Jeus, gao’t is noar Deut kie’ke, dèn het ’t te pakke

Deut zit al twee dagen op z’n steen en het ziet er blijkbaar slecht voor hem uit.
De grote mensen staan daar machteloos tegenover en kunnen hem niet helpen.
Het is een ellendig gezicht hem zo te zien zitten.
De reus is in elkaar gezakt als een wrak en zijn leven, zijn ziel en zijn geest zijn gebroken.
Zelfs Duumke krijgt hem niet van zijn steen vandaan.
Het verhaal doet de ronde dat de oude Messing zijn zoon een vreselijk pak slaag heeft toegediend.
Duumke scharrelt wat bij zijn vriend heen en weer maar weet het ook niet meer.
Wordt hem gevraagd: „kun je dan niets voor Deut doen, geeft hij ten antwoord:
„Ik hèt aan mie’n eige zat.”
De toestand van Deut kan weken duren, zo lamgeslagen ziet hij eruit.
Het is geen gezicht, zo aan de Grintweg.
Dag en nacht komen hier mensen voorbij, geen sigaartje, of eindje worst helpt; zijn leven weigert beslist, het is dood!
Het innerlijke van Deut ziet er droevig uit, in dat binnenste is geen lichtje meer te zien.
Het is daar koud, onhebbelijk en ónmenselijk.
Diepe duisternis in de simpele.
Waarin Deut leeft?
De mensen praten erover, vanzelf.
Doch geen mens is in staat om de simpele uit zijn benarde toestand te trekken; geen dokter weet hoe hij dit menselijke wrak moet aanpakken om het wat nieuwe en andere krachten te schenken; om Deut weer in het dagelijkse gareel te krijgen.
Ook de Lange heeft het met Crisje over Deut, zij begrijpen het evenmin.
Met geweld doe je niets, want dan reageert het innerlijke leven van Deut onmiddellijk en slaat en trapt hij van zich af als een wild dier.
Het wordt dan nog erger.
Daarom moet Deut daar rustig blijven zitten en kan geen mens hem van zijn steen verwijderen.
De Lange zei:
„Daor zun now eenmaol dinge, Cris, die wiij as minse nie’t kunne begrie’pe en wiij met onze hande motte afblie’ve, waor of nie’t?”
Hiermee gaf de Lange grif toe, dat ook hij er niets voor wist.
Crisje zei:
„Veur alles is ter hulp, Hendrik.
Veur alles!
Als de minsche maor wille beië.”
En toen zei de Lange weer: „Now, waorum begint giij dan nie’t te beië, giij kunt ’t zo goe’d?”
Met sarcasme en wat gelach, kom je er ook niet, voelt de Lange best, maar dat moet die gek dan maar voor zichzelf uitmaken.
Hendrik vond het ganse geval een armoedig gedoe.
Crisje kreeg nog te horen:
„Als Dèn daor boave alles kan, Cris, waorum hellep Dèn dan nie’t um Deut van zie’n steen te trekke?”
Verontwaardigd antwoordde Crisje:
„Hendrik toch, giij wilt toch nie’t spotte?”
„Is dat dan spotte, Cris?
Ma’k veur mie’n eiges dan gin gedachte meer hebbe?”
Je kunt wel aan de gang blijven, dacht Crisje, je komt toch niet verder, doch één ding weet ze, van de zaken, die Onze Lieve Heer aangaan, moeten de mensen toch afblijven.
Toch geeft de Lange zich nog niet gewonnen en Crisje hoorde nog heel veel, maar daar wist ook zij geen antwoord op.
Ondanks alles, bleef zij voor Deut bidden, evenals mijnheer pastoor bad voor de simpele.
Er gingen heel wat weesgegroetjes omhoog, maar zou het helpen?
Waarom, vragen de Lange en veel mensen zich af, stuurt „Hij” niets dan gekken naar de aarde?
Want er leven er genoeg op deze wereld.
Meer nog dan bewusten van geest, indien je elk normaal mens bewust kunt noemen.
Dat is alweer iets, waarvan ze geen fundamentje hebben.
Waarom stuurt Onze Lieve Heer zoveel zieken naar de aarde?
Op stuk van zaken, heeft Deut een rotleven.
Is dat niet ontzettend onrechtvaardig, Crisje?
Waarom stuurt „Hij” mensen naar deze wereld met een kranke kop?
Maar dan hoort de Lange, dat hij met zijn handen van de zaken van Onze Lieve Heer moet áfblijven en dat hem al die dingen niet aangaan; Onze Lieve Heer weet best waarom dit alles zo is.
De Lange vindt hetgeen Crisje hem hierop antwoordt wel erg goedkoop.
Zo kun je alles wel goedpraten, maar kom je niet verder.
Kun je dat als mens aanvaarden?
Néé, dat is onmogelijk!
Van al dat gepraat word je maar misselijk.
Ze hebben toch geprobeerd om Deut met geweld van zijn steen te trekken, maar heremejé nog aan toe, wat ging hij tekeer.
Nu was hij echt gek geworden.
De dokter zei, dat ze hem maar met rust moesten laten, dat ganse geval moest toch uiteindelijk een verandering ondergaan, Moeder Natuur was er tenslotte ook nog.
Jazeker, mijnheer de dokter kan zoveel vertellen, maar kijk nu eens.
Deut stoorde zich aan niks, wekenlang bleef hij in de narigheid en toch was hij op een goede morgen verdwenen.
Of ze Deut in ’n gekkenhuis hadden gestopt, wist men niet, maar hij was weg en na enkele maanden keerde hij terug.
Evenals vroeger was Deut als een kind en wat moet je nu met kinderen in een echt gekkenhuis beginnen?
Niks, nietwaar?
Men zegt, dat hij was teruggekomen met een briefje waarop stond geschreven: „Laat hem met rust, als hij weer in elkaar zakt, laat hem dan met rust, zijn innerlijk herstelt zich vanzelf!”
Maar dat kan wel zo lang duren en kijk zelf, het is geen gezicht; de buitenlanders lopen er het dorp, of als je wilt, het stadje voor uit, angstig dat ze zullen worden aangestoken door dit grote en sterke kind; daar moet men toch om lachen.
Zijn dat nu stadse mensen?
Je zou toch denken, dat deze mensen geen angst hadden voor gekken.
Je zag sommige dames gewoonweg beven, als ze eventjes naar Deut keken; ze gingen niet meer van Montferland vandaan.
Daar in ’s-Heerenberg vloekte het midden op straat, het was een schande.
Wie liet er nu zo’n mens daar zitten sijbelen?
Was er dan niets, om dat leven het maatschappelijke gareel terug te geven?
Néé, dame, niks is ter, dat weten wij best, maar wat wilt u?
Blijf met je handen van Deut af, dame!
