Evolutie op onze Aarde

Op weg naar de aarde

Op Mars bereikt de menselijke ziel het eindstadium van de tweede kosmische levensgraad.
Na Mars vervolgt de ziel haar kosmische levensweg en gaat zij over naar de derde kosmische levensgraad.
Deze graad bestaat opnieuw uit zeven evolutionaire stadia die als planeten verstoffelijkt werden.
Op die planeten, die verspreid liggen in het universum, verfijnt de ziel de stoffelijke stelsels van haar lichaam.
Door de verschillende klimatologische omstandigheden op de verschillende planeten winnen vooral de inwendige organen aan kracht en afwerking.
Door duizenden overgangen verdicht de ziel haar ingeschapen blauwdruk tot wat uiteindelijk het menselijke lichaam zou worden op de moederplaneet van de derde kosmische levensgraad: Moeder Aarde.
Op de laatste overgangsplaneet vóór de aarde bevinden zich in de huidige tijd nog steeds zielen, die straks ver genoeg gevorderd zullen zijn om naar de aarde te reizen en daar dan hun eerste aardse leven te beginnen.

De menselijke evolutie op aarde

En dan kan de aardse levenscyclus beginnen.
Hier kan de ziel haar ingeboren blauwdruk om het menselijk lichaam op te bouwen ten volle realiseren.
Natuurlijk niet in één jaar, maar in biljoenen tijdperken.
Ook op aarde moeten de eerste zielen het menselijk-stoffelijke lichaam opbouwen, van enkelvoudige cel tot homo sapiens.
Maar niets kan de ziel tegenhouden.
Deze Albron in ons is immers gemaakt uit dezelfde energie als de eerste planeet, zelfs als de eerste ijle nevelslierten, met precies dezelfde karakteristieken: de drang om te groeien, te verdichten, te verruimen, te evolueren, zowel stoffelijk als geestelijk.
Het is dezelfde levenskracht die de dieren en de natuur inspireert tot groei, die sterren en planeten creëert, en al het leven verbindt in haar diepste kern.
De meesters noemen het ‘Wayti’.
Door de warmte van de zon in ons huidige zonnestelsel konden de eerste zielen op Moeder Aarde hun lichaam weer meer verdichten dan op de vorige planeten.
De eerste zielen moesten op aarde het stoffelijk lichaam opbouwen van cel tot het volwassen menselijk lichaam.
Zij beleven dus eerst het cellenleven in de wateren, later het visstadium, het eerste landelijke bestaan, om ten slotte de menselijke gestalte te kunnen opbouwen.
Dit alles duurde biljoenen tijdperken. Latere zielen, zoals de middengroep waartoe wij behoren, hoefden dit niet meer te doen, omdat de menselijke lichaamsvorm al is opgebouwd door de eerdere zielen.
Toen wij als ziel de aarde bereikten om hier onze kosmische evolutie voort te zetten, was er dus al een lichaam beschikbaar dat de menselijke vorm had bereikt.
Wij konden dus meteen ons eerste aardse leven in een menselijk embryo incarneren bij ouders die het volwassen menselijke lichaam van de eerste menselijk-stoffelijke graad bereikt hadden.
Ook de zielen die nu nog van de overgangsplaneten aankomen en hun eerste leven op aarde gaan beleven, kunnen onmiddellijk incarneren in een menselijk embryo bij ouders van wie het volwassen lichaam behoort tot de eerste menselijk-stoffelijke graad
In zekere zin bouwt iedereen bij elke incarnatie het lichaam op van bevruchte eicel in de moederschoot tot volwassen gestalte.
Dit bouwproces is in alle tijden op dezelfde manier gebeurd.
Alleen, wij kunnen dit door de erfelijke bagage en het lichaam van onze huidige ouders in ongeveer twintig jaar volbrengen.
De eerste zielen moesten hier biljoenen tijdperken aan werken, leven na leven na leven ...
Toen de meesters terugkeken naar de tijd dat de aarde zich begon te verdichten, zagen ze dat de eerste zielen daar op dat moment aan hun eerste cellevens begonnen.
Maar hoe heeft de ziel haar lichaam kunnen opbouwen temidden van alle evolutionaire stadia van Moeder Aarde?
Hoe heeft ze in haar stoffelijke levens de verhittings- en afkoelingsperioden, de vulkaanuitbarstingen en ijstijden overleefd?
Dat wij als mens en het dier de ijstijdperken en al die verhittingstijdperken en afkoelingsjaren overwonnen hebben, is nu nog géén levenswijsheid voor de geleerde van Moeder Aarde.
De geleerde zegt nú nog, dat er wellicht een „Tweede Schepping” is geboren.
Een tweede schepping, dat te betekenen heeft, dat wij als mens die eerste stadia niet hebben beleefd en ook niet mogelijk was, omdat géén mens, noch dier die tijdperken heeft kunnen beleven.
Doch kijk zélf, mijn broeders.
Wat doet de mens en het dier?
Wij zien thans, dat dier en mens zich verplaatsen.
Nu reeds bouwt Oost en Zuid, Noord en West aan de eigen bewustwording.
Wanneer de Aarde hier aan verhitting begint en die tijdperken heeft het eerste leven moeten aanvaarden, ging het leven verder, rustigjes verder, niets kon dit leven storen, want niet héél deze planeet stond in brand.
Daardoor zijn zich Noord, West, Zuid en Oost gaan verdichten en wil zeggen, de jaargetijden komen nu reeds tot bewustwording en hebben wij, hadden wij en ál het andere leven te beleven en te aanvaarden.
Wij gingen dus uit deze omgeving, wij voelden dat, wij konden vertrekken, omdat gans deze ruimte ons leven en bewustzijn toebehoort!
Waarom bezit de Aarde niet in élk land haar vuurspuwende bergen?
Dat is te begrijpen.
Het zijn haar ademhalingsorganen die van tijd tot tijd ruimtelijk de innerlijke werking tot de verstoffelijking voeren, doch waardoor wij haar innerlijke werking aanschouwen.
De mens en het dier ging verder, niets heeft de mens kunnen vernietigen.
Néén, wij moeten aanvaarden, dat mens en dier duizendmaal rond de Aarde zijn gewandeld, heengingen voor die warmte en die afkoeling om ons stoffelijk leven te kunnen voortzetten.
Er is dus géén tweede schepping geboren, geleerde, want dat ís niet mogelijk!
En ook daarvoor beleefde de Aarde haar zeven tijdperken.
Elke afkoeling, iedere cel heeft die zeven overgangen te beleven, ook voor de afkoelings- en verhittingstijdperken én later voor de verdichtings- en verhardingsuren die Moeder Aarde en wíj zélf te beleven kregen.
In het Oosten was er verhitting, dat groei en bloei betekent te beleven, doch wij trokken en met ons al het landelijke leven tot het Westen en het Zuiden, het Noorden, ónherroepelijk, óm ons zélf te beschermen, omdat wij ons stoffelijke leven zouden afmaken.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
De ziel is één met Moeder Aarde en voelt hoe ze haar levensweg moet bewandelen.
Als meester Alcar aan André een beeld toont uit die tijd, is André heel verbaasd:
Wat hij nu zag had hij reeds waargenomen.
Hij zag mens en dier zoals op de tweede planeet.
De mens en het dier hadden hun stoffelijke toestand aanvaard.
Groot en krachtig waren zij.
Waren dit de eerste mensen die op aarde hadden geleefd en die dieren de voorhistorische diersoorten, die thans niet meer op aarde leefden?
Hij zag een wonderlijk tafereel aan zich voorbijgaan.
Uit die lichtende bol was de aarde gegroeid en uit dat water de mens en het dier en toch was alles één toestand, één gebeuren, het ene kwam uit het andere voort.
Wild en woest was het beeld dat hij zag.
Ontzaglijk groot waren de dieren die hier leefden, toch weer niet zo groot als op de tweede planeet en de mens was behaard en sterk, hoewel dit een ander kleed was dan zij daar droegen.
Dit lichaam was reeds fijner en volmaakter, maar de huidskleur was donker.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Wij bevinden ons thans in het eerste stadium van de aarde en dit is het eerste tijdperk, waarvan, zoals ik reeds zei, men niets meer weet.
Maar je hebt nu gezien, dat alles één weg volgt.
Niet ineens kwam alles tot stand, het ene werd uit het andere geboren.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Wanneer de aarde tot rust is gekomen kunnen de eerste zielen de menselijke gestalte gaan verfijnen.
Stap voor stap evolueert het lichaam tot de eerste echt menselijke lichaamsbouw, die de meesters de eerste stoffelijke graad noemen.
De ziel als mens leeft in het lichaam van deze eerste graad in het dichte oerwoud.
Dat eerste menselijke lichaam is nog maar de eerste stap op weg naar de zevende stoffelijke graad waar de ziel zich naar toe werkt.
Voordat de ziel de aarde kon betreden heeft zij zes overgangsstadia moeten beleven op verschillende planeten van de derde kosmische levensgraad.
Op dezelfde wijze moet zij nu zes overgangsstadia als lichamen opbouwen op weg naar de zevende graad.

