Jeus de ziener (2)

Hij wandelt met Teun op de Zwartekolkseweg, ze zijn het bos in geweest.
Hij is denkende, want hij weet niet wat hij moet beginnen, dit rondzwalken gaat hem vervelen en van voetballen kan hij niet leven.
Wat moet hij doen, Casje?
Ben je er nog niet?
Wat die Luitenant hem heeft verteld, is nu kletspraat, ze zijn Sientje vergeten.
Voor z’n lieve Crisje moet hij eerst maar eens goed uitrusten, want hij heeft het flink te pakken gehad.
Ze zien niemand, hier in de bossen, maar wie is dat!
Teun, kijk eens, herken je dat stapje niet?
Mijn God, het is Irma, Teun, het is mijn meisje.
En jawel, ze is het.
Teun rent naar moeder terug, hij heeft van alles met haar te bespreken.
Zie je nu wel, dat de mensen gemeen zijn?
„Wat is er met jou gebeurd, kind?
Wat hebben ze jou aangedaan?”
„Dag, Jeus!”
Hij moet nu eerst denken.
Hij zal haar geloven, maar ... wat is ervan waar, zijn dat allemaal leugens?
„De directeur heeft mij geschreven, Irma – dat van die vrouw, dat zegt mij niets, maar wat heb jij die directeur gedaan, dat hij mij moet schrijven, dat je een slet bent?
Hier, lees zelf maar.”
Wat nu?
Kun je mij dan niet meer geloven, Jeus?
Weet je dan niet, dat de mensen jaloers zijn?
Ze bijt een stuk uit zijn hart, ze hangt aan zijn leven, hij kan haar niet uit zijn ziel slingeren, Casje, opnieuw gaat Jeus haar aanvaarden!
Hij heeft haar nog voor geen seconde de vrijheid gegeven.
Dacht hij het niet?
Allemaal kletspraatjes.
Is dat even ’n schande?
Ik hou van je, Jeus.
Ik heb daar zo geleden.
Kun je dat begrijpen?
Jazeker, ik zat immers zelf in het cachot.
Maar wat leven er toch verschrikkelijke mensen op de wereld, wanneer zo’n directeur zich al aan een mens vergrijpt, een mens slecht maakt?
Kom, lieverd, schrei nu niet langer.
Wat zei moeder?
Wij gaan lekker naar huis, kom gerust, wij worden daar met open armen ontvangen.
Toch moet ik je iets zeggen, Irma, luister goed naar me.
Ik ben een arme jongen.
Dat heb ik je reeds verteld, je weet het.
Ik geloof je in alles.
Indien ik ooit één ding van je hoor, indien ik waarachtig moet aanvaarden dat je slecht bent geweest, dat je mij bewust bedriegt, dan is het ineens en voor altijd uit.
Maar ik moet het zelf zien, ik stoor mij niet aan praatjes, ik heb een onbegrensd vertrouwen in je, want ik wil je voor geen geld van de wereld missen .
Hij krijgt z’n eigen woorden terug, en thans, naar Crisje.
Crisje zegt niets, zij weet het niet meer, haar verhaal, dat kennen ze, honderdduizend werden er tussen de driehonderd meter gegrepen en is te aanvaarden.
Crisje heeft nog geen slechte dingen van haar gezien.
En Jeus moet het zelf weten.
Ik kan, denkt Jeus, wellicht op de bühne fietsen, hij is een goed kunstrijder, hij kan het wiel onder het rijden al uit de fiets nemen, hij kan radballen ook.
Néé, hij gaat straks mee – beter werk krijgt hij niet en vader kan hem best gebruiken, hij moet in de zaak komen van vader.
Nu, moeder?
Is Irma even goed?
Heb je nog angst voor mijn meisje, Crisje?
Ze weet het niet, zij moet het eerst zien, maar Jeus is dol!
En dan kunnen zij in Duitsland trouwen.
Casje, hoor je het?
Kun jij niets doen?
Irma heeft hem volkomen in haar macht.
Is alles, wat jij in al die jaren hebt gedaan dan kletspraat?
Wie moeten wij thans geloven?
Jeus krijgt een bruin confectiepakje aan en gaat mee naar de ouders van Irma.
Is dat even wat, Crisje?
Hij gaat van huis weg, hij zal in Hannover werken, hij wordt een eigen baas.
