Engele zun heilig, Engele stele nooit

Waar Jeus nu aan denkt is, hoe kom ik aan centjes!
Hij kan zich de haren wel uit zijn hoofd trekken, want hij heeft z’n geld van vasteaoved schoon opgemaakt en nu staat de kermis voor de deur.
Zijn verdiende geld is foetsie.
Hij dacht, met mijn murmels haal ik het wel, maar ze hebben hem uitgekleed, want hij verloor nu ook nog al zijn knikkers.
En daar heeft hij geen seconde op gerekend.
Dat dure, zuurverdiende geld van vasteaoved, waardoor ze dagenlang ziek waren en krom lagen van de hoest, hij en Bernard geen stem meer hadden door het zingen van de „foekepot”, hij moet er niet aan denken, is op.
Nog nooit is hem zoiets overkomen.
Maar wat doe je, als je geen geld bezit en je weet, dat de kermis op komst is?
Dan probeer je van alles om iets te verdienen.
Maar ze hebben pech gehad, ook Bernard is nu straatarm.
En bij Crisje behoeft hij niet aan te kloppen, die heeft zelf niets.
Tante Trui stopt hun een stukje worst in handen.
Je moet Bernard nu horen schelden.
Bernard zei tegen Jeus:
„Ik zal die nog wel is wat andes vertelle.”
Jeus weet niet wat hij tegen tante Trui zal zeggen, want hij kent Bennad best, wat die zegt doet hij ook.
En dat is nu allemaal heel mooi, Bennad, maar hoe komen wij aan centjes?
Thans slooft hij zich uit om wat te verdienen, doch dat is niet zo eenvoudig.
Hij begrijpt niet, waarom die grote mensen dat niet kunnen begrijpen.
Het is toch ’n eenvoudige zaak, een kind wil naar de kermis, waren zij dan niet eens jong?
Is dit zo verkeerd?
Hebben al die grote mensen geen gevoel meer?
Hij denkt zich een ongeluk, hij beeft ervan, de mensen begrijpen je niet.
Máár, verdikke nog aan toe, dat hij daar niet aan gedacht heeft.
Stom is het, het geld ligt já op straat.
En je hoeft er eigenlijk niets voor te doen.
Met beleefdheid doe je alles in het leven.
Kun je voor duiven geld krijgen?
Hij heeft ook deze gedachten, eventjes maar, gevolgd, doch daaraan waagt hij zich niet, de duiven zijn van hén allen en dan zit er iets op, dan kan hij de kelder in.
Maar hij weet wel wat.
Hij zal voor moeder op de pof werken.
Moeder mag gerust bij hem in het krijt staan.
Hij kan haar vertrouwen, moeder zal hem niet belazeren.
„Of ik niks veur ow kan doe’n, moe’der?”
„Wat wí giij?”
„Of ik niks veur ow kan doe’n, moe’der.”
„Jao, van eiges.
Giij kunt biij Theet koffie hale.
Theet wèt wel van welk mark wiij drinke.”
„Daor zal ik dan is efkes veur zurge, moe’der.”
„Maor hèt giij now dan niks te spulle, Jeus?”
„Spulle kan’k altied nog, moe’der.”
Crisje weet best waar hij heen wil.
Ze houdt zich blind en doof, maar ze denkt, die Jeus toch.
Ze vindt het heerlijk, dat hij zijn drama’s is vergeten en nu weer een gewoon kind is, maar centen geven, dat is weer heel iets anders.
Je kunt ze zo gauw verwennen.
Jeus is weg.
Hij kijkt naar de mensen, hij kijkt ze in de ogen en in de zielen, maar ze reageren niet.
Kan er dan beslist geen enkel centje af?
Is er hier dan niks te verdienen?
Ook bij Theet Egging kan hij zijn krachten niet kwijt.
„Alsteblieft, moe’der.”
„Dank ow wel, Jeus.”
„Niks te danke, moe’der.”
„Dat wèt ik, Jeus.”
„Ik doe’t vuls te graag veur ow, moe’der.”
„Dat wèt ik al zo lang, Jeus.”
Dan is het in orde, denkt hij, maar dit is een pof van één cent.
Hij zal het opschrijven.
Moeder komt bij hem in z’n pofboek te staan.
Dit is eerlijke schuld.
Bennad zou zeggen: vuile smeigelaar, maar Bennad kan hem nog meer vertellen.
En lekker, hij kan gans zijn tijd aan dit werk geven.
Bernard kan eerst ná school aan zijn werk beginnen, want ook Bernard denkt zich gek om aan geld te komen.
Ook voor hem komt de kermis.
’n Mooie dag is het.
Er komen rijke mensen van Montferland over de Grintweg om hier de boel te bekijken.
Die mensen maken hier mooie wandelingen, ze gaan de Plantage in en weten met hun geld geen raad.
Hoera ... Fanny, ik ben er!
„Verdikke nog aan toe, Fanny, wat zun wiij toch stommerikke.
Mien hemel nog aan toe, wat zulle wiij vandaag ’n bonk geld verdie’ne.
En now mot giij is goe’d luustere, Fanny.
Giij mot mie’n helpe.
As ik de minsche in de oge kie’k, dan mot giij ze ook in de gate holde.
Zo, Fanny, ik zal ow dat is lere.
Ze zegge, dat vader vuur in zie’n oge hèt, maor dat kunne wiij ook.
