opzichte van de valk.
Deze verfijning stuwt het gevoelsleven van de dierlijke ziel omhoog, zodat zij zich bij mensen 'thuis' voelt.
De duif is één van de hoogst geëvolueerde diersoorten, en de dierlijke ziel beleeft hier haar eindfase in haar aardse ontwikkeling.
Zij ontwikkelt hier, wat menselijk gesproken intuïtie genoemd wordt, het verfijnde gevoel om haar thuis terug te vinden, ongeacht waar ze 'gelost' wordt.
Duivenliefhebbers weten dat ook hierin nog verschillende graden zijn, de ene duif is hierin nog sterker en bewuster dan de andere.
Dat wil zeggen, ook in het organisme van een duif incarneert de dierlijke ziel verschillende malen voordat zij het hoogste bewustzijn voor die soort heeft bereikt.
Op dezelfde wijze past ook de menselijke persoonlijkheid zich aan aan het lichaam van een volgende stoffelijke graad, waardoor het innerlijke leven van de ziel andere ervaringen opdoet en zich kan verruimen en ontwikkelen.
De verschillen in stoffelijke lichaamsbouw zijn nu voor menselijke ogen niet zo duidelijk en niet zo groot, maar voor de menselijke ziel geeft het beleven van het lichaam van een volgende stoffelijke graad toch ook andere gevoelens, omdat het lichaam verder geëvolueerd is.
Doordat de menselijke ziel reïncarneert, en de lichamen van alle stoffelijke graden kan doorlopen, kan zij zich ontwikkelen uit het voordierlijke gevoelsleven in de eerste stoffelijke graden naar het grofstoffelijke of stoffelijke gevoelsleven in de latere stoffelijke graden.
Dit is dan te merken aan de persoonlijkheid van een volk, en drukt zich onder meer uit in de kunst en in het niveau van de wetenschap.
In het lichaam van de zevende stoffelijke graad kunnen hierdoor grote kunstenaars opstaan; zoals Bach, Beethoven en Rembrandt.
Naast het meer geëvolueerde lichaam hebben deze zielen zich in vele levens gewijd aan de ontwikkeling van hun kunstgevoel.
In de zevende stoffelijke graad vinden we ook begaafde wetenschappers.
Dit is mogelijk, omdat het beleven van het meer geëvolueerde lichaam van de zevende stoffelijke graad rijkere ervaringen geeft aan het gevoelsleven van de ziel die in haar leeft, waardoor de persoonlijkheid van de ziel de mogelijkheid heeft om iets moois te creëren.
Deze ziel is hiertoe in staat, omdat zij dan al miljoenen levens heeft beleefd, en de lichamen van alle stoffelijke graden heeft doorlopen, en hierdoor kans gehad heeft om zich een hoger gevoelsleven eigen te maken.
Hoe meer bewustzijn een volk nu bezit, des te ruimer wordt het stoffelijke leven, doch is waar te nemen áán het organisme.
De hoogste levensgraad bezit nu de kunsten en wetenschappen!
Wat de zevende levensgraad vermag en bereiken kan, is het oerwoudstadium niet toe in staat te beleven.
Dat zijn dus organische wetten!
Géén Eskimo is in staat uw Rembrandt te vertegenwoordigen noch Beethoven, Bach, Titiaan, uw kunsten en wetenschappen, meester André-Dectar... omdat die organismen het eigen innerlijke leven en afstemming voor de Aarde vertegenwoordigen.
Daartoe is alléén de zevende levensgraad in staat, mét de ziel als de persoonlijkheid!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
Ook de menselijke stem vertegenwoordigt de graad van het lichaam en het gevoelsleven.
De stem van een lichaam van de eerste stoffelijke graad is nog niet zo ontwikkeld als de stem van een lichaam van de zevende stoffelijke graad.
En hiermee in overeenstemming is ook dat het gevoelsleven van een ziel die in de eerste stoffelijke graad leeft nog niet ver genoeg is ontwikkeld om die stem te gebruiken voor het zingen van een opera.
Maar eens komt ook deze ziel zover, en in de zevende stoffelijke graad zal haar lied u als muziek in de oren klinken.
Waar het de Meesters om gaat is nu, dat élke levensgraad een „eigen” timbre te vertegenwoordigen heeft.
De levensgraad dus voor het stoffelijke organisme, het oerwoud op Aarde, die mensen dus, zingen niet als het kind van Moeder Aarde dat de zevende graad als organisme beleven kan, want dat is niet mogelijk, dat zijn wetten, ook dus voor het menselijke timbre!
Alléén om het kind van Moeder Aarde het ineens duidelijk te maken, kan ik bewijzen, dat alléén de Caruso’s (Caruso, 1873-1921, was een van de beroemdste tenoren in de geschiedenis van de opera) het hoogste organisme moeten beleven, omdat dit organisme het hoogste voor de mens op aarde te vertegenwoordigen heeft, én het kind uit het oerwoud die hoogte nog moet beleven en bereiken.
Dat stemgeluid dus, dat timbre, moet nog ontwaken!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944
Binnen die zevende stoffelijke graad is er nog een verschil tussen het blanke lichaam en het lichaam van de mensen die in 1939 'negers' werden genoemd.
De ziel als mens heeft zich in haar blanke levens immers meer vermengd met eerdere stoffelijke graden, waardoor het blanke lichaam veel meer gesplitst en dus verzwakt is.
Jozef zegt: „Voelt u dit dan nu nog niet?
De negers zijn reeds tot het volmaakte organisme gekomen, zij vertegenwoordigen slechts een bloedgroep en zijn de kleurvolken; kleurlingen, die dus de machtige stemmen als timbres moeten bezitten, omdat die organismen hen terug voeren tot de natuurlijke werkelijkheid; ons blanke organisme echter is gesplitst.
Het is hierdoor, dat de neger zo’n machtig geluid heeft.
Ga nu de mens op Aarde even volgen en u ziet, dat één op miljoenen mensen het natuurtimbre bezit en nu horen wij die mens zingen met een rein, zuiver, ongesplitst organisme.
En daarvan zijn er slechts enkelen, omdat heel de mensheid is gesplitst.
Maar Berends, u bent nogal vlug met kosmische raadsels op te geven, wáár is die eigenlijke splitsing begonnen?
Want er is nu nog een andere splitsing en die heeft alles vermoord, die splitsing heeft de menselijke stem volkomen vernietigd.
En als dat niet was gebeurd, dan had u een stem gehoord, die élk stuk steen had doen splijten.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950

Stads kannibalisme

Wanneer de ziel het lichaam van de zevende graad heeft bereikt, heeft haar innerlijk gevoelsleven alle tijd gehad om zich te verruimen en een hoger gevoelsleven op te bouwen door het beleven van de verhoogde werkingen van de latere stoffelijke graden.
Toch hoeven we ons daar niet altijd veel van voor te stellen.
Vele zielen zijn zelfs, terwijl ze in de zevende stoffelijke graad leven, amper uit het voordierlijke gevoelsleven geraakt, en hun handelingen wijzen nog steeds richting oerwoud.