Natuurlijk, de schoonzoon komt in de zaak en hij zal die mensen op handen dragen.
Thans naar dat „Stolzenfels am Rhein” ... met zijn engel, het kan niet beter.
Van voetballen kan hij niet leven.
Dag Crisje?
Dag allemaal?
Jeus vertrekt.
Hij zal schrijven.
Irma is gelukkig.
In de trein wordt de liefde zoet en stil.
Wat is er, kindje?
Waarom ben je zo stil?
Ben je dan niet blij dat je naar huis gaat en dat ik bij je ben?
Het kind wordt stiller, wat is er toch?
Met een taxi komen ze thuis, hij kijkt zich de ogen uit, nog nooit heeft hij zo’n reis gemaakt.
Daar is het.
Nu zal hij het ineens weten.
De schoenenzaak is er.
De naam staat op het grote raam, dat alles klopt als een bus.
En een moeder heeft ze ook, daar is moeder, vlieg je haar nog niet om haar hals?
Néé, wat is er?
„Was hast du gemacht, Irmgard?
Der Herr Gott wird aber wissen wie schlecht du bist.
Ein ganzes Jahr warst du weg, Irmgard.
Wo ist al das Geld geblieben?
Mein God ...”
En met een blik op Jeus:
„Versteht der Mensch Deutsch?”
Ja, moeder, Jeus weet het, hij heeft alles verstaan, verschrikkelijk is het.
Irma zegt niets anders dan: „Ja, Mutter, er hat alles verstanden.”
En of het nog niet genoeg is, nu stormt haar vader de kamer binnen en scheldt haar de huid vol.
Moet hij nu nog langer blijven twijfelen, dat zijn meisje slecht is.
De ouders zeggen het zelf.
Even later zitten ze aan tafel.
Hij wordt de deur uitgekeken, dat voel je aan alles, die mensen zijn niet blij.
De vader zuigt hem bijna leeg.
Van onder en van boven wordt hij bekeken en dan valt er:
„Was muss Herr Jeus hier, Irmgard?”
Hij hoort, zij is slechter dan een straatmeid, slechter dan een vuile slet, en dat zeggen haar ouders waar hij bij zit.
Zijn bruin pakje ziet er verfrommeld uit, het hangt aan zijn lichaam.
Voor twintig gulden heb je ook niets bijzonders.
Stom toch, in dienst heeft hij alle kleren aan Johan gegeven; toen Johan ging trouwen had deze niks en hij had alles.
En wat doe je dan, als je broer geen pak heeft en je die dingen niet nodig hebt?
Maar hij kan zijn Anzug oppersen, waar of niet en dan ziet hij er weer netjes uit.
Hij voelt wel, dat ze hem bekijken en dat ze hem liever de deur uit smijten.
Met beleefdheid doe je alles, met liefde doe je alles, zijn deze mensen niet blij, dat ze hun dochter terugzien.
Herr Burgemeister weet er alles van, waarom heeft zij haar ouders zo’n verdriet gedaan?
Over zijn liefde spreken ze schande.
De man heeft het over prügel – en ook dat woordje is hij niet vergeten, hij weet wat het te betekenen heeft.
Maar ze doen niks, moeder zet koffie, vader gaat weer naar zijn zaak terug.
Irma praat lief, moeder kust haar en smeekt haar kind, zoiets toch nooit meer te doen.
Maar hier klopt er iets niet en dat zou hij gaarne willen weten.
Kom mee, Jeus.
Hij volgt haar, ze klauteren de trappen op.
Niet naar een zolder, maar naar de kamers.
Welke wil je hebben, Jeus?
De rooie of de blauwe kamer.
Slaap je liever in de groene?
Mijn hemel, wat zijn deze mensen rijk.
Alles ziet er keurig uit, sjiek is het, ook dat heeft ze niet gelogen.
En dan krijgt hij:
„Kijk, Jeus, ik ben in Amsterdam geweest, Rotterdam en Den Haag.
Ik heb mijn eigen geld opgemaakt, omdat mijn ouders nooit eens lief tegen mij waren.
Ik heb gelogen, natuurlijk, maar ik wilde je dit eerst nu vertellen of je had mij immers niet geloofd?
Kun je dat begrijpen, Jeus?
Ik hield het hier niet uit, Jeus.
Mijn ouders kankeren dag en nacht en zijn gierig.
