In Door de Grebbelinie

naar het Eeuwige Leven

In het boek ‘Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven’ volgen we het leven van Theo, een Nederlandse soldaat in de Tweede Wereldoorlog.
naar de boeken van Jozef Rulof
De vader van Theo slaagt erin om na zijn dood boodschappen aan Theo door te geven.
In deze boodschappen geeft hij de verklaring waarom we zo weinig weten over onze vorige levens.
Theo’s vader wordt daarbij geholpen door zijn tweelingziel Angelica.
„In een vorig leven op aarde was ik dokter, Theo.
Lach nu niet, ik spreek de heilige waarheid uit.
In dat leven leerde ik jou kennen, we werden vrienden.
Je heette toen Jack.
Begrijp je nu, waarom ik in dit leven het verlangen had dokter te worden?
Maar het moest niet zijn, ik was hier om goed te maken.”
„Maar vader, als dat zo is, waar is dan die kennis gebleven, die u als dokter toch bezat?”
„Angelica zegt, dat de ziel bij haar geboorte op aarde het nieuwe leven moet beleven en dat daarom het verleden oplost.
Als wij wakker worden in de moeder en gedurende de tijd, dat we tot kind groeien, zakt het verleden in ons weg en komt het nieuwe leven met z’n nieuwe wetten daarvoor in de plaats.
Wel blijft het deel uitmaken van ons bewustzijn, maar het is dan gevóel geworden.”
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Wanneer Theo in het oorlogsgeweld van de Grebbelinie ronddoolt, voelt hij dat een andere persoonlijkheid in hem naar boven komt.
Die andere persoonlijkheid is Jack, een vorig leven van Theo.
Jack was tijdens zijn leven maar op één ding ingesteld: ‘Overleeft de ziel elke lichamelijke schok?’
Als wetenschapper wou hij de mensheid het antwoord op deze vraag schenken, omdat het eeuwig voortbestaan van de ziel alle gevestigde kennis in een ander licht zou plaatsen.
De vader van Theo kan aan Theo deze wetten verklaren dankzij de beelden die hem getoond worden door zijn tweelingziel Angelica.
Angelica laat zien dat als een mens zich op één vraag instelt, dat de ziel als mens zichzelf naar het beantwoorden van een dergelijke vraag stuurt door het beleven van een toestand die hier antwoord op geeft:
Angelica heeft me die beelden getoond, al in vorige incarnaties zocht jij erachter te komen wat de ziel ervaart, als zij plotseling door een ongeval bijvoorbeeld uit het lichaam wordt gerukt.
Het lijkt zonderling een dergelijke manie te bezitten, maar hier in de sferen van licht lacht men er niet om.
Zij weten, dat wij mensen altijd de gevoelens zullen volgen, die ons leven en ons gehele wezen in beslag nemen.
Wel moet de mens weten wáárom hij in een of andere richting zoekt.
Is het om de studie, zoals bij jou het geval was, of daarentegen om de sensatie?
In het laatste geval wint de mens geestelijk niets, maar staat hij stil in zijn ontwikkeling.
Ik noem je als voorbeeld een groep mensen, die zich eveneens met jouw probleem bezighouden, namelijk die uitvinders, welke elke dag hun leven op het spel zetten om de mensheid iets te schenken.
Zij bereiden zich eigenlijk steeds op hun dood voor.
Ook in hen komen dan vragen op als deze, wat er met hen geschieden zal als de uitvinding, waaraan zij werken, hun eens noodlottig zou worden.
Waarheen dan hun zieleleven vaart, willen ze weten.
Leeft nu het verlangen om dit te weten diep in een mens, komt het steeds en steeds weer in hem terug, zodat het een deel wordt van de mens, dan roept het wetten wakker, d.w.z. men komt de een of andere dag, in het een of andere leven voor de vervulling van dit verlangen te staan, men beleeft dan het uiteenscheuren van het lichaam en het met een schok vrijkomen van de ziel; de mens is dan zelf wet geworden.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Wanneer Theo op zijn leven terugkijkt, voelt hij dat het Jack in hem was die het gewichtige besluit nam om beroepsmilitair te worden:
Nu ik mij instelde op het besluit, dat me de militaire staat als beroep deed aanvaarden, kwamen de gevoelens weer in me, die me daartoe brachten.
Ze kwamen niet uit mezelf voort en toch weer wel!
Het was alsof er twee persoonlijkheden in mij huisden, waarvan de een de ander overheerste en zijn wil opdwong.
Die ene, de zwakkere, heette Theo.
Hoe was de naam van de ander?
Toen kwam de naam Jack in me.
Was Jack die ander?
Dan zou hij me dus in de betekenis kunnen voeren van m’n gewichtige besluit om beroepsmilitair te worden.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Jack wou alles van de ziel te weten komen in zijn leven als psychiater.
