Gethsemane en Golgotha -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘Gethsemane en Golgotha’.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘Gethsemane en Golgotha’.

Gethsemane

Gethsemane wil zeggen – hier is dat, dit hof waarin gij zijt –: elke gedachte moet ge nu naar de ruimte sturen, in harmonie brengen met leven en dood, met ziel, geest en stof, met uw wedergeboorte, met vader- en moederschap en duizenden dingen, wetten en problemen meer.
Gethsemane wil u voeren naar de stilte, naar de meditatie.
Dat Gethsemane dat is een bewustwording, dat is een aanvoelen, dat is een denken in de goede richting en in de waarachtige betekenis van het woord.
Lezingen Deel 1, 1950
Ik heb u een beeld gegeven van de eerste sfeer, de tweede, de derde.
Jazeker, daar zitten mensen en rusten uit, maar dat moeten ze niet lang doen.
De rest uit die sferen van licht ís ergens.
U kunt er uw werkelijke vader en moeder niet eens vinden, die zijn er niet.
Ze zijn ergens, ze zijn bezig.
Wanneer ze daar neerzitten en rusten en rusten, ze kunnen een meditatie beleven, daar is Gethsemane voor.
Een sfeer ís Gethsemane, een ruimte, klaar voor het licht en de harmonie en de rechtvaardigheid; dat is altijd weer Gethsemane, dat is de meditatie.
Dat is een plekje ín u, een fundament waardoor ge kunt rusten, de dingen kunt bedenken, de dingen kunt beleven voor ziel, geest en uw eeuwigdurende goddelijke persoonlijkheid.
Lezingen Deel 1, 1950
Wij gaan vanmorgen schoorvoetend verder en dan liggen wij wellicht neergeknield, dáár in deze ruimte om de stilte van Gethsemane te ondergaan.
Waarlijk, nu staan we voor de reine, zuivere stilte die ook de Albron bezit en waardoor de God van al het leven zich heeft gemanifesteerd en door Christus, vanzelfsprekend, naar de aarde werd gebracht.
Lezingen Deel 1, 1950
We gaan door de sferen van licht, we gaan door de Vierde, de Vijfde en de Zesde Kosmische Graad en vanuit het Al komen wij naar Gethsemane terug om een taak voor de aarde te volbrengen, iets voor deze mensheid te doen.
Gethsemane wil zeggen: te leren denken, te mediteren, u gereedmaken voor de volgende stap, de taak die u in uw eigen handen hebt genomen.
Lezingen Deel 1, 1950
Daar staat Christus en kijkt, Hij is nog even bij Johannes en Petrus en zegt: ‘Nu zal het beginnen.
Ik eis nu van u alles, indien ge kunt.’
Hij wist wel hoe groot, hoe diep Zijn kinderen waren.
Hij wist zeer zeker dat wanneer Hij Petrus voor de volle honderd procent de kosmische brandstapel liet betreden, dan kroop dat kind in elkaar en trok zich terug.
Lezingen Deel 2, 1951
Hij was in Zijn goddelijke stilte en van daaruit betrad Hij de levende mens en toen Hij zei, en toen Hij had te aanvaarden daar: ‘Kunt ge dan niet even met Mij waken?
Kunt ge dan niet even uzelf openen, uzelf afstemmen op de waarheid, de werkelijkheid?
Want elk ogenblik stort uw macrokosmos in elkaar en dan hebt u niets meer.
Als Ik u alleen laat, Petrus, Johannes, dan laat Ik toch ook de mensheid alleen.
En kan dat?
Maar Ik heb te aanvaarden tot welk gevoelsleven ge zijt gekomen.’
Lezingen Deel 2, 1951
En toen Hij dan begon en dacht dat de helpers naast Hem stonden, die Zijn leven zouden vertegenwoordigen hierna, lagen zij te slapen, ook Johannes.
En nu bent u allemaal slapende, u bent wandelende, wakker dus in de maatschappij, maar slapende voor Gethsemane.
Hebt u door uw denken en voelen datgene juist wakker gemaakt dat het kleine beetje gevoel van uw goddelijke kern opent, die deur dus, en opstuurt tot het dagbewustzijn, waarvan nu de mens alles wil bezitten?
Nu zegt men: ‘Wat lief is die mens, wat ruim, wat hartelijk.’
Gethsemane bezit nu uw hartelijkheid, uw rechtvaardigheid, uw wilskracht, want Christus wilde zichzelf inzetten voor deze ontwaking.
En nu hebt gij u in te zetten voor ontwaking, voor uw huis; niet voor uw taak in de allereerste plaats waardoor ge eten en drinken moet, dat is uw stóffelijke omgeving.
Maar nú, wanneer doet u nu iets voor dat goddelijke innerlijke?
Wanneer kunt u zeggen: ik raakte vandaag een honderdmiljoenste vonkje aan en legde het voor mij als een nieuw fundament?
Wanneer?
Wanneer bent u nu geestelijk?
Wanneer denkt u nu buiten de apostelen om en buiten de mensheid om, maar regelrecht vanuit uw eerste sfeer naar de aarde terug, voor Christus?
Wanneer?
Wanneer bent u gevoelig, zeker, zacht, dragend?
Lezingen Deel 2, 1951
En aanstonds wordt ons duidelijk dat wij ook elke graad, iedere levenswet, elk woord en iedere gedachte zélf tot de evolutie hebben te voeren.
Wij krijgen niets cadeau, omdat wij alles bezitten!
Wij hebben alles, doordat wij mens zijn geworden, vanuit de Albron ontvangen.
Lezingen Deel 1, 1950
Denken.
Nog in één jaar kunt u duizenden eeuwen beleven, in één jaar kan de mens van u zeggen: ‘Mijn hemel, mijn hemel, wat bent u toch veranderd.’
En nu spreekt dat innerlijke.
Uw ganse woordenboek, want daar ligt het, moet u vergeestelijken.
Hoeveel miljoenen karaktereigenschappen ...
Ga eens denken, zet u eens neer wanneer u werkelijk uw werk hebt gedaan.
Zet u eens neer, ga eens denken en kijk eens naar uw man, en laat hij naar haar kijken.
Bedenk de woorden, hoor eens wat u zelf zegt en of dat woord in harmonie is met Golgotha, met Judas, met Petrus, met de sferen van licht, waartoe ge zult behoren.
Ga eens na hoe ge gisteren waart ten opzichte van de mens.
Hebt ge die mens maar weer afgeblaft?
Is er geen ... wat heeft de Christus gedaan?
‘Kunt ge dan niet even met Me waken?’
Lezingen Deel 1, 1950
De angst die de mens heeft om zichzelf te openen, dat is waarlijk ontzagwekkend droevig.
De mens met zijn bezit, wáár hij zich ook bevindt.
Bevoel de mens eens, volg die persoonlijkheid eens en raak die persoonlijkheid, die wereld eens even aan.
Betast die ziel, die geest en dan moet u eens kijken hóé onbarmhartig, zielig die persoonlijkheid zich laat zien als u maar even over dat leven heen waait en iets van de fundamenten die ze niet bezitten, raakt.
Want deze schijngestalte is niet van plan om Gethsemane in te gaan, laat staan aanstonds Golgotha te betreden – dat u en mij en iedereen wacht.
Lezingen Deel 1, 1950
Ja, het is geen kunst om naar de aarde af te dalen wanneer deze mensheid gereed ís.
Dan heeft men geen woord, geen boek, geen kunst meer nodig, dan is alles in harmonie gekomen.
Maar het gaat er nu om, om deze tijd, om de mensheid naar die geestelijke evolutie op te stuwen.