(Mevrouw in de zaal): ‘Hoe komt het dan, als het blanke ras het hoogste ras is, dat er nog zoveel mensen zijn die beestig zijn, een beestige afstemming hebben?’
Mijn lieve kind, u hebt ook de geestelijke graad nog niet bereikt.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Wat doet de maatschappij, wat doen miljoenen mensen?
Ze zijn nog niet zover.
(Mevrouw in de zaal): ‘Maar toch hebben ze het blanke lichaam.’
Tja, maar u hebt... in dat blanke lichaam leeft de dierlijke graad voor voelen en denken, dat...
Ze knallen u zo neer, nietwaar?
Ze hebben geen ontzag voor uw blanke ras, voor uw mens-zijn.
Er leeft goed en kwaad in uw maatschappij op de aarde, en die is bewust.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
(Meneer in de zaal): ‘Het blanke ras is het hoogste ras.’
Ja. (Zoals een paar zinnen verderop door de spreker wordt toegelicht gaat het hier alleen om het lichaam en niet om het innerlijke van de mens, want een blank lichaam wil helemaal niet zeggen dat de geest van deze mens niet in het oerwoud thuishoort, zoals ook de vraagsteller suggereert.)
(Meneer in de zaal): ‘Maar als je eens een keertje bij mij op mijn werk komt, dan zou je bij je eigen denken dat je eigenlijk nog in het oerwoud aanwezig was.’
In denken.
(Meneer in de zaal): ‘Ja.
Maar in het voelen.’
In het voelen?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Maar u moet het lichamelijk zien.
Dít is het blanke ras.
Maar uw blanke geest is er nog niet. (gelach)
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950

Innerlijke gevoelsgraden

Een aantal tijdgenoten van André begrepen het verschil niet tussen de graden van stoffelijke lichamelijke evolutie en de graden van innerlijke geestelijke evolutie.
Ja, kijk, mijn vriend, wij hebben...
Moet u goed begrijpen, moet u luisteren waar we over spreken.
We hebben het over de lichamelijke graden.
Dát is, waar u over spreekt, stel me die vraag, dat gaat over goed en kwaad.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Het lichaam van de mens behoort tot een stoffelijke graad.
Als meester Zelanus de persoonlijkheid van de mens ontleedt,spreekt hij van innerlijke afstemming.
Het zieleleven legt dus een lange weg af voor het op aarde bewustzijn bezit.
Alle soorten van mensen leven bijeen.
Maar iedere levensgraad valt te herkennen.
Aan zijn daden kan de afstemming, waarin de mens leeft, worden vastgesteld, de daden zetten u voor de wetten en voeren u tot de persoonlijkheid.
Aan het karakter, waaruit de daden voortvloeien, herkent u het innerlijke bewustzijn, waarna u kunt vaststellen op welke van de geestelijke-innerlijke-graden het afstemming heeft.
Als de ziel de stoffelijke graden voor het organisme heeft beleefd, staat zij voor de wetten van oorzaak en gevolg.
Voor haar begint het goedmaken van het kwaad in vorige levens begaan.
Dit moet geheel zijn opgelost wil de mens de sferen van licht betreden.
Wie alles, wat ik u tot nu heb verteld, goed aanvoelt en begrijpt, zal thans de verklaring weten voor de vele schijnbare onrechtvaardigheden, die de wereld te zien geeft.
Waarom leeft de ene mens in het blanke ras te midden van beschaving en gemak en beleeft de ander de ellendige staat van het oerwoud?
Waarom krijgt de een rijkdom en gezondheid en de ander armoe en ziekte als zijn deel?
Met deze vragen, die voor tallozen op aarde grote problemen zijn, weet ge alleen maar geen raad, als ge aanvaardt, dat ge slechts één leven ontvangt, zoals uw kerken en uw wetenschap nog steeds beweren.
Als ge kunt aanvaarden, dat de ziel een evolutie moet doormaken om al die stoffelijke graden te beleven, ziet u in, dat er van Goddelijke onrechtvaardigheid geen sprake is.
Indien u even doordenkt moet het u duidelijk zijn, dat God als een Vader van liefde Zijn kinderen niet onrechtvaardig behandelen kán!
Hij kan niet Zijn ene kind alles geven en het andere in ellende laten omkomen.
God heeft met alles in de ruimte een bedoeling en zo moet het ook betekenis hebben, dat de ene mens in het oerwoud leeft en de andere te midden van het blanke ras.
Voor God zijn ál Zijn kinderen gelijk, niet één kind krijgt meer van Hem dan het andere.
Maar geniet u niet meer dan een oerwoudbewoner?
Is uw levenspeil met dat van een onbewuste te vergelijken?
Leeft u in een en dezelfde bewustzijnsgraad?
Neen, maar zie daarin geen onrechtvaardigheid van God tegenover de oerwoudbewoner.
De laatste kán uw levensgraad eenvoudig niet beleven, omdat zijn zieleleven er niet voor gereed is.
Zijn ziel moet nog aan stoffelijk bewustzijn winnen, om eens het geestelijke gevoelsleven te kunnen binnentreden.
U als blanke bezit in uw staat in elk opzicht meer geluk dan hij.
Het ellendige bestaan in het oerwoud ligt te ver van u weg.
Maar toch volbracht ook ú daar uw eerste levens!
Wat dus onrechtvaardigheid lijkt, betekent in wezen evolutie.
Om tot God als bewúste zielen te kunnen terugkeren moeten we alle graden, die Hij schiep, beleven.
In één leven is die hoogte niet te bereiken, daartoe zijn er vele nodig.
In de ganse schepping zijn deze levensgraden vast te stellen en te volgen.
Elk dier vertegenwoordigt de eigen levenswet als graad.
Moeder Aarde schonk deze graden aan al haar leven, aan mens en dier.
Zij dwingt u ertoe hen te beleven, zólang tot ge op aarde de hoogste soort hebt bereikt.
Eerst dan kunt ge verdergaan.
De engelen uit de hoogste sferen aan deze zijde leefden eens in het oerwoud.
Er aan ontkomen kan niemand.
God schonk ons al deze graden om te ontwaken.
In ons leven heeft de astrale persoonlijkheid de graden leren kennen en is hen toen gaan begrijpen.
De meesters aan deze zijde voerden mij en anderen erin terug en overtuigden ons door het beeld van Gods scheppingsplan aan ons te tonen.
Eenieder, die de sferen van licht betreedt, wordt met de beleefde stadia in verbinding gebracht.
Er valt dan niet langer te twijfelen, de wetten spreken hun duidelijke taal.
Wij zien voor ons, hoe er steeds weer een lichaam gereed was om ons zieleleven in zijn evolutie te dienen.
Geestelijke Gaven, 1943
Ook in de innerlijke graden voor het gevoelsleven onderscheiden de meesters zeven stappen.
Zij spreken over: voordierlijk, dierlijk, grofstoffelijk, stoffelijk, geestelijk, ruimtelijk en goddelijk.
Ze stelden voor zichzelf vast dat ze daar in een dierlijk onbewustzijn hun levens hadden volbracht en daarna stoffelijk werden, stoffelijk gingen denken, in harmonie met het lichaam, met het leven daar op aarde, en hierna geestelijk en toen ruimtelijk.