Ik ben jong en jij ook, wij moeten iets van het leven zien en dat wilden ze maar niet begrijpen.
Ik ben hun enigst kind, maar ze werken voor tien kinderen en is dat nu zo onbegrijpelijk?”
Hij begrijpt nu alles.
Ook zij had even de benen genomen, dat ligt er dik bovenop.
Weer heeft zij Casje uit zijn leven geslingerd.
Jeus heeft de blauwe kamer gekozen, zij slaapt beneden.
Moeder vertrouwt haar niet en ook dat is te begrijpen.
Goeie genade, wat zijn deze mensen rijk, Crisje.
Hij zal het goed krijgen, Crisje, het kan niet mooier.
Casje ... waar ben je?
De moeder mag hem al.
Ze voelt, hij is een goeie jongen en zij zegt het zelf.
Irma ... Jeus is goed.
Hij is haar echte liefde, Jeus is zo ... ist so entzückend ... geen mens is als Jeus is, Mutter.
Lust Jeus geen eigengemaakte koffie?
Je moet maar eten wat er is, wij hebben ja niets meer.
Waarom heeft Irma niet van alles meegenomen?
Het geld was op.
Zij heeft er lol voor gekocht, dat moet hij snappen, maar hij snapt het niet.
Irma leeft hier als een vorstin, voor geen geld wil hij zijn meisje verliezen, tenminste als de ouders hem willen aanvaarden!
Natuurlijk, dat komt best in orde, Jeus, doch na drie dagen kijken ze hem de deur al uit.
En na enkele dagen nog, hoort hij al: wanneer wil hij vertrekken?
Hier is niets te doen, wat wil mijnheer Jeus doen?
Hier werken?
Laat me niet lachen.
Wat nu, Irma, naar huis terug, er zit niets anders op!
Herr Jeus voelt zich als een prins op zijn blauwe kamer en weet niet wat hij er voor zichzelf van denken moet.
Maar hij begrijpt best, dat zij hem als stootblok nodig heeft gehad en hij zijn dienst heeft gedaan.
Toch troost z’n engel hem en zegt, dat alles in orde komt.
Hier is echter niets te verdienen.
Ze belooft hem koeien met gouden horens ... hij diende voor die horens, thans is de dame weer thuis, maar hij weet nu van das „Stolzenfels am Rhein” ... en stikt in de zoete aardappelen, het beetje, dat de mensen hier bezitten.
Der Krieg hat ja alles kaputtgemacht, auch meine Tochter ... en dat kan hij begrijpen.
Tien dagen later staat hij gereed om te vertrekken, ze hebben hem de deur uit gekeken.
Irmgard is voor heel iets anders bestemd.
Der Herr Offizier hat ja seine Aussichten, der Herr Jeus hat nichts, überhaupt nichts, was will der Herr Jeus länger machen?
Hier essen und trinken?
Aber ... het is goed, mens, ik ben al weg!
De zigeunerin brengt hem weg, de trein staat gereed, ze belkt ook nog.
En toch, Jeus, ik ga sparen en dan gaan wij trouwen.
Zijn hart breekt, hij gelooft haar onherroepelijk, alles komt best in orde, over een paar maanden heeft zij alles voor elkaar en dan kan hij hier werken.
Crisje hoort alles.
„Hoe wasse die minsche, Jeus?”
„Die olders, moe’der, dat zun goeie minsche.
En ze zun hadstikke riek, dèn man zit jao in de gemeente, moe’der.”
„Maor dat is gin meidje veur ow, Jeus.”
„Ik bun gek op Irma, moe’der, en dat kan’k now eenmaol nie’t uut mien ribbe sniijë.”
Hij overtuigt Crisje, dat zij van hem houdt.
Hij krijgt werk en dan gaan ze trouwen.
Casje heeft niets te zeggen en die is er ook niet meer.
Dat van vroeger is klets.
Hij werkt in de bossen met Teun, ze graven stompen uit en voetballen.
Dat is alles, er is niets meer te doen.
Hij is een boer, een doodgewone werkman, meer niet en gevoel vanbinnen dat heeft geen cent te betekenen.
Te veel gevoel in ’n mens is om gek te worden.
Hij vertrouwt op alles, straks is alles anders.
Het is zaterdag, zo-even kreeg hij haar laatste brief, alles is daar dik in orde.
En morgen moeten ze in Duisburg voetballen.