De eerste lichamelijke graad

Om André de eerste menselijk-lichamelijke graad op aarde duidelijk te maken, neemt meester Alcar hem in uitgetreden toestand mee naar een groep mensen in het dichte oerwoud.
Alcar hoeft zich nu niet meer in te stellen op het verleden, op de eerste zielen.
André kan nu in zijn eigen tijd, 1939, blijven want in deze tijd zijn er nog zielen op aarde van wie het lichaam tot de eerste stoffelijke graad van lichamelijke ontwikkeling behoort.
Meester Alcar maakte hem duidelijk dat ook op aarde het lichaam van de ziel evolueert van een eerste graad van stoffelijke ontwikkeling naar een zevende stoffelijke graad.
Met de zeven stoffelijke graden wordt in eerste instantie de ontwikkeling van het menselijk lichaam bedoeld.
Het eerste lichaam dat de ziel op aarde heeft opgebouwd met een echt menselijke bouw en gestalte wordt de eerste stoffelijke graad genoemd.
Dit is een benaming voor het lichaam, niet voor de ziel of haar gevoelsleven, noch voor de persoonlijkheid, en ook niet voor datgene wat wij ‘mens’ noemen.
Er leeft geen ‘mens’ in een stoffelijke graad.
Als de meesters over stoffelijke graad spreken hebben ze het over het lichaam waarin de ziel op dat moment leeft.
Voor de aanduiding van de ontwikkelingsgraden van het innerlijke leven van de ziel, ons gevoelsleven, spreken de meesters over innerlijke gevoelsgraden of bewustzijnsgraden.
Het bewustzijn van de ziel waarvan het lichaam tot de eerste stoffelijke graad behoort is nog steeds hetzelfde als op Mars.
Alcar noemt het ‘voordierlijk’ omdat de meeste dieren het vlees van hun soortgenoten niet opeten.
De reïncarnaties tussen Mars en de aarde dienden dus alleen om het stoffelijke lichaam voort te stuwen en te verfraaien, maar het innerlijke gevoelsleven bleef achter bij de verfraaiing van het stoffelijke lichaam.
Pas wanneer de ziel de zevende stoffelijke graad bereikt heeft, zal zij aan haar geestelijke ontwikkeling beginnen.