En nu, vanaf de Vierde Kosmische Graad gaan zij goddelijk ruimtelijk denken en voelen én handelen.
Lezingen Deel 2, 1951

Op weg naar de geestelijke liefde

Wanneer de ziel uiteindelijk de zevende stoffelijke graad heeft beleefd, komt zij vrij van de organische evolutie op de planeet aarde.
Zij heeft alle lichamen beleefd, voor haar is er niet méér te beleven op aarde, de lichamen van de stoffelijke graden hebben alles gegeven wat de ziel voor de verruiming van haar innerlijk gevoelsleven kan dienen.
Maar het gevoelsleven van de mens is ten achter gebleven.
Terwijl het lichaam is uitgeëvolueerd, is het karakter nog alles behalve harmonieus.
Dikwijls is de ziel na de lichamelijke evolutieweg nog maar net uit het voordierlijke bestaan de dierlijke gevoelsgraad binnengetreden, zelfs al leeft zij in een lichaam van de zevende stoffelijke graad.
Dat blijkt uit het feit dat ook in de geciviliseerde westerse maatschappij moord en doodslag schering en inslag is.
De gevoelsgraad die zich nog inlaat met moord en geweld om haar hartstochten te bevredigen, noemen de meesters de dierlijke gevoelsgraad.
Na het beleven van de lichamen van de zeven stoffelijke graden begint de ziel te werken aan haar innerlijke ontwikkeling.
Na de dierlijke gevoelsgraad komen de grofstoffelijke en de stoffelijke gevoelsgraden.
Die beginnen als de mens het moorden achter zich laat, en zich instelt op de verfijning en verfraaiing van het stoffelijke leven.
Het grofstoffelijke en stoffelijke gevoelsleven is afgestemd op het stoffelijke lichaam, op al de eigenschappen en geneugten van het stoffelijke leven op aarde.
Door het beleven van honderden levens leren we alle aspecten van dat stoffelijke leven kennen.
Nadat zij alle stoffelijke gevoelens heeft beleefd en in haar gevoelsleven heeft opgenomen, begint de ziel aan de geestelijke graad van haar gevoelsleven.
In onderstaand citaat bedoelt meester Alcar met 'geestelijke graden' de innerlijke gevoelsgraden. Alcar geeft aan dat in de vierde lichamelijk-stoffelijke graad een ziel met intellectuele begaafdheid kan indalen, terwijl in de latere stoffelijke graden nog zielen afdalen die afgestemd zijn op het oerinstinct, op de eerste innerlijke gevoelsgraden (de verklaring hiervoor wordt verderop gegeven in 'Herkansing en begaafdheid').
Verbeeldt u zich maar niets, verbeeldt u zich niet dat u als blank mens het hoogste beleeft...
Ga naar Brits-Indië (India), u ziet daar een machtige persoonlijkheid, ook een normaal, natuurlijk, krachtig, sterk bewust organisme, en daarin leeft de ziel.
Het Indische leven, het oosterse bewustzijn is u ver vóór.
Want wanneer we spreken over een yogi, een magiër, een fakir, een ingewijde, daar weet u niets van.
En dan moet u een tempel betreden, dan kunt u een studie volgen van twintig, dertig jaar, en dan weet u nog niets.
Alleen al om in te slapen, om een beetje te genezen, om te zeggen: ik laat u stilstaan.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
En om zijn blanke toehoorders duidelijk te maken dat hun verachting van andere kleurtjes (in het jaar 1939) niet thuishoort in een toekomstige wereld van 'geestelijke liefde', voegt meester Alcar er nog aan toe:
In het ene leven zwart of donker, zodat zij door eenieder die het blanke lichaam bezit worden veracht, in het daarop volgende leven een meester in de ene of andere kunst, of koning of keizer.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De mens gaat nu op weg om zich een weinig geestelijke liefde eigen te maken.
Geestelijke liefde is ruimer dan stoffelijke liefde.
Christus sprak over deze geestelijke liefde met de woorden: Heb elkander lief!
Hij legde deze geestelijke graad van liefde uit door aan te geven dat we ook onze vijanden moesten liefhebben.
Een geestelijke liefde gaat immers uit naar het Leven, naar de ziel, en niet naar de persoonlijkheid van de mens.
De meesters spreken over 'Heb lief alles wat leeft'.
Dan zien we geen persoonlijkheden meer, maar alleen Leven.
Dan kijken we niet meer naar rassen of huidskleuren, dan krijgen we universeel lief:
Indien je de ruimte beleven kunt en het leven, dan stralen je ogen, dan leeft je menselijke hart en je ziel straalt, zoals de sferen van licht dat bezitten.
En er is slechts één ras op aarde en dat is de mens.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 1, 1944
De geestelijke liefde is universeler dan de stoffelijke.
Een geestelijk-ontwaakte moeder voelt liefde voor al het leven en niet alleen voor haar eigen kinderen.
Het duidelijk maken hoe we deze geestelijke liefde kunnen ontwikkelen is de kern van alle boeken van Jozef Rulof.
Vanaf het allereerste boek wordt hier voortdurend de nadruk op gelegd:
In een bioscoop – het is werkelijk gebeurd – waren honderden kinderen bijeen.
Plotseling brak er brand uit en de moeders, die het hoorden, vlogen naar binnen om hun kleinen te redden.
Velen liepen echter andere kleinen onder de voeten, om toch maar hun bezit te redden.
Is dat universele liefde?
Waren al die kleinen, die zij onder de voeten liepen niet Gods leven?
Neen, alleen hun kind; naar een ander wezen werd niet omgezien.
Gelukkig waren zij niet allen zo.
Is deze liefde niet grofstoffelijk?
Zij vertrapten levens om het éne leven, wat hun toebehoorde, te redden.
Waarom deden zij dat?
Omdat het niets dan eigenliefde was.
Ik zou zo kunnen doorgaan en u door verschillende toestanden duidelijk maken, dat wij mensen nog steeds niet liefhebben.
Voor ieder mens zou ik mijn leven willen geven.
Dit is geen verdienste, omdat het voor mij een grote genade zou zijn, te mogen sterven, daar ik weet, dat het leven aan Gene Zijde schoner is dan hier op aarde.
Toch is het voor ons op aarde het grootste, wat men zou kunnen geven en schenken.
Maar ook op andere wijze kan men nuttig zijn en ik bereik door voor de mensen iets te zijn en hen te helpen méér dan dat ik voor één wezen mijn leven zou geven.
In de kleinste daad ligt juist de grootste kracht.
Daarom zeg ik u, dat ik gelukkig zal zijn, wanneer ik u met de uwen weer gelukkig kan maken.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936

Oorzaak en gevolg

Vóódat we aan die geestelijke liefde zijn toegekomen, hebben we echter eerst nog andere zaken recht te zetten:
De planeet aarde heeft haar taak volbracht en het innerlijke leven neemt nu een aanvang.
De mens, die in de zevende stoffelijke graad leeft en sterft, keert opnieuw naar de aarde terug en begint aan zijn innerlijke leven, dat wil zeggen: goedmaken wat hij in al die levens misdeed.