Daarvoor kwam Christus, daarvoor heeft elk mens zijn leven nog ingezet.
Aanstonds is dat niet meer nodig.
U hoeft in de eerste sfeer niet achter een persoonlijkheid aan te draven, te stuwen, te praten, te bezielen.
Dat is voorbij, dat gaat vanzelf.
Lezingen Deel 1, 1950
Gethsemane wil zeggen: ik wíl waarachtig zijn, ik kén mijzelf reeds, want ik wíl, ik weet wat ik doe.
Lezingen Deel 1, 1950
Want Gethsemane is het álles aanvaarden, is het alles in u opnemen wat de Christus heeft gebracht, wat de Christus heeft bedoeld, waarvoor Hij naar de aarde kwam.
Gethsemane betekent de mensheid aanvaarden.
Lezingen Deel 1, 1950
Voor Gethsemane is er ook geen dood meer, er is daarin alleen leven, hartelijkheid, welwillendheid en zuiver denken en voelen.
In Gethsemane wordt u niet afgeblaft.
In Gethsemane staat u voor de wetten; die zijn zeer zeker niet zo eenvoudig, want wanneer beleeft ge de werkelijkheid?
Wanneer kunt ge zeggen: vandaag ben ik waarachtig?
En nu gaat u maar eens voor uzelf na hoe wij deze wetten in ons op kunnen nemen en wat u ervan bezit.
Het gaat er mij alleen maar om u duidelijk te maken dat u in dit leven Gethsemane hebt te overwinnen.
En dáárin leefde de Christus ...
De apostelen zijn hier en wachten af en zij weten niet wat met ... wat met de meester begint ... wat de meester doet.
De telepathische eenheid van gevoel tot gevoel, die bezit alleen Johannes, een enkeling.
Hij heeft enkele voelhorens en kan zich op het leven van de Messias, de Christus, afstemmen.
En dan lig je daar ook neer en dan ga je denken.
Dan ga je in de eerste plaats denken: mens, mens, mens ... wat kan ik voor u doen?
Zeer zeker zijn er sekten ontstaan en hierdoor heeft het oude Egypte zichzelf opgebouwd, heeft zich een persoonlijkheid gegeven.
De godin van Isis trad naar voren door het denken: wat kan ik voor u doen?
Wat kan ik u vanmorgen schenken, wat kan ik u vandaag brengen?
Kan ik u terugvoeren naar de wetten waardoor we zijn geboren?
En daar lag de Christus.
Hij maakt zich gereed om leven en dood te ondergaan.
Hij weet: aanstonds slacht men Hem af.
Maar wat kan Hem dat schelen?
Aanstonds voert men Hem naar de beulen van deze mensheid.
De ene mens neemt een zweep in zijn handen en slaat erop los.
Een scheldpartij heeft niets te betekenen, thans worden de lichamelijke stelsels van deze Tempel gekraakt.
En daar zit nu een Goddelijke Persoonlijkheid ...
Die aanvaardt dit pak slaag.
Als u de smarten van de Messias hebt kunnen aanvoelen, wanneer u maar even in deze wereld gaat, dan deinst uw persoonlijkheid terug door het geweld dat de maatschappij, ook in uw beleven nog aanwezig is.
Die ontzagwekkende eenvoud van de Messias, de Christus ...
Daar neer te zitten en het pak slaag, de enorme stoffelijke geseling te aanvaarden en niets te zeggen ...
Dankbaar neer te zitten, met een gevoelskracht die zegt: sla Mij maar, Ik doe u toch niks terug.
Want Ik heb geen gevoel meer ... om boos te zijn, het doet Me alleen maar pijn.
Ontzagwekkende smarten krijg Ik nu u in staat bent om die gesel op te nemen, in uw handen te drukken en Mij af te rammelen.
Lezingen Deel 1, 1950
Voor Gethsemane is álles liefde en geluk, harmonie, rechtvaardigheid.
In Gethsemane kunt u niet komen met voorbedachte gevoelens, met uw lange gezichten.
Daarin is de mens gelukkig.
De mens heeft tijd te kort om te denken en te voelen, te werken voor de ruimte, voor de maatschappij; Gethsemane voert de mens tot het hart van deze persoonlijkheid en zegt: wat kan ik voor u doen?
Hierin heeft elk kind van God z’n uren volbracht voordat dit leven de eerste geestelijke hemel kon betreden.
Elk mens van de aarde die een klein beetje gevoel bezit en de eerste sfeer als het ware reeds in zich kan opnemen op afstand, die gaat terug naar de aarde en kwakt zich daar neer, in Gethsemane.
En nu beginnen wij te denken, los van de maatschappij, want hier deugt er niets.
Heel de maatschappij, de persoonlijkheid die mensheid heet, hééft nog geen waarachtigheid, aanvaard dit.
Zolang de Bijbel, zolang de mensheid verdoemenis ... – dat heb ik u verklaard, ik heb u tot die strengheid, tot die plichtsbetrachting gevoerd – zolang deze mensheid een God van liefde niet kan begrijpen, niet wil aanvaarden, dan heeft deze mensheid nog geen realiteitsbezit en hoeft ge als mens, als geleerde, als moeder en als vader deze mensheid niet naar Gethsemane te slepen.
Dat is alleen maar gepraat in een lege ruimte, waar niets aanwezig is, alleen het onbewuste gevoel van de massa, die u niet kunt betasten, die hoort u niet eens!
Want eerst dan zal Gethsemane u ontvangen en aanvaarden, u kunnen beluisteren – Gethsemane beluistert u, dat is een persoonlijkheid, want daarin leeft de God van al het leven – wanneer ge de waarachtigheid beleeft.
Lezingen Deel 1, 1950
En nu: wat hebben wij voor waarachtigs in ons?
Waarom gaat het, waarom leeft ge en waarvoor zult ge nu eigenlijk dienen?
Wanneer wij vanuit de astrale wereld Gethsemane betreden, dan doen we dat schoorvoetend.
Maar u moet eens kijken hoeveel mensen daar binnenvliegen en op de eerste rij willen plaatsnemen, daar juist waar dan de Christus heeft gebeden.
Juist dáár op die plek, die zo angstvallig rein, zo onmetelijk diep is, daar wil de mens onmiddellijk naartoe.
De mens gaat onmiddellijk op de eerste plaats zitten, hij wil in de schaduw staan van de Messias.
De goed denkende mens, de mens die voelt waarheen het gaat, die kunt u daarginds vinden tussen de bomen en de bloemen, of onder de grond.
Hij heeft niets, maar hij durft nog niet naar de werkelijkheid te gaan.
Hij zegt: ‘Ben ik wel gereed?’
En nu krijgt u, vanzelfsprekend, wanneer u de stoffelijke stelsels, de wereld hebt verlaten, krijgt u: wat heb ik hier gedaan, waarvoor leef ik en waarom ga ik nu dienen?
Dat vraagt zich elkeen af.
En nu kunt u daar in de omgeving van Jeruzalem – maar vanuit onze wereld – kunt u miljoenen zielen, vaders en moeders vinden die zich gereedmaken om Gethsemane te beleven.
En nu moet u eens kijken, nu gaat u iets aanvoelen van werkelijkheden.
U gaat thans begrijpen hoe ontzagwekkend het leven van de Messias is.
En hoe die arme kinderen, de apostelen, hun best hebben gedaan en het ook niet konden begrijpen.
Ge gaat hier neerliggen, ge kreunt van smart.
U hebt een pijn in uw hart, zo ontzagwekkend, omdat al de smarten van de aarde, elk mens die bruut, wild, disharmonisch het leven beleeft, tot uw leven komt, dat gaat ge voelen.
