In Tussen Leven en Dood

Het oude Egypte

In het boek ‘Tussen Leven en Dood’ leren we priester Dectar kennen als een vorig leven van Jozef Rulof.
naar de boeken van Jozef Rulof
Het boek ‘Tussen Leven en Dood’ verhaalt een vorig leven van Jozef Rulof als priester Dectar in de tempel van Isis in het Oude Egypte, rond 2000 jaar vóór Christus.
Zoals Lantos zijn bekwaamheid in kunst opgebouwd heeft in vorige levens, heeft Jozef Rulof zijn mediamieke gave opgebouwd door vele levens van concentratie en studie.
De schrijver van het boek vertelt dat Jozef Rulof als Dectar al het grote verlangen bezat om te mogen uittreden, om zo als geest zijn lichaam te verlaten en te kunnen vertoeven in de geestelijke wereld waarin de verteller zich bevindt:
Dectars voelen en denken stond geheel op wijsheid ingesteld en daarvoor gaf hij zijn eigen leven.
In dit leven wilde hij iets voor zichzelf verdienen, waardoor zijn geweldige concentratie die hoogte reeds had bereikt.
Daarin was hij een meester.
Hij bezat het grote verlangen om te mogen uittreden.
Hij wilde in die andere wereld, waarin ik nu leefde, vertoeven.
Daarin wenste hij te mogen zien en te mogen voortzweven en te ontvangen.
Dat waren voor hem de allergrootste gaven, die men op Isis kende.
Tussen Leven en Dood, 1940
Als meester in concentratie onderzocht Dectar toen al zijn vorige levens.
De priesters peilden deze levens om te kijken of daarin al krachten waren opgebouwd, waar ze in hun huidig priesterleven verder op konden bouwen.
Ook de hogepriesters zochten dikwijls in de vorige levens van hun leerling-priesters, om te kijken wie er snel kon evolueren en hen nieuwe kennis kon brengen.
Bij Dectar echter vonden ze alleen nietszeggende levens, waarin geen krachten waren verworven waarmee ze in de tempel iets konden aanvangen.
Leerling-priesters die niet vooruit konden, waren hun leven in de tempel van Isis niet zeker.
Omdat de hogepriesters deze leerlingen niet konden gebruiken voor het vergroten van hun kennis, werden deze leerlingen dikwijls belaagd en zelfs vermoord, zodat ze geen geheimen van de hogepriesters naar buiten konden brengen.
Welke duistere geheimen dat zijn, wordt onthuld in het boek ‘Tussen Leven en Dood’.
Dectar leert zijn niet-te-gebruiken vorige levens juist aan te wenden als bescherming tegen de hogepriesters.
Hij gaat dikwijls bewust in die vorige levens over, zodat hij de persoonlijkheid van die tijd aanneemt en op dat moment zijn denken als priester verliest, zodat hij in de ogen van de hogepriesters ook geen gevaar voor hen vormt:
Toen ik die wetten leerde kennen, voelde ik mij heel gelukkig.
Daarin zag ik mijn eigen bescherming.
Zo ging ik telkens in andere levens over en zagen zij mij veranderen, totdat ikzelf geheel zoek bleef.
Ik leefde toen in verschillende levens.
Ik zag mij als een kind en naast mij mijn Moeder, maar in een ander land.”
„Is dat gevoel bewust in je, Dectar?”
„Jazeker, Venry.
Ik ga daar vanzelf in over en ik ben onvindbaar.
Het moet bewust zijn, of men ziet er hier doorheen; zij weten, dat ik mij wil verbergen.
Als ik kind ben, verlies ik natuurlijk dit leven, of ik leg dit leven geheel af.
Zijn hierin stoornissen, of is mijn verbinding niet volkomen, dan voelt eenieder de onnatuurlijkheid van mijn voelen en denken.
Maar dan praat ik heel anders en kan mij niet duidelijk uitdrukken.
Je voelt wel, Venry, ik leef dan nog steeds in dit organisme, maar voel en zie mij in een ander land.
In dat leven draag ik een ander gewaad en die kleren vind ik belachelijk.
Ik zie gewaden, zoals de duisternis is.
In andere levens ben ik heel oud en ook dan spreek ik een andere taal, doch die kent men hier niet en dan lachen de meesters mij uit, ook al vinden zij het heel natuurlijk.
Toch heeft het voor hen geen waarde.
Er zijn in mij heel veel levens bewust, waaronder er zijn, die ik verschrikkelijk vind, want daarin was ik krankzinnig.
Enige jaren geleden was dit afschuwelijk.
Toen waren al die levens bewust.
En toch behoren ze mij toe, wat heel onwaarschijnlijk klinkt, doch wat de waarheid is.
