Goed en kwaad -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘goed en kwaad’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘goed en kwaad’.

Aards denken

De meesters stellen de filosofische vraag:
Is er kwaad geschapen?
Wat is kwaad?
Archief, 1945
Ze hebben het verleden van vele zielen gevolgd om te onderzoeken waar we voor het eerst tot disharmonisch handelen overgingen.
De meesters observeerden dat de mens voor het eerst in zijn kosmische evolutie een moord pleegde op de planeet Mars, al vóór zijn evolutie op aarde.
De artikelen ‘ons bewustzijn op Mars’ en ‘kosmische levensgraden’ geven een beschrijving van het leven op Mars voor de menselijke ziel.
Menselijk gesproken is daar het eerste kwaad ontstaan.
Het is nog geen bewust menselijk kwaad zoals op aarde, omdat de mens op Mars nog niet echt besefte dat hij door zijn daad een ander vermoordde:
„Hebben deze levenswetten hier reeds de betekenis, die zij op Aarde hebben gekregen voor het volwassen en bewuste menselijke stadium?”
„Neen, dit leven is nog niet zo ver.”
„En toch, gij ziet het, is de menselijke ziel tot het goed en het kwaad gekomen.
Op deze planeet is zij ermee begonnen.
Archief, 1945
Maar hoe kon dit gebeuren, want tot op dit moment in de evolutie van de ziel was zij in harmonie gebleven.
Al het leven dat door God is geschapen kan goddelijk genoemd worden, in de zin dat het de fundamentele eigenschappen van God heeft meegekregen, zoals het vermogen om lief te hebben.
Hoe kunnen wij als goddelijk leven dan tot het kwaad komen?
En God heeft ons Zijn liefde geschonken.
Wij zijn liefde!
Hoe is het nu mogelijk, dat wij als Goden kwaad zouden doen?”
„Omdat het ‘ALbegrip’ nog in ons leven voor de verstoffelijkte Goddelijkheid moest ontwaken.”
Archief, 1945
We hebben het vermogen tot liefde meegekregen, maar we hebben zeven gevoelsgraden nodig om ons die liefde bewust eigen te maken:
Goed en kwaad zijn voor de Goddelijke Mens levenswetten om tot de liefde te komen.
Hoe die op Aarde zijn?
Elke wet bezit haar zeven levensgraden.
Archief, 1945
Op Mars is alleen de voordierlijke levensgraad te volgen, pas op aarde komen de hogere gevoelsgraden tot ontwaking:
Die zullen wij volgen en ontleden, eerst op Aarde zijn wij ertoe in staat, omdat hier (op Mars) de voordierlijke levensgraad leeft.
Archief, 1945
Het goede kan gezien worden als het beleven van de liefde, zelfs al is de gevoelsgraad nog voordierlijk:
Wat de hoogste meesters willen, is voor ons het doordringen van deze werkelijkheid.
Wij moeten deze wetten ontleden.
Doch straks, als wij op Aarde zijn.
Op deze planeet is het goed en kwaad ontstaan.
Maar het goede is het beleven van de Goddelijke liefde voor de levensgraad waartoe wij behoren, die hier voordierlijk is.
Archief, 1945
Wanneer de mens een moord heeft gepleegd, zorgt zijn ziel ervoor dat de levens weer in harmonie met elkaar komen:
Nu keert dit leven terug, die levens zijn weer in harmonie gekomen met de Goddelijke Schepping, het oorzaak én het gevolg zijn beleefd!
Waar blijft nu het goed en het kwaad?
Archief, 1945
Het goede heeft dan gezegevierd.
Het goede kan beschouwd worden als een bepaalde mate van liefde:
Het goede is zoveel procent gevoelskracht van de liefde.
Het goede ís liefde en wil de Goddelijke liefde vertegenwoordigen volgens de Goddelijke Harmonische wetten voor ziel en stof én voor de Macrokosmos.