U schrikt terug voor een hard, onbekend woord; u bent angstig, omdat de mens zich alweer zal vergeten.
U weet zeer zeker wat het uzelf heeft gekost om ’t zover te brengen, daarvoor hebt ge uw bloed moeten inzetten.
Lezingen Deel 1, 1950
Toen Johannes Hem vroeg na deze meditatie: ‘Meester, wat hebt U gevoeld?
Ik dacht met U in de ruimte te vliegen’, toen zegt Hij tot Johannes: ‘Johannes, Ik wilde dat de mensheid – deze, dit, ons eigen bloed, onze zielen, onze geesten, dit levende fundament – ons de tijd gaf om ... zodat Ik Mij gans kan vertonen, helemaal kan geven.
Ja, Johannes, dan gaan wij vliegen, dan beleven wij een bewustzijn, dan gaan we duizenden jaren vooruit in slechts enkele seconden.
Maar de mensheid, deze massa is nog niet gereed.
Deze massa weet van meditatie, van innerlijk voelen en denken niet af.
Wij krijgen een stoffelijke vernietiging te aanvaarden, Johannes.
Wij kunnen ons sterk maken, wij kunnen denken.
En waaraan zal Ik denken?
Dat Ik eindelijk gereed zal zijn om dit leven te kunnen opvangen.’
Christus liep zichzelf niet vooruit.
Hij ging niet terug tot de Albron; de ruimte, planeten en sterren die konden Hem niet schelen.
Hij ging denken: hóé ben Ik aanstonds gereed om deze klappen, dit bewustzijn te kunnen opvangen?
Zal Ik gereed zijn en precies zeggen wat er in Mij leeft?
Dacht u waarlijk dat de Christus zómaar naar Pilatus ging en later naar Caiphas, onvoorbereid?
Hij had ...
Hij had zichzelf vernietigd, er was van Hem geen Goddelijk bewustzijn uitgegaan.
Maar Hij was gereed!
Lezingen Deel 1, 1950
Het gepraat in Gethsemane is er niet; in Gethsemane wordt alleen maar gedacht en gevoeld.
Daar beleeft ge de reine, ruimtelijke goddelijke werkelijkheid.
En dan komt er een stilte onder uw hart, dan gaat gij blij zijn dat er een moeder naast u zit met eenzelfde gevoelsuitstraling.
Dan is er geen oud en geen jong meer, er is alleen gevoel, er is alleen leven.
Lezingen Deel 1, 1950
Eerst het allereerste begin: láát mij denken, láát mij voelen.
Ik moet beginnen om een mens te kunnen beluisteren en dat is nu het moeilijkste wat er is.
Om naar een mens te luisteren, om een mens te aanvaarden: ja, u hebt gelijk.
Luister nu maar elke dag.
Luister naar alles in de wereld, máár ga dit spreken, dit voelen en denken beluisteren naar de graad van uw bewustzijn.
U laat u geen onzin meer verkopen, dat kunt u niet eens meer.
U bent in staat om die mensen te aanvaarden, maar met die nonsens, met die halfbewuste gevoelens ... het vliegen in de ruimte, dat gebouw van luchtkastelen zegt u niets.
Het te hoog grijpen, het te hoog vliegen, iets voor de maatschappij doen en u kunt uw eigen naam niet eens schrijven, dat is hoogmoedswaanzin, daar hoeft u in Gethsemane niet mee te komen, want men heeft u daar niet nodig.
U moet hier in de werkelijkheid zien.
U moet hier de werkelijkheid aanvaarden en u afvragen: waarin leef ik, wie ben ik, wat doe ik, kan ik dat?
En dán voor ziel, geest, vader-, moederschap, universeel licht, God, Christus.
Lezingen Deel 1, 1950
U bent een dokter?
Dan zult u in Gethsemane dat dokterschap op honderd procent voor de geestelijke graad beleven, u bent nu een goed mens.
Hebt u het over liefde?
Dan zult u Gethsemane erbij halen, want hier wilt ge liefde zijn!
Hebt u het over harmonie, dan loopt u een mens in Gethsemane niet meer ondersteboven, u blaft een mens niet meer af.
U gaat eindelijk een mens vertrouwen.
En nu heeft de mens op aarde duizenden en duizenden gedachten, duizenden verlangens om iets te doen, maar u komt niet verder.
Waarom niet?
Omdat de persoonlijkheid niet aan de eerste graad begint ... een fundamentje.
U begint niet aan: ik wil wáár zijn, ik wil een vriend zijn, ik wil een zuster zijn, een broeder, ik wil een waarachtig vader zijn.
Daar begint u niet aan.
En omdat u niet aan de eerste fundamenten begint, door de ruimte zichtbaar verstoffelijkt – dat is vaderschap, moederschap – komt u ook niet verder.
Ik moet een goede moeder zijn, een waarachtige moeder; ik moet de liefde dragen.
Ik ben vrouw, dan draag ik de goddelijke Albron manifesterend met mij mee, dat ben ik zélf.
Mijn ogen zeggen het, mijn woorden zullen het vertolken.
Lezingen Deel 1, 1950
Dacht u dat Christus op de aarde kwam met naast Hem het goddelijke nirwana, heiligheden en ruimtelijkheden, kleurenrijken – en naast zich een dolk?
Er was niet één verkeerde gedachte in Hem ... een reine Gestalte.
En dat kunt u hier op aarde bereiken.
U kunt dat bereiken en dan staat u voor een welwillend mens en dan moet u eens zien, dan zult ge voelen hoe ontzagwekkend mooi nu een mens voor u is.
Dan zijt gij dankbaar als u man bent en de liefde van de moeder tot u spreekt.
Dan moet u maar eens in die oogjes kijken en dan gaat u dat hart maar eens bevoelen, en zij zegt: ‘Ja lieverd, ja mijn schat!’
Wees voorzichtig, want wanneer ge in Gethsemane zegt: ja lieverd, ja mijn schat, dan zult ge moeten weten wat schat-zijn en lieverd-zijn betekent, anders zegt u het daar niet meer.
Lezingen Deel 1, 1950
U vraagt niets van de wereld, u wilt van geen mens geen dank.
Want dank neemt mijn fundament af.
Ik moet mij gans, ik moet me uiteindelijk volkomen verliezen en geven.
Alles van mezelf moet weg, eerst dán ben ik voor het dienen, het geven – ja, voor welke gaven, voor welke daden? – volkomen opgelost.
Ik moet oplossen, ik moet verdwijnen, als mens hier zo, want ik zal eens al de levensgraden en -wetten in het goddelijke Al moeten vertegenwoordigen!
Dan is het toch duidelijk dat ik dit wat ik nu ben, kwijt moet, dat ga ik veranderen, dat ik dat ga verruimen door meditatie, door te denken.
Lezingen Deel 1, 1950
Dan spreekt Gethsemane ín u, onder uw hart, maar dan bent u welwillend, doordacht en bewust.
U gaat elk woord beleven door Golgotha te ondergaan.
Dat wil dus zeggen: elk woord krijgt de kracht van de Christus.
En dát is niet zo eenvoudig, dat eist en vraagt van uw levens alles.
Maar wanneer u dat bezit, wanneer u dat hebt, dan kunt u voor uzelf zeggen: met mij gebeurt er niets meer, niets kan mij neerslaan, ik ben bewust, ik weet!
Ik heb met het aardse stoffelijke, maatschappelijke niet meer te maken, ook al leef ik er middenin, want ik leef geestelijk, innerlijk in de sferen van licht.
Lezingen Deel 1, 1950
Hoe zal ons leven zijn aanstonds wanneer wij Gethsemane verlaten?