Als deze mensen rustig zijn moet je ze hun gang laten gaan en als ze het te pakken hebben, nog meer met rust laten, ze nog meer in hun vet gaar laten smoren, je doet maar net, alsof het geen mens meer is.
Voor een schurftige hond doet m’n soms alles, waarom dan niet voor Deut?
Is Deut nu waarachtig een gek?
Een arme kerel is het, door het leven geradbraakt en dat is veel erger dan wat ook.
Dit is heel erg, veel erger dan blind zijn, erger dan de een of andere mismaking.
Als je zo bent als Deut is, heb je niets meer, niets!
Welke ziekte is het?
Ze weten het niet.
Maar emmers vol slijm lopen er over de lippen van Deut en uit zijn menselijke hart, want dat is het immers?
Je smoesjes helpen nu niet meer.
Lekkere sigaartjes, ook al zouden ze van vijftig cent zijn, ook niet.
Zijn ziel en zaligheid reageren niet meer, Deut is nu dood of doofstom, maar hij kon duizendmaal beter het eerste beleven, doch „Magere Hein” heeft nog geen zin om hem van de wereld weg te spelen, want dat is immers een spel voor Magere Hein?
Hij denkt, stik ...
Deut, ik heb meer aan ’n gezonde.
Lekker, zo’n kind van zeven jaar, zo’n man van veertig of dertig, in de fleur van zijn leven, met één slag daar wegtimmeren, dat lijkt me!
Maar wat heb ik aan zo’n mal geval?
Dat zegt of dat denkt Magere Hein, Crisje ... Lange?
Zo ziet het ernaar uit.
Want er komt geen verandering.
Deut blijft in leven, de gezonden van lichaam en geest, zoals veelal geschiedt, verdwijnen.
Huishoudens worden door Magere Hein uit elkaar getimmerd, maar Deut blijft!
Of wil Onze Lieve Heer hier niets van weten en heeft „HIJ” waarlijk met Magere Hein ’n contract gesloten?
Déze en dié eerst.
En dan vraagt men immers vanzelf ... waarvoor leeft men dan eigenlijk?
Wat is nu van Onze Lieve Heer zélf en wat behoort Magere Hein toe?
Schept „HIJ” er behagen in om dergelijke rotheden, menselijk vernuft te schenken?
Het ligt er dik bovenop, daar zit een narigheidje aan vast, er zit hierin iets, wat toch eigenlijk niet bij Onze Lieve Heer behoort, maar wie weet het, Lange, Crisje?
Géén mens kent deze wetten, maar ze zijn er, althans de verschijnselen, waarvan Deut er één is!
Dat vanbinnen ín Deut is nu dood!
Er is geen leven en geen gevoel meer, geen gehoor en hij ziet niks!
Het leven is zwijgzaam geworden, vanbinnen is er iets aan de menselijke machine kapot.
Maar wat is er stuk?
Sta je voor Deut en je voelt enigszins zijn ziel, of het leven, zoals je het zelf wilt voelen, dan komt er een narigheid op je af, waarvan je rilt en beeft.
Dan sta je onmiddellijk voor al je vragen, waarvan de onmenselijkste is: waarom stuurt Onze Lieve Heer dergelijke mensen naar deze wereld?
Deut, zegt een ander, heeft vanbinnen z’n deuren dicht gespijkerd; maar heeft een menselijk wezen deurtjes?
Hartstikke donker, zeggen ze, is het vanbinnen in Deut, en het is, alsof hij zich daar volkomen menselijk leegschreit en dat is het rotste van alles.
Heb je dan geen gevoel meer als mens?
Kun jij dat met droge ogen bekijken?
Of dacht je, dat al deze mannen en vrouwen, die stuk voor stuk naar de kerk gaan, protestant of katholiek, doet er niets toe, zich niet afvroegen: hoe kan Onze Lieve Heer dat goedvinden?
Dacht je, dat zij alles slikten van mijnheer pastoor en de dominee?
Niks van aan, zij denken, omdat zij ermee te maken hebben, je eigen kind kan straks wel hetzelfde beleven.
Is Onze Lieve Heer werkelijk satanisch?
Mijn hemel Crisje, heeft de Lange dat gevraagd?
En wat heb je gezegd?
Kon Deut maar eens goed schreien, zeggen de mensen, dat lucht op.
Hij schreit wel, maar niet naar buiten.
En als dat kon gebeuren, waren wij een stuk verder.
Dat zou voor Deut de natuurlijke ontspanning zijn.
Wie is in staat om de gek te laten schreien?
Bestaan er geen medicijnen, zijn die dingen nog niet uitgevonden, waardoor je een mens natuurlijk kunt laten schreien?
Ze denken, dat dit het énige is voor Deut!
Maar hij slijmt alleen, dat is er, meer niet.
En het gekste is, dat hebben ze dan toch maar gezien, je kunt er niet aan sterven.
Zo erg is het, dat je er niet eens aan kapot gaat.
Hard?
Is dat hard?
Dan sta je voor Magere Hein en Onze Lieve Heer, voor deze twee machten en krachten.
Wie van deze twee heeft er nu gelijk of schept er behagen in om dit armoedige bewustzijn van Deut zó te kraken en te mishandelen?
Wie is het?
Is het dan niet waar dat de mensen van goede wil steeds weer de klappen krijgen en uit elkaar worden gerukt?
Mensen, die dringend nodig zijn, krijgen onverwachts zo’n vuile mep midden in het menselijke hart.
Dan staat Magere Hein voor ze!
Dacht je, dat ál dat hulpgeroep en gesmeek hen ’n ietsje hielp?
Vrouwen en kinderen moeten nu maar proberen om in het leven te blijven.
De ellendigste toestanden zie je, alléén door die vervloekte Magere Hein én Onze Lieve Heer, Die niets doet, géén hand uitsteekt.
„HIJ” laat zijn kinderen verrekken!
Deze woorden vallen er en worden er gesproken, niet achter de stamtafel, achter tien borrels, néé, zo midden op de dag, bij vol verstand, na menselijk nádenken, niet alleen ten opzichte van Deut, maar ook van jezelf, je liefde, je inkomsten, vrouw en kinderen!
Wat zeg je?
Hoe dacht jij erover?
Nonsens soms?
En zie, hij die lachte, ging ineens.
Magere Hein had ook hem te pakken.
Wég, je vrouw en tien kinderen zoeken het nu maar zelf uit!
Ook van Onze Lieve Heer?
Ik zal jou eens wat zeggen.
Het leven is één grote bende, een vuile rotzooi, maar hier boven klopt er iets niet!
Heeft deze man en hebben al die vrouwen ongelijk?
Mogen zij deze vragen niet stellen?
Voor Crisje niet, néé, je blijft af met je handen, wat Onze Lieve Heer toebehoort, want, dan was er já niks meer!
Geef je Crisje ongelijk?
