Graden van liefde -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘graden van liefde’.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘graden van liefde’.

Christus bracht het evangelie van de liefde

Christus kende alle graden in de liefde:
Deze Christus keerde als de Messias naar de Aarde terug om ons het Heilige Evangelie te brengen.
Goddelijk bewust als Christus geworden was, kende Hij iedere hartstocht, maar kende Hij ook alle graden in de liefde.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De graden van liefde zijn dezelfde als de gevoelsgraden:
En wat is nu liefde?
Dat zijn alweer twee boeken, dat is een trilogie, in één band.
Dat is de grofstoffelijke, stoffelijke en de geestelijke liefde.
We zullen de dierlijke maar niet beleven want die kennen we zo in de maatschappij, die kunt u overal beleven.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Christus kon alleen zeggen wat men in die tijd kon begrijpen:
Hoe Christus ontvangen werd, weten wij.
Had Hij anders moeten spreken?
Dat was niet mogelijk.
Christus kon de mens niet van Zijn „AL” vertellen, althans nog niet van de „Allevenswetten”, de mens had ze niet begrepen.
Christus zou het „Evangelie de Liefde” op Aarde brengen, méér was er niet nodig.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Hij vatte zijn blijde boodschap samen tot de liefde:
Christus bracht:
Zijn rechtvaardigheid uit het bewuste Goddelijke „AL”!
Hij wist dat alléén de „Liefde” in staat is om de levenswetten van God te bereiken en te overwinnen.
Christus bracht daarom de énige „liefde” en die is eeuwigdurend.
Hierdoor, mijn broeders, zien wij dat „Christus” ál de ruimten en ál de wetten van de „Almoeder” samenvatte tot één geheel en dat is de liefde!
Hij kon zeggen op Aarde:
„Wie liefheeft, heeft álles!
Wie liefheeft, stijgt boven alle stof uit!
Wie liefheeft, heeft de Vader!
Wie liefheeft, zullen alle schatten worden toegeworpen.
Wie liefheeft, zijn de zaligen van ziel en geest!
Wie liefheeft, treurt niet, die mens heeft alles!
Wie liefheeft, bezit het „Koninkrijk”!
Wie liefheeft, bezit zachtmoedigheid en Mijn leven, Mijn licht!
Ook het „Licht” van Mijn Vader!
Wie liefheeft, bezit het zout der Aarde, het voedsel, de prikkeling én de bezieling voor de ruimtelijke ontwaking!
Wie liefheeft, verblijdt ál het leven, ook Mij!
Ook Mijn Vader!
Uw en Mijn God in de Hemel!
Wie liefheeft, bezit het levenslicht van ál de werelden!”
„Wie liefheeft, ... mijn broeders,” zegt Christus ... en komt nú vanuit het bewuste „AL” tot ons leven en voor deze mensheid ... „is het licht voor de duisternis, want deze mens voelt en ziet, gaat verder, in harmonie verder en hoger en zal tot het „AL” terugkeren!”
„Wie liefheeft,” zei Christus en bracht Hij op Aarde ... „laat zijn licht in de harten schijnen van ál het leven!
Wie liefheeft, volgt Mij.
Wéét en meen niet, dat „IK” gekomen ben om de wetten of de profeten te ontbinden, „IK” kom tot u allen om uw leven te openen, tot de ruimtelijke ontwaking te voeren.
Wie liefheeft, is wélgezind jegens al het leven!
Wie liefheeft, ontwaakt!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Het universele liefhebben omvat zelfs de vijand:
Liefde te leren geven, dat was de weg.
Hoe eenvoudig was het, en toch – hoe verschrikkelijk moeilijk.
Vijanden moest men kunnen liefhebben.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936