Hij wilde vooral te weten komen of de ziel door niets te vernietigen is, ook niet door een vreselijke lichamelijke schok.
Hij praatte hierover in dat leven met zijn vrienden Angelica en haar man, die later in het leven van Theo zijn vader werd:
Als het waar is, wat jij aanneemt, dat we meerdere levens bezaten, staat daar dan tevens mee vast, dat de ziel niet te vernietigen is?
Ook niet door een verschrikkelijke schok, die het lichaam in stukken scheurt?
Zo het waarachtig waar is, dat we meer dan een leven krijgen, wordt het voor mij nog maar moeilijker.
Immers dan liggen in de ziel dus ook nog de machtig vele indrukken vast, die de mens in al die vorige levens opdeed.
Het duizelt me, als ik er maar even aan denk, wat dat weer voor nieuwe problemen inhoudt.
Hoe dan ook – het blijft machtig schoon het zieleleven te volgen, trachten te peilen, te ontraadselen.
Als het zo is, wat je denkt, dat wij meermalen geleefd hebben en nogmaals kunnen terugkeren, dan zou het me intens gelukkig maken.
Ik wil dan terugkeren in het leven, telkens en telkens, tot ik alles weet van de menselijke ziel.
Alles wil ik ervoor doen.
Mezelf geven, als het moet.
Verliezen wil ik mezelf, m’n lichaam uiteen laten scheuren om er zo achter te komen wat dan de ziel beleeft.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Wanneer Theo als geest zijn leven analyseert, voelt hij dat Jack steeds meer ging overheersen in zijn innerlijk, naarmate de gebeurtenis die tot de studie van Jack hoorde, naderbij kwam.
Zoals in ‘Tussen Leven en Dood’ Vader Taïti gaat overheersen op het leven van Venry, zal Jack Theo gaan overheersen, omdat de sterkst uitgebouwde persoonlijkheid het voortouw neemt:
Als Jack is er maar één doel, dat mij drijft.
Ik heb het leven gekregen om goed te maken en om te beleven.
Voor dit beleven sta ik thans.
Mijn leven van Jack, die een geleerde is, stijgt boven mijn bewustzijn van Theo uit.
Maar straks zullen ze in elkander overgaan.
Dat voel ik nu.
Dan – na het gebeuren dat me wacht – zal het leven van Jack gehéél overheersen, en dit is mogelijk, doordat ik in het leven van Theo niets heb beleefd, dat mijn ziel schokte.
Ik ga nu dieper voelen dan voorheen en ik ben daar vader zeer dankbaar voor.
Het is enorm leerzaam wat ik te voelen en te verwerken krijg.
Het wordt me meer en meer duidelijk, dat het niet Theo is, die dit beleven wil, maar Jack.
Theo bezat geen gevoelens als geleerde, hij wist van deze studie niets af, dat behoorde Jack toe.
In dit laatste leven op aarde ben ik Theo en behoor ik vader toe.
In dat andere leven bestond er echter ook een band tussen ons, hij was toen mijn vriend.
Zo is het mogelijk, dat hij me nu helpt, wat anders wellicht onbestaanbaar zou zijn gebleken.
Hoe ingewikkeld de mens is, wordt mij thans duidelijk.
Het is stil geworden in Jack.
Theo maakt nog maar voor vijfentwintig procent deel uit van de honderd, die ik ben.
Voor hem is er geen oorlog of verschrikking, hij ziet alles als in een droom.
Jack daarentegen is hevig bewust, hij staat op één punt ingesteld en maakt zich voor het beleven gereed.
Vader heeft hem hierbij geholpen.
Het is nu wachten op de dingen, die geschieden zullen.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Ook in de sferen van licht bouwt Jack verder aan zijn levens met een geestelijke betekenis, die de wereld iets willen brengen:
Jack zal Theo geheel gaan verdringen, straks als de laatste zijn leven afgemaakt heeft.
Jack brandt van verlangen om te gaan beginnen, hij wil verder aan zijn studie, iets doen voor de wetenschap en dus voor de mensheid.
Van die beide persoonlijkheden in mij is het Jack, die iets goeds, iets nuttigs te brengen heeft.
In de sferen bouwen we slechts voort aan de levens waarin we ijverden voor een taak, een opgave, die geestelijke betekenis heeft.
Daarom móet het leven van Theo in mij wegzakken, want hij heeft de wereld niets te brengen, hij beleefde het leven gelijk een klein, onbezorgd kind.
O, hoe duidelijk en werkelijk is alles.
Het harde, rusteloze streven van Jack om de ziel te leren kennen, in het belang van de lijdende mensheid, heeft hem tot een persoonlijkheid gemaakt, die in elk verder leven krachtiger werd.