Ze schrijft, dat ze hevig spaart en dat zij alles doet, om hem hier te krijgen om te werken, der Herr Bürgermeister, die een vriend van vader is en haar lief vindt, denkt aan ons.
En daarna komt hij in de zaak, want vader wordt oud en moeder wil dat wij hier trouwen.
Is dat even lief, Jeus?
Irma is een schat, zij zal hem niet belazeren, hier kon zij niets aan doen, dit waren omstandigheden.
Hij ligt op zolder, alles staat gereed voor morgen.
Met de brief aan zijn hart gedrukt valt hij in slaap.
Wat is dat?
In slaap krijgt hij een machtig visioen te beleven.
Hij is dromende, maar ongeveer tegelijk wakker, hij weet wat hij ziet en hoort.
Jeus ziet, dat Irma in Emmerik is.
Dat kan niet, omdat zij hem heeft geschreven, maar hij ziet het.
Ze slaapt in een hotel in de Kasstrasse en dat was best, dat kan hij begrijpen, wellicht had ze even iets te doen, maar hij ziet, dat er een jongen naast haar slaapt en dat is de zoon van de hotelhouder.
Hij kent die Willy.
Het bloed stijgt naar zijn kop en tegelijk is hij wakker.
Hij kent het ganse hotel, hij weet precies op welke kamer zij slaapt.
Mijn God, als dat waar is?
Het visioen leeft onder zijn hart.
Hij kan er zich niet van bevrijden, hij zal straks onmiddellijk zichzelf overtuigen.
Maar dit is waarheid.
Hij zag meer nog, zij is twee dagen tevoren vertrokken, heeft heerlijk door een ander haar brief laten posten.
Na veertien dagen is de dochter alweer verdwenen.
Ze is slecht, weet hij nu beslist, het is verschrikkelijk.
Zutphen-Emmerik brengt hem naar de Mühlenweg, nog een stukje lopen en dan staat hij voor die Kasstrasse.
Tegen zijn vriend zegt hij:
„Kom, Jan, gao’t is efkes met.”
Jan heeft de brief gelezen, hij weet alles, Irma zit in Hannover.
„Zo waor as wij vandaag met 3-1 winne, zo waor slup Irma daor in dat kamerke.”
„Bú giij gans gek geworre, Jeus?” ... geeft Jan hem.
„Néé, ik bun nie’t gek, kie’k eiges maor.”
Jeus trekt haar het kamertje uit.
Hij kijkt omhoog, dáár uit dat hoekje, dat kamertje, komt zij tevoorschijn.
En jawel, het raampje gaat open.
Irma is het!
Tegelijk vliegt hij de trappen op.
Links, nu rechts, dan weer de trappen op, nu nog vier treden, en dan de gang over.
Hier is de kamer, hij heeft het vannacht gezien.
Hij stormt de kamer binnen.
Met alles wat in hem is, doorboort hij haar ziel en menselijkheid, hij weet het.
Nog zegt hij geen woord, hij kijkt alleen.
Ze weet niet hoe hij dat weet, het is haar een groot raadsel.
Hij kijkt, hij kijkt naar het bed, en smijt haar zijn ring voor de voeten.
„Hier, vuile slet ... nu weet ik het!
Nu is het goed!
Je bent een slet, mijn God, hoe is het mogelijk.
Je hebt vannacht met Willy geslapen.
Já, je wist niet dat ik een helderziende was, hè?
Ik zal je nu iets anders vertellen.”
Ze vliegt op hem af, wil hem bewijzen, dat ze niet slecht is, maar hij smijt haar van zich af.
Hij ziet nu iets anders.
Er valt voor haar leven:
„Luister, Irma.
Zo waar dat ik wist, dat jij vannacht bij Willy sliep, zo waar gebeurt, wat ik nu zie.
Er komt een tijd, dat je van zielensmart zult sterven, omdat je dan begrijpt, wie ik ben en hoe ik je liefhad.
Ik hoor je schreeuwen, Irma.
Je zult je bloed verteren van smart en pijn, dat voorspel ik je!
En ik laat je sterven!
Hoor je het, ik laat je sterven!
Ik kom niet.
Ik laat je schreeuwen ...
Ze lacht vanbinnen.
Ze wil hem chocolade geven van moeder.
Ze is hier om een ziek familielid te bezoeken, maar dat zegt hem niets meer.