De universele liefde

Door de boeken van Jozef Rulof kan men voor zichzelf vaststellen in welke graad men leeft:
Bent u liefde?
Bent u liefde voor de mensheid?
Bent u nog altijd liefde, maar voor uzelf?
Hebt gij alleen datgene lief dat door u is en werd geschapen?
Hebt u een familieliefde?
Hebt u een maatschappelijke liefde?
Is uw liefde nog dierlijk?
U kunt dat allemaal voor uzelf vaststellen, het is nu te beleven en te ontleden, ge hebt immers de boeken van meester Alcar uit de Universiteit van Christus ontvangen.
Lezingen Deel 2, 1951
In het boek ‘Zij die terugkeerden uit de Dood’ verklaart een geestelijke gids dat men in de lichtsferen anderen helpt:
Wij, die hier leven, dus de broeders en zusters in de geest, zijn hier om u en alle anderen te helpen.
Wij dienen het leven en door anderen te dienen zullen wij een nog hogere sfeer bereiken.
Rijk of arm, geleerd of niet geleerd, wij kennen hier geen onderscheid en allen worden geholpen.
Wij hebben alles lief wat leeft en staan open voor het leven.
Alles, wat ik dus voor een ander doe, doe ik voor mijzelf; het is de dienende liefde.
Zo is ons leven en dat is de mogelijkheid om vooruit te komen.”
Zij die terugkeerden uit de Dood, 1937
In het helpen zijn er zeven graden:
Nu komt u in de zeven graden, voelt u, van helpen, hulp, broederliefde, zusterliefde.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
De meesters kijken eerst of hun hulp een blijvend resultaat zal geven.
Christus gebruikte in dit verband een beeldspraak over blinden genezen, wanneer hij zag dat de ander geen inspanning wilde leveren om geestelijk te ontwaken.
Aan deze zijde beleven wij in zeker opzicht het tegenovergestelde, dat wil zeggen, dat wij alles willen inzetten van onszelf, maar dat wij eerst vaststellen of dit blijvend resultaat heeft.
Wij grijpen niet in, wanneer we beseffen en duidelijk voor ons zien, dat we hierdoor het leven het waarlijke ontwaken zouden ontnemen.
Dat moeten wij aan deze zijde voorkomen.
Christus zei daarom: „Laat de blinden de blinden genezen” en stak geen hand uit!
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945

De natuurlijke liefde

De meesters hebben de hele kosmische evolutie van de ziel gevolgd.
Zij zagen dat de ziel op verschillende planeten leefde, om haar lichamelijke vorm te kunnen uitbouwen van cel tot volwassen menselijke gestalte.
De meesters stelden hierbij vast dat de ziel op de planeet Mars tot een lichaam was gekomen dat enigszins vergeleken kan worden met dat van de oermens op aarde.
Op Mars was dat lichaam nog wel grover en groter.
Op aarde heeft de ziel daarna in de oertijd soortgelijke ontwikkelingsstappen gezet als op Mars, maar dan met de aardse materie.
Het artikel ‘ons bewustzijn op Mars’ beschrijft het gevoelsleven van de ziel toen die op die planeet leefde.
Tot de geslachtsgemeenschap werd alleen overgegaan wanneer een man en een vrouw beïnvloed werden door een andere ziel die een lichaam nodig had om te reïncarneren:
Duidelijk zult gij beleven, dat het stoffelijk gebeuren door de ziel die aangetrokken moet worden, is beïnvloed.
De handeling voor de liefde ís een wet beleven, die de hoogste harmonie aantrekt en (waardoor) de wedergeboorte zich manifesteerde.
Archief, 1945
Op Mars bereikte de ziel door het beleven van zeven stoffelijke levensgraden het voordierlijke Marsbewustzijn:
Het liefdeleven op deze planeet bleef onaangetast.
Het vader- en moederschap ontwikkelde, zodat de ziel de zeven levensgraden kon beleven.
En eindelijk staat zij voor haar Marsbewustzijn.
Archief, 1945
Het Marsbewustzijn is zoals het dier in de natuur:
Zoals het dier in de natuur de levenswetten beleeft, is voor deze levensgraad de ziel als mens tot bewustzijn gekomen.
Archief, 1945