Wanneer mijn andere gaven niet bewust waren, hadden ze mij hier weggestuurd, want om uit te treden en reizen te maken deugde ik niet.
Zij hebben om mij gelachen, maar ik verzeker je, dat het mijn eigen leven redde.
Ik liet hen begaan, of ik was er niet meer geweest.”
„Hebben de meesters dat tijdens het onderzoek kunnen vaststellen, Dectar?”
„Juist, tijdens het onderzoek, Venry.
Om uit te treden konden ze mij niet gebruiken.
Ze hebben steeds haast en verlangen naar nieuwe wijsheid.
Maar al die mensen stoorden mij in het uittreden en wilden in mijn lichaam gaan, om dan heel veel te praten.
Maar dat is de bedoeling niet.
Wat ik zelf in de ruimte zie, dat vinden de meesters nuttig, niet dat van al die anderen.
Zij noemen dat het dode bewustzijn en dat moet dood blijven, alleen dit leven moet beleefd worden.
Nu is dat veel beter, Venry, ik ben bijna gereed en heb hen dan overwonnen.
Ik zal zorg dragen, dat zij weer inslapen, want ik wil verder.”
Ik zag, dat Dectar ook nu veranderde en toch bleef hij zichzelf.
Hij voelde wat ik dacht en zei: „Zie je, Venry, zo geschiedt het.
Voel je mij?
Toch ben ik mijzelf, maar één van hen komt vanuit mijn innerlijk omhoog en wordt wakker.
Dan verandert mijn gehele wezen.
Maar die persoonlijkheid heeft niets te zeggen, of het was prachtig.
Al die mensen zijn dom, ze zijn niet in leven, of vol van bewustzijn, maar zij zijn ingeslapen.
Wat zij te zeggen hebben is niets bijzonders, in niets is er ook maar enige diepte, allen zijn geestelijk arm en toch maken zij deel uit van mijn zieleleven, want wij zijn immers één.
Ook in jou leven andere mensen, Venry, en in ieder ander mens, maar bij jou en anderen slapen ze en worden alleen dan wakker, als zij gaven bezitten en zij daarvan gebruik kunnen maken.
Ik zei je zoëven, ik heb ze één voor één laten inslapen en daarmee ben ik heel ver gevorderd.
Maar als de liefde in mij is, roep ik hen zelf wakker.
Dan gaat het opnieuw beginnen en is mijn leven ondraaglijk.
Er is één leven in mij, waarin ik moeder was, Venry.
Dan wil ik hier weg en naar de bergen, naar mijn kinderen, waar ik heel gelukkig was.
Ik zie dan een mooie natuur en de bergen trekken mij tot zich en dan zou ik wel kunnen schreien van verlangen, zo bewust is dan dat leven in mij.
Het verlangen om opnieuw kinderen te bezitten maakt mij ellendig.
Om dan anderen te helpen is mij niet meer mogelijk, want mijn eigen „ik” van nu is dan zoek en zij, die dan bewust in mij leeft, heeft van gaven, genezen en concentratie geen begrip.
Als zij in mij is, ben ik dus al mijn gaven kwijt.
Het is zo eenvoudig en natuurlijk, beste Venry, want de persoon die ik nu ben, behoort bij dit leven.
En nu ben ik Dectar én een man.”
Tussen Leven en Dood, 1940
Dectar was bevriend met Venry, de schrijver van het boek ‘Tussen Leven en Dood’.
Venry kon als priester in het Oude Egypte wel terugkijken naar zijn vorige levens waarin hij al sterk aan de mediamieke krachten had gewerkt.
Wanneer hij zich als uitgetreden geest instelt op een vorig leven in China, voelt hij dat hij al de eigenschappen en gevoelens van dat vorig leven nog steeds bezit, alleen zijn huidig streven voor het goede was nieuw, dat bezat hij in China nog niet.
Wanneer Venry zijn vorig leven in China als Vader Taïti terughaalt, voelt hij hoe Vader Taïti zijn innerlijk overheerst.
In dat leven was hij als Vader Taïti heel machtig, en die sterke persoonlijkheid overheerst de nog niet uitgebouwde persoonlijkheid van Venry als priester in Isis:
Als Vader Taiti stond ik aan het hoofd en mijn macht was enorm.
Nu echter was ik de leerling van Isis, doch ik leefde in beide levens, waarvan dit leven overheerste.
Tussen Leven en Dood, 1940
Venry ziet dat ook Dectar met hem in China heeft geleefd.
Maar hij voelt dat hij de naam van Dectar in die tijd niet mag noemen, want dan zou die persoonlijkheid weer in Dectar kunnen wakker worden, wat alleen maar ellende voor Dectar zou betekenen, omdat dat leven in China in ellende was ondergaan en geëindigd:
In Dectar waren thans vele levens bewust, doch van dit leven voelde hij eigenlijk niets.