Crisje én mijnheer pastoor bidden zich het apezuur, maar het helpt nog niet.
En toch, Crisje zegt, er komt hulp, als je maar volhoudt!
En Crisje houdt vol, Lange!
Als Hendrik ’s avonds thuiskomt en vanuit het „genske” de Grintweg opklautert, is het eerste wat hij doet kijken of Deut er nog steeds zit.
Het is het meeste wat hem interesseert.
En jawel, hij is er nog, Lange.
Schandelijk is het.
En die schande gaat regelrecht naar Onze Lieve Heer!
Dat is de mens pesten!
Dat is de mens beulen, hem links en rechts slaan, alsof je door het leven nog niet genoeg geslagen wordt.
Wat zeggen de engelen, Crisje?
Niks?
Hebben al die machten en krachten hun ruimte én hun zekerheid verloren?
Het gaat er knap naartoe.
Hoe kan Onze Lieve Heer dit toch goedvinden?
Er zijn geen woorden voor te vinden, zo rot is het!
Niet waar soms?
Een gauwdief, een stroper, een boef en een moordenaar, zij blijven in leven en hebben gezondheid.
Het is hard, jazeker en het moest niet mogen, maar soms sturen hier mensen omhoog: de „droedels”!
En dat is dan voor Onze Lieve Heer en Zijn staf.
De „droedels”!
En dacht je, dat die daarop reageerden?
De zwijgzaamheid, want zo is het toch, die vanuit de hemelen naar de aarde gezonden wordt heet, stik gerust!
Natuurlijk, dat moet je niet tegen Crisje, noch tegen mijnheer pastoor zeggen, dan ben je een ketter.
Doch wat wil je?
Het is bovendien onverstandig je zover te laten gaan, want het betekent, jezélf vervloeken en dat is ook alweer erg.
Van het een kom je tot het ander en op al deze vragen komt er toch geen antwoord.
Toen de Lange aan Crisje als zijn mening te kennen gaf, dat erboven iets vreselijks bestond, kreeg hij ten antwoord:
„Hendrik toch, da’s gemeen, wèt giij dat dan nie’t?”
„Wat is gemener, Cris?
Hèt Deut dan maor ’n halve ziel gekrége, Cris?”
Wat moet je hierop zeggen, Crisje?
Blijf je tóch volhouden, dat er iets gebeuren moet met Deut?
Weet je niet, Crisje, dat er elke dag gezonde kinderen door Magere Hein worden afgeslacht?
Waarvoor stuurt Onze Lieve Heer kinderen naar de aarde, wanneer „HIJ” ze toch over enkele dagen terugroept?
Mag je dat niet vragen, Crisje?
De mensen doen het toch!
En het smoesje: Onze Lieve Heer weet het wél, nemen ze niet meer.
Die tranen, het leed en de smart van de moeders, Crisje, van al die miljoenen moeders dus, die hun kinderen moesten verliezen, had reeds lang het licht van de ruimte, dáár, waar Onze Lieve Heer toch leeft, moeten verduisteren.
Maar daar verandert niks.
Ze leven daar lekkertjes door, krijgen zondags hun verse gebakjes, eten uit gouden schalen met gouden lepels, de mannen roken hun sigaartjes van een gulden, doch géén mens denkt aan deze moeders, menselijke smart heeft niks te betekenen, Crisje.
Niks!
Is er dan niet één engel, Crisje, die door menselijke tranen en smart te bereiken is?
Schuinsmarcheerders, jatters en vuile boeven, blijven in leven en bezitten alles, weten niet wat ziek zijn is.
De beste worden geslagen en doodgetrapt.
Is dát Onze Lieve Heer-achtig, Crisje?
De mensen kunnen ja en amen zeggen, maar dat hangt hen de keel uit, dat is oud en dat verschrompelt, je wilt zo nu en dan wel iets meer weten en je mening eens zeggen, waarvoor ben je anders mens?
En dan komt er: schrei gerust, helpen doet het je geen cent.
Ook al ga je nog zo tekeer, je maakt het alleen maar erger.
Of je morgen op straat staat, zegt niets, je mag blij wezen dat je mens bent.
Hoe bestaat het, heerlijk zijn deze geschenken van Onze Lieve Heer, maar zelfs de varkens willen ze niet eens ontvangen.
Wij zijn mensen!
In de ogen van Onze Lieve Heer ben je niks!
Wist je dat niet?
Bidden?
Je lacht je een ongeluk om die mensen, die hebben geen verstand meer, dat zijn geen mensen met een eigen wil.
Je kunt mij nog meer vertellen, dacht je, dat ik mijn goeie Nico kon vergeten?
En hoe was Nico?
Biechtte hij niet elke week?
Ging hij niet altijd naar de kerk?
Heb je ooit één vuile streek van hem beleefd?
Daar was hij niet toe in staat.
En wat gebeurde er?
Op slag ging mijn Nico z’n kist in.
Op het graf staande, hoorde je lachen.
Ik schreide mij leeg, maar er was er een die mij en mijn ganse familie uitlachte en dat was die vuile smerige Magere Hein!
Heb je dat kreng nog nooit horen lachen?
Volg dan eens wat begrafenissen en luister goed, dan hoor je het ook.
Wat gaat er in Deut om als hij zo is?
Ze zeggen, Deut heeft wéér de oude de Grintweg afgekruid en acht meter diep naar beneden gesmakt.
Daar vond de oude Messing zichzelf terug.
Hij had zijn nek moeten breken, doch men haalde hem daar vandaan en hij mankeerde niks.
Deut, die daar bleef staan, kruide zijn oude vader naar het land, toen het gebeurde.
En ook dat is gek, als je er even menselijk over denken wilt.
Deut is zich van niets meer bewust.
De oude Messing echter, heeft een stuk hout in zijn handen en roept Deut tot zich.
Doe dat eens met je kinderen, als vader.
Wat doet je gezond en verstandig jong nu, zelfs al is het maar drie jaar oud?
Zijn ze nog ouder dan handelen ze natuurlijk nog bewuster ... dat kind van je voelt wat je van plan bent en is nu angstig, je kind ziet, dat het slaag krijgt en reageert nu.
Het is zo waarachtig als wat.
Deut niet.
Deut gaat naar zijn vader.
Hij ziet niet dat zijn vader een knuppel in zijn handen heeft om hem een flink pak rammel te geven, dit arme menselijke wrak doet precies wat de oude wil.
De oude zegt tegen hem: bukken, op je knieën, Deut, want de oude is lam en Deut gehoorzaamt.
Hij weet niet wat er gebeuren gaat.
Had de oude Messing Deut niet zo afgesnauwd, want die kan blijkbaar niet tegen snauwen en schreeuwen, dan had Deut hem ook niet van de Grintweg afgesmeten.