Ook al toont zij hem een telegram, hij gaat er niet op in, voor hem is zij een slet, ze heeft hem bedrogen, ze heeft zijn hart uit z’n ribben getrokken!
En thans is het net zat, Crisje.
Casje, bedankt!
Dat was waarlijk een kunststuk!
Het duurde lang, maar het is er en net op tijd.
Jeus is thans voor de toekomst gespaard, er kan nu niets meer gebeuren.
En nu verder!
De jongens zitten in de trein, zij is er ook.
Hij wil haar niet meer zien.
Ze tracht zijn vrienden te overtuigen, hij gelooft niets meer, het is uit en het blijft uit!
De laatste druppel heeft hij bewust gedronken, geen Onze Lieve Heer kan hem tot andere gedachten brengen, ook al schenkt ze hem nu miljoenen, het is afgelopen!
Wat hij haar heeft gezegd, was wonderbaarlijk, hij beleefde dit visioen als het vorige en hij zag haar, liggende, schreeuwende, met mensen om haar heen, ze stierf!
Hij zag haar vader en moeder, de dokter, er waren mensen in die kamer, haar eigen kamer en vader en moeder radeloos.
Hij voelde, dat ze er Crisje bij haalden, maar moeder is niet gek, ook hij is niet gek!
Maar waar was hij zelf op dat ogenblik?
In de trein beleeft hij zijn toekomst.
Stukje na stukje krijgt hij te beleven!
Néé, het ganse drama dat leeft onder zijn hart, hij zou haar duizenden dingen kunnen voorspellen, maar ze lacht.
Ze wist niet, dat hij een helderziende was?
Hevig interessant is het.
Jan vertelt haar thans over zijn gekke dingen.
Hij is altijd zo geweest.
Jan krijgt medelijden met haar, ook Theet de Bussel en de anderen, ze gaan haar geloven.
Jan vertelt, dat ze vandaag met 3-1 zullen winnen en dat hoort bij zijn zien.
Ja, wat het is, ik weet het ja ook niet, maar het is toch wel gek!
Ik kreeg toch een telegram, Jan.
Hier heb je het.
Ik ben niet slecht.
Hoe is het mogelijk, dat Jeus zo slecht van mij denkt.
Mijn Tante is ernstig ziek.
Maar hoe vind je dan dat hij dat wist?
Ja, dat is iets aparts, ik wist niet, dat Jeus wonderlijke dingen bezat, hij heeft er mij nooit van verteld.
Zij zit daar met de jongens te smoezen, hij beleeft het éne wonderlijke tafereel ná het andere.
Casje laat hem nu niet meer alleen!
Maar deze klap was nodig!
En dat zal Jeus later begrijpen, eerst dan is hij voor ontzettend veel gevaar beschermd, hij zal nu wel uitkijken en kan Casje verder werken aan de opbouw, de ontwikkeling van zijn instrument, waarvoor Jeus moet dienen!
Het is een dag om nooit te vergeten, Crisje, Engelen; Onze Lieve Heer wordt hartelijk bedankt, Zijn engel ... „Casje” is toch een meester?
Hij kijkt haar niet meer aan, hij wil haar niet meer zien.
En nu zij dat van hem weet, zal hij haar vandaag tonen wat hij kan, já, dat hij zelfs met het voetballen zijn brood kan verdienen en dik ook!
Hij wil haar slaan door zijn kunst, door zijn gevoel, zijn weten en haar tonen, dat hij geen boer is.
Ze spelen vandaag tegen een club, waarin zeven jongens spelen van de Duitse Liga ... zeven eersteklassers en het Duitse elftal.
Irma heeft hem nog niet zien spelen en daar zal ze plezier van hebben, want hij is des duivels.
De dame zit op de tribune, ze komen op het veld, ze zien er keurig uit, zo in het wit met een oranje doekje op de borst.
Wat ze te horen krijgen van de Duitsers, klinkt niet zo leuk, want de Duitsers zijn reuzen en zij klein en nietig.
„Müssen wir gegen die Kinder spielen?”
Dat zullen ze dan aanstonds wel beleven.
Ze zullen hun bewijzen wat ze kunnen.
Hebben die jongens Germania in Emmerik verslagen?
En weet je wie Germania is?
Daar speelt die Willy in en daarom kende hij dat ongeluk, maar die Willy kan er ja niets aan doen.