Dit is nu die ontzaglijke wet en is in ieder mens aanwezig.
Het is de goddelijke afstemming in ons, die ons een halt toeroept, die ons dwingt dat te vereffenen, dat goed te maken, wat wij in al die graden hebben misdaan.
Dat beleven en terugkeren naar de aarde is dus het karma, is oorzaak en gevolg, van al die duizenden levens, waarin wij het ene leven na het andere hebben afgeslacht.
Een ontzaglijke berg van zonden en fouten heeft de innerlijke mens te beleven.
Hoe verschrikkelijk dit alles is, weet alleen God die al Zijn kinderen kent.
Geen mens, ga hem maar na in al die stoffelijke graden, heeft iets van zijn aardse leven gemaakt, omdat hij zichzelf niet kent en zich dus niets eigen heeft gemaakt, dat bezit betekent in het leven na de aardse dood.
Hij bezit niets wat geestelijk bezit betekent, kent geen reine liefde die wij bezitten, wil hij de sferen van licht kunnen binnentreden.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Ook al lijkt het zo dat de ziel in elk nieuw leven met 'een schone lei' kan beginnen, is dit niet helemaal waar.
Doordat de ervaringen van de vorige levens tijdens het verblijf in de wereld van het onbewuste zijn weggezakt naar het onderbewustzijn van de ziel, is het dagelijks bewustzijn van de mens - het dagbewustzijn - gevrijwaard van de druk van die ervaringen.
In ons dagbewustzijn kunnen we die vorige levens niet bewust herinneren, en dat is maar goed ook.
Al de vorige levens, al het leed en de ellende die de ziel andere mensen heeft aangedaan is diep weggezonken in het machtige en ongekende onderbewustzijn.
Gelukkig, want anders zouden we wellicht moedeloos worden en geen kracht vinden om 'het beste van onszelf te geven'.
Hoewel het weggezonken is, is toch juist dat verleden de stuwing die de ziel voortdrijft om goed te maken wat ze in al die levens misdeed.
De disharmonie die ze zelf heeft veroorzaakt weegt als een zware last op haar innerlijke schouders, want hierdoor is de ziel niet in harmonie met het Leven, waartoe ze behoort.
Zij zal van nu af aan licht moeten brengen waar ze duisternis rondstrooide, geluk moeten brengen waar ze leed veroorzaakte, lief moeten hebben wie ze gehaat en veracht heeft, en geestelijke verruiming moeten brengen aan wie ze vroeger dogma's heeft opgelegd.
Dit plaatst de ziel voor een ontzaglijke berg en brengt de ziel terug naar de miljoenen zielen waarmee ze in haar vorige levens te maken heeft gehad.
En nu plaatst het de ziel juist in díé positie waar de menselijke persoonlijkheid het moeilijk mee heeft.
Ging de ziel als mens in een vroeger leven tiranniek om met zijn onderdanen, dan zal hij nu de slaaf worden van die vroegere onderdanen en het leven als slaaf ten volle ondergaan, zonder dat hij als mens de mogelijkheid zal zien hieraan te ontsnappen.
Vele levens lang zal de ziel als persoonlijkheid zich in die situatie geplaatst zien waar ze de pest aan heeft, maar waarvan ze zich op een mysterieuze wijze niet kan bevrijden.
Dat mysterie is voor de mens ondoorgrondelijk, en hij ervaart alles als onrecht.
Maar in de diepte van het zielenleven ligt het antwoord en de rechtvaardigheid verborgen.
De ziel zelf heeft die andere mensen mismaakt, en is nu begonnen om recht te zetten wat ze heeft kromgeslagen.
En dit zal haar levensbloed kosten, méér dan zweet en tranen.
Het geeft haar persoonlijkheid leven na leven juist datgene te beleven, wat ze niet wil.
Als persoonlijkheid kan ze dus de omstandigheden van haar volgende leven niet kiezen.
Die levenssituatie wordt bepaald door haar eigen verleden.
Zij kan als persoonlijkheid nog niet kiezen, want zij heeft de geestelijke graad van bewustzijn nog niet bereikt.
En als ze die bereikt, dan aanvaardt ze alles, omdat ze dan verlangt om het beste van zichzelf te mogen geven.
Dan gaat ze geen moeilijkheden meer uit de weg, dan maakt ze er het beste van.
Als wij in de wereld van het onbewuste leven en op een incarnatie wachten, dan ontvangen wij juist dát wat wij niet willen, omdat het juist datgene is wat wij nog niet bezitten.
Wie zeggen „ik wil niet terug” en dit alleen doen uit angst voor al die stoffelijke ellende, zijn geestelijk dood, zijn niet wakker en bewust en zullen terugkeren en juist dát beleven wat zij niet willen ontvangen.
Wie niet wil, ontvangt en wie ontvangen wil, ontvangt niet, wanneer het tenminste met aardse dingen en toestanden te maken heeft en alleen is om te bezitten, om rijk te zijn.
Christus wist voordat hij naar de aarde afdaalde, wat Hem te wachten stond en wat voor Hem is, is ook voor ons.
Wat Hij beleefde zullen wij eens beleven, ook wij zullen eens onze ganse persoonlijkheid bezitten.
Dan vragen wij niet geef ons dit of dat, want anders dalen wij niet af.
Neen, André, hoe het ook is, wij dalen af en verlangen om alles, alles te mogen geven.
Eerst dan zijn wij wakker en bewust.
Die levende doden willen dat echter niet, die breken af wat anderen opbouwden, denken het recht te bezitten dit alles af te moeten breken, doch zij zijn in een diepe slaap, waaruit zij voorlopig niet zullen ontwaken.
Ook zij hebben niets te geven en behoren tot de levende doden.
Al deze mensen houden maar van één mens en soms van niemand.
En dan alleen nog maar, wanneer zij er iets voor ontvangen.
Die levende doden zullen grote ogen opzetten, want zij zijn het die moeten terugkeren, omdat zij zo voelen.
Schoon zou de aarde zijn als de mens kon willen, dát kon willen wat Gods schepping is.
Maar wanneer zij hun overgang en geboren worden konden bepalen, zij deze machten en krachten in handen hadden, eerst dan werd het een chaos.
De mens ontving alles, Gods eigen leven.
Doch de mens wil alleen dát beleven, wat hij mooi en heerlijk vindt, alleen dát leven op aarde waarin hij alles bezit.
Maar goddank dat wij de natuur kennen, dat wij weten hoe de natuurwetten zijn en dat daaraan mensen niets kunnen veranderen, daarnaar moeten luisteren, want niet God zendt hen terug, doch zij worden door hun eigen afstemming, hun fouten en zonden, door al het verkeerde aangetrokken, wat in het verleden aanwezig is.
Dit moet worden goed gemaakt, eerst dan kunnen zij van de planeet aarde afscheid nemen en het Hiernamaals binnentreden.
Waar zij ook zijn en wie zij nú zijn, straks gaat een ander hun plaatsen bezetten, dan vallen zij terug en gaan in een andere toestand over, terug naar de aarde om alles goed te maken.