Hebben wij ons afgevraagd voor duizenden eigenschappen: ik ben nu gereed, ik ben nu klaar, ik kan weg?
U voelt het, u kunt niet meer uit die sfeer vandaan, er zijn nog duizenden dingen die u moet afmaken.
Het vragen stellen in deze ruimte is begonnen.
Elke gedachte vraagt aan u: Hé, wacht eens even, beleef mij eens!
Wat wilt ge?
Ik ben geloof?
Nee, ik wil weten!
Lezingen Deel 1, 1950
We gaan Golgotha bestijgen.
Ik ga dragen.
Niets slaat mij neer, ik zal werken tot de laatste snik.
En nu gaat ge voelen dat uw tijd te kort is, dat de tijd kostbaar is.
Eén dag is ontzagwekkend voor de ruimte – en is niets ...!
De nacht maakt u ongelukkig, omdat gij neer moet liggen en aan de stoffelijke stelsels de krachten moet geven om te slapen, om uit te rusten om morgen weer gereed te zijn.
Uren zijn voorbij, maar Gode zij gedankt ... u leeft, u hebt die uren bedacht.
Lezingen Deel 1, 1950
Ge gaat regelrecht naar Golgotha en ge legt u daar neer met het ogenblik, de afstemming toen de Christus daar in Gethsemane mediteerde en zich overgaf aan Zijn godheid, Zijn aanvaarden en beleven.
Dáár kunt gij uzelf op afstemmen en dan zijt ge zeker voor uzelf en van uzelf, want nu komt er reine geestelijke klaarte in u.
Dit is het menselijke hoofd buigen, het zich afvragen: ‘Doe ik goed of was ik wéér verkeerd?’
Maar de mens spreekt maar raak, de mens denkt maar raak.
Hij vraagt zich niet af: ‘Is er een hiernamaals in mij?’
Ik heb het niet tegen die onbewuste wereld, ik spreek nu tot bewusten, ik heb het tegen uw goddelijke vonk, uw goddelijke afstemming, uw goddelijk vader- en moederschap waarvan wij straks tezamen en ten opzichte van Gene Zijde, de macrokosmos, God en Christus het uitdijende heelal zullen ondergaan en beleven.
Aan het eind van deze winter, van deze lezingen, kunt u dan van het licht, de zomer genieten, en dan maakt ge van elke karaktertrek een uitstralend bewustzijn.
Dat zijn de bloemen van uw geest, de orchideeën van uw levensbloed.
Ge zijt sterk in vele dingen; waarom nu niet die krachten op uw karaktertrekken gelegd en uw uitdijing te willen beleven naar de macrokosmos en niet terug naar de aarde?
Voer uzelf naar het licht en nooit meer, nooit meer, door niets en niets naar de duisternis, naar de disharmonie, de afbraak, naar de Pilatus, de Caiphassen op deze wereld, door uw denken en voelen.
Maar ga regelrecht over Golgotha, bewust en zeker met uw liefde, uw taak, uw handelen voor uw vader, uw moeder, uw broeder, uw zuster, uw kinderen naar de eerste sfeer, die harmonie, die rechtvaardigheid is aan Gene Zijde.
Betreed daar van nu af aan een tempel.
Begin aan elke karaktertrek, om die te fundamenteren ten opzichte van Christus.
Bouw van uw leven hier nog in uw maatschappij een tempel van wijsheid, want tenslotte en uiteindelijk bent u dat.
U bent een goddelijke tempel want in u leeft de oerbron, het Allicht, het Alleven, de Alziel, de Algeest.
Maar de persoonlijkheid daarvan zult gij u eigen moeten maken, dus moeten verdienen door de liefde, en eerst dan ontwaakt de God van liefde onder uw menselijke, vaderlijke en moederlijke hart.
Lezingen Deel 2, 1951

Golgotha

Eerst hebben ze Hem daar gemarteld.
Pilatus zegt: ‘Sla op die Mens, gesel Hem maar.’
Daar begint het al.
Hij geeft het bevel dat ze de Messias, dat ze deze Rabbi, die moeten ze maar eens flink kraken.
En nu wordt Christus daar in een hok gesleept – u kunt dat straks zien – en daar komen de heren, één voor één.
Ze slaan zich moe op het lichaam van een arm Mens.
Ze hebben een zweep in handen.
Deden ze het maar met de vuist, maar ze nemen een zweep en slaan erop los, op deze ongelukkige Mens.
De Koning voor ál de werelden wordt gekraakt.
Hij doet niets, Hij zegt er niet één.
Hij kijkt, Hij laat het over zich heen gaan, Hij krijgt Zijn striemen.
Zijn lichaam wordt toegetakeld zoals er een mens nog niet toegetakeld is.
Ja, er zijn er meer, die hebben ze doodgemarteld.
Uw vijfjarige oorlog, uw laatste tijd, die bent u al vergeten, maar toen is het ook weer gebeurd.
Men slaat op het goede, men moet het goede kraken.
De demonen van deze wereld weten het niet beter.
Mijn God, mijn God, mijn God, denkt Christus.
Maar mens, mens, mens ... vergrijp u toch niet aan Mij, vergrijp u toch niet aan Mij.
Hij aanvaardt het.
Hij zegt niets, niets, niets.
Daar staan ze.
Het volk lacht, Jeruzalem lacht, die soldaten beginnen te grijnzen.
Dat brute geweld kijkt naar de God van al het leven, van Judas en Petrus en de apostelen.
Lezingen Deel 1, 1950
Dat heeft de Christus bewezen.
Dat heeft Hij gekund voor Pilatus.
Dat heeft Hij gekund voor de koning der aarde en later naar de Caiphas, direct voor het ruimtelijke, maatschappelijke gezag.
Daarna weer voor de maatschappij en toen naar het geloof, een hogere graad voor voelen en denken.
En toen stond Hij voor Zijn zusters en broeders en toen maakte de ene broeder de ander af.
Toen zei men: ‘Gá en verbrijzel deze Rabbi.’
Wat er daar op die ogenblikken is gebeurd, u weet het niet, men zegt er te weinig van.
De voorstadia die de Christus heeft moeten aanvaarden in de laatste dagen voor Zijn kruisdood, die zijn ontzagwekkend.
Want dáár heeft Hij bewezen, daarin – dat hebben de apostelen moeten aanvaarden – dat Hij zich boog voor het kleinste en verkeerdste.
Dat Petrus heeft gezegd: ‘Ik ken die mens niet’, toen was Petrus bijna gestikt in de armoede – van de Christus – in het zielloze, het vreselijke menselijke dat de apostelen hadden te aanvaarden.
Zij stikten in die armoede.
En vóór hen staat een Goddelijk Bewuste, de Messias, de Christus!
Is het niet waar, hoe ...
Ik wil u aantonen – en dat deed de Messias, dat hebben wij geleerd, dat moesten wij aanvaarden – dóór dit pak slaag, deze vernedering, die bezoedeling, die geseling, het bespuwen van een Goddelijk Kind wérd Hij de Goddelijke.
Wanneer de Christus had teruggeslagen dan was Hij een méns geweest, een dierlijk gedrocht.
Maar Hij gaat ...
Dit tere schaap, dit Kind laat zich slaan, dit Kind laat zich vertrappen, bespuwen, mishandelen.
Het deed een kroon op het hoofd, een doornenkroon die door Zijn hersenen ging.
Hij vindt het goed en Hij aanvaardt het.
En toen zei Johannes tegen Petrus: ‘Begrijp jij dat nog?
We hebben een gek gevolgd, een waanzinnige.