De minsche zun veur vader bang, Fanny, maor wiij motte ze nie’t bang make, niks ter van, wiij doe’n dat gans andes.”
Nu kijkt hij Fanny in de ogen.
Scherp en bewust, daalt hij in het leven van Fanny af.
„Heij mien gevuuld, Fanny?
Dat geet ter in, wâ?
Tége mie’n eugskes kú giij nie’t op.
Maor dat kan’k begrie’pe.
En now, giij wèt ’t zeker al, kie’ke wiij de minsche in de oge.
En dat zun van die rieke minsche, Fanny, die wone op Montferland en die komme straks van de Grintweg afrolle.
Ik beloaf ow, Fanny, as wij weer wos krie’ge van tante Trui, dan wi’k ter veur mien eiges niks van hebbe.
En as ’t kermis is, maij met mie’n op de karasel zitte.
Buje bliij, Fanny?”
Fanny blaft, hij begrijpt zijn baas.
Maar Jeus voelt, hij heeft al een bende geld vergokt.
Gisteren en vorige week had hij er al aan kunnen beginnen, maar ze zullen vandaag die schade inhalen.
Ze liggen nu voor het huis, midden voor de deur van Crisje en wachten af.
Daarginds komen twee dames aanwandelen.
En die zal hij recht in de ogen kijken en dan vragen ze iets.
Daar heb je ze al.
Hij boort zich in de ogen van de dames, als ze bij hem zijn zullen ze blijven staan.
„Daor heij ze, Fanny, en now kie’ke.”
De dames hebben „spatsier-stokjes” bij zich, ziet hij.
Hier hebben de vrouwen geen stokjes.
Voor moeder is dat niks.
Moeder loopt altijd op klompen.
Maar daar komen ze.
Hier zullen ze blijven staan, vlak voor zijn neus.
En daar heb je het al.
„Dag ventje?”
„Dag dame.”
„Zo, ben je zo lekker aan het spelen?
Hoe heet je?”
„Jeus, dame.”
„Jeus, dat is een mooie naam.”
„Jao, dame.”
„En hoe heet je hondje?”
„Fanny, dame.”
„Ook een mooie naam.”
„Jao, dame.”
„Wat een beleefd kereltje is dat, Mary, heel iets anders dan de kinderen in de stad.”
En tot Jeus:
„Waar woon je, Jeus?”
„Hier, dame, ik lig midde veur ons eige huus.”
Krijgen wij nog niets?
„Zou je graag willen snoepen?”
„Van eiges, dame, das nog al glad.”
De dame moet lachen.
Hij begrijpt niet waarom, als ze maar centjes geeft dan mag ze voor zijn part lachen zoveel ze wil.
Van eiges, dame, ik lig hier met Fanny om een paar centjes, krijgen wij nog niets?
Hij houdt zijn hand op, vijf cent rollen er in zijn vingers, doch tegelijk staat Crisje voor zijn neus.
„Is Jeus aan ’t bédele, dame?
Want dat mag hij nie’t doe’n.”
„Néé, mevrouw, hij bedelt niet, maar hij mag toch wel wat snoepen?”
„Van eiges, dame, maor wiij wille nie’t dat ze bédele.”
„Dat begrijp ik, mevrouw.”
„Jao, want wiij zun gin landlopes.”
Crisje neemt z’n geld, hij mag één cent hebben, maar dat moet hij nog eens proberen.
Ze zegt het dan aan zijn vader en is hij nog niet gelukkig.
Hij denkt, dat moeten wij anders doen, Fanny.
Morgen liggen wij daarginds, voor het hek van tante Trui en kan moeder ons lekker niet zien.
Maar, dit is het!
De mensen aankijken en ze dwingen om je een paar centen te geven.
In de brandkast zit één cent, zo-even hadden ze niks, hij gaat vooruit.
Tegen drie uur is hij present.
Daarginds komt een man en vrouw aangewandeld.
De man kan hij niet bereiken, maar die vrouw is gevoelig.
Vannacht heeft hij gezien hoe je de mensen nog beter kunt bereiken.
Sta daar niet zo lang te kletsen, kom naar ons, wij hebben je nodig.
De vrouw komt niet van hem los, mijnheer bengelt er eigenlijk bij, die man is als een vrek vanbinnen.
Die interesseert zich niet voor kinderen, die denkt alleen maar aan zichzelf.
Daar zul je het hebben.
En opnieuw hoort hij:
„Dag ventje?”
„Dag dame.”
„Hoe heet je?”
„Jeus, dame.
En dat is Fanny.”
„Wat heb je mooie ogen, Jeus.”
„Jao, dame, krek de eigeste as mie’n vader, dame.”
„Zo, is dat waar, heeft je vader ook van die mooie ogen?”
„Jao, dame, de minsche zun der bang veur.”
„Ach.”
„Jao, dame.”
Wat een leuk kereltje is dit, man.
En hoe beleefd.
Dat zie je weinig.
„Is je moeder thuis, ventje?”
„Jao, dame.”
„Zou je wat willen hebben?”
„Alsteblief, dame, graag.”
De dame maakt haar tasje open en legt een dubbeltje in zijn hand, maar opeens staat zijn Lange voor zijn neus en zegt:
„Jeus, wat doe’t giij now, das jao bédele.”