Het stoffelijk bezit

Die aardse genoegens ontdekt de ziel als mens pas in de volgende graad van stoffelijke ontwikkeling.
Alcar legt uit dat de eerste zielen pas na duizenden reïncarnaties het lichaam tot de tweede stoffelijke graad hebben gebracht.
De zielen stuwen - net als op de vorige planeten - het lichaam vooruit en de persoonlijkheid van de mens ervaart het beleven van die verhoogde lichaamsgraad van stoffelijke ontwikkeling.
Deze beleving van het lichaam van de tweede stoffelijke graad geeft de persoonlijkheid nu het gevoel van iets ‘te bezitten’.
Door de verhoogde kracht en werking van het lichaam van de tweede stoffelijke graad krijgt de ziel als persoonlijkheid nu andere gevoelens.
Zij leert de gevoelens ‘waardevol’ en ‘eigendom’ kennen, ze krijgt belangstelling voor het ‘bezitten’.
Waar de ziel als persoonlijkheid met een lichaam van de eerste stoffelijke graad helemaal niet bezig was met de jacht naar persoonlijke eigendommen, spendeert ze in een lichaam van de tweede stoffelijke graad al veel tijd aan het verkrijgen en behouden van datgene wat in haar ogen waardevol is.
In een lichaam van de eerste stoffelijke graad is het gevoelsleven van de ziel alleen bezig met eten, slapen en voortplanten, net als op de tweede kosmische levensgraad.
Wanneer er geen dieren voorhanden zijn, is ook een menselijk lichaam een stukje vlees dat de honger kan stillen.
Honger voelen, honger oplossen.
Net als op Mars.
Basisgevoelens van overleving.
De ziel in een lichaam van de tweede stoffelijke graad op aarde krijgt al enig gevoel voor ‘schoonheid’, de persoonlijkheid gaat zijn lichaam al ‘opmaken’, gaat zichzelf al mooi maken voor zijn medemens.
Schoonheid en eigendom doen hun intrede in het menselijk bewustzijn.
Toen de eerste zielen dit lichaam van de tweede graad van stoffelijke ontwikkeling hadden opgebouwd, zonderden zij zich af van de zielen die later op aarde waren aangekomen en waarvan het lichaam nog tot de eerste stoffelijke graad behoorde.
De zielen die in een lichaam van de tweede stoffelijke graad leefden wilden immers een ander soort leven uitbouwen, en voelden zich niet meer verwant met de voordierlijke levenswijze van de eerste stoffelijke graad.
Op dat moment leefden de zielen waarvan het lichaam tot verschillende stoffelijke graden behoorden dus van elkaar verwijderd.

Kralen en handel

Vervolgens neemt Alcar André mee naar een groep zielen waarvan het lichaam tot de derde stoffelijke graad behoort.
Ook hier beleefde de ziel als persoonlijkheid door de verhoogde werking van het lichaam van de derde stoffelijke graad zodanig andere gevoelens, dat zij het niet meer uithield bij de zielen waarvan het lichaam tot de tweede stoffelijke graad behoort.
Daarom gingen de zielen waarvan het lichaam tot de derde stoffelijke graad behoort in andere groepen leven, waar ze onder elkaar een andere levenswijze konden opbouwen.
Toen de eerste zielen hun lichaam na duizenden jaren tot de derde graad van stoffelijke ontwikkeling hadden gebracht en zich hadden afgesplitst van de andere twee stoffelijke graden, leefden er drie soorten stammen op aarde.
Al deze zielen leefden nog in het oerwoud, maar ze leefden gescheiden van elkaar omdat ze door hun verschillend lichaam een verschillend gevoelsleven hadden ontwikkeld, waardoor ze een andere levenswijze hadden opgebouwd.
Op dat moment was de ziel als persoonlijkheid in deze drie graden nog ‘rustig’.
Alcar geeft aan dat de ziel die rust verloor toen er later meerdere stoffelijke graden ontstonden.
De ‘bezittingen’ van de hogere stoffelijke graden, zoals goud en sieraden, prikkelden het gevoelsleven van de derde stoffelijke graad.
Al dat stoffelijk bezit maakte deze mensen verschrikkelijk onrustig, het veroorzaakte een jacht in hun gevoelsleven om zich dat ook eigen te maken.
In eerste instantie wilden ze dat bezit van die hogere stoffelijke graden wegroven, maar dat werd onmogelijk omdat de persoonlijkheid van de ziel in de hogere lichamelijke graden ook meer dodelijke wapens ontwikkelde.
Toen is het gevoel van ‘ruilen’ ontstaan, de ruilhandel deed haar intrede.
Voordien kende de ziel als persoonlijkheid waarvan het lichaam tot de derde stoffelijke graad behoort dit gevoel nog niet, bij haar gold alleen het (dierlijke) recht van de sterkste.
Wie het sterkste lichaam bezat, roofde en steelde het bezit van een ander, en vergaarde zo zijn eigen rijkdom bij elkaar.

Uit het oerwoud vandaan

Wanneer de ziel op haar levensweg het lichaam van de vierde stoffelijke graad mag ervaren, is dit een hele stap vooruit.
Deze graad van lichamelijke ontwikkeling geeft de ziel hogere gevoelens, hier legt de ziel als mens haar kannibalistische gevoelens af.
Het opeten van andere mensen wordt niet meer geduld in deze samenleving, het gevoelsleven van de ziel is volledig tot het ‘dierlijke bewustzijn’ overgegaan.
De verhoogde werking van de vierde graad van stoffelijke ontwikkeling geeft het gevoelsleven van de ziel verruiming.
Daarom gaan deze groep zielen reeds aan de rand van het oerwoud wonen.
Zij vormen dan ook de overgang naar de volgende stoffelijke graden.
Hier maakt de ziel als mens zich los van de leefomgeving waar zij in de eerste drie stoffelijke graden haar bestaan heeft opgebouwd.
Het leven buiten het oerwoud brengt ook heel andere noodzakelijkheden met zich mee, en geeft weer heel andere gevoelens te beleven.
Deze zielen staan aan de vooravond van de verkenning en verovering van de gehele aarde als levenstuin.
Ze worden zich meer 'bewust' van andere streken als woonmogelijkheid.
Die andere klimatologische omstandigheden zullen ook het lichaam van de volgende stoffelijke graden beïnvloeden.