Die Man heeft geen wil meer, geen persoonlijkheid, dit is een lam, dit kunt ge slachten en vermoorden.’
Daar staan de apostelen.
De apostelen die kregen het niet voor niets.
Het waren kleine kinderen, dat heb ik u verteld – waren ze ook.
Ze wisten niet dat daar de Goddelijk Bewuste liep.
Lezingen Deel 1, 1950
U hoort van ons niet dat u zich aan het kruis moet laten slaan.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Ghandi deed reeds verkeerd om zichzelf te slaan voor de mensheid.
Waarom deed hij dat?
Dat wil geen God.
Christus heeft dat ook niet gewild, integendeel, men heeft Hem bewust gekraakt.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
U moet alleen maar weten door wélk bewustzijn u wordt geslagen.
Welk bewustzijn van de aarde wil u vertrappen, wil u geselen?
Als dat een grote, machtige persoonlijkheid is, is het de moeite waard.
Daarvoor zette de Christus zich in.
Niet voor een mens noch voor de natuur, maar voor het bewustzijn van deze wereld zette Hij zich in en liet Hij zich slaan, liet Hij zich bespuwen en bemodderen, omdat Hij wist: Ik ben harmonisch en Ik zal het blijven.
Ik heb door fundament op fundament, leven na leven te beleven, ik heb doordat Ik vader en moeder werd, heb Ik de ruimte van God in het Al mogen bereiken.
Eén verkeerde vingertrek en Ik lig eruit.
Lezingen Deel 1, 1950
Zie die afschrikwekkende portretten die ze van de Messias hebben geschilderd.
Ze hebben het naakte, duistere, mismaakte, hebben ze aan de muren opgehangen, maar Zijn Goddelijk bewustzijn dat heeft nog niemand gepenseeld.
Dat ziet geen mens.
Lezingen Deel 1, 1950
Alles dus wat de Messias daar, voordat Hij Golgotha opging, beleefde en onderging, dat hebt u in de maatschappij.
Lezingen Deel 1, 1950
Ge moet bewijzen wat ge kunt.
Ge zult moeten zeggen: ‘Dat heb ik lief of dit.’
Want dít blijft híér; uw kastelen, alles wat u bezit, blijft daar achter, u hebt alleen maar een kruisdood.
U wordt geslagen en getrapt, en toch is dat niet nodig.
Dat is niet nodig, dat heeft Hij niet bedoeld.
Hij gaf het voorbeeld, omdat u dat kwaad, die armoede, dat onbewustzijn, dat dierlijke gedoe op aarde terugvindt.
Lezingen Deel 1, 1950
Wij zeggen altijd: Wij zetten ons leven in.
We willen sterven voor de Messias.
U kunt ons aan het kruis slaan.
Maar het is machtiger om te kunnen zeggen ... in deze chaos te kunnen blijven en te willen leven om het werk van Hem voort te zetten.
Te kunnen blijven en te willen leven is alles, is het volmaakte, is het bewijzen dat u weet wat u wilt.
Lezingen Deel 1, 1950
Indien ge wilt sterven voor een ander mens, dan betekent dat nog maar zwakte.
Maar kunt ge leven voor de mens, zoals de Christus heeft geleefd voor ál Zijn kinderen, voor deze mensheid, dan is dat goddelijke verruiming.
Lezingen Deel 1, 1950

De Alliefde

En Christus kwam vanuit het Albewustzijn terug naar de aarde om de Alliefde op aarde te brengen.
Lezingen Deel 3, 1952
Wat heeft de Christus u nu geleerd?
Als men u hier slaat ...
Ziet u, daardoor is de Christus goddelijk verantwoord.
En het is nu eenmaal zo.
Toen de Christus daar stond, zegt men; de Christus had de ganse mensheid door één blik kunnen doen verduisteren.
Maar wanneer de Christus zich verkeerd, aan de mens had vergrepen, had hij zijn goddelijk bewustzijn verloren en zichzelf verduisterd.
Dat wordt dus disharmonie, en door disharmonie te verstoffelijken ...
Bijt u nu maar terug, sla en trap maar terug; ge trapt en slaat uzelf.
Blijf liefhebben.
En voordat u zover bent, is er niets gebeurd.
Indien u dat kunt en indien u dat bereikt hebt, bent u reeds bezig geestelijke fundamenten te bouwen.
En dat zijn de genieën onder de mensheid, dat zijn de geestelijk sensitieven.
Die mensen zijn nimmer te bereiken door het kwaad.
Ze zijn óérsterk en bewust.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Wat zei Christus tegen Petrus?
‘Sla niet en vernietig niet Mijn goddelijke fundamenten.’
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Eén verkeerde gedachte van u op dat leven ingesteld en uw ganse heilige geestelijke ruimtelijke bezit zet u door dat slaan en trappen weer in, en u bent weer in het vorige terug.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Maar hier zijn we ... en dan krijgt ge dit pak slaag.
Het goede wordt geslagen, maar het goede maakt zijn taak af.
Het goede, als mens, wil die taak ondergaan, doet niets.
En nu zult u zien: de reine, geestelijke, goddelijke fundamenten treden naar voren, die bouwen zichzelf op.
En dat is dan de enige ... dat is dan het enige houvast voor u als mens in deze maatschappij, deze wereld.
Als u ... mocht men u, indien men u wil slaan: doe niets en neem het.
Want wanneer u terugslaat – hebt u de bewijzen in uw maatschappij, in het leven niet gekregen? – dan eerst zult ge voelen en denken en daarna begrijpen dat het bezit, het enige bezit, het goede in u, plotseling uit uw leven vandaan is en dan kunt ge weer opnieuw beginnen.
Weer opnieuw beginnen om te bewijzen, om die kroon op het gemoed, op het gevoelsleven te plaatsen, op het aanvaarden, het overgeven, het dienen.
Lezingen Deel 1, 1950
Dat is de mens – dat moet u leren – dat is de mens die geen kwaad met kwaad zal vergelden, niet meer boos wordt, niet meer kwaad kan zijn, want dan verliest u het geestelijke fundament, dan bent u bedrog, dan wordt u leugen, dan wordt u afbraak, dan wordt u hartstocht en geweld.
Lezingen Deel 1, 1950
En toen legden wij ons neer, toen stelden wij ons op voor de mens die hardhandig is, de mens die bespuwt, die bemoddert, die bekletst, die afmaakt alles wat hij niet begrijpt, niet omvatten kan.
We stelden ons neer en zeiden: ‘Doe met mij wat gij wilt, ik ben een en al overgave.
Over mijn lippen komt geen hard woord meer, geen verguizing, geen bezoedeling.
Lezingen Deel 1, 1950
Sta eens even stil daar in dat Jeruzalem, in die kerker daar, waar vijf, zes, zeven wilden, bruten op Hem afstormen, op u afstormen, u het gewaad van uw lichaam trekken, verscheuren, zodat u daar naakt zit.
En dan komen ze met een zweep, dan komen ze met een doornenkroon, dan krijgt u een kroon op ...
De kroon van smart, de kroon van laagheid, de kroon voor het niks-zijn, het niets-voelen, het niets-beleven.
U krijgt een kroon op, men slaat hem door uw hersens heen.
Het bloed – ja, wat is bloed? – het bloed stroomt, prikkelt, het drupt, maar ín u leeft er een verbetenheid die zegt: ‘Doe maar met mij wat u wilt, u verliest het toch.
Ge kunt mij immers nimmer overwinnen, indien ik in harmonie blijf met Hem, waardoor ik hier kwam en waardoor ik mijn leven heb gekregen.
Sla mij maar – ge slaat uzelf.
Bezoedel me maar – ge bezoedelt uzelf.