Hij kijkt in de ruimte, smijt de dame haar dubbeltje voor de voeten en rent weg.
„Begrijp je dat nu, man?
Dat zal mij nooit meer gebeuren.
Boeren blijven boeren.
Het is onbegrijpelijk.
Wat gek, man.
Zag je hoe vreemd dat kind deed?
Dat is een belediging.”
Jeus is weg.
Hij zit met Fanny achter in de tuin en scheldt het leven de huid vol.
Hij weet niet, wat hij ervan denken moet, maar de „Lange” zat ertussen.
Als je de mensen in de ogen kijkt, is dat bedelen?
Maar nu ziet hij z’n Lange terug en dan krijgt hij te horen:
„Das bédele, Jeus.
En ik wil nie’t dat ze ow uut schelde veur bédelaar.
Kui mie’n begrie’pe?”
„Jao, van eiges, giij hèt jao geliek.
Andes gao’k de kelder in.
Ik zal oppasse.”
„Veur gin geld van de wéreld, Jeus, zo’k wille, dat giij ging bédele.”
„Dát begrie’p ik, hè’k ow al gezeid.”
De Lange is weer weg.
Jeus slungelt hier en daar rond, aan geld durft hij niet meer te denken.
Het leven is rot, stakkerig is het leven, ze gunnen je niks.
En daar heb je de eerste wagens al.
Hij de wagens achterna.
Het water loopt hem z’n mond uit, dit wordt geen kermis van lek mien vesje.
De dagen die nu komen, worden een waarachtig feest, alles wil hij ervan zien.
Maar aan geld komt hij niet.
Anneke kan nu kermis vieren, hij heeft niks.
De dagen gaan voorbij.
Het is zondag en om elf uur gaan de tenten open.
Na de hoogmis krijgen zij hun geld van Crisje.
„Johan?
Hier, giij krie’g veur vandaag ’n dubbeltje.
Bennad, zeuve cent.
Jeus vijf cent.
En hoepel now maor op.”
Nu zul je het hebben.
„Kom, Fanny, maor wij motte zuunig zun, dat kui zeeker wel begrie’pe.”
Eerst even verkennen.
Hij staat voor de karresel te kijken, hij wil eerst weten hoe dat alles in elkaar zit.
Prachtpaarden zijn het, die van Hosman zijn er maar stakkerds bij.
Moet je die engelen en die landschappe op de karresel is bekijken.
En al dat blinkende goedje.
Hij krijgt er niet genoeg van.
Fanny lopen ze al te pletter, hij is het dier al kwijt.
Dat is jammer, maar dan moet die maar uitkijken.
Hij barst van de spanning.
Toch wil hij nog even wachten, anders is hij direct door zijn geld heen en kan hij voor de rest van de dag koekeloere.
Maar, vijf cent zitten er in zijn zak en dat is heel wat.
Ineens heeft de bende hem te pakken, een man slingert hem op z’n wit paard, zo’n prachtdier en daar zit hij nu.
Zie je mij niet?
Waar is Bennad en Johan?
Hij kijkt over de mensen heen, het staat hier zwart van de mensen, die zien nu, dat hij op een paard zit.
Nu gaat de bel, hij vliegt al.
Mijn hemel, Crisje, Lange toch, zijn die er niet?
José, zie je niet wat hij beleven gaat?
Hij kan het niet op.
Maar zijn Lange en José kunnen hem nu nog meer vertellen.
Deze ogenblikken zijn voor hemzelf.
Van dit genot krijgen ze niks.
Het gaat best, één cent is hij nu al kwijt, maar dat zegt niets, hij vliegt over de velden; greppels en kuilen hebben niets te betekenen.
Thans gaat het de vlakte over, regelrecht naar Montferland en dan, ontzettend hard gaat het, terug.
En moet hij het paard remmen en jawel, ze staan stil ook.
Wat nu?
Moet ik van mijn paard af?
Wij kennen elkaar net.
Even denken.
Maar ze krijgen zijn schimmel lekker niet, hij neemt nog zo’n ritje, doch nu vliegt hij een andere kant uit, hij wil nu de Plantage even door.
Jammer, dat moeder hem niet ziet, jammer dat Anneke en de anderen er niet zijn, het is om je dol te rijden.
En daar gaat het weer.
Zo snel gaat er eigenlijk geen mens.
Die daar naast hem rijden, hebben niets te zeggen.
Hij is alleen hier, hem behoort de ruimte toe.
Jeus van moeder Crisje geniet!
En weer moet hij terug, hij remt al en zijn paard luistert.
Die paarden van Hosman zijn maar oude sufferds.
Wat nu?
Nog een ritje, maar mijn hemel, dan is hij bijna los.
Toch gaat hij verder.
Ook aan deze rit komt een eind en dan voelt hij ineens, dat ze hem op straat hebben gezet.
Gadverdikke nog aan toe, vuile bende, drie cent hebben ze hem afgetroggeld.
Doodvalle, kunnen jullie.
Moet je die stakkerds zien lachen.
Rotmensen zijn het.
Fanny?
Fanny is er niet meer.
En met hem is het niet veel soeps, hij is bijna al z’n centjes kwijt en de dag, het lange feest moet nog beginnen.
Godgeklaagd is het.
Armoede is het, waarom heeft hij zich met het „stoeken” laten belazeren?
Heeft Mathie hem belazerd?
Theet niet, ook die heeft zijn knikkers verloren.