De aarde als levensruimte

De verhoogde werking van het krachtige lichaam van de vijfde stoffelijke graad stuwt het gevoelsleven van de ziel omhoog.
Vele zielen konden hierdoor het dierlijke gevoelsleven achter zich laten en een hogere gevoelsgraad, het grofstoffelijke gevoelsleven, ontwikkelen.
Hierdoor bouwden zij een samenleving op waarin reeds het (dierlijk lichamelijke) recht van de sterkste aan banden werd gelegd.
Zij legt hierdoor reeds de basis voor de gelijkwaardigheid van alle mensen in hun voelen en denken, ongeacht de aard en kracht van het lichaam.
Toch behielden zij nog steeds een harmonie tussen lichaam en ziel.
Hun innerlijk gevoelsleven was wonderwel één met hun levensomstandigheden, hun levenswijze was perfect aan het barre klimaat aangepast.
Wanneer de ziel naar de volgende stoffelijke graden reïncarneert zal zij deze natuurlijkheid verliezen.
Alcar beschrijft hier een groep zielen waarvan het lichaam tot de vijfde stoffelijke graad behoort.
Op aarde spreekt men over Eskimo's.
Dit is echter niet hetzelfde.
De term 'Eskimo's' suggereert dat het om een homogene groep mensen gaat met gemeenschappelijke kenmerken.
Geestelijk-wetenschappelijk geanalyseerd klopt dit wat betreft hun lichaam, maar niet wat betreft hun innerlijk gevoelsleven.
De zielen waarvan het lichaam tot de vierde, vijfde, zesde of zevende graad van stoffelijke ontwikkeling behoort, kunnen sterk verschillen in hun innerlijke gevoelsgraad.
Sommige zielen zijn hun lichaamsgenoten ver vooruit.
Sommige zielen waarvan het lichaam tot de vierde of vijfde graad behoort hebben reeds alle graden van stoffelijke lichamen beleefd, waardoor ze veel meer ervaringen hebben opgedaan, wat hun gevoelsleven aanzienlijk veranderd kan hebben.
De verklaring van dit verschijnsel wordt verderop gegeven in het hoofdstuk 'Herkansing en begaafdheid'.
Dit verschijnsel legt de nadruk op het verschil tussen menselijke benamingen en de geestelijk-wetenschappelijke wetten die door de astrale meesters beschreven worden.
Geestelijk-wetenschappelijk gesproken bestaan er geen 'mensen' en ook geen 'Eskimo's'.
Geestelijk-wetenschappelijk spreekt men over ziel en lichaam.
De gevoelsgraad van de ziel en de stoffelijke ontwikkelingsgraad van het lichaam kunnen in vele verschillende 'combinaties' voorkomen, die menselijk gesproken over één kam geschoren worden, en dan als 'Eskimo', 'blanke', 'neger', 'Indiër', enz. benoemd worden.

Het adonisch lichaam

In het vierde deel van 'De Kosmologie van Jozef Rulof' geven de meesters duidelijk aan dat de verschillen nu eerder waar te nemen zijn aan het innerlijke gevoelsleven van de ziel dan aan het stoffelijke lichaam.
Ooit zal iedere ziel een 'adonisch' lichaam als aardse levensruimte mogen ontvangen.
Het feit dat er nu nog niet zoveel adonissen rondlopen zegt, dat de ziel met haar verfraaiing van het menselijke lichaam nog niet klaar is.
Die evolutie is nog in volle ontwikkeling en eerst over duizenden jaren afgerond.
En dan hebben we het nog niet over de innerlijke ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid.
Het gevoelsleven van de ziel waarvan het lichaam tot de zevende stoffelijke graad behoort, loopt nog miljoenen jaren achter op de natuurlijke harmonie van het adonisch lichaam.

Van het oerwoud naar de zevende lichamelijke graad

De zielen waarvan het lichaam in de huidige tijd tot de zevende stoffelijke graad behoort zijn verspreid over de hele wereld en zien wij als de meeste mensen en volkeren die op dit moment de aarde bevolken.
Naast de blanken, de Chinezen en de Japanners, behoren hier ook de mensen toe die in 1939 benoemd werden als 'het oosterse type', 'negers' en 'kleurlingen'.

Door de duisternis naar het licht

André vraagt zich af waar die hogere ontwikkeling van de zevende stoffelijke graad in bestaat.
Hij heeft immers van Alcar gehoord dat de ziel in die hogere stoffelijke graden juist haar natuurlijke harmonie met haar lichaam en omgeving verloren heeft.
De zielen die reïncarneerden in een blank lichaam kregen door de verhoogde werking van het stoffelijke lichaam meer intellectualiteit, maar velen onder hen gebruikten dit om 'de beest uit te hangen'.
Met hun scherper denken ontwikkelden ze zeer dodelijke wapens om de wereld te kunnen overheersen.
Hierdoor brachten de zielen tijdens hun levens in het blanke organisme meer leed en ellende dan zij in enig ander lichaam deden.