Als Deut zich bukt en op de knieën ligt, slaat de oude Messing dit leven waar hij het maar raken kan, totdat hij vanbinnen iets wakker slaat, waar Deut eindelijk op reageert en de benen neemt.
Dat is alles, maar hierdoor zit Deut nu al dagen op zijn steen.
Wat doen ze met de oude man?
Wat moeten ze doen?
Ze weten het niet.
Binnen in Deut is er dus toch nog iets dat tot een eigen beslissing is te brengen.
Onherroepelijk hebben wij te aanvaarden, dat dit leven slechtheid bezit, noch kent.
Dit leven is zich niet van gevaar bewust.
En toch, als je het goed aframmelt, komt het tot een eigen reageren.
De oude sloeg het doofstomme kind in Deut wakker.
Hoe diep is Deut z’n leven en bewustzijn?
Wat kan een psycholoog je ervan zeggen?
Niks!
Die hebben zich reeds lang geleden van Deut losgemaakt; ze weten het niet!
Natuurlijk, voor Deut was het beste, hem uit die omgeving te verwijderen, maar dan konden ze alle huizen voor dit soort zieken wel volstoppen, heel de maatschappij is ziek!
Gans deze maatschappij is hartstikke gek!
Met andere woorden: je staat machteloos.
Deut moet voor zijn vader gelegen hebben als een mug voor de poten van een olifant.
Anderen weten, dat de oude man hem eerst gevraagd heeft om ’n stok voor hem te zoeken en dat Deut zélf z’n vader het voorwerp in handen heeft gegeven om hem af te rammelen.
Deugdzamer en volgzamer kan het niet!
Maar wat wil je?
Nu moet Jeus er naartoe.
Vinden de mensen dit niet gek?
Jeus weet, dat zijn vriend in de narigheid zit en toch, hij laat Deut daar zitten.
Dat is niks voor Jeus, dat weet Crisje.
Toen Crisje hem dan ook vroeg:
„Mot giij is nie’t naor Deut kie’ke ...” kreeg ze als antwoord:
„Daor mô’k eers oaver nao denke, moe’der.”
Klinkt dat even wijs, Lange?
Na enige uren kreeg Jeus opnieuw van Crisje te horen.
„Jeus, gao’t naor Deut kie’ke, dèn hèt ’t heel arg te pakke ...” toen begon hij te denken, maar er gebeurde niets, hij ging lekker slapen en liet zijn vriend alleen met zijn afschuwelijke narigheid.
Crisje begrijpt het niet, maar Crisje blijft bidden en vertrouwen, Deut wordt beter!
Ook al lacht de Lange zich een ongeluk, omdat dit onbegonnen werk is.
Crisje blijft het vertrouwen bezitten.
Zij bidt en denkt er het hare van.
Zo-even is Jeus met Fanny de deur uit gewandeld om naar Deut te kijken.
Van verre bekijkt hij het gedrocht daar op die steen, waarvan hij alles weet.
In Jeus, Crisje, je gelooft het misschien niet, ofschoon jij dat kunt begrijpen, is het gevoel gekomen, zuiver menselijk en wel doordacht gevoel, dat hij eerst nú Deut kan helpen.
Gisteren was het nog niet mogelijk, eerst vandaag is dat zover.
Nu is hij in staat iets te doen voor z’n grote vriend.
Ook alweer iets van ’n kind, zul je zeggen, Lange, maar dit heeft een diepe menselijke, já bovennatuurlijke betekenis en dat leert Jeus later wel kennen en dan beschrijft hij het in zijn boeken.
Zou je ook hier niet even om lachen, Lange?
Ik zal nimmer deze woorden uitspreken als jij erbij bent, dan worden ze als paarlen voor de zwijnen.
Och, Lange, dat is afgezaagd, dat is oud, dat geparel voor de zwijnen heeft nu niets meer te betekenen, ik voel dat veel eenvoudiger aan en het is ook veel menselijker als je zegt: je praat nu tegen doofstommen en dat is het ook!
Jeus loopt direct naar Deut en dat is ontzettend gevaarlijk, doch hij wil van gevaar niets weten.
Praten helpt niet, hij doet het heel anders.
De grote mensen hebben zich reeds leeggepraat.
Jeus raakt Deut even aan, keert zich dan om, stelt zich tegen het hek van vrouw Peters op en valt tot zichzelf terug en komt nu tot diep nadenken.
Het eerste wat je nu denkt en wat in je opkomt is: wij hebben er nog een psychopaat bij gekregen.
Maar dat weet Jeus niet, dat zijn dan je eigen gedachten.
Dit kind doet iets, waarvan jij als oud mens niks van weet; zo, houd je mond nog even.
Het is maar goed, Crisje, dat de Lange niet in de buurt is, want wat was er dan gebeurd?
De Lange had Jeus bij z’n kladden gepakt en bij Deut weggehaald.
Maar dan had Deut daar over veertien dagen nog gezeten.
Thans haalt Jeus zijn vriend uit de narigheid.
Vanbinnen in Deut, ziet Jeus, zijn de vensters dichtgeslagen.
Je kunt nu wel schreeuwen, „Deut kom is naar buiten”, maar Deut kan nu geen uitgang vinden.
Het gelaat van Jeus staat strak.
De kinderen kijken naar hem.
Er zijn er, die denken, die heeft het ook te pakken.
Zie je wel, Deut kan je aansteken, moeder.
Nu Jeus daar staat, komt er hulp voor hem, Fanny kwispelstaart reeds, hij ziet José!
Nu komt Jeus tot een universeel gesprek.
Die andere Lange is er ook en zegt tegen hem:
„Giij mot dèn eers van binne bekie’ke, Jeus.”
„Jao”, krijgt die andere Lange van hem terug, „daor bun ik al aan begonne.”
Jeus daalt in Deut af.
Dat doet hij in gedachten en dat gaat vanzelf, wanneer je de weg kent, anders verdwaal je erin.
En zo’n doolhof ken je immers niet.
De menselijke wereld vanbinnen is een wereld van ongekende diepte, als je het wilt weten.
Wellicht denk je dan anders over het geval Deut en het afdalen in zijn huisje, zijn persoonlijkheid dus.
Hij doet het, zoals hij dat gewend is bij Crisje en waar Crisje altijd de gevoelens van opvangen kan.
Ook nu komt hij met Deut tot éénheid.
Deut leeft nu niet meer alleen in zijn eigen huis.
Deut heeft visite gekregen van Jeus en hij is het, die nu de deuren van zijn ziel zal openen, zodat Deut straks opnieuw kan zien, dat de grote deur openstaat.
En als Jeus dat nu kan bereiken, begint Deut van geluk en volle menselijke blijdschap te belken.
Als dat nu gebeuren gaat, is dat zijn genezing.
Deut begint al te denken vanbinnen en voelt, dat er iemand is.
Hij is niet meer alleen.