Doodvallen, dat kunnen ze, een vuile bende is zo’n kermis, moet je die gekke kerels en meiden eens zien.
Wat doen die slungels op een karresel?
Een karresel is voor kinderen en niet voor grote slampampers.
Hij vindt er geen biet aan, hij smeert ’m, maar lust toch nog wel ’n lekker stukje zoetigheid.
Het leven is rot, het leven is stakkerig, het leven is geen cent waard.
Daar heb je gadverdikke die „schoukel” ook nog.
Schommelen is heerlijk, maar ook alweer voor grote jongens.
Daar is het hoofd van jut.
Moet je die gekke jongens zien.
Waar is Bernard en waar is Johan?
Hij ziet geen mens.
Langzaamaan wordt het tijd om te eten.
Crisje zei, tegen één uur moeten ze thuis zijn.
Voorzichtig sloft hij de Grintweg op, het gekrijs van daarginds kan hij hier horen, de bellen rinkelen hem in de oren, maar ook die kunnen doodvallen ...de „droedels” krijgen.
Was Gerrit Noesthede en Jan Maandag nu maar hier.
Maar die mannen, als je ze nodig hebt, zie je ze niet.
Daar is Bernard.
„Hèt giij nog wat, Bennad?”
„Jao, van eiges, de dag is nog lang.
Ik hèt nog vijf cent.”
„Ik hèt niks meer, Bennad, maor wat heb ik lol gehad.”
Bernard ziet aan zijn snuit, dat hij vanbinnen belkt, maar dan moet hij maar niet alles ineens opmaken.
Johan?
Johan heeft alles nog.
Dacht hij het niet?
„Wí giij gin murmel van mie’n kope, Johan?”
„Murmels?
Wie wil der now op kermis murmels hebbe.”
„Stik dan maor, Johan.”
„Hèt giij veur ow eiges niks?”
Het eten smaakt niet vandaag, ook al heeft Crisje lekkere, vette kippensoep gemaakt.
Ze zijn er allemaal gek op, maar vandaag smaakt hem niks.
Even later zijn Bernard en Johan alweer foetsie.
Hij niet, voor hem is de lol er dik af.
Van Crisje geen cent meer.
Morgen komt er weer een dag.
Wat nu?
Daar staat hij thans tussen de deurpost te hangen en hij weet het niet meer.
Maar tante Trui is er nog.
Nu moet hij alles proberen, hij zal haar het hart uit de ribben kijken.
Crisje heeft het al gezien.
„Wat hèt giij ’n lang gezich, en dat op kermis?”
Dat is het teken, het ogenblik voelt hij, om voor zichzelf én Crisje de schuld te doen oplossen.
Maar dan hoort hij:
„Wat wí giij zegge?
Ik zit biij ow in de schuld?”
„Maor was dat dan gin eerlike pof, moe’der?”
Mijn hemel, Crisje moet nu toch hartelijk lachen.
Wat een uitgerekende boef is het toch.
Hij krijgt nog:
„Pas maor op, of ik zal ’t is aan ow vader zegge.
Dèn zal ow.
Dèn wil van poffe niks wette.”
Hij smeert ’m maar gauw, maar voelt, hij heeft zich vuil verrekend.
Dan maar even naar tante Trui.
„Mot giij nie’t naor de kermis, Jeus?”
„Buk al gewéés, tante Trui.”
„Daor is heel wat te beléve, wâ?”
„Jao, tante Trui.”
„Mô-je dan nie’t weerum, Jeus?”
„Ik bun mie’n geld kwiet, tante Trui, ik hèt niks meer.”
Dat is toch duidelijk genoeg, zou je zo zeggen, maar tante Trui is doof en ongevoelig, zij begrijpt hem niet.
En hij, stommerik, dat hij is, zegt nog:
„Die zun now mie’n geld aan ’t verzoepe, tante Trui.”
Het is eruit, maar hij kan zichzelf wel voor z’n kop timmeren, nu maakt hij het volkomen voor zichzelf kapot.
En daar heb je het al:
„Das waor, Jeus.
Die verzoe’pe ’t toch maor.”
Gadverdamme toch!
Met dat „wief”, denkt hij, kun je nooit eens fatsoenlijk praten.
Natuurlijk geen centje.
Verrekke kan ze.
Wat zou Bennad willen?
Bernard zei, die krijg ik nog wel te pakke.
Maar wat wil hij tante Trui nu doen?
Niks.
Hij zegt het zelf, wat moet hij beginnen?
Dan maar weer terug naar Crisje.
„Heij niks veur mie’n te doe’n moe’der?”
„Jao, giij kunt ’n emmer water hale.”
„Van eiges, moe’der.”
„Maor aij maor wèt, van mie’n kump ter gin cent vandaag.”
Hij haalt ’n emmer water, verliest meer dan hij thuis brengt, het leven is vuil, uitgerekend is het, het is geen leven, kon hij zichzelf maar verkopen.
Was Chang maar hier.
Hij mocht hem hebben voor een dubbeltje.
Néé, dat is te weinig, veertig cent.
Maar Chang zit in Italië.
En hij stikt vanbinnen.
Crisje voelt zeer zeker wat hij beleeft, wat er onder dat hartje zit, maar meer kan er niet af, zorgen zat en morgen en overmorgen is het ook nog kermis.