Já, deze hummels hebben Germania, Wezel en Düsseldorf verslagen, eerste klas clubs en vandaag zal je iets leuks zien, wij winnen met 3 – 1 en dat is net zat, is zijn voorspelling!
Het spel begint.
Jeus heeft met de middenhalf afgesproken, dat hij, als middenvoor direct de bal op hem terug speelt, indien zij moeten aftrappen.
Is dat niet zo, dan hebben zij andere trucjes.
Ze moeten aftrappen.
Arnold Noordemeer is een eersteklasser.
Guusje en Theet zijn backs van ongelooflijke kracht, elkeen is voor zijn taak gereed, lang genoeg hebben ze ’s avonds tezamen kunnen trainen en Jeus heeft voor zichzelf iets bedacht, waarvan ál de clubs geen snars weten.
Deze W-formatie kreeg hij door het denken.
Hij weet niet, dat héél de wereld later zijn denken en voelen voor dit spel zal gebruiken, waarvan hij de uitvinder is.
Ze zijn klein, maar zo vlug als water, alleen de beide backs zijn sterke kerels.
Jawohl, das sind Kinder.
Het spel begint.
Hij geeft de bal niet aan de rechtsbinnen door, ook niet naar de vleugels, dat komt direct.
Arnold krijgt de bal, die kan dribbelen, doch dan vliegt de bal direct naar rechts, die houdt de bal geen seconde, zet onmiddellijk voor en dan volgt de rest.
Dit stukje spel hebben ze duizendmaal uitgebalanceerd, meestal lukt het, onfeilbaar is het bijna te berekenen, omdat Jantje Teeling, de jongen van negentien jaar, die kleine maar vlugge rat een voorzet geeft die klinkt als een klok.
Jeus heeft maanden achtereen zijn ballen opgevangen, hij heeft er een studie van gemaakt.
Hoog of laag, links of rechts, het doet er niet toe, zo vanuit de lucht z’n voet eronder en dan rang, een schot waar vuur in zit.
Niet één kan schieten zoals hij dat kan.
Ze begrijpen niet, waar hij dat vuur vandaan haalt.
Met zijn spillebeentjes geeft hij de bal werkelijk vuur en dat kennen ze van hem.
Of de kop gaat eronder.
Jantje zet voor, de bal zweeft voor het doel, hij krijgt zijn kans en jawel ... na één minuut is het 1-0!
Moet je nog peultjes?
Irma barst al.
Ze schreeuwt over duizenden mensen heen, hij kan haar horen.
Dass durch die Kinder!
Mijn God ... is dat even een duivel?
Kan die jongen spelen?
Is dat een „Vorstürmer?”
Die jongen kan geld verdienen, die hebben wij hier nodig.
Dat is een speler.
Tien minuten later krijgt hij weer zijn kans, en rang, van twintig meter afstand, juist in die vuile hoek, het is 2-0.
Nog meer?
Wacht maar.
Vijf minuten voor rust, legt hij Jan, die rechtsbinnen speelt, ’n bal voor zijn schoenen en – hup hei la ... voor de rust is het 3-0 voor die Holländische Kinder.
Jeus is als ’n slang, ze willen hem ’n poets bakken, maar de moffen rennen tegen zichzelf op, hij weet van tevoren wat er zal gebeuren en dat is aan alles te zien.
In de kleedkamers ziet hij zijn Irma terug, ze is niet bij hem vandaan te slaan, maar zij kan hem nog meer vertellen.
Ze vragen hem om voor hun club te komen spelen, hij krijgt een prachtige baan.
Ze willen hem beslist hebben en daar staat zijn liefde met haar neus bovenop, doch hij kan „das ganze Stolzenfels am Rhein” niet meer zien.
Van links en rechts komen ze op hem af, hij lacht maar, hij zal zijn jongens niet vergeten, hij wil met dat hele Duitsland niet meer te maken hebben.
Jan zegt:
„Dan krie’ge wiij der now gin meer in, Jeus, en das jammer.
Wiij moste die vandaag laote kotse.”
En zo is het, Jantje ... zij krijgen er ééntje, Jeus krijgt geen gelegenheid meer, ze zullen hem met vier man dekken, maar, jullie hebben de Duitse Liga verslagen en dat zullen ze hier niet gauw vergeten.
En wat hij ook probeert, hij kan zich van vier mannen niet vrijmaken, de moffen krijgen er ééntje, het einde is 3-1 für das Niederländische B.V.C.