Nu zegt Jeus, om Deut opmerkzaam te maken dat hij er beslist is:
„Deut, wèt giij dan nie’t, dat ik er bun?
Dach giij Deut, da’k ow was vergète?”
Ziet ge, dat gebeurt nu van daaruit, van dat rustpuntje uit, daar van het hek van vrouw Peters tot Deut zijn innerlijk leven.
Aanstonds komt de stoffelijke bezem erbij te pas en eerst dan slaat en trapt Jeus de deuren met geweld open en krijgt Deut zijn lichtjes in zijn ogen terug.
Is er nog iets?
„Van eiges, Deut, ik bun der !” ... en weer opnieuw ... „ik bun der Deut!”
En dan komt er nog: „Wiij, Deut, zun hier op de wéreld, um mekaar te helpe.
Dat wèt giij toch wel, Deut?”
De kinderen staan daar, jouwen Jeus uit omdat hij niks voor Deut doet, hij hoort, dat zij dit een vriendschap vinden van lek mien vesje, maar hij laat ze schelden.
Hij masseert als het ware de ziel van Deut en als hij voelt, dat hij het nu op de dag kan proberen, dus thans de stoffelijke aanraking moet volgen, stapt hij daar weg, gaat regelrecht terug tot Deut en neemt resoluut zijn klauw tussen zijn handjes en wrijft over die steenharde, vereelde menselijkheid.
Dat gepraat van zo-even geschiedde in het duister, dat was voor de ziel en het leven, nu gebeurt dat voor de stoffelijke stelsels.
Vanbinnen is het leven wakker geworden.
De kinderen voelen al, dit is heilige ernst.
Jeus hoort ze zeggen:
„Das gadverdikke nog aan toe geveurlik wat dèn dut.”
Maar hij kent geen gevaar.
Hij trekt zich van al die snotneuzen, er zijn er bij van vijftien en twintig jaar, niets aan.
De Lange en José helpen hem.
Zonder die Lange en zonder zijn José, kon ook Jeus niets bereiken.
Al die snotneuzen daar, hebben nog een droge broek nodig.
Ze kijken hun oogjes uit, er valt waarachtig vandaag iets te beleven.
Jeus gaat verder:
„Deut, heurt giij mie’n?
Heurt giij mie’n, Deut?”
Dat vragen wordt ernstiger en dringender!
Het wordt eisend voor Deut.
Jeus blijft de klauwen van Deut beaaien.
Ook Fanny helpt hem.
Van Fanny krijgt Deut een fijne lik en dat helpt nu enorm.
Deut voelt een heerlijke warmte in zich komen.
Het leven komt terug, hij rent het achterna.
Deut is bijna al niet meer te remmen, zo sterk is de kracht die vanuit Jeus zijn innerlijk en stoffelijk leven raakt.
De kinderen denken: dit is iets, dat lijkt op een wonder.
„Kom Deut, wij blie’ve hier niet veur schobberdebonk zitte.
Dat kan nie’t ...” krijgt Deut te horen.
„Deut, wí giij van mie’n ’n glaze murmel hebbe?
Kie’k is?
Is ter dat effe een veur ow?”
Hoort Deut dat niet?
Jeus zal straks de bewijzen krijgen en dan begrijpt héél deze mensheid, dat Deut tóch, ook al lijkt het niet zo, denkt!
Maar zijn leven kan nog niet handelen, de menselijke wil weigert nog.
Jeus blijft z’n handen strelen en veegt emmers slijm van zijn handjes af.
Hij voelt, dat er vanbinnen in Deut iets barst, iets springt, iets losscheurt.
En hoe bestaat het, Deut begint plotseling te belken.
De kinderen schreeuwen al:
„Veruut, Jeus, gééf ’m van katoen, dèn wod wakker.”
Jeus gaat verder.
„Mô-je is kie’ke, Deut.
Daor steet Graatje van Dien Pis in de Geut.
Kent giij die nie’t?
Die pist altijd waor ze eiges zin in het.
Maor now nimt ze de béne, Deut.
Die daor, dat is Anneke Knie’s, giij wet wel, Deut, de zuster van Mathie, Pukky en Hendrik, die zo kunne voetballe.
Die daor is Hanne Poep, mô-je nog nie’t lache, Deut?
Dat zun allemaol bangscheites.
Die wille zich laote kietele, Deut ... maor daor hebbe ze gin cent veur oaver.
Waor of nie’t, Deut.
En die daor is ’n zuster van de Knetter, die woone achter de koel, daor kui verzoe’pe as giij de weg nie’t wèt, maor dat wèt giij toch, Deut?”
Deut zegt nog niets, maar dat komt nu gauw.
Z’n hoofd hangt nog tussen de zware schouders, maar het zal zich aanstonds oprichten en dan is Deut weer bij de mensen.
„Mô-je die zie’n, Deut, die hebbe minstes veur duuzed gulde gepof ... maor Theet Egging is nie’t hadstikke gek, dèn zal ze.
Theet mot ter eiges vuld te hard veur arbeië, Deut, dat kunt giij toch wel begrie’pe?
En die daor, Deut, die der vader hèt al vier keer bij de Masseséé gezéte veur ’t kanie’ne jatte.
Mô-je daor now nie’t um lache Deut?”
En waarachtig, Deut vertrekt iets, de lippen bewegen, hij wil iets zeggen.
En weer komt er van de kinderen:
„Veruut, Jeus, giij hèt dèn te pakke.
Deut belkt.”
De kinderen rennen naar de moeders om te zeggen, dat Deut belkt.
Ze weten het, Jeus krijgt Deut uit zijn benarde toestand.
De kinderen sporen hem aan, ze geven hem vandaag alles wat hij waard is.
De tranen beginnen nu echt te vloeien en dat is de natuurlijke genezing voor Deut.
Nu grijpt Jeus hem bij z’n kladden en trekt hem de hoogte in.
Maar als Deut nog niet wil, krijgt hij te horen:
„Aij nie’t met mie’n wilt, Deut, dan kui verrekke!
Kom, wiij gaon naor mie’n doe’ve kie’ke, Deut.”
Fanny trekt aan de vodden van Deut en jawel, ze krijgen hem van zijn stuk steen vandaan.
De grote mensen kijken en hebben eerbied voor zo’n machtig brok werk.
Deut staat op, hij drukt zich door de zwakke knieën heen, hij staat thans op zijn benen en tegelijk gaat Jeus het Dassenstraatje in, regelrecht naar zijn duiven toe.
Fanny rent al naar Crisje.
Als Crisje ziet, dat haar Jeus het is, die met Deut aan komt wandelen, vliegen er meteen tien Onzevaders naar Onze Lieve Heer om Hem te bedanken omdat „HIJ” de gebeden heeft verhoord.
Zij wist wel, dat er hulp kwam.
Maar dat het haar Jeus zou zijn, daaraan heeft ook Crisje niet mogen denken.