Hij legt zich neer op het bankje voor het huis, onder de vliereboom.
Hij kan zo op z’n rug lekker naar de hemel kijken, maar ook dat is nu niks.
Jeus weet niet, dat er thans een machtig wonder gaat gebeuren.
Hij kijkt, ziet regelrecht in de hemel, hij beleeft dat wonderbaarlijke blauw, die wolken ook en denkt, spelen daar is niks, centjes is vandaag alles.
Maar wat is dat?
Hij ziet een zilverwit koord uit de hemel vallen en dat koord zet zich vast in zijn hoofd.
Nu zit het er al in, midden in zijn kop.
En dan ziet hij, dat het koord het tuintje uitloopt, de Grintweg op.
Hij het achterna.
Nu gaat het de Zwartekolkseweg af, dwars door de bossen heen, in de richting van de Hunzeleberg.
Hij rent het koord achterna en dit koord, dat uit een hemel viel, wijst hem de weg.
Maar waar gaat dit naartoe?
Dicht in de buurt van de Hunzeleberg slaat het koord linksaf.
Mijn God, mijn hemel, hoe bestaat het, daar ligt zomaar geld in het bos.
Hij telt het, hij heeft nu van alles verstand.
Veertien gulden en zestien cent is het.
Hij wil het geld oprapen, maar vliegt er met zijn handen doorheen.
Dat is waar ook, hiervoor heeft hij zijn lichaam nodig dat daarginds in het tuintje ligt te slapen.
En dan kan hij het geld oprapen.
Jeus terug, in ’n flits is hij er, kruipt in zijn organisme en nu terug naar de Hunzeleberg.
Maar nu gaat dat niet zo vlug.
Hij kan nu niet vliegen, het lichaam moet rennen en hard ook, veronderstel nu toch eens, dat er andere mensen komen en die het geld vinden.
Hij rent zich ’n ongeluk, anderhalf uur lopen is het.
Bezweet en hijgend komt hij op de plek aan en jawel, het geld ligt er nog.
Nu hij het opraapt, verschijnt de Lange.
Hij kijkt de Lange in de ogen en hoort:
„Dat zun cente, Jeus.”
„Jao, van eiges, hèt giij aan mie’n gedach?”
„Van eiges, Jeus.
Dach giij dan da’k ow lie’t versukkele?”
„Verrek nog aan toe, das nog is vriendschap.
Dat mok zegge.”
„Now mot giij is goe’d luustere, Jeus.
Dit zun veertien gulde en zestie’n cent, wâ?”
„Jao, dat wèt ik.”
„Now mag giij veur ow eiges één kwatje holde veur de kermis.
En nog één kwatje om veur moe’der ’n koe’k te kope.
Giij wèt wel, zo een met die lekkere suuker der op.
En de res mô--je aan moe’der géve.”
„Giij wod wel bedank, mien God, wat bún ik ow dankbaar.
En dat za’k ook nooit vergéte.
Giij wis dat hie’r geld leij?”
„Van eiges, Jeus, andes ha’k ow toch nie’t kunne helpe?”
„Maor hoe wis giij dat dan?
Zit giij dan altied in de bosse?”
„Van eiges.”
„En wèt giij hie’r dan de weg?”
„Jao, ook dat.
Stéék now de cente, dubbetjes, kwatjes, guldes en riksdaaldes maor in de tes.”
Jeus heeft het geld te pakken.
Hij denkt en vraagt dan nog:
„Ma’k van die zestie’n cent ter nog ’n paar hebbe?”
Hij kijkt de Lange in de ogen en hij voelt al, het is goed.
„Jao, maor nie’t al dat kleine geld, Jeus.
Laote wiij zegge, zeuve cent en now kú giij kermis holde, wâ?”
„Ik kan jao wel uut mie’n vel springe van geluk, aiij dat maor wilt geleuve.”
„Dat geleuf ik ook, Jeus.
En now naor ow moe’der toe.”
„Jao, ik bun al weg.”
Het geld rammelt in zijn zak, huppelend en springend gaat hij naar Crisje.
Hij stikt bijna van geluk.
En dan staat hij voor zijn moeder en zegt:
„Moe’der, moe’der, ik hèt geld gevonde.”
„Wat hèt giij?”
„Geld gevonde, moe’der.”
„Waor dan?”
„In het bos, moe’der.”
„Giij hèt in het bos geld gevonde?
Ik dach, dat giij daor leiij te slaope.”
„Jao, maor toen bun ik weggelope, moe’der.”
Crisje kan er niet bij.
Dat is natuurlijk weer iets bijzonders.
Hij heeft het toch niet hier of daar gestolen?
Néé, Jeus steelt niet.
Maar vreemd is het.
Dat geld moet naar Bolder de Veldwachter.
Arme mensen hebben dat geld natuurlijk verloren.
Van eiges, naar Bolder toe.
Crisje wil geen gevonden geld.
Maar het is gek.
Wat doet zo’n jongen in het bos?
Ze dacht waarachtig, dat hij daar sliep.
En nu dit weer.
Van Crisje krijgt hij er nog drie centen bij.
Hem kan niets meer gebeuren en dat moeder straks een fijne koek krijgt, zegt hij lekker niet, maar dat hij hierdoor de boel op stelten zet voelt hij ook niet.
Hij denkt daar niet aan en is uit haar ogen verdwenen.