Archief, 1945
In de voordierlijke gevoelsgraad kan de mens maar een bepaald niveau beleven van al de liefde die in potentie in zijn ziel aanwezig is:
De realiteitswetten als levensrechten voor de menselijke ziel voeren ons vanzelfsprekend op natuurlijke wijze tot het Goddelijke Scheppingsplan.
Nu is goed en kwaad ’n levensuiting op voordierlijke afstemming.
Door het goede te doen, zijn wij in harmonie met de Goddelijke liefde voor de bedreven daad of de handeling, die door ons eigen wíllen geschiedde.
En thans beleven wij ’n deel van onze Goddelijkheid, zoveel procent liefde, rechtvaardigheid, goedzijn, harmonie, als een stoffelijke openbaring.
Archief, 1945
Zelfs al beleeft men de voordierlijke liefde op honderd procent, dan nog is het maar een klein deel van de goddelijke liefde die de ziel in potentie heeft meegekregen:
Ik zie goed en kwaad en beleef deze Goddelijke wetten.
Want ‘goedzijn’ is een levenswet.
Het kwaad doen is de disharmonische wet voor het goede.
Goed en kwaad tezamen ís één wet en zal voor God moeten zijn – liefde!
Op hoeveel kracht wordt deze liefde op deze planeet beleefd?
Indien de liefde op honderd procent beleefd wordt, dan nog is zij voordierlijk afgestemd.
Wat is hiervan de uiterste grens, het uiteindelijke beleven?
Dat de menselijke ziel op de planeet Mars alléén evolutie beleefde en van goed en kwaad geen begrip heeft, nimmer zal ontvangen, omdat deze planeet slechts de voordierlijke levensgraad geschapen heeft.
Archief, 1945
Het willen bezitten is een sterke drijfveer:
Kwaad doen in deze toestand is het onbewust wíllen bezitten van iets dat ons trekt.
Archief, 1945
Op aarde zal dit veel groter en bewuster worden:
Maar er is een voortgaan, ook de planeet Aarde is door ons leven geboren.
Het is daar, dat wij het bewuste kwaad beleven.
Archief, 1945
Maar toch blijft het essentieel hetzelfde:
Zijn thans de wetten anders, meester André?”
„In niets, meester, is er verandering gekomen.”
Archief, 1945
Omdat er meer bewustzijn is op aarde, zal de ziel meer liefde moeten geven om zichzelf weer in harmonie te brengen met al het leven:
„Is de daad precies hetzelfde, meester Zelanus?”
„Ja, meester, met dit verschil, dat de ziel meer liefde moet geven, wil zij zichzelf in harmonie brengen voor haar Goddelijkheid.”
Archief, 1945
We zijn op weg naar het Albewustzijn in liefde:
„Dat wil zeggen, dat, hoe hoger wij komen tot God, wij tevens méér gevoel bezitten om de rechtvaardigheidswetten te stabiliseren?”
„Wij zijn Macrokosmisch, meester.”
„Waarlijk, mijn broeders, zo is het.
Door deze wetten keren wij tot onze verstoffelijkte Goddelijkheid terug.
Willen wij onze Goddelijkheid vertegenwoordigen, dan móéten wij door deze wetten heen!
Wij moeten ze ons eigen maken, want zij behoren tot ons leven.
Hoe wij dat doen, doet thans hier en voor de Aarde niets ter zake, heeft eigenlijk geen betekenis voor het ‘ALBEWUSTZIJN’ van ons wezen, omdat wij tóch de liefde moeten volgen, het leven ons voortstuwt en bezielt.
Archief, 1945
Maar op aarde is goed en kwaad een wanbegrip geworden:
Door de voorgaande wijsheid beleven wij thans elke aardse, dus stoffelijke fout.
De Goddelijke mens kan er niet aan ontkomen, hier zijn verkeerde dingen gedaan.