Het ontstaan van ziekten

De eerste zielen bouwden lichamelijk graad na graad op, en bereikten uiteindelijk de zevende stoffelijke graad.
Alle zeven stoffelijke graden als stammen verwijderden zich van elkaar, om een eigen levenswijze te kunnen opbouwen.
Op dat moment, miljoenen jaren geleden, leefden de zeven stoffelijke graden gescheiden, maar tezamen bevolkten ze de aarde.
Als de zevende stoffelijke graad het eindpunt is van de lichamelijke evolutie op aarde, waarom zijn deze lichamen dan zo onderhevig aan de vreselijkste ziekten?
Het lijkt wel of het lichaam in de hogere stoffelijke graden gedegradeerd is in plaats van geëvolueerd.
Waar en wanneer zijn de ziekten ontstaan, of heeft het lichaam ze altijd met zich meegedragen?
Was de oermens ziek?
Elke stoffelijke graad bezat een eigen kracht en werking.
Die kracht en 'afstemming' van dat lichaam was terug te vinden in de sterkte van het beenderstelsel, de samenstelling van het bloed, de werking van spier- en zenuwstelsel, kortom de graad van ontwikkeling van alle stoffelijke stelsels en organen.
Wanneer twee mensen uit dezelfde stoffelijke graad zich voorplantten, erfde het lichaam van hun kind de oerkracht en afstemming van die graad.
Wanneer echter twee mensen uit een verschillende stoffelijke graad een kind voortbrachten, leefden in het lichaam van dat kind twee verschillende afstemmingen als lichamelijke kracht en werking.
Dit veroorzaakte een organische disharmonie.
Voor de natuurlijke evolutie van de ene stoffelijke graad naar de volgende graad had de ziel duizenden jaren gewerkt om alle stelsels van dat lichaam tezamen op een verhoogde kracht van een volgende stoffelijke graad te krijgen.
Door de geleidelijke lichamelijke evolutie bleven alle stoffelijke lichaamsstelsels van de volgende graad toch in harmonie met elkaar, omdat ze allemaal een verhoogde kracht en werking hadden en elkaar dus niet stoorden.
Maar wanneer twee mensen uit een verschillende stoffelijke graad een kind kregen, kon de natuur dit evolutionair verschil niet in één klap opvangen.
Hierdoor ontving het kind een lichaam waarvan de stelsels niet meer op eenzelfde kracht functioneerden Het ene deel van het lichaam functioneerde op de ene stoffelijke graad, terwijl het andere deel de stelsels naar een andere graad van werking stuwde.
Dit verschil trok het lichaam als het ware uit elkaar en zorgde voor een inwendige spanning in alle weefsels.
Bij de eerste vermengingen had deze inwendige spanning nog geen verzwakking van het lichaam tot gevolg.
De oerkracht van de stoffelijke weefsels overheerste nog de eerste verschillen in evolutionaire graad.
Maar het aantal vermengingen vermeerderde explosief.
Na duizenden vermengingen was de spanning zo toegenomen, dat geen enkel weefsel hier nog tegen bestand was.
Hierdoor nam de stoffelijke weerstand van de weefsels tegen externe omstandigheden drastisch af, wat de deur opende voor de eerste 'ziekten'.
Die eerste ziekten waren heel miniem, omdat de weerstand in vergelijking met ons huidige lichaam nog heel groot was.
Maar na miljoenen jaren waren alle lichamen dusdanig verzwakt, dat ook de ziekten konden 'evolueren' tot de huidige ellende.
En het zal nog een tijdje duren voordat de meesters deze ellende uit de wereld hebben geholpen (zie 'Hulp voor de aarde').

Duizenden graden

Alcar legt uit dat de vermenging zich generatie na generatie meer uitbreidde, zodat in de huidige tijd geen enkel lichaam op aarde nog gerekend kan worden tot één stoffelijke graad.
Er zijn in feite duizenden graden ontstaan, waardoor de weerstand van alle menselijke lichamen drastisch gedaald is.
Ondanks de medische inspanningen blijven hierdoor de ziekten voortwoekeren. Door deze vermenging van stoffelijke graden behoort geen enkel menselijk lichaam dat nu op aarde is nog tot één graad.

Ons eigen verleden

André begreep dat de eerste zielen die op aarde geleefd hadden reeds met de vermenging van de stoffelijke graden waren begonnen.
Dat gebeuren ligt miljoenen jaren in de tijd terug.
In onze huidige tijd leven we pas goed in de gevolgen hiervan, want ons huidige lichaam is duizendvoudig verzwakt.
André vraagt zich in naam van de mensheid af of het rechtvaardig is dat wij nu de gevolgen ondergaan voor het onbewuste gedrag van andere zielen.
Want wijzelf hebben hier toch geen 'schuld' aan?
Alcar maakt André duidelijk dat wij allen op onze eeuwenlange reis van het oerwoud naar de zevende stoffelijke graad meegewerkt hebben aan de vermenging van de stoffelijke graden en zo aan de afbraak van het organisme dat we nu ontvangen.