Het willen liefhebben

Door het bewuste beleven van de geslachtsorganen is de hartstocht ontstaan:
Voelt gij, dat het liefdeleven het állesoverheersende is voor ál de ruimten van God?
Dat wij hierdoor de wetten van ons leven leren kennen?
Ziet gij, hoe dit bewustzijn zichzelf evolueert?
En neemt gij waar, dat de ziel als mens door het scheppen en baren haar wereld verrijkt?
Wat wij op de Maan hebben beleefd, is ook hier in niets veranderd.
Die levenswetten zijn echter verstoffelijkt.
Wat wij daar beleefden voor het embryonale bestaan, is hier het verkregen deel van ons leven, dat het scheppingsplan vertegenwoordigen moet.
De innerlijke organen hebben zich erdoor geschapen, zij kregen de uiterlijke vormen en eerst toen beleefden wij de waarnemende hartstocht voor de Aarde.
Door het zien en beleven van deze organen ontplooide ons leven zich en kreeg de ziel haar baringsweeën bewust te aanvaarden.
Archief, 1945
Door het persoonlijke bewustzijn kwam het willen liefhebben:
Juist door het menselijke bewustzijn, kreeg de ziel het voelen voor haar eigen ruimte, en ál haar ontstane verschijnselen.
Zij wilde liefhebben.
Archief, 1945
De persoonlijkheid kreeg de geslachtsgemeenschap als verschijnsel lief:
Eerst op Aarde heeft zij deze levensgraad verlaten.
Toen haar bewuste menselijke leven tot het dagbewuste ik sprak, kreeg zij die verschijnselen lief.
Nu ontstond de hartstocht.
Archief, 1945
Op Mars werd een natuurlijke liefde beleefd:
Ik moet u aantonen, dat de ziel hier natuurlijker voor de liefde heeft kunnen leven, dan de ziel van de Aarde.
Archief, 1945
Op aarde ontwikkelde de persoonlijkheid een eigenliefde, die gericht was op het beleven van de eigen gevoelens van genot:
„Het betreden van de eigenliefde.
Archief, 1945

Disharmonie

Op Mars is er geen hartstocht ontstaan.
Daar had de persoonlijkheid nog niet het bewustzijn en de wil om zelf te scheppen:
Indien wij als ziel nieuw leven scheppen, zijn wij door de ziel die wij moeten aantrekken bezield.
Willen wij zélf scheppen, dan betreden wij de disharmonische wetten en staan dan voor de hartstocht.
Op deze planeet hebben wij die hartstocht niet gekend, eerst op Aarde leerden wij die gevoelens bewust te beleven.
Archief, 1945
Op aarde richtte de persoonlijkheid haar aandacht op andere lichamen dan dat van haar tweelingziel, en trad zij buiten haar eigen levensgraad:
Het willen bezitten van iets dat niet tot mijn eigen levensgraad behoort.”
Archief, 1945
Voordien had de ziel haar liefde altijd in harmonie met haar tweelingziel van de eigen levensgraad beleefd en hierdoor haar evolutie verzekerd:
„Indien wij onze liefde in harmonie beleven, het bezit dat ons toebehoort van de eigen levensgraad, volgens de Goddelijke Openbaringen ondergaan, op honderd procent, ook al zijn wij voordierlijk onbewust, eigen maken, dan blijven wij volgens de Goddelijke liefde evolueren of ons leven staat vroeg of laat stil.
Archief, 1945