Alles regelt zich hier vanzelf, want het zijn stoffelijke en geestelijke wetten.
Aan alles komt een einde en de laagste graad gaat in de hoogste over en de hoogste daalt tot de laagste af om hen te helpen.
Wie het éne of andere ras vervloekt, gaat zelf ten onder.
Wie zich aan de liefde van anderen vergrijpt, gaat ook te gronde omdat hij fouten begaat en zal dit in een ander leven moeten goedmaken.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Deze 'wet van oorzaak en gevolg' geldt voor elke ziel.
Deze wet garandeert de rechtvaardigheid van de levensomstandigheden voor de ziel, beschouwd in het licht van haar eeuwige evolutie.
Onfeilbaar komen deze wetten tot je bewustzijn.
En soms twee of drie levens tegelijk.
Van al die levens zuigt de persoonlijkheid gevoel in zich op.
Er zijn levens beleefd, die niets te betekenen hebben.
Miljoenen mensen beleven die eigenschappen.
Miljoenen mensen beleven niets, omdat ze nog moeten ontwaken.
Bruisende belevenissen dringen tot het dagbewustzijn door.
Die willen beleefd worden.
Die zijn ook niet tegen te houden, de ziel als de persoonlijkheid maakt ze zelf wakker.
Hierdoor begint het leven.
Als kind ga je zien, wat er eigenlijk in de ziel leeft.
Het karakter heeft te luisteren, de persoonlijkheid zit eraan vast.
Kunst, wijsheid, mystiek, hartstochten en geweld, vader- en moederschap, al die duizenden wetten treden thans op de voorgrond.
En dat is de persoonlijkheid, dat leeft in het organisme en staat voor goed en kwaad, voor oorzaak en gevolg, voor karmische wetten.
Zeg nu nog eens dat je niets met andere levens te maken hebt.
Ik zeg je, er is niet één mens in deze maatschappij, niet in het oerwoud, Karel, want je kunt die wetten niet beleven, dat zijn vanzelf andere levensgraden als organismen gezien, of je hebt met die levens uit te staan.
Ben je los van die zielen, heb je oorzaak en gevolg goed gemaakt, dan gaan die levens uit je aura weg.
Dat werkt onfeilbaar!
Je eigen levensgraad is het ergst bezield.
Je kunt nu vier levensgraden terug het menselijk organisme, de baringswetten beleven.
Dat wil zeggen, dat je kinderen kunt verwekken, kunt aantrekken door die lagere graden.
Je kunt bij een Eskimo kinderen verwekken, maar dat is je eigen levensgraad niet.
Nu sta je voor een natuurlijke wet, je stemt je reeds af op een andere levensgraad en bent in disharmonie met je eigen levensgraad.
Of dacht je, dat dit voor de kosmische wetten geen gevolgen had?
Je kunt tientallen levens verdergaan, eens zal je aan dat leven goed moeten maken, de natuurlijke wet voor het vader- en moederschap roept je terug.
Zo verslingert de ziel zichzelf en brengt zij splitsing, niet alleen voor het lichamelijke, ook voor haar persoonlijkheid.
De kosmische wet vraagt je de graad van leven te aanvaarden, die tot je eigen leven behoort.
Maskers en Mensen, 1948
Iedere levensgraad zoekt net zolang totdat het leven gevonden wordt, dat tot het andere behoort.
Nu leeft je ziel in andere streken van de Aarde.
Je zult haar daar halen of zij komt tot je leven terug.
Je voelt wel, duizenden mogelijkheden komen er op je af en je kent er niet één.
Toch gaat de natuur verder.
De zeven lichamelijke levensgraden voor het organisme eisen van ons de wetten te beleven en te aanvaarden.
Je zit levens achtereen aan mensen vast en komt eerst dan los, wanneer je goed hebt gemaakt.
Nu is het waar, onze eigen levensgraad heeft zich over de Aarde verspreid.
Was dat niet het geval, dan zou je zien, dat géén Hollander een kind van het ander volk zou kunnen huwen, omdat de ziel het doodeenvoudig zelf niet wil.
Dit gezoek van mensen onder andere volken om de waarachtige liefde te vinden, drijft de ziel reeds tot het andere volk.
Maar zijn die karmische wetten beleefd, dan houden die op te bestaan en komt het innerlijk leven niet meer vrij van de eigen levensgraad.
Je kunt er dan niet meer aan ontkomen, je komt niet weg, iets in je zegt: tot hier en niet verder!
Net als bij Hans nu, hij kon niet anders!
Dit zijn dus wetten.
Niet alleen voor de eigen levensgraad, maar duizenden andere wetten beslissen thans over je leven.
En dat is een mens!
Dat is een vrouw en is een man.
Maskers en Mensen, 1948
Waarom ben ik tot je teruggekeerd, Karel?
Omdat ik je in een van mijn levens iets ontnomen heb.
En dat heeft juist met het kindzijn uit te staan.
Ik maak thans goed!
Ik breng je naar het bewustzijn terug, dat ik je vroeger ontnomen heb.
Het gevaarlijkste wat wij mensen kunnen doen is, een medemens het geloof ontnemen.
Mensen van het hoogste afhouden is de allergrootste misdaad die wij kunnen begaan.
Indien dit de ontwikkeling voor de ziel tegenhoudt, val je er door!
Dat zijn nu kosmische wetten.
Die zijn veel en veel bewuster, dan enig ander kwaad.
Je hebt thans direct de Goddelijke evolutie in handen.
Je staat thans tegenover de Goddelijke wet.
Wie mij thans afmaakt en hierdoor mensen geestelijk bezoedelt, dus dooddrukt, van mijn leer en de Goddelijke wetten houdt, bezoedeling schept, is nog niet jarig.
Niet alleen de lichamelijke fouten zal je moeten oplossen, je staat thans voor een mens die je alles zou willen geven, maar wellicht niet wordt aanvaard.
Waarom niet?
Waarom wil die ziel niet aanvaarden?
Waarom krijg je dit leven niet tot andere gedachten?
Omdat jij zélf dat leven hebt verwoest!
Zie nu maar dat je het weer wakker krijgt.
En je kunt in het leven na de dood geen stap verzetten, als je die kinderen van God niet geopend hebt voor Zijn wetten.
Duizenden mogelijkheden houden je gevangen.
Je komt er niet van los, je hebt ze te beleven en weer tot de Goddelijke harmonische wetten, die voor de rechtvaardigheid en Goddelijke evolutie, terug te voeren, maar waar je leven ná leven mee bezig bent!
Breek mij gerust af, straks sta je voor je eigen afbraak.
Wee je leven, als ik de waarheid breng.
Verkoop ik kletspraat, dan is alles anders en heb je het recht om het af te maken.
Maar ben ik bezig de Goddelijke harmonische wetten tot je leven en dat van anderen te brengen, Karel, dan moet je mij maar bezoedelen, levens heb je er voor nodig om dat gif uit die zielen te verwijderen.
Weet je nu waarom zoveel mensen zich uitsloven om het andere leven van God tot ontwaking te brengen?
Weet je nu, waarom er in mij zo’n enorme wil is dit alles te volbrengen?
Ik laat mij er voor aan stukken hakken.