Hulp voor de aarde

Maar de eerste zielen hebben hun 'schuld' niet vergeten.
Toen zij inzagen dat zijzelf aan de basis lagen van het begin van deze ellende, togen zij aan het werk om deze ellende op te lossen.
Zij vormden een orde in het leven na de dood, die zich tot doel heeft gesteld de mens op aarde te dienen door het menselijk lijden te verzachten en een geestelijk weten te brengen.
Meester Alcar behoort tot deze orde.
Om de mens op aarde te kunnen helpen, bestuderen zij het leven op aarde.
Zij vergaren hun kennis door ervaring, door geestelijk-wetenschappelijk onderzoek.
Doordat zij met duizenden zijn, en niet meer beperkt worden door aardse belemmeringen of aardse tijd, hebben zij in de loop der eeuwen een machtige geestelijke universiteit opgebouwd, die de 'Universiteit van Christus' wordt genoemd, omdat Christus de 'mentor' is van deze universiteit.
Toen de allereerste mensen de sferen van licht hadden opgebouwd, begrepen zij, dat er voor de mensheid op Aarde gewerkt moest worden.
Zij hadden het leven op Aarde en aan deze zijde leren kennen en door zichzelf in het stoffelijk organisme op te sluiten beleefden zij ook de ziekten van de Aarde, waardoor zij ruimtelijk bewustzijn kregen.
Zij volgden van de Maan af al de stoffelijke en geestelijke graden en keerden toen naar de eerste sfeer terug.
„Wat moeten wij voor al die mensen doen?” vroegen zij zich af, in het weten, dat het leven op Aarde een lijdensgeschiedenis was.
Zij zagen van deze wereld uit in al hun duizenden levens en begrepen nu eerst goed de ellende er van.
Spoedig kwamen zij tot een besluit en gingen aan het werk.
Duizenden van hen keerden naar de Aarde terug om er te helpen.
Anderen werden er opnieuw geboren en werden van deze Zijde uit geïnspireerd en zo ontstonden de eerste vindingen.
Van deze Zijde uit zag men steeds scherper hoe de mensheid geholpen kon worden.
Uit hen kwamen de eerste doktoren-medicijnmannen voort, want zij kenden de ziekten van de Aarde, ook al wisten zij toen nog niet hoe die eigenlijk waren ontstaan.
Maar alras leerden zij ook het ontstaan van de ziekten kennen en toen ontstond de Tempel der Medici aan deze zijde!
Zij bleven de zieken van de Aarde volgen en maakten er een grondige studie van.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Onder hun werk en dienen zagen zij de goddelijke kracht van het zieleleven en hoe de stoffelijke organen door het innerlijk leven werden gevoed.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Zij besloten toen om het allereerste verschijnsel er van te onderzoeken.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
In het embryonale leven waren er geen ziekten.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De meesters gingen naar de bijplaneten.
Maar op de tweede kosmische levensgraad, een planetenstelsel, dat het innerlijk leven als ziel van de Maan ontving, konden zij al evenmin ziekten vaststellen.
Ook hier was het stoffelijk en innerlijk leven in niets besmet, want het bewustzijn er voor moest daar nog ontwaken.
Mens en dier begrepen dus niets van ziekten of van de verkeerde handeling, waardoor ziekten zouden kunnen ontstaan, dat was daar niet mogelijk.
Mens en dier beleefden de natuurlijke wetten en konden nog geen eigen weg volgen.
De meesters stonden voor grote problemen, maar Moeder Natuur, het leven zelf wees hun de weg.
Zij zweefden naar de Aarde terug en volgden ook op deze planeet al de levensgraden voor het stoffelijk lichaam.
Toen zagen zij het ontstaan van de ziekten!
Het volwassen bewustzijn schiep ellende, omdat de mens zichzelf niet kende.
Op de Maan konden er geen ziekten bestaan, omdat het menselijk wezen daar geen volwassen bewustzijn bezat.
Op Aarde bezat de mens dat bewustzijn wel en toen ontstonden de ziekten.
De meesters zagen een geweldige studie voor zich.
Alles gingen ze nu na en kwamen zo tot ontleding.
Zij zelf, leerden ze, hadden aan het ontstaan geholpen, door hun wil om te beleven, te bevruchten.
Door met andere stoffelijke levensgraden het éénzijn te beleven, schiepen zij afbraak voor het organisme.
Hun graad splitste zich er door.
Die bewijzen er voor kregen ze, toen zij hun eigen levens volgden.
Zij hadden zelf schuld aan al die ellende en moesten aanvaarden, dat zij niet de geestelijke, maar de stoffelijke afbraak hadden gediend.
Ze stonden nu voor hun eigen gedrag, voor hun levens, die in onbewustzijn waren volbracht, en zij begrepen!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De mensheid stond voor een ramp en in de loop der eeuwen zou de aftakeling nog verschrikkelijker worden!
Er moest iets tegen dit onheil worden gedaan, het was meer dan noodzakelijk, dat zij de aard van de ziekte leerden kennen.
En ook moesten ze nagaan, met welke middelen ze deze ziekten zouden kunnen bestrijden.
De eigenlijke oerkracht van de Maan, begrepen de meesters, was verdwenen.
Kind na kind, man na man, vrouw na vrouw hielp mee aan de stoffelijke afbraak.
Deze meesters werden als gebroken door de natuurlijke bewijzen, die ze opdeden.
Een berg van ellende zagen zij voor zich.
Wie zou al die verschrikkingen kunnen oplossen?
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
In al de graden voor het organisme viel de verzwakking waar te nemen.
Ook het hoogste ras was bezoedeld, niet één graad was er aan ontkomen.
Zenuw- en spierstelsels leefden op halve krachten, want de ondergrond was volkomen vernietigd.
Dát was de afstemming van het organisme, die zij te aanvaarden hadden.
Niet één mens in de ruimte was van schuld vrij te pleiten.
Het menselijk bewustzijn, het dierlijk verlangen in de mens, had deze ellende geschapen.
De man wilde stoffelijk bezit nemen van de vrouw, en waar hij haar ontmoette, overmeesterde hij haar en leefde zich door haar lichaam uit.
In de bossen speelde zich dit drama af en hier reeds begon de stoffelijke afbraak.
Door zo voort te gaan moest het leven op Aarde eens instorten.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Toen kwam het ogenblik, dat deze meesters berichten ontvingen uit de hogere regionen, dat er instrumenten zouden komen, die de mensheid van dit lijden zouden verlossen.
Er werd reeds aan gewerkt.
Zij behoefden dus niet te wanhopen, de meesters.
Zij hadden al ingezien, dat de medicijnen maar een hulpmiddel waren.
Medicijn alléén kon de ziekte niet overwinnen.
Nu zouden er dus instrumenten op Aarde worden gebracht en deze zouden de ziekten geheel doen oplossen.
De mensheid zou er evenwel eerst voor moeten ontwaken.
En daarop was het wachten.
De meesters kregen bericht, rustig verder te gaan en zich door niets te laten storen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Straks krijgen deze technische wonderen geestelijke betekenis, ze dienen dan voor het machtig instrument, dat alle ziekten van de Aarde zal doen oplossen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941

Stads kannibalisme

Wanneer de ziel het lichaam van de zevende graad heeft bereikt, heeft haar innerlijk gevoelsleven alle tijd gehad om zich te verruimen en een hoger gevoelsleven op te bouwen door het beleven van de verhoogde werkingen van de latere stoffelijke graden.
Toch hoeven we ons daar niet altijd veel van voor te stellen.
Vele zielen zijn zelfs, terwijl ze in de zevende stoffelijke graad leven, amper uit het voordierlijke gevoelsleven geraakt, en hun handelingen wijzen nog steeds richting oerwoud.