Maar nu ziet zij het, Onze Lieve Heer „Lange” is er ook nog!
Gebeden hélpen!
Wie niet bidden kan, is ’n verloren mens.
Kankeren en schelden, dat is het niet!
Wat zal mijnheer pastoor het fijn vinden, denkt Crisje.
Voor haar is het een grote genade.
En zo is het Crisje, maar met hulp van Jeus’ z’n Lange en José, anders zat Deut daar nóg!
Zij zijn het, Crisje, die Deut uit die duisternis hebben gehaald.
Maar door Jeus!
Dat hebben nu de engelen van Onze Lieve Heer eens voor mekaar gebracht, Crisje.
En geloof het nu ook, Onze Lieve Heer weet niks van Deut z’n toestand af, dan had Onze Lieve Heer já niks anders meer te doen.
Dan moest Onze Lieve Heer zeker op tien miljoen plaatsen tegelijk zijn op dit ogenblikje, Crisje, en kan dat?
Voor jou wel, dat weten wij, maar, Crisje, ook dit is waarheid!
Ik kan je dan ook, met mijn handen op het hart gedrukt, verzekeren: ál deze menselijke ellendige zaken, al die waaroms en waarvoors waar de mensen mee zitten en zich om doodklagen, hebben niets met Onze Lieve Heer te maken!
Niets, Crisje!
Die rotheden en ellende hebben ze zélf geschapen.
En dat weet je!
Dat is niets nieuws voor je, maar de mensen zitten eronder en gaan erdoor kapot!
Nu krijgt Magere Hein het op z’n dak, maar heeft ook hij er iets mee te maken?
Néé, zeg ik je, niks!
Even later zit Jeus met Deut bij de duiven.
„Zun dat efkes mooie die’re, Deut?
Zó giij der een in ow hande wille hebbe, Deut?”
„Jao, graag, Jeus.”
„As die groot zun, Deut, dan za’k ter een veur ow beware.”
Urenlang keuvelen ze met elkaar.
Deut heeft al tien duiven in zijn handen gehad, niet één drukt hij er tot poeier.
Voorzichtig houdt hij de diertjes in zijn klauwen en mompelt iets, de arme ziel is als een klein kind.
Het is een ogenblik om je leeg te belken, als je dat ziet, zo machtig mooi én zo bovennatuurlijk is het.
De reus met een kind, de reus is een kind, maar het kind is oud.
Rara, wat is dat toch!
Maar Crisje ziet, het gaat best.
Zij heeft brood voor Deut klaargemaakt en als Deut dat ziet, grijpt hij met beide handen naar de dikbelegde boterhammen en eet zich zat.
Crisje kan het niet aanslepen, zo’n honger heeft Deut.
In dagen heeft hij niets gegeten.
Als dat voorbij is en hij vanbinnen ’n ondergrondje bezit, Jeus zich gereed maakt om hem thuis af te leveren, zegt de simpele iets en vraagt:
„Waor is mie’n murmel, Jeus?”
Dacht je, dat Deut gek is?
Dacht je, dat hij niets had gehoord?
Zo gek is Deut niet, dat hij niet beseft, dat zo’n glazen knikker iets wonderbaarlijks is om te bezitten.
De knikker stopt hij in z’n zak.
Thans gaat het de trappen af en huiswaarts.
Bij de deur van de oude Messing gekomen, ziet Jeus, dat die opengaat.
Ook de oude man is zeker veranderd.
Jeus duwt Deut naar binnen.
Hij luistert nog even en hoort met kopjes rammelen.
Voor Deut staat het eten en drinken klaar.
Wat zijn mensen toch raar, vreemde wezens zijn het, dat heeft Jeus geleerd en zal hij zijn leven lang niet meer vergeten.
Dan vertrekt hij.
Vanuit de ruimte glimlachen ze hem toe.
Hij ziet, dat zijn Lange en José, verdwijnen.
Zij gaan het Onze Lieve Heer vertellen.
En misschien, „Lange”, nu zij het zélf hebben meegemaakt, dat Onze Lieve Heer erover nadenkt en dan komen er straks wellicht geen gekken meer naar de aarde.
Of „Hij” stuurt er nog meer, omdat hij thans weet, hóé men ze kan genezen.
Wanneer een kind dat al kan, waarom willen de grote mensen deze krachten dan niet bezitten?
Voor de groten heet het: klets!
Zie je, Lange?
Klets is het immers?
Maar liefde genéést, Lange!
Menselijke krachten kunnen genezen!
En dit is precies hetzelfde als Manus doet, de levenswil en de levensaura van ’n mens kan het tot stand brengen.
Maar dat hoor jij later nog, doch dan moet er met jou eerst iets gebeuren, Lange.
Achter je kist sta je voor deze wonderen!
Maar wat is het leven toch machtig, wat is het toch mooi.
Já, Lange, als je het ziet zoals het is!
Door het denken van Jeus, veranderde Deut.
Doordat Jeus hem hielp denken, keerde Deut tot het dagbewustzijn terug.
Méér is er niet, Lange!
Zei Christus niet: „Indien giij ’n geloof had als ’n mosterdzaadje, dan???”
En Crisje’s geloof is zo sterk en zo hoog als je Hunzeleberg, vanwaar af je het „Stolzenfels am Rhein” kunt zien, Lange, waardoor met Deut deze wonderen gebeuren.
Jeus kijkt Crisje in de ogen en ze weten het.
Als hij haar nu zegt, dat zijn Lange en José het hebben gedaan, schiet Crisjes gemoed vol en drukt zij haar grote Jeus aan het hart.
Zie je wel, dat kunnen de engelen, is het niet Jeus?
„Jao, moe’der!”
De Lange kijkt, waarachtig, Deut is van z’n steen af.
Wie heeft ’m dat geflikt.
En als hij nu van Crisje hoort, dat zijn Jeus dat heeft gedaan, krijgt hij van de Lange een geweldige pluim op zijn hoed.
Hendrik stormt binnen en vraagt:
„Wèt giij, Cris, wie dat veur mekaar hèt gekrége?”
„Joa, Hendrik, dat wèt ik.”
„Now, zeg ’t is?
De dokter?”
„De dokter, vraog giij, hèt dèn dan verstand van hemelse zake?”
„Is ter dan weer wat gebeurd, Cris?”
„Jao, Hendrik.”
Crisje pest hem lekker, hij moet nu niet ineens alles weten, dan dringt het ook beter tot zijn leven door.
Maar de Lange zegt nog:
„Wie dat gedaon hèt, Cris, daor nèm ik mie’n petje veur af.”
En thans komt er iets, waarvan de Lange zal schrikken.
Crisje lacht, de Lange ziet het en vraagt:
„Waorum lach giij van binne, Cris?”
„Das ook wat, Hendrik.