Ik sterf er voor!
Ik wil leeg bloeden voor deze taak, omdat ook ik ál die wetten heb beleefd.
Spreek eens verkeerd over een wezen, een mens, maak dat leven eens af, vroeg of laat sta je voor je eigen ellende.
En als het je vrouw is?
Dacht je, dat al die mislukte huwelijken geen betekenis hadden?
Dacht je, dat die mensen zo uit eigen verlangen en door eigen wil tot elkaar waren gekomen?
Je kunt even tekeergaan, je schept er nieuw karma door, maar zij of hij die tot je leven behoort staat vroeg of laat voor je.
Nietwaar?
Waarom komt de ziel niet tot handelen?
Wat weigert er in je persoonlijkheid?
Waarom kom je niet tot een besluit?
Waarom is het juist die ander?
Het is juist de verkeerde.
Ja, dat zou je wel willen, Karel.
Dat wat bewust in je is handelt nu!
Dit, wat het dagbewustzijn vertegenwoordigen moet, beslist thans over je leven.
En nu begrijp je elkaar niet.
Dat is natuurlijk, je krijgt thans je taak te zien.
Je kunt nu beginnen om die ziel weer tot de reine klaarte van Frederik terug te voeren.
Maskers en Mensen, 1948

Herkansing en begaafdheid

De ziel begint eerst aan het oudste 'leed' dat ze veroorzaakt heeft.
Ze keert na het beleven van de lichamen van de zevende stoffelijke graad terug naar het lichaam van de vierde graad en begint van daar af haar tweede levenstocht over Moeder Aarde.
Ditmaal niet meer om de lichamen van de stoffelijke graden te beleven, maar wel om zich vrij te maken van haar eigen disharmonisch verleden.
Dankzij de mogelijkheid om telkens weer te reïncarneren kan zij nu in elk leven een stapje zetten richting sferen van licht.
Het innerlijke leven, dat de zevende graad heeft bereikt, daalt thans in de vierde graad neer, om in die stoffelijke graad goed te maken.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Dit geschiedt vanaf de vierde graad, omdat het bezielende leven in de eerste drie graden niet kan binnengaan.
De mens die in de vierde graad zijn broeder of zuster afmaakte, wordt nu door dat bezielende leven aangetrokken, omdat haat, die verschrikkelijke kracht, hen doet verbinden.
Je ziet, zielen trekken nu zielen tot zich, het ene leven zal thans het andere ontmoeten en goedmaken.
Die haat, of hartstocht, hoe diep ook in het zieleleven teruggezonken, is tot ontwikkeling gekomen en trekt dat leven nu tot zich en wij zien oorzaak en gevolg, leren deze goddelijke wet kennen.
De oorzaak ligt duizenden eeuwen terug, doch de ziel keert tot daar eveneens terug, ontmoet dat leven op aarde en zal goedmaken.
Dit is voor ieder mens, hierin ligt de diepte van het zieleleven.
Als dit niet zo was, dan kon de mens onze sferen niet bereiken en was er voor het zieleleven geen mogelijkheid om goed te maken en aan zijn karma te beginnen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Dit betekent dat er vanaf de vierde stoffelijke graad zielen van diverse pluimage bij elkaar leven.
Enerzijds de zielen die in hun eerste levenstocht tot de vierde graad van stoffelijke ontwikkeling zijn opgeklommen.
Zij zijn bezig aan het verruimen van hun bewustzijn door het beleven van de verhoogde werking van de hogere stoffelijke graden.
Zij zijn nog aan het opklimmen naar de zevende stoffelijke graad.
En anderzijds zielen die het lichaam van de zevende stoffelijke graad al hebben beleefd, en terugkeren om hun karma en oorzaak en gevolg goed te maken.
Deze zielen hebben meestal al wat meer 'gevoel' opgebouwd, waardoor ze 'anders' zijn dan hun lichaamsgenoten van de vierde stoffelijke graad.
Daarom en daarom alleen, zien wij onder hen intellectuelen, mensen met begaafdheid, zoals het hoogste ras op aarde is en dat vinden wij in al die graden terug.
De mens die dit beleeft, is zich natuurlijk van die wet niet bewust, want hij aanvaardt niet eens een eeuwig voortleven.
En achter de dood ligt dit alles, eerst dán, wanneer wij het leven na de dood aanvaarden, leren wij al deze geestelijke wetten kennen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Meester Alcar licht dit toe aan de hand van zijn eigen verleden:
In dat leven, toen ik daarin mijn haat, mijn verderf ging goedmaken, trok iets mij van het hogere ras aan en toen kon ik het onder die zwarte mensen niet meer uithouden.
Toch had ik daar mijn taak volbracht, want die krachten waren in mij en hielden mij aan de plaats waar ik leefde gevangen.
Maar later dreef mij echter iets voort, ik zocht en werd nooit voldaan.
Ik hoorde daar niet en wilde bezitten, dit, wat die andere mensen op aarde hadden.
Ik vroeg mij af, waarom dat grote en machtige verschil in het aardse en stoffelijke kleed was, waarin ik leefde en ik zag naar de blanken, doch ik begreep niets van dit alles.
Maar diep in mij was er iets dat mij voortdreef, dat ik niet kende en begreep en dat mij ook nimmer duidelijk zou worden.
In dat leven echter was ik de slaaf van een ander wezen en daarin lag al mijn strijd en goedmaken.
Hoe wonderlijk dit is zal je duidelijk zijn, nu wij dit alles weten.
Nu trad er opnieuw een andere wet naar voren die ik eerst aan deze zijde, dus in de vierde sfeer, leerde kennen.
Op vijf en zestig jarige leeftijd ging ik in dat zwarte kleed over.
In dat leven had ik goed gemaakt en kwam mijn einde op aarde.
Ik zou, waar het mij om gaat, deze leeftijd bereiken.
Mijn geboren worden en sterven op aarde lag dus vast.
Ik zou niet ouder en niet jonger kunnen sterven.
Die wetten, André, leerde ik in de tempel der ziel kennen.
Voel deze diepte aan en wanneer je dit voelt, dan weet je, dat het geboren en sterven op aarde vast ligt, niets anders dan het karma is, dat deze wet beheerst.
De dood op aarde betekende voor mij het einde van oorzaak en gevolg voor dat leven.
Mijn dood op aarde was voor diegenen die mij lief hadden een groot verlies, zij voelden leed en smart, maar voor mij betekende de dood een genade, omdat ik in een andere toestand zou overgaan.
Ik had in dat leven goed gemaakt, mijn eigen karma riep het verdere leven op aarde een halt toe.
Ik ging over en wachtte opnieuw op een andere incarnatie waar ik, zoals in die vorige toestand, goed had te maken.
Ik zal nu even mijn eigen leven blijven volgen, waardoor je een duidelijk beeld van enige levens ontvangt.
Je ziet daardoor dat niet God het wezen roept, niet zegt nu is het genoeg, maar dat onze eigen toestand dit doet en ons verleden is.
Het is een natuurlijke wet, de wet van oorzaak en gevolg, die dit tot stand brengt.