Innerlijke gevoelsgraden

Ook in de innerlijke graden voor het gevoelsleven onderscheiden de meesters zeven stappen.
Zij spreken over: voordierlijk, dierlijk, grofstoffelijk, stoffelijk, geestelijk, ruimtelijk en goddelijk.
Ze stelden voor zichzelf vast dat ze daar in een dierlijk onbewustzijn hun levens hadden volbracht en daarna stoffelijk werden, stoffelijk gingen denken, in harmonie met het lichaam, met het leven daar op aarde, en hierna geestelijk en toen ruimtelijk.
En nu, vanaf de Vierde Kosmische Graad gaan zij goddelijk ruimtelijk denken en voelen én handelen.
Lezingen Deel 2, 1951

Op weg naar de geestelijke liefde

Wanneer de ziel uiteindelijk de zevende stoffelijke graad heeft beleefd, komt zij vrij van de organische evolutie op de planeet aarde.
Zij heeft alle lichamen beleefd, voor haar is er niet méér te beleven op aarde, de lichamen van de stoffelijke graden hebben alles gegeven wat de ziel voor de verruiming van haar innerlijk gevoelsleven kan dienen.
Maar het gevoelsleven van de mens is ten achter gebleven.
Terwijl het lichaam is uitgeëvolueerd, is het karakter nog alles behalve harmonieus.
Dikwijls is de ziel na de lichamelijke evolutieweg nog maar net uit het voordierlijke bestaan de dierlijke gevoelsgraad binnengetreden, zelfs al leeft zij in een lichaam van de zevende stoffelijke graad.
Dat blijkt uit het feit dat ook in de geciviliseerde westerse maatschappij moord en doodslag schering en inslag is.
De gevoelsgraad die zich nog inlaat met moord en geweld om haar hartstochten te bevredigen, noemen de meesters de dierlijke gevoelsgraad.
Na het beleven van de lichamen van de zeven stoffelijke graden begint de ziel te werken aan haar innerlijke ontwikkeling.
Na de dierlijke gevoelsgraad komen de grofstoffelijke en de stoffelijke gevoelsgraden.
Die beginnen als de mens het moorden achter zich laat, en zich instelt op de verfijning en verfraaiing van het stoffelijke leven.
Het grofstoffelijke en stoffelijke gevoelsleven is afgestemd op het stoffelijke lichaam, op al de eigenschappen en geneugten van het stoffelijke leven op aarde.
Door het beleven van honderden levens leren we alle aspecten van dat stoffelijke leven kennen.
Nadat zij alle stoffelijke gevoelens heeft beleefd en in haar gevoelsleven heeft opgenomen, begint de ziel aan de geestelijke graad van haar gevoelsleven.
In onderstaand citaat bedoelt meester Alcar met 'geestelijke graden' de innerlijke gevoelsgraden. Alcar geeft aan dat in de vierde lichamelijk-stoffelijke graad een ziel met intellectuele begaafdheid kan indalen, terwijl in de latere stoffelijke graden nog zielen afdalen die afgestemd zijn op het oerinstinct, op de eerste innerlijke gevoelsgraden (de verklaring hiervoor wordt verderop gegeven in 'Herkansing en begaafdheid').
De mens gaat nu op weg om zich een weinig geestelijke liefde eigen te maken.
Geestelijke liefde is ruimer dan stoffelijke liefde.
Christus sprak over deze geestelijke liefde met de woorden: Heb elkander lief!
Hij legde deze geestelijke graad van liefde uit door aan te geven dat we ook onze vijanden moesten liefhebben.
Een geestelijke liefde gaat immers uit naar het Leven, naar de ziel, en niet naar de persoonlijkheid van de mens.
De meesters spreken over 'Heb lief alles wat leeft'.
Dan zien we geen persoonlijkheden meer, maar alleen Leven.

Oorzaak en gevolg

Ook al lijkt het zo dat de ziel in elk nieuw leven met 'een schone lei' kan beginnen, is dit niet helemaal waar.
Doordat de ervaringen van de vorige levens tijdens het verblijf in de wereld van het onbewuste zijn weggezakt naar het onderbewustzijn van de ziel, is het dagelijks bewustzijn van de mens - het dagbewustzijn - gevrijwaard van de druk van die ervaringen.
In ons dagbewustzijn kunnen we die vorige levens niet bewust herinneren, en dat is maar goed ook.
Al de vorige levens, al het leed en de ellende die de ziel andere mensen heeft aangedaan is diep weggezonken in het machtige en ongekende onderbewustzijn.
Gelukkig, want anders zouden we wellicht moedeloos worden en geen kracht vinden om 'het beste van onszelf te geven'.
Hoewel het weggezonken is, is toch juist dat verleden de stuwing die de ziel voortdrijft om goed te maken wat ze in al die levens misdeed.
De disharmonie die ze zelf heeft veroorzaakt weegt als een zware last op haar innerlijke schouders, want hierdoor is de ziel niet in harmonie met het Leven, waartoe ze behoort.
Zij zal van nu af aan licht moeten brengen waar ze duisternis rondstrooide, geluk moeten brengen waar ze leed veroorzaakte, lief moeten hebben wie ze gehaat en veracht heeft, en geestelijke verruiming moeten brengen aan wie ze vroeger dogma's heeft opgelegd.
Dit plaatst de ziel voor een ontzaglijke berg en brengt de ziel terug naar de miljoenen zielen waarmee ze in haar vorige levens te maken heeft gehad.
En nu plaatst het de ziel juist in díé positie waar de menselijke persoonlijkheid het moeilijk mee heeft.
Ging de ziel als mens in een vroeger leven tiranniek om met zijn onderdanen, dan zal hij nu de slaaf worden van die vroegere onderdanen en het leven als slaaf ten volle ondergaan, zonder dat hij als mens de mogelijkheid zal zien hieraan te ontsnappen.
Vele levens lang zal de ziel als persoonlijkheid zich in die situatie geplaatst zien waar ze de pest aan heeft, maar waarvan ze zich op een mysterieuze wijze niet kan bevrijden.
Dat mysterie is voor de mens ondoorgrondelijk, en hij ervaart alles als onrecht.
Maar in de diepte van het zielenleven ligt het antwoord en de rechtvaardigheid verborgen.
De ziel zelf heeft die andere mensen mismaakt, en is nu begonnen om recht te zetten wat ze heeft kromgeslagen.
En dit zal haar levensbloed kosten, méér dan zweet en tranen.
Het geeft haar persoonlijkheid leven na leven juist datgene te beleven, wat ze niet wil.
Als persoonlijkheid kan ze dus de omstandigheden van haar volgende leven niet kiezen.
Die levenssituatie wordt bepaald door haar eigen verleden.
Zij kan als persoonlijkheid nog niet kiezen, want zij heeft de geestelijke graad van bewustzijn nog niet bereikt.
En als ze die bereikt, dan aanvaardt ze alles, omdat ze dan verlangt om het beste van zichzelf te mogen geven.
Dan gaat ze geen moeilijkheden meer uit de weg, dan maakt ze er het beste van.