Dan kunt giij vandaag veur ow Jeus de pet afnéme.
„Wat zég giij, Cris?”
„Jao, Hendrik, néém ow pet maor af veur Jeus, dèn hèt Deut béter gemaak en van zie’n steen getrokke.”
Jeus moet bij vader komen, de Lange wil voor hem alleen viool spelen en zingen.
Dan vraagt de Lange:
„Hoe hèt giij dat veur mekaar gekrége, Jeus?”
Hij denkt even na.
En hoe het ook kwam, ineens wist hij het, de woorden werden gewoonweg op zijn lippen gelegd en de Lange hoorde:
„Ik spulde wat op mie’n eige viool, vader, veur Deut.”
„Verrek ...” ontvalt de Lange ... zoiets had een volwassen mens hem eens moeten vertellen, dan had de Lange datzelfde mens een klap midden in het gezicht gegeven.
Hij is ervan ondersteboven.
Crisje smiled vanbinnen, zij zegt niets, maar ze geniet en ze weet het: Onze Lieve Heer ook!
Maar, die goeie Lange toch!
Eerlijk is eerlijk, de Lange heeft zich even na de schrik bijna een stuip gelachen.
En dat vond Crisje weer te goedkoop, je lacht niet om ernstige zaken.
Jeus had vader nog meer willen zeggen, maar zijn Lange vond het net zat, tegen grappenmakers en doofstommen praat zijn Lange niet!
Jeus zei er niet een meer, zijn leven sloot zich af voor zijn eigen vader.
Dat is jammer, Lange.
Zo gaan wij verder, telkens staan wij voor dit jammer ... jammer, jammer toch, maar jij bent niet te bereiken, jij lacht maar.
Wanneer word je eindelijk eens ernstig voor Crisje en je jongens?
Ben je vergeten wat Chang van Jeus zei?
Jij zult het doen, maar wat jij in je kop hebt, Lange, is dat waarachtige kennis?
Er zijn er die nu lachen, maar dat hoor je niet eens.
Je zúlt het echter ééns horen!
Door bidden bereik je niets, Lange, maar door te bidden stem je jezelf af op hogere gebieden, op hoogmoed kun je je dan niet afstemmen, want het gebed voert je naar de menselijke eenvoud.
Om je dit alles te kunnen verklaren, zullen wij straks een dik boek schrijven voor je, Lange.
En dat zal Jeus doen!
Moet je nog iets, Lange?
En dat zal dan geschieden door dezelfde engelen die thans Deut tot het dagbewustzijn optrokken.
Maar jij weet immers niet wat dagbewustzijn is.
Dat weet Jeus wel!
Hij trok Deut tot zijn eigen bewustzijn terug en toen was Deut weer onder de mensen.
Dat Deut dit niet eeuwigdurend heeft, geloof je dat?
Ik zeg je, Deut heeft deze narigheid zélf tot zich geroepen.
Maar dat was ergens anders, Lange.
En thans zit hij met zijn eigen narigheid, doch hij komt er ook uit.
Deut is herstellende, Lange, en één menselijk leven heeft niets voor deze zaken te betekenen.
Je hebt er meerdere levens voor nodig!
Snap je dit, Lange?
Néé, natuurlijk niet!
Onze Lieve Heer, Lange, werkt door „ZIJN” engelen.
Nu is het de „Lange” van Jeus en ben ik het, en het zijn anderen en ook dat zijn mensen, Lange, die allen op aarde leefden en thans een hemelrijk vertegenwoordigen, want er is geen dood!
Voel je nog niks?
Moet je nu nog niet lachen?
Komen je lachspieren nog niet tot het dagelijkse uitpuilen?
Als je maar weet, wij sloten ons voor je leven af; wij hadden je op dat ogenblik heel iets anders kunnen vertellen.
Maar jij, hoe goed je ook bent, want wij hebben geen klachten over je en Onze Lieve Heer niet, maar dat jij om Zijn dingen en zaken lacht, dat moet je zelf weten.
Immers, eens komt toch de heilige ernst voor jezelf omhoog.
En dan eerst ben jij in staat om te luisteren, om je Crisje en je Jeus te volgen en te aanvaarden.
Nu gaat dat alles voor je leven verloren, nogmaals, Lange, jij bent niet kwaad, maar voor deze en andere heilige zaken ben je kurkdroog én doofstom!
Jij voelt en ziet niks.
Integendeel, jij wilt vioolspelen.
Maar Jeus had gelijk.
Zijn Lange dacht, als ik Jeus laat praten over zaken die de stoffelijke Lange interesseren, sla ik hem wellicht wakker.
Néé, het lukte niet, jij lachte lekker en toen ging hij maar weg.
Jeus gaf je als vader een gevoelige mep, is het niet?
Zijn leven, Lange, is als een harp, en de engelen van Onze Lieve Heer tokkelen op dat harpje!
Is het niet leuk?
Is het zo onbegrijpelijk?
Wij zijn er nog niet, wij gaan verder.
Je hoort nog wel iets van ons.
Heeft je armoedige kist van vijftien mark evenveel waarde als de viool die Jeus is?
Laat Onze Lieve Heer nu niet lachen.
Boer, blijf bij je koeien.
Lange, je bent tot veel in staat, maar zeg nu zelf, hoelang nog?
Of word je tachtig jaar?
Dan heb je de tijd nog, zo tegen de zestig beginnen de mensen meestal in de richting van Onze Lieve Heer te denken.
Wij, Lange, praten thans vanuit een wereld die jij voor onwezenlijk houdt, en waarin jij niet geloven kunt.
Wij praten tot je leven en je wezen, maar het dringt niet tot je door.
En zoals jij bent, Lange, zijn er nog miljoenen mensen.
Toch moeten al die mensen naar Onze Lieve Heer terug!
Heb je daar nooit eens aan gedacht?
Maar het leven is mooi, het leven is wondervol, waarom zou jij je met Magere Hein bemoeien?
Crisje en de Lange praten tot diep in de nacht.
Ze hebben het over Deut en Jeus en over de ongekende wetten van Onze Lieve Heer.
„Wat is het leven soms toch moeilijk”, zucht de Lange.
Maar gek is het, wat dokters niet kunnen, ligt in het bereik van ’n kind.
Crisje zei tegen de Lange, dat hij best ’n sigaartje voor Deut mocht kopen, Jeus kon dan dit lieflijkheidje aan zijn vriend geven.
De Lange vond dit echter kinderachtig en ging er ook niet op in.
Maar de Lange is ook niet gek.
Hij graaft geen graf voor ’n ander, dat komt er niet tot zijn leven.
Hij weet heus wel hoe zijn Crisje is en hij geeft haar alles.
Maar, om die innerlijke geestelijke weg te bewandelen met z’n allen, daar heeft hij nog lang het verlangen niet voor, dat moet ook voor Hendrik nog ontwaken en voert hem, indien hij even luisteren kan, naar Deut!