Verkracht me maar in gevoel – u hebt zichzelf reeds verkracht.
Mismaak mijn moederschap – u mismaakt uzelf, u vermoordt uzelf, u vernietigt uzelf, u vergiftigt uzelf.
U doet alles, alles, alles indien u één vinger naar mij uitsteekt, want ik kom vanuit Hem die álles is.
Ik kom met liefde, ik kom met geluk, ik kom met voortvarendheid voor opbouwing, reine, geestelijke evolutie en daarvoor kunt u mijn bloed krijgen.
Ik wéét – u weet niet.’
Lezingen Deel 1, 1950
Petrus stond reeds machteloos toen hij zei: ‘Waar is nu de Goddelijke Messias in dit Leven?’
Andreas zei ...
De heilige Johannes, die als een kind is, begon te twijfelen.
Want is dit goddelijk gezag, wanneer u geslagen wordt, wanneer u getrapt wordt en gegeseld?
‘U leeft immers’, had Christus kunnen zeggen, ‘Johannes’, maar dat begrepen zij niet.
‘Dat u er bent, Johannes, Andreas, Petrus, dat is álles.
Daardoor vertegenwoordigt gij God als vader, als moeder, als ruimte, als sfeer, als licht, als leven, als ziel, geest!
Maar voor en dóór alles in de liefde.
En wat die liefde is, Petrus?
Kijk wat Ik doe, Ik hou van dit kind.’
Dacht u dat de Messias één ogenblik heeft gedacht: Pilatus, Pilatus ... indien Ik even wenk dan bent u weg.
Dan had Hij (dit) leven door concentratie en bewustzijn vermoord.
Wat een ander leven moet doen door een dolk, door die geseling, dat had de Christus door Zijn gedachten gekund.
Hij deed het niet.
Rein en onbevlekt staat Hij daar en aanvaardt deze bezoedeling.
Lezingen Deel 1, 1950

Kosmische openheid

Maar besef goed, de mens, de maatschappij, het dierlijke gedoe, het onbewuste dat heeft Hem daar geslacht.
De méns is het.
Hij is niet voor de mensheid gestorven; men heeft Hem bewust vermoord.
Lezingen Deel 1, 1950
Christus zei niets.
Hij die zegt: ‘Kijk daar, die dief’, jazeker, u hebt het makkelijk.
Ik zei u, vergelijk het altijd weer met uw maatschappij.
Wanneer u de waarachtige dief ziet, kunt u niet zeggen dat het een geestelijk bewuste is, dan ís het een dief.
Maar wanneer ze tot ú, tot het bewustzijn van de eerste sfeer zeggen en dat niet begrijpen – en dan komen de woorden: gij hebt uw profeet gezien, maar ge hebt hem niet herkend – dan is dat voor ú.
Dan lacht u om die afbraak, dan lacht u wanneer men u aan het kruis slaat, want de mens op aarde begrijpt u niet, kent u niet, voelt u niet.
U bent het alleen.
En dan lacht u om dit.
Wanneer uw vriend zegt: ‘Waarom hebt ge mij beledigd?
Waarom hebt ge mij zoveel aangedaan?’
Dat vraagt u al niet eens meer.
Wanneer u voor duizend, voor tweeduizend en voor tien bent opgelicht, dan denkt u: die tik had ik zeker nodig om te ontwaken, om te weten en te begrijpen hoe het níét moet.
Maar u volgt die mensen niet.
U wilt die mensen niet eens haten, u zegt alleen maar: ‘Mijn God, mijn God, mens, waarom hebt ge uzelf door mij bedrogen?
Waarom slaat gij uzelf weer?
Niet aan het kruis, maar waarom slaat en verbindt gij uzelf met die duisternis weer, met dat satanische, het bedrog van deze wereld, de armoede, de ellende?’
Lezingen Deel 1, 1950
Als ze u bestelen, laat ze dan maar gaan, dan moet u wachten.
Wanneer ze u afbreken en vernietigen, kwaadspreken, dan moet u met die levens niet te maken willen hebben.
Ge zult toch eens die levens moeten aanvaarden.
Maar ge behoeft niet in leugen en bedrog te gaan leven, te willen leven, indien u weet dat het verkeerd is.
Daarom kwam Christus, alleen met de liefde.
Voelt u?
Toch eenvoudig.
De reine liefde van Christus vangt alles op.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Als u dat maar voelt, dat uw man, uw vrouw, u niet bedriegen kan, want ze bedriegen zichzélf!
U bent onaantastbaar wanneer u de gééstelijke persoonlijkheid in uw handen houdt.
En dan spreekt de heilige, reine, ruimtelijke liefde.
Lezingen Deel 1, 1950
O, het beeld is ontroerend schoon dat ik zie en sta ik onmiddellijk voor de Christus toen Hij zei: ‘Gij zijt stof en gij zult tot stof terugkeren.’
Hij had er onmiddellijk bij kunnen zeggen, maar hadden de mensen in Jeruzalem niet begrepen: ‘Want uw innerlijk leven zal straks de Albron als moeder vertegenwoordigen.
Niets kunt gij vernietigen, ook al wilt gij Mij aan het kruis slaan, gij vernietigt alleen maar uw eigen ik.’
Lezingen Deel 3, 1952
Maar dáár gebeurt het!
Hier ... de ene mens neemt de zweep in handen om het goede in de mens dóód te slaan!
En Hij die alles kan, die neemt geen dolk, die spuwt niet, die zegt niet één hard woord, want Hij weet: wanneer Ik een hard woord zeg, wanneer Ik zou zeggen: ‘Vuiligheid, laat Me met rust, Ik heb u toch niets gedaan?’
Dat zégt het Weten, het Bewustzijn niet eens, want dat hoeft het Bewustzijn niet te zeggen, dat dierlijke begrijpt dat toch niet.
U hoeft u niet te verdedigen ten opzichte van het lagere, onbegrijpelijke, onwelwillende ik, uw woorden worden niet aanvaard.
U slaat het er toch niet in, u hebt maar te aanvaarden.
Over duizenden jaren dan is Pilatus, dan zijn die beulen zover en dan vragen ze zich af: mijn God, wat heb ik gekregen, wat heb ik gedaan?
Maar hoe is dat ontwaakt?
Omdat die beulen óók zo op dat stoeltje kwamen en werden gegeseld.
Want er komt een tijd dat ge de harmonische wetten van God weer tot het goddelijke gareel zult voeren.
En dan slaat er een ander op u in en dan gaat ge begrijpen hoe pijnlijk of dat is en dan zit ge op dezelfde plaats.
En omdat u weet, vóélt, dat u toch onmachtig bent tegenover zoveel bruisend geweld, zegt u ook niets, en aanvaardt u.
En dat is het begin voor de eerste menselijke, stoffelijke bewustwording, een fundament onder uw voeten.
Het begin om verder te gaan en Jeruzalem in u op te nemen, aanstonds Golgotha te betreden.
Maar wie doet dat?
Lezingen Deel 1, 1950

Harmonisch blijven

De Messias heeft zich daar laten slaan, omdat het kwaad niets heeft te betekenen achter de kist!
U gaat rustig uw werk doen, u gaat de maatschappij vertegenwoordigen en u laat u besnauwen en beslaan, bemartelen en begeselen.
U voert uzelf tot dat andere ik en zegt: ‘Sla mij maar dood, want mijn ziel en mijn leven en mijn geest kunt u niet eens bereiken, dat behoort tot dát daar.’
Lezingen Deel 1, 1950
We gingen van Golgotha terug even naar Caiphas en weer opstijgend en we lieten ons aan het kruis slaan.