Het land van hartstocht

De hartstocht ging ver:
Hoe ver ging zij?
De hellen ontstonden, haat en verschrikking.
Archief, 1945
De hellen of duistere sferen in het hiernamaals zijn ontstaan uit het gevoelsleven van de mens:
De hellen zijn zo.
De hellen: leeft in mij.
Heb ik haat, is daar de sfeer van haat.
Belaster ik, bezoedel ik de mens, dan leef ik in een wereld van bezoedeling, dan is die geest van mij een en al rotheid.
Verlang ik hartstocht, verdierlijking, wil ik alleen maar het lichaam beleven, dan ben ik ook alleen maar stof, dierlijke stof dat rottend wegzinkt daar in die duisternis.
De ogen sluit (ge), uw organen drukt ge dicht voor die geestelijke stank in de mens.
Een lijkenlucht op aarde is niets.
Kent ge de levensaura niet van de mens?
Geef uw geestelijke smaakorganen en reukorganen eens reïncarnatie en beruik eens de persoonlijkheid.
Dat is het leven achter de kist.
Dat is Gene Zijde.
Dat is het één-worden met de afbraak, met het verkeerde denken, het bezit nemen van stof en geest wat een ander toebehoort, het wilde verkennen van het dier ten opzichte van het mens-kind, dat is het breken van het menselijke hart, dat is het stelen van het licht dat de mens bezit in zijn oog om te kijken.
Lezingen Deel 2, 1951
Het geestelijke lichaam wordt gevormd door het gevoelsleven:
Had meester Alcar u de gedrochten uit het land van haat moeten verklaren?
Wanneer ge in onze wereld komt en ge hebt geen liefde, en ge kijkt hartstochtelijk naar de mens dan puilen uw ogen uit de kassen, die vliegen door de ruimte; u bent op dit ogenblik niet stekeblind, maar u bent walging door uw eigen gekijk, omdat u disharmonie opbouwt.
U kijkt, naar wat?
Naar verkrachting, bezoedeling, mismaking.
En die wereld is mismaakt.
Een boom is er niet.
Lezingen Deel 3, 1952
Het mooie organisme kan zijn natuurlijke vorm verliezen:
Ze hebben ook geen nylons, ze hebben geen bloesjes, hun machtig, mooi moederlijk organisme is dierlijk verdierlijkt.
De goddelijke bron als voeding hangt tot op de bodem en staan zij erop.
De vorm is uit dit leven vandaan want geen karaktertrek bezit nog universele vorm.
De vorm is mismaakt want door uw verkeerde, onharmonische denken, vervormt gij uw goddelijk karakter, als trek, als liefde, bereidwilligheid, aanvaarding, hoofd buigen, lief zijn rondom u.
Lezingen Deel 2, 1951

Een warm gevoel

Maar ooit was in het land van hartstocht het eerste gevoel van een hogere liefde ontwaakt:
Iedere seconde treden er nieuwe zielen het leven na de dood binnen en ook die keren naar de aarde terug om er zich uit te leven.
Er wordt thans gevochten om de aardse mens.
Nu krijgt het astrale wezen angst.
Angst om het stoffelijke wezen, dat hem het genieten mogelijk maakt, te verliezen.
Hij gaat het beschermen.
Er is dus bezorgdheid in de astrale mens gekomen, wat op een hoger gevoel duidt.
En meteen ontstaan meerdere gevoelens in hem, waarvan hij niets wist, geen vermoeden bezat, dat ze bestonden.
Er komt warmte in hem, een andere warmte dan het lichaam geeft.
Deze warmte maakt hem licht en blij.
En zij komt in hem, alleen doordat hij het aardse wezen helpt.
Hij kan niet anders, hij beleeft dit wonder.
Deze mens denkt hierover na en volgt de gevoelens in hem.
En door dit te doen gaat hij ook het aardse leven dieper aanvoelen en begrijpen.
Het stoffelijke leven gaat nu tot hem spreken.
Hij wil de warmte in hem sterker voelen, de astrale mens, en om dit te bereiken, verhoogt hij zijn inspanning.
Hij is bezig te dienen!
En langzaamaan komt er liefde in hem voor de mens, die hij bewaakt en beschermt.
En dit liefdegevoel krijgt al een graad van betekenis.
Op den duur zal zijn astrale wereld erdoor veranderen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941

Het uitstralende licht van de liefde

Elke handeling kan afgewogen worden aan het licht dat door die daad gecreëerd wordt:
Maar in u; die ziel is een deel van God.
En door elke gedachte maakt u een karaktereigenschap bewust.
Dus elke daad heeft ruimtelijk, geestelijk, goddelijk fundament.
U doet iets en dan kunt u zelf, kan de mens, kan God, kan de ruimte uw daad afwegen aan het lícht van die ruimte.
Dat wil zeggen, als u iets doet, dan gaat die daad direct de hoogte in, de ruimte in, en daardoor krijgt u fundament om te lopen, te wandelen, te staan.
U hebt licht, u hebt leven, u hebt liefde.
Door de liefde, een daad liefde te geven, dat is ...
Men noemt ‘liefde’.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Indien ik op minderwaardige wijze volgens de Gods wetten voor mijn leven handel, dan onderstreept het goede in mijn leven de procent liefde, die van mij uitging.
En nu ben ik in harmonie met mijn voordierlijke levensgraad of ik sta voor kort in ontwikkeling stil, omdat Gods leven mijn bewustzijn niet kan aanvaarden.
Archief, 1945
Alleen door lief te hebben, openbaart de ziel zich voor haar volgende gevoelsgraad:
Heb deze levensgraden lief en gij openbaart u voor het volgende stadium.
Archief, 1945