Nu opletten voor Bernard want die wil dan natuurlijk weten hoe hij aan dat geld is gekomen.
Jeus stroopt met Fanny de kermis af.
Fanny krijgt eerst zijn verdiende worst, maar dit krijgt de hond niet te horen, veronderstel eens, dat die zich verblaft en dat moet niet.
Nu even kijken.
Zo’n rolmops is lekker.
Néé, eerst zo’n fijn stuk noga.
Het is lang geleden, dat hij noga heeft geproefd.
Dat is lekker en nu maar weer rondfladderen.
Weer staat hij voor de carrousel.
Met Fanny zit hij nu in een heerlijk bootje, het roeien gaat vanzelf.
Driemaal achterelkaar laten ze zich over de sloot trekken, dat een machtig groot meer wordt en dat kriebelt je vanbinnen.
Fanny krijgt hierna een vette bokking, hij neemt voor zichzelf een heerlijk palinkje, het vet drijft van zijn snuit, intussen kijkt hij uit of Bernard er niet is.
Néé, die is er niet en nu verder.
Wat zou je denken, Fanny, van zo’n stuk harde taaitaai?
Fanny eet het lekker op, hij vindt het niet zó, er is nog van alles wat.
Nu zo’n stuk noga aan ’n stok, daar sabbelt hij nu op en bekijkt het kermisgedoe thans met andere ogen.
Het leven is weer wondervol, machtig is het leven en wat zijn de mensen toch gelukkig.
Ook hij en Fanny zijn gelukkig en Onze Lieve Heer kan hij vandaag wel duizendmaal bedanken.
Thans is het grote ogenblik gekomen om voor moeder zo’n koek te kopen.
„Jao, pak um maor in.”
En nu naar moe’der.
Daar zul je eens een gezicht zien, Fanny.
Dat hij hierdoor in de narigheid komt, voelt hij niet.
Maar de Lange wil hem juist in de narigheid zetten, tot aan zijn hals moet hij eronderdoor.
Zij stuiven het huis binnen.
Gerrit Noesthede en vader zijn er ook.
Hemelsgelukkig legt hij de koek op tafel en zegt:
„Hie’r moe’der, dat is veur ow eiges.”
En tegelijk zijn de poppen aan het dansen.
Crisje slaat bijna van haar stoel af.
„’n Koe’k veur mie’n zeg giij?
Hoe kom’p giij aan die cente.
Hèt giij van dat geld achter geholde, Jeus?”
De Lange en Gerrit kijken en begrijpen het.
Crisje jammert:
„Das arg, Jeus.
Das arger as de fiet.
Mien God wat is dat arg.
Dat ha’k nie’t van ow gedacht.
Giij hèt mie’n belazerd.
Waor of nie’t.”
Ze weten wat de fijt voor Crisje is geweest, maar dit is erger.
Veel erger is het en hij kan er met zijn hoofd niet bij.
„Ik moch één kwatje holde, moe’der en daor mos ik veur ow ’n koe’k veur kope.”
„Van wie moch giij ’n koe’k kope?”, vraagt de Lange streng.
Thans kan hij de Lange vertellen wie zijn „Lange” is, maar daar begrijpt z’n vader niks van.
Het is om gek te worden.
Hij zit er tot aan zijn hals onder, een bende narigheid heeft zijn Lange hem bezorgd.
Dat is jammer, dat is verschrikkelijk.
Jeus ziet niet, dat zijn Lange er is en dat hij dit wonderbaarlijke gebeuren volgt en juist wil weten, hoe zijn naamgenoot op dit alles en met hem Gerritje Noesthede reageren.
Dat Crisje het geld naar Bolder zou brengen, wist de Lange, hij kent Crisje.
Maar wat nu?
Dit wordt nog een drama.
De Lange vraagt hem:
„Vertel mie’n is, waor giij dat geld vandaan hèt.”
„Ik lei te slaope, vader, veur ’t huus.”
„Is dat zo, Cris?”
„Jao, Hendrik, dèn was daor in slaop gevalle.”
„En wat toen?”
„Toen zag ik ... zag ik, vader, ’n lang touw uut de hemel valle en bu’k achternao gelope en dat lie’p ’t bos in, vader.”
„En toen hèt giij dat geld gevonde?”
„Jao, vader.”
„Giij wèt zeker, dat giij dat geld nie’t gejat hèt hie’r of urges andes?”
„Van eiges nie’t vader, ik zal toch nie’t stéle, vader.”
Dat wordt, voelt de Lange, een ingewikkeld probleem.
Gerrit, ik neem je fiets even en ben zo terug.
„Giij wèt de plek nog waor dat geld hèt gelege?”
„Jao, vader, vlak bij de Hunzelebarg.”
„Wat zeg giij?”
„Biij de Hunzelebarg, vader, hèk ’t gevonde.”
„Maor dat is jao anderhalf uur lope.”
„Jao, vader, maor daor leij ’t.”
Jeus zit bij de Lange voor op de fiets en nu heeft hij zijn vader te zeggen, waarheen.
„Linksaf, vader.”
Een tijdlang linksaf en nu: „Rechtsaf, vader, en now naor de Hunzelebarg.”
Een tijdje later: „Rechtsaf, vader en deze weg af en dan weer links en dan motte wiij nog efkes um dat bos hén en dan zun wij der zo.”