Ik vraag u: waarom is Christus niet op Mars geweest?
Waarom bezocht Christus alléén Moeder Aarde?
Het antwoord is:
De Aarde vertegenwoordigt het hoogste bewustzijn van dit Universum.
Dit wil zeggen dat de planeten van dit Universum door lagere bewustzijnsgraden beleefd worden.
Hierdoor kon Christus voor deze mensen niets doen.
En wellicht had dit leven Hem toch anders ontvangen, omdat het nog natuurlijk leefde en geen begrip had van goed en kwaad, dat voor de Aarde ’n wanbegrip geworden is en ontzettende strijd veroorzaakte.
Archief, 1945
De aardse mens weet nog niet dat zijn ziel zich door niets van haar kosmische baan laat afbrengen:
De stoffelijke en astrale wetten kregen hierdoor zelfstandigheid.
De ziel bleef ze in al de levensgraden overheersen en maakte zich die ruimte eigen.”
Archief, 1945

Op zielsniveau

De meesters hebben gezien dat de ziel zich door haar kosmische evolutie uiteindelijk alleen maar meer ruimte en ontwaking schept, en geen blijvende disharmonie.
In de loop van die evolutie herstelt de ziel elke disharmonie, en rehabiliteert hierdoor haar leven.
Zij kent geen goed of kwaad:
„God schiep ons naar Zijn beeld, meester André.
De oneindigheid van God leerden wij kennen, wij waren reeds in het Goddelijke ‘AL’.
Dit is het ‘Beeld Gods’.
Ruimte, evolutie, ontwaking voor ál deze levenswetten, die wij ons door het vader- en het moederschap eigen zouden maken.
Er is géén goed, noch kwaad, er is alléén LIEFDE!
De allerhoogste levenswet, door God geschapen ís, dat wij al dit leven moeten liefhebben.
Wat wil ons het kwaad en het goede dan zeggen?
Eigenlijk niets.
De disharmonische wet door ons geschapen moeten wij toch herstellen, hierdoor rehabiliteert zich ons bestaan en krijgen wij de hogere ontwaking voor het stoffelijke en astrale leven in handen, maar zien daardoor juist ons leven verruimd.
Archief, 1945
Kwaad is er nooit geschapen, wel heeft de mens zich tijdelijk in disharmonie met het leven gebracht, maar de ziel herstelt dat door liefde:
Kwaad is er dus niet, God heeft geen kwaad geschapen, maar de ziel als mens schiep een disharmonische wet.
Welk kwaad wij als bewust mens van de Aarde en hier in een voordierlijke toestand ook doen, wij móéten door de Goddelijke liefde de disharmonie herstellen, eerst dan gaat ons leven verder.
Archief, 1945
Op zielsniveau kunnen de meesters zeggen:
Goed en kwaad bestaat er niet!
Archief, 1945
Als er geen goed bestaat, kunnen we ook niet goeddoen of goedmaken.
Op zielsniveau kunnen we alleen zeggen: wij zijn!
En de harmonische eigenschappen van ons zijn kunnen onderzocht worden:
De Kosmologie dringt diep tot deze levenswetten door.
Wij zijn als Goden niet in staat om goed te doen, wij zíjn!
En ons zijn wil zeggen, dat wij in harmonie moeten blijven met de Goddelijkheid ín ons.
Archief, 1945
Op aarde spreekt men over goed en kwaad:
Het goed en het kwaad voor de menselijke ziel is het geboren goed van de Aarde.
Maar dit ‘goede’ heeft Christus niet bedoeld.
Christus bracht ons door Zijn Heilig Leven tot de Goddelijke Liefde.
Archief, 1945
Goed en kwaad ís er niet!
Christus bracht de Goddelijke Liefde op Aarde, héél de mensheid had het dus kunnen weten.