Overbodige hartstocht

Evolutionair gezien is hartstocht overbodig:
Alles wat u er zelf van maakt, is overbodig.
Alles wat u er nog bij neemt, u kunt het eenzijn beleven, u voelt wel, eens komt u uit die stoffelijke graad.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Die hartstocht kan het willen krijgen van kinderen wegdrukken:
Er zijn mensen die die eenheid beleven, willen geen kind, dus die hebben ... ze zijn momenteel voor honderd procent wíl in hartstocht nog, in hartstocht.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Ook de hartelijkheid kan verdwijnen:
Dacht ge waarlijk door het ene leven opzij te smijten en het andere te aanvaarden goddelijke, ruimtelijke liefde te kunnen beleven?
Indien ge uzelf kent, het stoffelijke één-zijn hebt ondergaan, ligt de geest daar te schreeuwen en te vloeken van narigheid.
Waarom?
Omdat zij als ziel dus en als geest geen opbouw, geen harmonie, geen hartelijkheid bezit.
Het is allemaal maatschappelijke kaalheid.
Het is de leegte waartegen Christus vocht toen Hij zei: ‘En indien ge durft, werp dan maar de eerste steen.’
Lezingen Deel 2, 1951
Seksualiteit is van de mens:
„Nietwaar soms,” zegt Jozef nog, „de wetten van God kennen geen afbraak en seksualiteit; dat is de schepping van de mens!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
De geslachtsgemeenschap kan vanuit verschillende gevoelens aangestuurd worden:
Wanneer man en vrouw nu het evolutieproces willen beleven, hoeveel, geachte Freud – hartstocht is daar nu bij, nu wij weten, dat wij op Aarde leven om door het vader- en moederschap deze ruimte te overwinnen?
De mens bezit daarom hoogstens:
één procent hartstocht, indien hij het Goddelijke éénzijn voor zijn evolutie ondergaat, doch dat alles wórdt hartstocht, wanneer de persoonlijkheid spreekt en de Goddelijke reine klaarte bezoedelt.
Freud, wij staan voor de reine klaarte voor het vader- en moederschap, voor karakterdriften en de onbewuste én bewuste gevoelsgraden voor het baren en het scheppen.
Dat zijn de verschillende werelden voor de ziel als mens voor haar leven op Aarde.
Vanzelfsprekend zien wij de mens nu tevens door zijn karaktereigenschappen verongelukken en is te volgen.
En dat zijn nu de verschillende werelden voor de ziel als mens waarin zij leeft, de maatschappij waarvan zij deel uitmaakt.
Haar verlangens treden op de voorgrond.
Wie is deze ziel als vrouw en man?
Kent u haar, dokter?
Onmiddellijk is vast te stellen of zij hartstocht óf reine liefde wil beleven.
En zie nu, in de diepte van haar persoonlijkheid ligt thans het vader- en moederschap, doch waardoor zij haar verlangens wil beleven.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 3, 1944
Het eenzijn kan in verschillende graden beleefd worden:
U hebt nu zeven graden van eenzijn.
De dierlijke, de voordierlijke, er zijn mensen die beleven dat geestelijk.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951