En wat wil dat allemaal zeggen?
Wat heeft de Christus daarmee bedoeld?
Indien Hij – verklaarde ik u en dat bewijzen u de sferen van licht, dat is de eerste sfeer, dat zijn die hemelen, dat zijn de ‘Grote Vleugelen’ – één verkeerde opmerking of gevoel reeds innerlijk had uitgezonden naar Herodes, Caiphas, Pilatus, dan was de Christus Zijn goddelijk Al en bewustzijn verloren.
Hij had het niet meer kunnen voelen, want Hij stemde zich af op het kwaad, op het niet willen begrijpen, op de heerschappij voor de aarde, de mensheid.
Hij nam niet deel aan die afbraak, integendeel, Hij bleef zichzelf.
Lezingen Deel 2, 1951
Er zijn mensen die zeggen: ‘Ik heb alles, als de mens mij maar kende.’
Maar waarom praat u, waarom denkt u nog zwart over uw zusters en uw broeders?
Hoe kunt ge de eerste sfeer, hoe kunt ge een geestelijk fundament leggen indien ge het nog altijd zelf zijt?
Wij hebben moeten aanvaarden; indien de mens mij niet begrijpt, dan is dat de onbewuste niet, maar ik ben het, ik.
Christus zei niet tegen de mens: Ga weg van mij, duisterling.
‘Neen’, zegt Christus, ‘Ik moet nu aanvaarden dat Ik de macht niet bezit om het u te kunnen verklaren, want Ik zou u toch in uw leven kunnen optrekken.’
Want is het niet waar, men belasterde Hem.
De mens – neemt u eens aan – de mens die zich aan goddelijk leven, gevoel vergrijpt, en dat leven zomaar midden in Zijn gelaat spuwt.
Ze hebben de Christus bespuwd daar in Jeruzalem.
Doe dat eens hier, sla eens een mens zoals men de Christus daar heeft geslagen.
Kronen gaan er over de straat heen, de mens wordt onthalsd.
Maar dat doet u niet meer aan Gene Zijde.
Daar zult ge de mens, het leven van uw godheid moeten gaan dragen, gaan liefhebben.
En dan spreekt uw persoonlijkheid niet meer: ‘Wat doe ik allemaal niet en wat heb ik al niet gedaan.’
Gij vertegenwoordigt uw eigen leven.
Het komt er nu maar op aan hoe u dat doet.
Maar dat zijn de wetten, dat zijn de fundamenten.
Christus gaf u alles.
Hij gaf ons het voorbeeld om ons te buigen, om altijd maar weer te zeggen ... ja, indien de mens, indien Pilatus gelijk wil hebben, en Caiphas wilde gelijk hebben, daarnaast staat de onbewuste, de Barabbas, dan zegt de geestelijk bewuste: ‘U hebt gelijk.
Maar ik ga weg.’
Lezingen Deel 2, 1951
Hier zult ge leven en sterven.
U wordt hier wel aan het kruis getimmerd, maar u bent nog niet dood, u leeft nog altijd.
Deze uurtjes nu, deze anderhalf uur, tussen half elf in de morgen en ’s middags half vier, moet het gebeuren, dan zult ge de kroon zetten op elke gedachte.
Nu moet ge bewijzen of ge toch nog niet boos wordt.
Hier, zeven uur kunt ge van de Messias, van uw God ontvangen om te bewijzen dat ge niet boos wordt, om te bewijzen wat u wilt.
Zeven uur wordt ge nu gemarteld en tot het laatste ogenblik kunt ge zeggen: ‘Nu is het voorbij.
Nu heb ik bewezen wat ik wil.’
En eerst dan is dat de wet, de weg, het licht in de eerste sfeer.
Lezingen Deel 1, 1950
In deze korte uren waarin het moet geschieden, hebt gij te bewijzen of ge vriend zijt, broeder zijt, vader zijt, moeder.
Hierin moet ge bewijzen of ge liefhebt, licht hebt, wat u wílt.
Hierin kunt ge bewijzen of ge de aarde met al die bagger wilt volgen en kunt aanvaarden, óf het betere in u, het dienende.
Daarin, in die allerlaatste ogenblikken, dan bekrimpt u het eigen ikje en wellicht zegt het: ‘Eh ...’
En aan dat gegil heeft de Christus niets, dan bent u al zwak.
Dan zegt Hij: ‘Dus tóch viel er nog een kreun over uw lippen.
Toch waart ge nog niet bewust om die smarten, dat pak slaag, die geseling ... – dat toch maar voor uzelf was, niet voor Mij, niet voor de maatschappij, maar voor uzelf – toch bent u nog eventjes bezweken.’
Dat was Petrus!
‘Eer de haan kraait, zult ge Me driemaal verloochenen.’
Dat kan het kleinste insect uit Moeder Natuur u vertellen, want u verloochent het tóch weer.
Komt er dan ... komt er dan nimmer een gedachte in u op, dat u kunt zeggen: ‘Deze is af.
Deze kan ik vergelijken met Golgotha, nu heb ik bezit’?
Lezingen Deel 1, 1950
Nu komt u.
U kon alleen die droevige smart in Zijn ogen beleven.
Hij Zelf stond daar in de houding voor de mens.
U moet voor elke karaktertrek zó kunnen gaan staan, alsof God voor u staat.
U moet beginnen, wanneer u het woord voert tot een ander en u bent luisterende of sprekende, dan moet u gaan denken dat u altijd de werkelijkheid beleven wilt door uw woord, want uw woord is een ruimte.
En elke verkeerde gedachte – dat hebben wij door de Christus geleerd – de afbraak, die komt u tegen.
Of zoudt ge willen denken dat dat van verleden en verleden jaar en van tien, twintig jaar terug, verdwenen is?
Ja, zo, weg, opgelost, verdampt?
Dat staat daar vóór u.
Lezingen Deel 2, 1951

Het Allicht

Het probleem Golgotha dat kent u, maar het Golgotha ín de mens, dát kent de mens niet.
Lezingen Deel 1, 1950
Dit zijn de wetten, die voor de gehele mensheid gelden!
Judas, Pilatus, Caiphas en anderen, ze staan thans voor Golgotha.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Maar aanstonds aanvaarden wij de kruisdood.
Dat kruis dat gaan we slepende de berg optrekken.
Als u de symboliek wilt verwerkelijken, zoals de Messias dat heeft gekund, dan slepen we elke verkeerde gedachte op onze schouders omhoog, om die aanstonds – dat zult ge door de volgende zitting beleven, of daarna – op Golgotha te onthalzen, te smoren.
Elke verkeerde gedachte die nagelt gij, de mens, bewust aan een kruis.
En u kijkt ernaar, want nu bent u in staat om uw levensbloed te schenken voor ruimte, voor vader- en moederschap, voor het licht van deze wereld.
Het licht van deze wereld ... omdat dit leven van u is, dat is onder uw hart geboren.
U hebt miljoenen levens afgelegd, u hebt miljoenen werelden overwonnen, maar u hebt die geestelijke uiteindelijke graad nog niet bereikt.
En daarvoor vechten wij nu.
Lezingen Deel 1, 1950
Leg dat maar op uw kruis neer.
Dóód alles in u als het een kop opsteekt en het andere leven wil kraken.
Lezingen Deel 1, 1950
We weten: we zijn ergens voor gestorven en nu moet het tot ons doordringen dat elke gedachte, élke gedachte een kruisdood zal ondergaan.
Elke gedachte moet door de persoonlijkheid ontstoffelijkt worden.
Zij moet de geestelijke bewustwording krijgen en daarna de ontwaking in de mens.