Archief, 1945
Ook in de boeken van Jozef Rulof wordt begonnen met het menselijke denken in goed en kwaad, zodat de lezer weet waar de meesters het over willen hebben:
En toch spreekt men daar over goed en kwaad.
Ook wij hebben er in onze geschriften over gesproken.
En het was noodzakelijk, of niet één ziel van de Aarde had ons begrepen.
Archief, 1945
Op zielsniveau vervallen echter deze begrippen, omdat ze geen geestelijke realiteit weergeven:
Nu wij echter de Kosmologie voor het goed en het kwaad moeten beleven, staan wij voor de Goddelijke wetten én de Goddelijke Liefde.
En meteen valt ook het kwaad van ons leven weg en toeven wij te midden van deze Goddelijke evolutie, als man en vrouw, als tweelingzielen, die de Goddelijke Liefde zullen vertegenwoordigen.
Archief, 1945
Dan wordt alles evolutie:
God schiep geen kwaad en wij mensen hebben het kwade ook niet kunnen beleven.
Wat wij hier waarnemen ís evolutie.
Archief, 1945
En dan wordt er ook niet meer over sterven, doodslaan en moord gesproken:
Ook al verliezen wij er ons stoffelijk gewaad door, toch is er geen sterven ontstaan: de ziel leeft verder en keert terug.
Hoe is het dan mogelijk, dat wij over doodgaan en doodslag, moord en dergelijke kunnen spreken?
Willen wij daarmee zeggen, dat wij op dat ogenblik een Goddelijke wet verkrachten, Zijn Leven bezoedelen of de Goddelijke vonk ín ons eeuwigdurend vernietigen?
Archief, 1945
De aardse begrippen ‘goed’ en ‘kwaad’ hebben niet de kracht om onze ziel te vernietigen of opwaarts te voeren:
Wat hebben goed en kwaad nu te betekenen voor mijn oneindig leven?
Hoe moet ik tot het geestelijk bewustzijn komen, als mij hier reeds het Goddelijke halt toegeroepen wordt?
Is uw leven gereed dit waar te nemen, dan kunt gij meteen vaststellen, dat goed en kwaad voor de ziel als mens niet bestaat!
Geen wetgevende realiteit is, maar woorden zijn, door de mens van de Aarde gebruikt om iets uit te drukken, die echter voor de Goddelijke Kosmologie geenszins vaststellen dat ze ons vernietigen of ons leven opvoeren tot God, omdat ze die betekenis niet bezitten.
Archief, 1945
Ook bewust en onbewust bestaan niet, er zijn wel graden van bewustzijn, maar die zullen net als goed en kwaad overstegen worden en oplossen in de goddelijke liefde:
Goed en kwaad, bewust of onbewust, bestaat er niet!
Ook al zijn ze voordierlijk of menselijk stoffelijk, de Goddelijke liefde in ons leven zal ze verpletteren.
Het zijn slechts schaduwbeelden van deze verstoffelijkte persoonlijkheid, aanhangsels, die overleefd worden.
Archief, 1945
Alleen door liefde gaan we hoger:
Duizenden levensgraden zijn er ontstaan.
Als Goddelijke ziel begonnen wij aan het goed en kwaad?
Alleen liefde konden wij beleven.
Door de liefde als wet te beleven, gingen wij verder.
Liefde is het hoogste en het allerhoogste.
Door de liefde zegenden wij ons Goddelijke leven en stonden wij meteen voor een andere levensgraad.
Wij gingen verder en hoger!
Archief, 1945
Pas in de zevende graad beleeft de ziel haar liefde ten volle:
Gij ziet het, door de levensgraden en levensrechten van de menselijke ziel, komen wij tot het Marsbewustzijn op voordierlijke afstemming.
En nu is er geen goed, noch kwaad.
Ook voor de Aarde niet, want de bedreven daad kent haar eigen zeven graden, voordat de ziel haar volgens de Goddelijke Openbaringen beleeft en in harmonie is met Gods schepping, de Goddelijkheid van haar wezen.