In de sferen van licht zag ik verschillende levens van mijzelf en zag, dat ik na dat leven, waarvan ik vertelde, in het Noorden overging.
Maar in dat leven nu bezat ik het moederkleed.
Vijf honderd jaren waren er echter voorbij gegaan.
In die vijfhonderd jaren leefde ik in de wereld van het onbewuste en toen ik door mijn ouders werd aangetrokken en daar dus werd geboren, beleefde ik de vijfde stoffelijke graad.
Het diepe wonder dat ik door de kosmische meesters mocht beleven, die mij met vele levens verbonden, omdat dit een bedoeling had, wat ik je ook later duidelijk zal maken, daarvan rilde en beefde ik en ik voelde diep ontzag in mij komen.
In dat leven verlangde ik naar kinderen en die kinderen werden mij gegeven.
Doch het wezen, dat naast mij leefde, vervloekte mij en ik leed een leven als in de hel niet te beleven is.
Op vijftigjarige leeftijd ging ik over, innerlijk gebroken en verscheurd.
En waarom was dit alles?
Ook ik had die ander het leven vernietigd.
Ik had hem zó gepijnigd, dat het met zijn leven geen raad wist en zich verpletterde.
Ik was echter de oorzaak van zijn overgang en zou hem nu weer ontmoeten en dit geschiedde, want dat lag vast.
Opnieuw trad ik de wereld van het onbewuste binnen.
Het volgende leven dat ik waarnam en waarin ik was overgegaan, leefde ik in Egypte.
Het is alles zo wonderbaarlijk, André en voor de mensen op aarde raadselachtig, maar je kunt mij geloven, want ik spreek de heilige waarheid.
Ik hielp mee aan een kosmisch plan, een gebeurtenis die met de diepe menselijke geschiedenis heeft te maken.
Ik hielp bouwen aan de Piramide van Gizeh.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939

only for white

Zo komt de ziel voor de tweede maal in een lichaam van de zevende stoffelijke graad en beleeft nu talloze levens om zich met alle andere zielen in harmonie te brengen.
Dit brengt haar opnieuw naar vele volkeren en rassen, naar alle uithoeken van de aarde.
De ziel reïncarneert de ene keer in een rijk milieu, de andere keer als bedelaar.
De ene maal in een hoge sociale en maatschappelijke positie, de volgende maal helemaal onderaan in de maatschappij.
De ene maal in een blank, de andere maal in een donker lichaam.
Intussen geven wij de lezing over de „Reïncarnatie” en spreekt men erover.
Jeus wordt door de zwartjes gekust, omdat hij voor hun levens vecht, omdat wij tegen de blanken zeggen, verbeeldt u zich maar niets, straks behoort u zelf weer tot de duistere rassoorten op aarde, omdat gij goed hebt te maken.
Bij die zwartjes daar, zitten doktoren, ze kopen boeken, ze gaan weg en ze willen geheel Harlem tot hem brengen, indien hij meer van deze lezingen geeft.
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
In bovenstaand citaat bedoelt meester Zelanus met 'duister' donker en met 'zwartjes' de Amerikaanse negers. Hij geeft aan dat alle zielen reïncarneren om goed te maken, en dat de zielen die nu in een blank lichaam leven in een volgend leven in een 'zwart' of een andersgekleurd lichaam uit de latere graden kunnen terugkeren.
Eind jaren veertig van de vorige eeuw werden alle mensen met een donkere huidskleur door veel blanken over één kam geschoren. Het was in een tijd waarin veel filosofen, metafysici, schrijvers en geleerden de negers lager op de evolutionaire ladder plaatsten dan zij, als blanken, naar hun oordeel stonden. Jeus (Jozef Rulof) vocht tegen deze discriminatie, hij pleitte voor respect en gelijke behandeling. Voor hem, en de meesters, is iedere ziel uniek en in essentie gelijkwaardig. Het is de mens die veel verschillen bedenkt en hiermee discrimineert.
Die kleur bijvoorbeeld, onze blanke raskleur is een mooi kleurtje, maar dat zegt nog niets ten opzichte van het bewustzijn van de mens.
Je hebt zwarte kleuren en bruine kleuren.
En je hebt zwarte mensen en bruine mensen, die zijn vele malen, honderdduizendmaal verder dan wij; die zijn er toch ook.
Je hebt negers, daar kunnen wij ons hoofd voor buigen, zo krachtig en machtig zijn ze.
Dus dat zegt: de innerlijke mens straalt, bezit licht, uiterlijk en innerlijk, maar het hoofdzakelijke is wel het innerlijke – dat u bedoelt – en dan komen wij tot de uitstraling van de mens.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Jozef Rulof maakt duidelijk dat het niet om een huidskleur gaat, maar om de innerlijke mens.
Aan het gedrag, het bewustzijn, de graad van liefde voor al het leven herkent men de afstemming van de ziel, niet aan het uiterlijk.
De meesters geven aan dat onze geestelijke evolutie vereist dat we onze stoffelijke zienswijze loslaten en gaan kijken met innerlijke geestelijke ogen.
Als die ogen liefde uitstralen, komen we verder en in harmonie met al het leven.
Tenminste als we naar die universele liefde handelen.
Eind jaren veertig worstelde de westerse samenleving ernstig met de 'huidskleuren'.
De Amerikaanse maatschappij bijvoorbeeld deelde de openbare ruimten op in 'only for white' en 'only for black'.
Wanneer de beide huidtypes niet gescheiden werden, riskeerde men onrust en vechtpartijen.
Hoewel de blanke officieel al sprak over gelijke behandeling, was dat in de praktijk meestal ver te zoeken.
De meesters zonden Jozef Rulof in die tijd naar Amerika om ook daar hun boodschap van universele liefde en harmonie te brengen.
Jozef heeft aan den lijve ondervonden dat die geestelijk-wetenschappelijke verklaringen over de gelijkwaardigheid van alle mensen nog hard nodig was:
En zo kwamen wij, en zo komt ook straks de oerwoudbewoner naar (de zevende lichamelijke levensgraad waaronder) het blanke ras.
Want u neemt toch niet aan dat die mensen daar in dat oerwoud onder de grond moeten blijven zitten, waar wij, waar de mens dan hier, ons Westen en Oosten – de kleurlingen hebben dat ook – daar zo laag op neerkijken; dan zeggen ze: ‘Het zijn allemaal dieren.’
U kunt zich ook niet meer vergelijken met een oerwoudbewoner, want u hebt nu het blanke ras, maar het zijn precies de vonken van ons, wij hebben daar ook geleefd.
En nu krijgt u het beleven van alle lichamelijke wetten, want dat is God.
Daar kunt u niets aan verprutsen, dat gaat door.
En dan zijn we vader geweest, moeder geweest, nu ben ik u misschien een beetje voor, een beetje later, want jij deed dit en jij deed dat, en ik deed zus, maar toen wij ons lichaam hadden gekregen, toen stonden wij voor de karmische wetten.
En hoever moeten wij nu terug?
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
En als je die mensen dat nu kon verklaren, dames en heren, die kijkt daar laag op een neger neer...