De Lange weet het niet, hij kan niet denken, hij kan alleen maar Jeus volgen, want dit is een mirakel.
Jammer, dat Crisje dat geld naar Bolder heeft gebracht, hij en Crisje hadden nu eens lekker kermis kunnen vieren, maar hij kent zijn Crisje.
Dat is verkeken.
En nu zijn zij bijna bij de plek waar het geld lag.
Jawel, de Lange ziet, daar hebben guldens en rijksdaalders gelegen.
Waarachtig, je zou je doodschrikken.
En toch?
Inderdaad, Jeus heeft geld in het bos gevonden.
Hij hoeft hem nu niet meer naar dat koord te vragen, daar begrijpt de Lange toch niks van en dan hoef je ook niet langer aan deze dingen te denken.
„’t Is gek, Cris, maor hij hèt ’t in ’t bos gevonde.”
Nu piekeren.
Het duurt even.
Gerrit weet al iets anders.
Crisje hoort:
„As ik mie’n hesses laot warke, Cris, dan éte wij vandaag jao engelekoe’k, want daor hèt ’t toch met te make.
Waor of nie’t Hendrik.
En engelekoe’k krie’ge wij nie’t elke dag.
Veruut, Hendrik, daor mot op gedronke worre, slof efkes, haal veur ons eiges drie meutjes.”
De Lange is al weg.
Gerrit en de Lange verhaspelen hun denken door ’n brandewijntje.
Crisje beleeft het wonder voor zichzelf.
Maar dat geld moet naar die arme mensen terug.
De Lange en Gerrit maken er lol van.
Deze dag is een aparte in hun leven en dat op kermis.
Zij maken er ook maar een kermis van.
Géén spatje van het wonder blijft erover.
En Jeus denkt, dat moet je zelf weten, ik ga kermis vieren.
Hij kan het geluk niet op, ook van Gerrit krijgt hij een gros.
Nu mogen ze hem nog meer vertellen.
Maar er is iets.
Crisje zegt:
„Giij hèt niks veur ow eiges geholde, Jeus?”
„Néé, moe’der.”
Hij kijkt Crisje midden in haar gezicht.
Crisje kijkt terug.
Hij zal zich wel in acht nemen om moeder nu te laten voelen, dat hij geld zat in zijn zak heeft, daar krijgt ze niets van te weten.
Maar dan komt er nog:
„Jao, want giij begrie’p dat wel, Jeus, andes is dat toch jatte.”
„Wat zèg giij, moe’der?”
„Begriep giij dat dan nie’t, Jeus?
Da’s toch stééle?”
„Jao, moe’der, ik begrie’p ow al.”
Gauw maken dat hij weg komt.
Maar gek is het.
Is hij nu toch een jatter?
Op de kermis is hij al die zware gedachten vergeten.
Met een andere jongen zit hij lekker in zo’n luchtschommel.
Wanneer het avond wordt, moet hij huistoe, maar voor morgen en overmorgen heeft hij nog geld zat.
In de bedstede begint hij te denken.
Crisje dekt hem toe.
Ze kust hem.
Hij vraagt nu:
„Moe’der, ma’k ow wat vraoge?”
„Van eiges, wat is ter?”
„Kunne „engele” stéle?”
„Waarachtig nie’t, Engele zun heilig, Jeus.
Engele stéle nooit.”
„O, dan wèt ik het, moe’der.”
„Wat wèt giij?”
„Niks, moe’der.”
Ja, Crisje, dat moest je nu eens weten.
Hij is er!
Wat men hem geschonken heeft, kwam regelrecht uit de hemel.
En nu mogen ze hem uitschelden voor jatter, dan jat zijn engel ook en je zegt zelf, engelen zun heilig, engelen jatten niet.
Wat ’n kermis is dit?
Mijn hemel, Crisje, héél de wereld zal het eens weten en daar zullen wij voor zorgen.
Hij krijgt nog van Crisje, doch dan vallen z’n ogen dicht:
„Ik bun trots op ow, aiij dat maor wèt ...” en ziet ze, haar Jeus is onder de pannen, hij slaapt lekker.
Maar een wonder van een kind heeft ze van Onze Lieve Heer gekregen.
Toch hebben ze hem lelijk te pakken gehad, is de eerste gedachte in de morgen als hij ontwaakt.
Máár, hij heeft centjes.
Alles bij elkaar genomen, heeft hij de winst in zijn eigen zak.
En vanavond gaat hij naar de Kinomatograaf.
Ze geven daar een voorstelling van een uur lang voor vijftien cent, toneel of zoiets, dat kan er nog best af.
Een grote stoommachine staat daar te puffen en daar wil hij alles van weten.
Nu moet hij een smoesje verzinnen, want dat wordt laat.
Is dat ding vanmiddag open?
Eerst kijken.
Ja, waarachtig, hij naar de kinomatograaf.
Barstend vanbinnen, scheel van het geflikker, maar overgelukkig, dat niemand hem gezien heeft, klautert hij de bedstee in en droomt, vliegt de ruimte in, gaat wel twintig keer diezelfde weg terug naar de centjes en praat urenlang tot zijn Lange.
„Giij laot mie’n nooit in de steek, wâ?”
„Van eiges nie’t, Jeus.”
„Giij kunt ook op mie’n rékene.”
„Dat wèt ik, Jeus.”
„En ik bun gin jatter, wâ?”