En die levensgraad kan eerst op Aarde beleefd worden, doch dan betreedt de ziel dóór Christus Golgotha en buigt zij haar hoofd voor haar Goddelijkheid.
Zij kan dan zeggen: Ik ben als God is, want ik heb voor mijn Goddelijkheid het hoofd gebogen!
Archief, 1945
Wanneer de ziel in een bepaalde levensgraad haar liefde voor honderd procent beleeft, kan zij naar een volgende graad overgaan:
Nu is de daad op de liefde afgestemd en kan de ziel de volgende levensgraad beleven, waarvoor zij zich gereed heeft gemaakt.
Wat de hoogste meesters mij aantonen en ik volgens de Goddelijke Openbaringen en mijn Goddelijke afstemming voor mij zie, zijn levenswetten!
En die wetten moet ik op honderd procent beleven volgens het door God geschapen principe als wetgevende macht en hoogste levensuiting, wat de liefde is, waarvoor ik leef en (waardoor) mijn leven zich verrijkt.
Archief, 1945
Het goed en kwaad bevindt zich onder de geestelijke gevoelsgraad:
Gij kunt het goed en kwaad van de Aarde niet ontlopen, maar ze hebben een andere betekenis.
Deze wetten zijn onderverdeelde eigenschappen van een levensgraad, die ‘ónder’ de geestelijke levenswet leeft en die wij ons eigen moeten maken?
Archief, 1945
Een gevoelsgraad hoeven we ons niet eigen te maken, die is al in potentie aanwezig in onze ziel.
Op zielsniveau zijn we het ijle leven van onze ziel stoffelijk aan het verdichten:
Moeten wij ons die wet eigen maken, meester André?”
„Néén!
Wij moeten de Goddelijkheid van ons leven stoffelijk verdichten.”
„Hoort gij dit Kosmische bewuste antwoord, meester Zelanus?
Archief, 1945
Door de basiskrachten van onze ziel laten we ons leven uitdijen en verdichten.
Hierdoor verruimt ons gevoelsleven en creëren we onze eigen schepping:
Wij verdichten ons Goddelijke leven.
Dit is de Goddelijke en is onze eigen schepping.
Wij zijn bezig om onze Goddelijkheid te verdichten en te verruimen, te verfraaien, te versieren, want wij zijn uitgegaan van Hem, de God van ál het leven, waartoe wij behoren.
Wij zullen tot Hem als verstoffelijkte Goden terugkeren!
Archief, 1945
Door het verdichten van ons leven zullen we in harmonie komen met elke levensgraad:
Wat is nu goed en kwaad voor de God-mens?
Er is goed, noch kwaad door hem geboren, hij is bezig zich te vergoddelijken in een verdichte toestand, waarover hij heersen zal, omdat het zijn wereld en ruimte is.
Dit zijn onze Goddelijke wetten, die voor ál de levensgraden de liefde bezielen en zijn wij in harmonie gekomen met de graad van leven waarin wij op dat ogenblik vertoeven.
Archief, 1945
Door ons leven te verdichten, verstoffelijken we onze Alziel.
We zijn begonnen als onzichtbare energie, en die verstoffelijken we tot kleur en licht in onze kosmische evolutie:
En dat is God als Vader en als Moeder, als de ‘Alziel’!
Wat is hoog, laag, goed en kwaad, duisternis en licht?
Verschijnselen zijn het van onze Goddelijkheid, die voor ons leven thans een eigen levensgraad te vertegenwoordigen hebben en ons dienen.
Ik zeg u, wat gij in ál de ruimten van God waarneemt, behoort mij toe!
Maar ik moet mij de hogere eigenschappen nog verstoffelijken.
En die ken ik niet, want vanuit mijn Godzijn ging ik als astrale stof.
En die onzichtbare energie moet zich verstoffelijken.
Archief, 1945