Het is déze persoonlijkheid, deze gevoelswereld, deze Jack, wiens wil om te dienen, wiens bezieling andere persoonlijkheden in mij verdringt.
Hij is het ook, die eenmaal in de sferen dadelijk naar de wegen zoekt, die hem kunnen brengen naar de vervulling van zijn idealen.
Het zou niet anders mogelijk zijn.
Ik wil studeren, vader, alles weten wat mijn geest verwerken kan.
Wellicht zal ik dan eens mogen terugkeren naar de aarde.
Ik hoop het zo, vader.
Ik verlang naar niets anders, dan naar de nieuwe geboorte.
De wetenschap wil ik helpen, haar mededeling doen van alles, wat ik hier over de mens en zijn zieleleven ervaren mag.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Jack wil opnieuw reïncarneren om de mensheid geestelijke kennis te brengen.
De vader van Theo legt uit dat dit verlangen wetten in beweging brengt waardoor hij zal reïncarneren vóór andere zielen, die slechts op zichzelf of op een duister leven staan ingesteld:
Eens echter zal de mens zijn levens terugzien en zal hij dankbaarheid voelen voor de grootse genade, die God hem telkens weer schonk.
We krijgen onze levens om er ervaring in op te doen, om onze verkeerde eigenschappen te bevechten en om het bedreven kwaad goed te maken.
En de laatste drie levens, die ons toebedeeld worden, zijn er om ons het geestelijk evenwicht te doen vinden.
We herstellen ons dan van al het machtige, dat beleefd is, en maken ons het hogere bewustzijn eigen.
Kun je de orde hierin voelen?”
„Ik begrijp u, vader, maar ik wil nog lang over dit machtige nadenken.
U kunt zich thans dus geestelijk bewust noemen, vader?”
„Ja, mijn jongen, ik mocht me dit eigen maken.
In vorige levens eraan begonnen, kon ik er in m’n laatste leven op aarde in overgaan.”
„Als ik alles goed begrijp, vader, bent u al verschillende malen aan deze zijde geweest om van hieruit naar de aarde terug te keren.”
„Dat is geschied.
Van God kreeg ik deze genade.
Angelica mocht het beleven en miljoenen met ons.”
„Maar is dan het leven op aarde zo makkelijk te ontvangen?”
„Als we bezig zijn aan ons bewustzijn, als wij willen dienen en het verlangen in ons is op aarde werkzaam te zijn, dan roepen we een wet wakker en deze gaat zelfs voor alle andere wetten.”
„Is dat door God, vader?”
„Door de kosmische wetten van goed en kwaad, Theo.”
„Waarheen voert mij dit weer, vader?”
„Ik zal het je uitleggen.
De wet, die we wakker roepen, stuurt ons naar de aarde terug, en wel om daar de schaal van het goed en het kwaad in evenwicht te houden.
Deze wet is zo belangrijk en gaat dáárom voor alle andere wetten in vervulling, omdat er, je voelt het, van de aarde weinig of niets terecht zou komen, als daar de hogere bewustzijnsgraden niet leefden.
Voel je wat dit zeggen wil?”
„Als ik het goed begrijp, is het dus zo dat, als ik het goede wil en een ander het slechte, ik vóór hem ga en het leven daar ontvang?”
„Je raakt de werkelijkheid wel, maar niet geheel.
De op het duister afgestemde zielen hebben niets te willen, zij móeten terug.
Hun afstemming eist dat; hoe zouden ze hoger, verder willen komen, als hun het leven op aarde onthouden werd?
Maar wat zou er geschieden als deze duistere zielen op aarde gingen overheersen?”
„God zorgt dus voor evenwicht?”
„Ja, door Hem gaan we in de wetten van leven en dood over.
We ontvangen dan een taak op aarde en weldra worden we daar aangetrokken.”
„Maar hierover heb ik toch op aarde niets gelezen, vader, is het wel?”
„Nee, deze wijsheid is daar nog niet.
Ze zou er niet begrepen zijn, want ze raakt de kósmische wetten.
Straks echter komt deze wijsheid op aarde, ze wordt er door de meesters zélf gebracht.”
„Voor de nieuwe tijd dus, die thans in aantocht is?”
„Daarvoor, mijn jongen, en eenieder van ons in de sferen van licht is bereid alles van zichzelf ervoor in te zetten.”
„Ook ík wil werken, vader, de meesters helpen bij hun taak.
Maar dan moet ik zeker nog heel veel leren?”
„Zeker, mijn jongen, je zult echter zover komen.
Ga er rustig aan beginnen, je zult dan straks gereed zijn als je voor je taak de wetten ontvangt.
Je moet echter eerst nog voor Angelica en haar meester werk verrichten.”
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Dat werk is het schrijven van het boek ‘Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven’.