Hij, ook al heeft hij ze goed bij elkaar, leeft juist boven het bewustzijn van Deut en zó, weten Crisje en Jeus, is de grote rest van deze wereld!
Als je een mens hoort praten over zichzelf en dan zo heerlijk om bovennatuurlijke zaken hoort lachen en wanneer je het soms beleven moet, dat een mens je midden in je gezicht uitlacht, dan trek jij je maar niks van die mensen aan, want dát zijn de gekken, de absoluut waanzinnigen.
Deut en zijn soort zijn de levenden op deze aarde en dé bewusten van geest.
Dat zei eens iemand, voor wie deze mensheid een kathedraal heeft gebouwd en zo is het!
De echte gek, die schreit voor en door de werkelijkheid.
De normale mens kan niet schreien, want hij vindt zich té verstandig, maar kijk eens naar zijn schoenen?
Hij leeft, zei ook weer eens een groot mens, in zijn eigen armoede!
Maar hij ziet en hij hoort niks!
En dat wereldje komt vanavond op visite.
Dat rent dan je mooiste kamer in, zet zich daar neer en heeft nog praatjes ook!
Lange, ik zou je dood kunnen slaan met woorden en bewijzen, maar je bent niet te bereiken!
Wij wachten nog even!
Maar dan?
Dán, sla jij ’n bende violen kapot!
Waarvoor en waardoor?
Zoek dat zélf uit, een kind op school wordt geholpen, maar de grote rest heb je zélf te leren, Lange, dat is de heilige waarheid.
Crisje gaf hem haar oordeel:
„Tot de enkels, Hendrik, staon de minsche in hun eige modder, en hebbe dan nog wat van andere minsche te zegge, ze ruuke der eige drek nie’t ...”, dat was hetgeen zij, Lange, uit een wereld trok, waarvan ik sprak en dat wil zeggen: sta ervoor open ...
Indien die liefde in je is, spreek je al de talen der wereld!”
De Lange weet het, hij is niet in staat om Crisje haar geloof te ontnemen.
Haar geloof is „oersterk”!
Eigenlijk betreden ze één wereld, hebben één geloof, maar de Lange doet het anders en op zijn eigen manier van denken en voelen.
Onze Lieve Heer staat tussen hen in.
Inderdaad, als het moet, dat weet Crisje ook, gooit de Lange zich op het graf van Onze Lieve Heer als een trouw hondenbeest om voor het leven te waken, doch dat is hem nog niet gegeven.
En Crisje weet ook, alles komt te zijner tijd en op het juiste ogenblik!
Voor vandaag gaan er heel wat Onzevaders omhoog, vanuit Crisje.
Ook Jeus heeft ze opgezonden.
Die heeft hij door Deut verdiend.
De één doet het door wat bloemen en wat hartelijkheid, wat liefde ook, natuurlijk, dat kan allemaal; een ander door rechtvaardigheid te betrachten en nog weer anderen door hun daden.
Door stoffelijke en geestelijke daden kweek je je reinste „Orchideetjes”!
Wanneer die door de liefde tot het eigen leven worden gebracht, geloof het, die bewijzen zijn er, mag je ze op „Golgotha” neerleggen en die worden door Onze Lieve Heer gretig aanvaard, daar houdt „HIJ” het meest van.
Die heeft ook „HIJ” waarlijk en oprecht lief en daardoor wordt alles anders.
Kweek er een door ziel, leven en geest, en je kunt ervan verzekerd zijn, het gaat je beter en het zal je altijd goed gaan in het leven, je weet dan, je wordt door die krachten gedragen.
In de bedstee droomt er een in diepe rust.
Jeus wandelt thans in een tuin waar alleen van die „Orchideeën” groeien en bloeien.
En Crisje volgt hem.
Hun harten zijn geopend en tot universéle éénheid gekomen.
Daarginds is er een groot licht te zien en daarheen gaan zij, hand in hand.
Hun harten zijn vol van geluk.
De Lange kon niet met hun meegaan, omdat hij te veel lachte.
In deze wereld leeft ook de lach, maar eerst dan, indien je tevens de heilige ernst ervan en ervoor in je draagt, voordien heb je het recht niet om te lachen.
Lach je, voordat je die zekerheid hebt, dan ben je een gek!
En gekken willen ze daar niet zien.
Menselijke gekken storen daar de rust en de vrede!
Want hier, geloof het, heeft Onze Lieve Heer álles te zeggen, Lange!
Leer denken, Hendrik.
Wij leggen steen op steen, voor Jeus, en wij bouwen aan een „Universiteit”!
En het klopt als een bus, Lange, de wereld ziet thans door je handelwijze, hoe het moet en hoe het juist niet moet, waardoor het levenswerk straks waarde krijgt én vanzelfsprekend, nu gelezen wordt door die mensen, die openstaan voor leven en dood en die voor Magere Hein niet angstig zijn; hém dus hebben leren kennen.
Waarom moet je sterven, Lange?
Omdat je verder hebt te gaan.
In één leven kun je niets bereiken!
Wat is krankzinnigheid?
Dat is ónbewustzijn, Lange.
Je hebt je zelf even uit het Goddelijke Harmonische getimmerd.
Hoe kweek je Goddelijke „Orchideetjes”, Lange?
Doordat je ál je liefde voor het leven van God inzet!
Doe dat met vreugde in je hart, Lange, en je hebt het recht jezélf mens te noemen!
Tot zover vandaag dan.
Morgen gaan wij weer verder.
En doe de groeten aan Fanny, Lange, want Fanny heeft vandaag ook zijn orchideetje verdiend.
Hoe bestaat het, een hond heeft meer verstand dan een gezond, sterk, met kunst begaafd en bezield mens van de aarde.
En toch is een hond maar een hond, een mens is „gans wat andes” ... Lange!
Maar de mens kan geen hand uitsteken.
De hond Fanny dacht, ik heb mijn tongetje van Onze Lieve Heer gekregen en gaf nietig, maar welbewust z’n eigen liefde.
Aan Deut!
Ook dit is een echte kus, Lange.
Als je zo kussen kunt, kweek je tevens van deze levende dingen in het wit, het paars en het zachte blauw, al die hemelse kleurtjes, of hou je niet van die bloemen, Lange?
Ik begin je maar te vervelen, je hebt slaap.
Welterusten, Lange.
Ik behoef het Crisje niet toe te wensen.
Zij is daarginds, met haar Jeus, Onze Lieve Heer zei: jullie slapen vannacht eens lekker zacht.
En toen, Lange, kregen ze vleugelen.
En ook van dat zul jij nog eens mogen snoepen!
Zo’n hondehart toch!
Die Fanny ook!
Niet eens ’n sigaartje kon er voor Deut af en ook dat is weer jammer.