En dat is maar voor één gedachte; nu de ganse maatschappij!
We gaan weer door de aarde, over deze mensheid heen en dan zullen we moeten vaststellen in welke graad van bewustzijn wij zijn gekomen.
Lezingen Deel 1, 1950
Wordt het niet moeilijk?
Bent u nog niet bang?
Wij zijn niet bang.
Wij gaan ertegenin.
Wanneer de fouten er zijn dan brengen we die naar Golgotha en dan zullen ze worden gekruisigd.
We leggen ons in blijdschap neer om die rotte karaktereigenschappen de nek om te draaien.
Doet u dat?
Bent u zó ernstig met uzelf bezig?
Lezingen Deel 2, 1951
Gij geeft van nu af aan al uw karaktertrekjes de ‘Grote Vleugelen’ van en uit de Tempel van Isis.
Ge laat elke verkeerde eigenschap sterven.
Ge slaat al die rotheden aan het kruis.
Bewust neemt u de hamer in uw handen en slaat die spijker erin, u draait die rotheid, die verkeerde eigenschap, die draait ge bewust de nek om.
Doet u dat?
Lezingen Deel 2, 1951
Maar hier staat ge voor uw maatschappij.
Ge hebt te leren hoe het niet moet, maar hoe het wel gedaan zal worden ten opzichte – leerde ik u – van Gethsemane, Pilatus, Caiphas, Golgotha.
Ik zei: nagel dus de onbewuste, overheersende eigenschappen van u bewust aan het kruis, geef ze de kruisdood, worg die verkeerde gedachten.
Lezingen Deel 3, 1952
En die kunt u ophangen, kil elke verkeerde gedachte en hang die gedachte daar voor u neer.
U wilt mooie schilderijen, u wilt boeken, u wilt kunst, maar hang uw gedachten om u heen als levende lijken, dan begrijpt ge waarvoor ge leeft.
Dat durft u niet eens!
U verfraait uzelf vanbuiten, maar vanbinnen ...?
Lezingen Deel 1, 1950
We gingen opwaarts, het kruis op onze schouders.
We wílden niet dat er iemand kwam om ons te helpen dragen, wij eisten dit alles voor onszelf op, omdat we nu wisten: elke hulp is fataal.
Elke hulp voert ons tot het menselijke, stoffelijke, aardse gemak, de luiheid, de afbraak, de vernietiging.
We hebben gezien, we hebben beleefd, wij aanvaarden thans dat we voor honderd procent die wetten beleven zullen, of de uiteindelijke kern, wanneer die graad dan begint te leven, behoort ons niet toe.
Lezingen Deel 1, 1950
Onderweg ontmoeten wij iemand die ons zal helpen dragen, de Christus heeft medelijden met dit kind.
‘Laat mij U helpen dragen.
U bezwijkt, U bent reeds bezweken.’
‘Ik wíl bezwijken’, zei Hij.
Blijf ervan af – deed Hij niet eens.
Dat arme kind, die Jozef die daar het kruis opneemt en de Christus helpt dragen.
Ik kan u tien lezingen geven over zijn volgende levens, waarvan hij de armoede heeft gevoeld.
Een Christus, een mens die bewust is, láát het andere leven niet eens dragen, want u wilt die pijnen, die smarten, die wil de moeder zelf beleven.
Die kan de man niet eens ontvangen, daar is hij ook te ongevoelig voor.
Men dacht dat men de Christus kon helpen.
Het gaat niet hier om de Christus, het gaat om een leven dat kosmisch, Goddelijk bewust is.
Dat laat zich niet meer dragen, dat kind dat aanvaardt, dat leven begrijpt.
Dat laat zich geen fundamenten ontnemen wanneer het eropaan komt.
Want hier stonden we voor goddelijk gerecht.
Toen dat kind in de sferen van licht kwam, toen lag het te schreien.
‘Ik heb me vergrepen aan het bewustzijn van God.
Ik wilde God helpen dragen.’
Christus had kunnen zeggen: draag uzelf, blijf af van dit kruis.
De goddelijk bewuste, de mens in de sferen, in dat paradijs waar ge aanstonds komt, die laat zich niet meer dragen, die heeft in alles liefde.
Want als ik mij laat dragen, dan ontfutselt u mij de liefde uit mijn hart en dan ben ik het kwijt.
‘Ik zal leven, dienen, dragen, altijd voor Mezelf’, dat zei Christus.
De mens in de maatschappij die wil gedragen zijn.
Hier krijgen we het beeld van de waarachtigheid, hier staan we voor alles of niets: wat wilt ge, waarheen gaat ge?
Wat wilde die Simon, wat wilde die Jozef?
‘Mag ik U helpen?’
De Christus kijkt achterom, Hij zegt: ‘Kind, aanvaard.’
Innerlijk krijgt Hij een smart, een smart die Hem overvalt.
En waarna Hij weer bezweek door die smart, dat de mens Hem wilde helpen dragen.
Dat de mens dacht een goddelijke ruimte te kunnen beleven.
Dat die mens ...
Dat kruis is een goddelijke ruimte, dat zijn de wetten, dat zijn de planeten, zonnen en sterren.
Daar komt een mens en wil zonnen en planeten op zijn schouders nemen om die Goddelijk Bewuste te helpen dragen.
Men kijkt die Goddelijk Bewuste in de ogen.
De mens verwacht van de Goddelijk Bewuste, de Messias, een kleine glimlach.
Hij zegt: ‘O, bent U niet blij?’
Ja, Ik ben blij, want u slaat hier Mijn Bewustzijn kapot.
Ik heb fundamenten gelegd voor miljoenen eeuwen en nu maakt u van Mij wéér een zwakkeling.
Dat had Christus tegen de man kunnen zeggen die Hem hielp dragen.
Een vrouw staat langs de weg en legt een doek op Zijn gelaat.
Hij heeft medelijden, Hij heeft liefde voor dat moedertje.
Hij schenkt haar Zijn gelaat, Zijn gevoel.
Maar wat heeft men ervan gemaakt?
Lezingen Deel 1, 1950
Wat doet ge als man en vrouw?
Ik hoop dat u dit begrijpt, dat u hieruit leert dat ge alles zélf moet doen.
Dat ge nimmer een ander, ook al is het uw vrouw, ook al is het uw man, dát van uzelf op haar moet leggen en zij op u, omdat u nu niets meer bezit.
U moet voor elke karaktertrek bewijzen dat ú dat bent.
Dat hebben wij geleerd, moesten wij aanvaarden en toen gingen wij begrijpen wat de Christus heeft bedoeld om Golgotha te aanvaarden, om Golgotha in ons te laten sterven.
Lezingen Deel 1, 1950
Er zijn mensen in Jeruzalem gekomen als toeristen, maar er kwamen er ook als pelgrims tot Gethsemane en die beleefden Jeruzalem.
Er waren er die met hun automobiel Golgotha wilden oprijden en de Christus wilden beleven.
Ze hebben hun car stopgezet, ze hebben hem gesloten en toen zeiden ze: ‘Zo, hier was het.’
Ziet u?
‘Hier is Hij gestorven.
Want ik ben van de kerk, ik heb lief.
Ik doe alles.’
Maar met zijn automobiel ging hij omhoog, met zijn bezit, met zijn laarzengestamp, maar de eigenlijke, ruimtelijk, geestelijke mens gaat barrevoets omhoog en indien het noodzakelijk moet, náákt.
Zo verschijnt de reine klaarte in de mens voor de Messias en dan beleeft hij het rechtvaardige gevoelsleven van hem en haar, de moeder en de vader van dit universum, waardoor dit leven is geboren.
Lezingen Deel 2, 1951