De uitdijende liefde

De hogere graden van liefde die in de sferen van licht beleefd worden, overstijgen het lichamelijke beleven:
De stoffelijke liefde heeft niets uit te staan met de geestelijke, astrale liefde.
Onze liefde staat los van de aardse wetten en heeft het lichamelijke volkomen overwonnen!
De enorme kloof hiertussen moet de persoonlijkheid zelf overbruggen.
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
De hogere graden worden bereikt door inzet van het karakter:
Dat hebt u gekregen, uw lichamelijke toestand is er.
Het menselijke één-zijn is het stoffelijke fundament voor de geestelijke liefde.
Maar er komt een tijd dat dat vader- en moederschap, die liefde, opgetrokken moet worden naar het karakter.
Lezingen Deel 2, 1951
Van baren en scheppen naar liefde:
Als wij beginnen te koeren, is het vader- en moederschap in ons, dat koert, liefde wil beleven, maar dit is geen liefde, dit is scheppen en baren.
De eigenlijke liefde, waar u het over hebt, leeft in de persoonlijkheid en is het gevoelsleven en wordt het karakter.
En hoe dat is, moeten wij, buiten de schepping om dus, bewijzen als man en vrouw.
Maar, de schepping en baring geschiedt vanuit ons leven en daardoor – nu komt het – is al dat leven in de natuur, is het dier zo gek, zo wispelturig ook, kent het maar één doel, bezit het maar één gevoel, het leven tot evolutie te voeren en dit ís God zélf!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Eerst op zes- tot achtendertigjarige leeftijd, ... begint de persoonlijkheid aan het éigen leven.
En dat kent ge allen.
Als die stuwing, dat baren en scheppen voor al het leven, inslaapt, is de mens in staat om voor zichzelf iets te bereiken en dat is nu de sfeer van licht in hem en in haar, de wijsheid, én de liefde.
Hoe reageert nu de mens?
Daar hebben wij het zo-even over gehad.
Hoe is die man en die vrouw voor de „liefde”?
Ziet ge, dat de liefde voor de „persoonlijkheid” is en blijft en dat baring en schepping „God” vertegenwoordigen?
Dat het de ziel is, die wil, dat wij baren en scheppen, dat zij door háár wedergeboorte God vertegenwoordigen moet en dat zij dus ons op aarde zal bezielen om haar een nieuw lichaam te geven, zodat zij haar eigen evolutie kan voortzetten?
Zij geeft, luister nu goed, ons haar vermogens weer terug, want zij trekt straks óns weer aan en dan keren wij terug.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Ná ons baren en scheppen, dames en heren, komen wij – zoals reeds eerder gezegd – tot het handelen.
Dan maken wij iets van de persoonlijkheid, wat voor de psychologen alweer een probleem is.
Nu de schepping en de baring inslaapt, komt dan de mens zélf niet naar voren?
Dus eerst loopt de schepping ons vooruit, het vader- en moederschap wil liefde en als die goddelijke baring en schepping is ingeslapen, ziet ge uw eigenlijke karakter eerst.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Waar het mij om gaat, waar het de meesters nu om gaat, is: de liefde die u hebt.
Die is vanzelfsprekend, die komt tot ontwaking naarmate het lichaam als stoffelijk universum ontwaakt.
Dat kent elk mens, elk dier.
U krijgt die eenheid, u gaat huwen.
Maar het gevoel in u, dat ontzagwekkende branden, dat uitstralen van gevoel en gedachten naar die andere persoonlijkheid, die éne mens – weet u niet wat dat is? – hebben wij gevoeld, dat hebben wij gezien, dat is een diepte, zo ontzagwekkend, maar die bracht ons terug tot het ontstaan van het eerste ogenblik, en dat is nu het goddelijke reïncarneren voor de mens.
Dat gevoel dat de psycholoog nog niet kan analyseren is dus het natuurlijke één-zijn met de macrokosmos om te reïncarneren, om het leven voort te zetten, direct vanuit het Albestaan in de mens – voelt u dit? – het Albestaan voor en van de mens.
Lezingen Deel 2, 1951
Zoals het lichaam organisch uitdijt door het moederschap, kan onze persoonlijkheid haar hogere karaktereigenschappen laten uitdijen:
Zo diep is nu een klein karaktertrekje.
Zo diep, zo macrokosmisch is nu een daad, een handeling, een gedachte.
Uw maatschappelijk leven zinkt weg indien u een vonk van de honderd procent gestalte geeft aan een daad, aan uw vriendschap, aan uw rechtvaardigheid, aan uw liefde, voor uw moeder openstaat en uw vader, uw kind.
Elke karaktertrek – voelt dit nu eens goed aan – is uitdijing.
En van elke karaktertrek, daarvan de honderd procent is een tempel, is levenswijsheid, het is dragen, het is het één-zijn met de natuur.
Of u bent er juist uit en ernaast, of u voelt het spreken van een bloem, u beleeft het karakter van dit kleurenrijk, ook het vader- en het moederschap.
Het is niet alleen de mogelijkheid om tot één-zijn te komen en kinderen te baren en te scheppen, maar het te beleven.
U moet dus baring worden.
Wat het lichaam, wat het lichaam, het organisme nu heeft, dat hebt ú nog niet, dat heeft de persoonlijkheid nog niet.
Is de persoonlijkheid zo onfeilbaar in het baren en het scheppen als het organische deel als gevoel bezit?
Neen.
Lezingen Deel 2, 1951
Uitdijen komt alleen door het beoefenen, daarom vragen de meesters ons om liefde te worden:
Ik zou u willen vragen: word liefde.
U hebt het allemaal in handen.
Ik kan u niets leren.
Ik heb u alleen dat willen geven wat wij ons eigen hebben gemaakt en waardoor wij het bewustzijn kregen voor God en de ruimte.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Er is een verschil tussen verlangen naar liefde en liefde zijn:
De mens verlangt naar harmonie, rechtvaardigheid, bezit.
Goed.
‘Wórd het’, zegt meester Zelanus, ‘en u bént het.’
Wilt u liefde?
‘Ik verlang naar een klein beetje liefde.’
Wéés liefde, en u bént het, u hébt het.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
De liefde op het niveau van de eerste lichtsfeer is de Albron in ons licht laten uitstralen:
U wilt de liefde? Wat is nu liefde?
In opstand zijn met God?
In opstand zijn met de Almoeder?
U slaat die Almoeder in uzelf tot de duisternis terug door een daad.
Door een hartelijkheid?
Neen, door onbegrijpen.
Wanneer u – het gaat zover – wanneer u de eerste sfeer wilt betreden dan moet uit u gaan in alles, in uw miljoenen karaktereigenschappen: vreugde, geluk en overgave, het bezit, het weten dat de Albron in u leeft.
Verduistert u die Albron door een verkeerde gedachte dan krijgt u al reeds duisternis en is dat narigheid en is dat misbegrijpen, hard-zijn, en dan staat u voor het lege nietszeggende ik.
Dat doen wij niet meer, dat kunnen wij niet meer, dat kan geen mens beleven.
Wij krijgen overgave, wij krijgen beminnelijkheid.
Wij krijgen het zien van de wetten te beleven, we moeten die wetten opnemen, we moeten ze ondergaan want hierna – ja, nu komt het – staat de ziel, de kern van God voor het goddelijke Almoederlijke één-zijn.
Lezingen Deel 2, 1951