De zonden en fouten in dit leven begaan, had hij op latere leeftijd weer goed gemaakt.
Daardoor begreep ik nu, dat hij die rekening had vereffend.
Doch die andere levens kwamen één voor één bewust in hem terug en al die gebeurtenissen stoorden hem en moest hij overwinnen.
Een ontzettende kastijding had hij op zichzelf toegepast, ook hiervan had hij mij nog niets verteld.
Uit dit leven voelde hij alléén de liefde en het gevoel van angst, een einde aan zijn leven te maken.
Het gevoel, dat de ziel voortstuwde om hoger te gaan en de liefde was, dat gevoel bleef en werd door al die levens veel krachtiger.
Als dit gevoel in slaap viel, dat zich als verlangen liet voelen, maar de liefde betekende, zonk de ziel tot het allereerste stadium terug, om dan nooit weer bewust te worden.
Doch het was niet mogelijk, want daarvoor leefde men op aarde en maakte men deel uit van het oneindige.
Al die levens dienden om een hoger bewustzijn te bereiken, om eens dat te beleven, dat in harmonie zou zijn met de natuur en met dat, waaruit wij waren.
In deze cel leefde Dectar.
Nu ik aan hem dacht, ving ik andere gevoelens op.
Ik mocht zijn naam, die hij in dit leven had gedragen, niet uitspreken.
En daarvoor schrok ik terug, want ik zou Dectars vorige leven in hem wakker kunnen maken en hij ging opnieuw in al die ellende over.
In zijn leven op Isis zou dit voor hem noodlottig zijn.
„De klank van zijn naam,” zo hoorde ik tot mij zeggen, waardoor ik begreep, dat men mij ook hier volgde, „vernietigt zijn rust.”
Ik aanvaardde dit onmiddellijk.
Wat ik zag en ook Dectar in dit leven had beleefd, was het leed en smart van vele mensen; dat had hij hier alléén te dragen gekregen.
Zijn gehele persoonlijkheid en zijn priesterlijke naam was met hem de dood ingegaan.
„Laat dat met rust, Venry, maak dat niet wakker, blijf af, waarvoor geleden is, waarvoor hij martelingen onderging en waarvoor harten zijn gebroken.
Laat dat onherroepelijk slapen.”
Het is toch prachtig, zo dacht ik, dat ik ook hier zo duidelijk de stem in mij hoor spreken en dat Dectars leven aan anderen bekend is.
Opnieuw hoorde ik tot mij spreken: „Als alles sterft, oplost en vergeten raakt, dan toch niet een naam, waar vele diepe gebeurtenissen aan vastliggen.
Daarnaar heeft de ziel geluisterd.
Zij behoudt eeuwenlang haar kracht en eens tot bewustzijn gekomen, trekt zij, althans voor de begaafden, alle gebeurtenissen weer tot zich terug, zodat zelfs de gehele persoonlijkheid weer bewust wordt.
Die klank blijft in leven en als iets de ziel wakker maakt, dan is het de naam, die het leven en de persoonlijkheid vertegenwoordigt.”
Tussen Leven en Dood, 1940
Wanneer Venry later in Spanje reïncarneert in de tijd van de inquisitie, weet hij echter van zijn priesterlevens niets meer af.
Ook zijn magische krachten is hij kwijt, die liggen diep opgeborgen in zijn onderbewustzijn.
Aan de oppervlakte van zijn dagbewustzijn in het nieuwe leven is alleen een zoeken overgebleven, een verlangen om de waarheid te mogen weten, en een voelen dat het geloof van zijn moeder zijn diepe levensvragen niet kan beantwoorden.
Vroeg ik teveel?
Mocht ik niet zoeken?
Had mijn Moeder de waarheid?
Was haar geloof het énige geloof en voldoende?
Waarvoor was ik eigenlijk op aarde?
Waarom zocht ik, voelde ik al die onrechtvaardigheid en leefde er in mij dit gevoel?
Had deze geboorte een betekenis?
Moesten al die dieren geboren worden?
Kwamen ook zij in de hemel?
Waarvoor waren eigenlijk al die dieren?
Het menselijke leven was niet veel anders dan van het dier.
In de mens lag er bewustzijn, hij kon denken en voelen, ook de dieren voelden en dachten, alleen iets anders.
Toch gingen wij één weg, allen werden geboren en moesten weer sterven.
Al dat leven was slechts éénmaal op aarde?
Dat kon ik niet aanvaarden en ik kwam er niet achter, maar bleef zoeken.
Tussen Leven en Dood, 1940