Ik heb het niet gedaan; in Hollywood ging ik zitten, in Florida, en ik zat juist op de bank van de negers, en dáár was de blanke, hè?
En ik zie dat niet: ‘white’.
Ik denk: Wat heb ik met ‘white’ te maken?
Ik ging bij ‘black’ zitten.
Toen kwamen daar de whitelingen, die kwamen: zó.
Ik zeg: pvvt.
Ik deed dát. (gelach)
Toen zei die vent: ‘Zo.’
Ik zeg: ‘Zo, meneer.’
Toen zegt hij: ‘Ja meneer.’
En ik deed ook zó. (gelach)
Nou, die denkt: die is gek.
Ik denk: och.
Ik zeg tegen mijn broer: ‘Wat, wat?’
Toen zegt hij: ‘Joh, je zit onder de zwarten.’
Ik zeg: ‘Nou, nu wordt ie goed, nou ga ik echt beginnen.’
Ik gaf...
Ik zeg: ‘Do you like a cigaret?’
‘Yes yes.’
Nou, ik zeg: ‘Lekker roken.’
En hij: ggrr.
Wat een haat ligt daar, meneer, in dat zuiden.
O, in South Carolina en daarzo, en hoe verder of je komt: only for white, only for black, and only...
Ik zeg: ‘Hoe bestaat het.’
En daar liep ik tussen.
Maar, meneer, nu kom ik terug, daar zag ik een blanke in zitten, in die neger.
Ik denk: Hé, jij zat vroeger in Frankrijk.
En toen stelde ik mij op die man in, dat was een jongen van achttien jaar en daar een meisje.
Ik zeg tegen mijn meester: ‘Waar hebben ze nu geleefd?’
Hij zegt: ‘Kijk maar, een uit Noorwegen, een uit Frankrijk, een uit Duitsland.’
Europa zag ik in de neger.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
En als het ware om de ‘whitelingen’ alle hoop op een meerwaardig voelen over hun begeerd huidskleurtje te ontnemen,verklaart Jozef Rulof dat ze dat blank kleurtje ook niet kunnen meenemen naar de sferen van licht in het hiernamaals. In het volgende citaat bedoelt hij met ‘als de mens geestelijk bewust is’ de mens die afstemming heeft op de sferen van licht in het hiernamaals. Dit is de ziel die geestelijk geëvolueerd is en een universele liefde voor al het leven begint te voelen .Met ‘het geestelijke gewaad’ bedoelt hij het astraal-geestelijke lichaam van een mens als geest. Met miljoenvoudig bedoelt hij het aantal kleuren die zich in de astraal-geestelijke huidskleur manifesteren. Met het ‘Al’ bedoelt hij de hoogste kosmische levensgraad.
Als de mens geestelijk bewust is dan zijn er geen littekens, en dan is er van zwart, bruin en blank geen sprake, want het geestelijke gewaad is miljoenvoudig.
De mens uit de eerste sfeer die kunt u al bijna niet meer ontleden als u zijn huidskleur ziet.
En nu de tweede sfeer, de derde.
Ik heb de mens in het Al gezien met zijn handjes en zijn huidskleur.
Ik was drie keer in het Al en daar heb ik de mens gezien; als u die huidskleur ziet dan ziet u in die huid, in dat vlees ziet u de ganse schepping.
De ogen van een mens aan Gene Zijde uit de eerste sfeer, dame, die stralen u liefdevol tegemoet, tweede sfeer, derde sfeer.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952

Over karakter en mediumschap

Leven na leven reïncarneert de ziel om haar karma op te lossen, om geluk te schenken aan wie ze leed bracht.
Ze beleeft hiervoor alle volkeren en rassen van de aarde.
In elk leven doen we ervaringen op.
Die ervaringen zinken tussen twee levens in terug in ons onderbewustzijn en worden in het volgend leven het 'gevoel' van waaruit we handelen.
Als we herhaaldelijk met dezelfde werkzaamheden bezig zijn, bouwt dit gevoel van vele levens zich op tot 'aanleg, talenten, aangeboren vaardigheden'.
Daarom zijn er 'wonderkinderen' die al in hun jeugd het talent vertonen waar ze als ziel tijdens vele levens aan gewerkt hebben.
Daarom kan het ene kind veel bereiken, en kan het andere kind zelfs na jarenlange ingespannen arbeid de top niet halen.
Daarom heeft het ene kind gevoel voor muziek, en speelt het andere kind hoofdzakelijk met technisch speelgoed.
Zo was Jozef Rulof al vele levens bezig om 'helderziend medium' te worden.
In het boek 'Tussen Leven en Dood' leren we hem kennen als priester Dectar in het oude Egypte.
Hij was daar een bekwaam genezer en een groot ziener, en leerde de astrale en geestelijke wetten kennen in de tempels van Ra, Re, Luxor en Isis.
Hij werkte tientallen levens aan het ontwikkelen van zijn concentratie, het 'leeg-worden', het genezen, het uittreden, het bewust controleren van lichaam en karakter.
Hij leerde daar de 'dood' en het 'leven' kennen en doorgronden.
Hij bestudeerde en overwon de verschillende graden van de slaap en de trance.
Tijdens de ontwikkeling van het mediumschap werden deze priesters ook bezeten door duistere geesten, omdat ze nog niet de weerstand tegen de duistere astrale wereld hadden ontwikkeld.
Pas in latere levens wisten ze hoe te moeten handelen om zich open te stellen voor astrale mensen, en tegelijkertijd te blijven controleren of diegenen die tot hen kwamen het licht of de duisternis vertegenwoordigen.
Dit is de reden waarom in de twintigste eeuw uitgerekend Jozef Rulof als medium kon dienen om deze machtige astrale kennis op aarde te brengen.
Hij had zich tientallen levens voorbereid op de hoogste graad van mediumschap die een mens op aarde kan bereiken.
En hij was bovendien voor deze taak geboren, dit was de belangrijkste reden waarom hij een laatste maal op aarde reïncarneerde.
Vóórdat hij indaalde als ziel, had hij zich bovendien in het hiernamaals onder leiding van meester Alcar zorgvuldig en langdurig voorbereid op dit mediumschap.
Hij had met Alcar al honderden reizen in tijd en ruimte gemaakt om al de kosmologische kennis in zich op te nemen.
Toen hij als ziel in de wereld van het onbewuste terugzonk naar de diepte van de Albronnelijke bezieling, daalde al die kennis in zijn onderbewustzijn neer, waardoor hij het 'gevoel' zou bezitten om te begrijpen wat Alcar hem in dat leven op aarde zou brengen.
Voor Jozef - die in een vorig leven de naam 'André droeg - was het in zekere zin 'her-inneren' wat hij voordien al in de geest en op aarde beleefd had.
Zo was zijn laatste leven en mediumschap de vrucht van duizenden jaren voorbereiding van André en de astrale meesters.
Maar daarvoor, óm dit te kunnen beleven, ging ik door „leven en dood”.
Wij gingen als priesters door de krankzinnigheid heen, om deze wetten te leren kennen.
Lees de boeken en leer nu uzelf kennen, ook mij en de machtige meesters, onze lieve Meester Alcar en Meester Zelanus!”
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950