De zevende graad van liefde

De graden van liefde maken uiteindelijk ook deel uit van het eindstadium, zoals de stelsels van ons lichaam.
Alleen als alle voorgaande stadiums van liefde ontwikkeld zijn, kan de hoogste graad bereikt en behouden worden:
Vóórstadia betekenen voor Gods Schepping stelsels te zijn van één organisme, voor deze wereld en het menselijke zieleleven de ontwikkeling van haar bewustzijn.
Vóórstadia zijn dus als wij onze lichamelijke en geestelijke stelsels kennen, die volgens de lichamelijke wetten één geheel vormen als lichaam en er dit organisme van hebben gemaakt.
Is er één onderdeel, dat vernietigd wordt, niet aanwezig is, dan is de hoogste lichamelijke werking en die wetgevende realiteit niet eens te bereiken, noch te beleven, omdat dit stelsel onnatuurlijk, niet volkomen is.
Archief, 1945
Dat de uiteindelijke graad de wetgevende realiteit vast moet stellen en dat die ook als zodanig de eigenlijke bestaande wet vertegenwoordigen moet.
Een vóórstadium ís dus geen wet, maar maakt deel uit van de bestaande schepping, die onderverdeeld is volgens deze levenswetten als graden voor de ontwikkeling van de ziel en haar organismen.
Archief, 1945