„Néé, van eiges nie’t, dan was ik ’t ook.”
„Dan magge ze mie’n nog meer vertelle.”
Engelen stelen niet!
Maar het machtige gebeuren gaat voor de Lange de doofpot in.
Heb je dan nooit eens het gevoel, Lange, dat Jeus bovennatuurlijke verschijnselen krijgt te beleven?
Je zegt het, maar het dringt niet tot je door.
Tóch had dit gans deze wereld moeten veranderen, maar zo als jij voelt en denkt, doet deze grote wereld ook, Lange.
Maar de „droedels” van Onze Lieve Heer.
Toch heeft de Lange van Onze Lieve Heer je lekker aan het wonder vastgelegd.
Jij fietste het zelfs achterna, dat is gebeurd.
En dát, Lange, is ééns het bewijs voor deze mensheid.
Denk nu eens even aan de feiten, Lange.
Jeus ligt daar op z’n rug en kijkt naar de hemel.
Vanuit de hemel komt er een koordje en dat stomme ding kan denken en weet precies waar de centjes liggen, ver in het bos en van huis weg.
Zegt het je niks, Lange?
Is dat niet om er dag en nacht over te denken?
Zou je dat niet aan elkeen willen vertellen?
En dacht je, Lange, dat de mensen het niet zouden willen weten?
Natuurlijk, er zullen er veel zijn die lachen zoals jij dat doet, maar er zullen er ook zijn, die denken, dat is een wonder!
En dacht je, Lange, dat dergelijke dingen voor niks gebeuren?
Jij en Crisje weten het en dat is voldoende.
Ook Gerrit Noesthede zal het nooit vergeten, maar waar het Onze Lieve Heer en „ZIJN” Lange om gaat: Je kunt het thans vergeten, Lange, weet echter, ééns krijgt de ganse mensheid dit te weten en duizenden mensen beseffen dan, dat er géén Magere Hein is!
Maar hoe vind je zo’n Lange?
Wat kan die man denken.
En wat voor ogen heeft die toch in zijn hoofd gekregen van Onze Lieve Heer?
Zegt dit alles je niets?
Jij kreeg fonkelende ogen, maar jij kijkt er niet door, jij bent en blijft hartstikke blind!
Crisje weet het, voor haar is het een machtig wonder en dat blijft het!
Straks kun je dit alles door je leven onderschrijven, Lange.
En dat is meteen het zegel van Onze Lieve Heer.
Wij zien en spreken elkaar nog.
Weet echter, je staat voor een zee van geluk.
Je kunt het zo grijpen, maar jij ziet het niet.
Word toch eens wakker!
Eens sta je voor je levenszee, Lange.
En ik hoop voor je, dat er voor jou dan zo’n zilverwit koord is om je naar het uiteindelijke te brengen.
Ik denk, dat jij op eigen krachten je machtige levenszee zult moeten bevaren.
Dan kun je roeien dat je gek wordt.
Je zult ook schreeuwen dat je barst, maar dan is er niet één die jou zo’n snoertje toont, jij hebt het nooit gezocht en ook niet gewild.
Crisje kan daar op rekenen, zij zal bij het einde van haar leven en soms nog ook in dit, haar menselijke bestaan, vele snoertjes ontvangen die haar dan de weg zullen wijzen én haar de wijsheid schenken, hoe te moeten handelen.
Jij staat er dan glad naast!
En met jou de rest van deze wereld, de miljoenen die hun eigen leven willen beleven waar zij het recht toe bezitten, maar Onze Lieve Heer heeft ook nog iets anders.
En dát, Lange, krijg je alleen door dergelijke snoertjes te zien en te beleven en kun je je hoofd voor buigen.
Lach, lach gerust, jij bent een goeie kerel, maar van deze machtige openbaringen begrijp je nog niks, géén sikkepit!
Drie maanden later kreeg Crisje de centen van Bolder terug.
Zeker, er kwamen mensen, zij hadden geld verloren, maar, ook Bolder was niet gek.
Die konden maken dat ze weg kwamen.
Nu hebben Jeus, Miets (Miets is dan nog niet geboren, dus wellicht is hier Johan bedoeld), Bernard en Gerrit, nieuwe zondagse bloesjes aan.
Je moet die dingen zien stralen.
Er straalt echt hemels licht uit.
En Crisje hoeft deze bloesjes nooit te wassen, ze worden nooit vuil.
Ze zijn van Onze Lieve Heer.
Voor de Lange bestaat er maar één ding: de jongens hebben mooie stemmen, hij maakt ze beslist klaar voor de „bühne”!
Of dat gebeuren zal, is weer heel iets anders.
In elk geval, de Lange is er ook nog!
Hij vecht dan tegen die andere „Lange” en tegen Onze Lieve Heer en we weten het al: de Lange verliest het.
Of heb je tóch andere gevoelens gekregen, Lange?
Wij hopen het voor je.
Maar dit was een pracht van ’n kermis!
Zelfs de engelen zaten naast Jeus in de „Carrousel.”
In de hemelen was er echte menselijke pret.
En Onze Lieve Heer zag, dat het goed ging.
Ook „HIJ” had schik, Lange!
In jouw kop zit de brandewijn en ook dat kan Onze Lieve Heer best begrijpen, nu nog ’n sprankje van het andere erbij en wij zijn er.
Maar dat moet je zelf weten!
Niemand dwingt je!