Herkansing en begaafdheid

De ziel begint eerst aan het oudste 'leed' dat ze veroorzaakt heeft.
Ze keert na het beleven van de lichamen van de zevende stoffelijke graad terug naar het lichaam van de vierde graad en begint van daar af haar tweede levenstocht over Moeder Aarde.
Ditmaal niet meer om de lichamen van de stoffelijke graden te beleven, maar wel om zich vrij te maken van haar eigen disharmonisch verleden.
Dankzij de mogelijkheid om telkens weer te reïncarneren kan zij nu in elk leven een stapje zetten richting sferen van licht.
Dit betekent dat er vanaf de vierde stoffelijke graad zielen van diverse pluimage bij elkaar leven.
Enerzijds de zielen die in hun eerste levenstocht tot de vierde graad van stoffelijke ontwikkeling zijn opgeklommen.
Zij zijn bezig aan het verruimen van hun bewustzijn door het beleven van de verhoogde werking van de hogere stoffelijke graden.
Zij zijn nog aan het opklimmen naar de zevende stoffelijke graad.
En anderzijds zielen die het lichaam van de zevende stoffelijke graad al hebben beleefd, en terugkeren om hun karma en oorzaak en gevolg goed te maken.
Deze zielen hebben meestal al wat meer 'gevoel' opgebouwd, waardoor ze 'anders' zijn dan hun lichaamsgenoten van de vierde stoffelijke graad.

Over karakter en mediumschap

Leven na leven reïncarneert de ziel om haar karma op te lossen, om geluk te schenken aan wie ze leed bracht.
Ze beleeft hiervoor alle volkeren en rassen van de aarde.
In elk leven doen we ervaringen op.
Die ervaringen zinken tussen twee levens in terug in ons onderbewustzijn en worden in het volgend leven het 'gevoel' van waaruit we handelen.
Als we herhaaldelijk met dezelfde werkzaamheden bezig zijn, bouwt dit gevoel van vele levens zich op tot 'aanleg, talenten, aangeboren vaardigheden'.
Daarom zijn er 'wonderkinderen' die al in hun jeugd het talent vertonen waar ze als ziel tijdens vele levens aan gewerkt hebben.
Daarom kan het ene kind veel bereiken, en kan het andere kind zelfs na jarenlange ingespannen arbeid de top niet halen.
Daarom heeft het ene kind gevoel voor muziek, en speelt het andere kind hoofdzakelijk met technisch speelgoed.
Zo was Jozef Rulof al vele levens bezig om 'helderziend medium' te worden.
In het boek 'Tussen Leven en Dood' leren we hem kennen als priester Dectar in het oude Egypte.
Hij was daar een bekwaam genezer en een groot ziener, en leerde de astrale en geestelijke wetten kennen in de tempels van Ra, Re, Luxor en Isis.
Hij werkte tientallen levens aan het ontwikkelen van zijn concentratie, het 'leeg-worden', het genezen, het uittreden, het bewust controleren van lichaam en karakter.
Hij leerde daar de 'dood' en het 'leven' kennen en doorgronden.
Hij bestudeerde en overwon de verschillende graden van de slaap en de trance.
Tijdens de ontwikkeling van het mediumschap werden deze priesters ook bezeten door duistere geesten, omdat ze nog niet de weerstand tegen de duistere astrale wereld hadden ontwikkeld.
Pas in latere levens wisten ze hoe te moeten handelen om zich open te stellen voor astrale mensen, en tegelijkertijd te blijven controleren of diegenen die tot hen kwamen het licht of de duisternis vertegenwoordigen.
Dit is de reden waarom in de twintigste eeuw uitgerekend Jozef Rulof als medium kon dienen om deze machtige astrale kennis op aarde te brengen.
Hij had zich tientallen levens voorbereid op de hoogste graad van mediumschap die een mens op aarde kan bereiken.
En hij was bovendien voor deze taak geboren, dit was de belangrijkste reden waarom hij een laatste maal op aarde reïncarneerde.
Vóórdat hij indaalde als ziel, had hij zich bovendien in het hiernamaals onder leiding van meester Alcar zorgvuldig en langdurig voorbereid op dit mediumschap.
Hij had met Alcar al honderden reizen in tijd en ruimte gemaakt om al de kosmologische kennis in zich op te nemen.
Toen hij als ziel in de wereld van het onbewuste terugzonk naar de diepte van de Albronnelijke bezieling, daalde al die kennis in zijn onderbewustzijn neer, waardoor hij het 'gevoel' zou bezitten om te begrijpen wat Alcar hem in dat leven op aarde zou brengen.
Voor Jozef - die in een vorig leven de naam 'André droeg - was het in zekere zin 'her-inneren' wat hij voordien al in de geest en op aarde beleefd had.
Zo was zijn laatste leven en mediumschap de vrucht van duizenden jaren voorbereiding van André en de astrale meesters.
Maar daarvoor, óm dit te kunnen beleven, ging ik door „leven en dood”.
Wij gingen als priesters door de krankzinnigheid heen, om deze wetten te leren kennen.
Lees de boeken en leer nu uzelf kennen, ook mij en de machtige meesters, onze lieve Meester Alcar en Meester Zelanus!”
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950