En nu is er feest, ze gaan dansen.
Ze hebben een pracht van ’n beker gewonnen.
Gans deze avond gaat voorbij met gezanik, ze willen hem hebben, hij moet voor hun club spelen en hij komt in de Duitse Liga.
Irma doet alles, ze smeekt hem naar Duitsland te komen, maar hij lacht haar midden in haar mooie snuit uit, hij drinkt zijn glaasje wijn, jazeker, maar de rest kan doodvallen!
Als het te bar wordt, ze met hun gezanik niet willen ophouden, grijpt hij de beker en gooit het ding voor hun voeten aan gruzelementen.
Nu moeten ze maken dat ze wegkomen.
Irma zit al in de trein, hij kan haar er niet uitsmijten, ze wil met Crisje praten.
De jongens helpen haar, ze heeft ze zover gekregen, dat ze haar geloven, hem niet!
Doch dat moeten zij weten en hij kan dat begrijpen.
Maar, als Jan hem bepraten wil, zegt hij:
„Gao’t giij dan maor is met mien, Jan.”
Hij heeft een plan.
Jan volgt hem.
Ze gaan regelrecht naar Willy.
Daar is de jongeman.
Wat zeg je, jullie hebben Duisburg verslagen.
Dass ist ja ein Wunder.
Ja, zo is het, maar hij heeft tegelijk Willy bij zijn kladden gepakt.
„Hoor eens, Willy.
Indien je mij de heilige waarheid zegt, slaan wij je geen bloedneus.
Maar als je mij de waarheid wilt verzwijgen, maken wij je kapot.
Wat wil je?
Heb jij met Irma geslapen, ja of néé.”
Willy zegt: „Ze heeft het mij zelf gevraagd.
Ik moest haar een telegram sturen.”
„Wel, Jan?
Is dat wat?
Is dat nog nie’t genoeg?
Is Irma ’n drel, jao of néé.”
Jan weet het nu.
En dat is jammer.
Jeus was gek op zijn meisje – eerlijk is eerlijk, ze hebben het geluk gevoeld, ze hebben hem dit kleinigheidje misgund, maar nu Jan weet, dat ze een slet is, staat hij aan zijn kant en moet Irma hier vandaan.
Ze krijgen haar niet uit Zutphen-Emmerik, ze is als een wilde kat, ze moet Crisje vertellen, dat zij Jeus niet bedrogen heeft.
Maar wat heeft Willy gezegd?
Geloof je dat, Jan?
Wil die schoft mij zwartmaken!
Mijn hemel, wat zijn de mensen toch slecht.
Het kind schreit.
Jan is alweer voor duizend procent ingepalmd, hij bezwijkt, Jeus niet!
Ze rent hem achterna, de Grintweg op, bij Crisje binnen, thans valt ze aan de voeten van Crisje en smeekt om genade, smeekt haar, om haar te helpen, ze wil voor geen wereld Jeus verliezen.
Jeus praat met Crisje, hij vertelt haar van zijn droom, ook Crisje geeft hem hetgeen zij heeft gevoeld en mocht zien.
En nu kan Irma hem nog meer vertellen.
Ze bespreken met elkaar om haar (weg) te loodsen.
Nu krijgt ze te horen:
„Luister, mijn kind.
Ik geef je nog één kans.
Jij gaat morgen naar je vader en moeder terug.”
Ja, dat heeft ze al voor zichzelf uitgemaakt, zij moet toch naar huis terug, zij moet toch vader en moeder vertellen hoe het met tante is.
Smoesjes ... voelt Jeus, ze praat er zich volkomen in.
Maar, luister nu even.
„Jij gaat terug!
Je moet naar huis.
Indien je dat niet doet, is het afgelopen.
Ga je, dan zal ik over alles nadenken.”
Irma vertrekt.
Hij zet haar op Zutphen-Emmerik.
Ze smeekt hem om met haar terug te gaan.
Hij voelt, zij krijgt nu – prügel!
Maar dat gaat hem niet aan.
Tien minuten later zet hij zich neer en schrijft een prachtbrief aan de ouders van Irma.
Já, hij haalt de woorden uit een boekje, maar dat geeft niet, de brief ziet er goed uit.
Hij schrijft:
„Mijn lieve ouders, vader en moeder van Irmgard.
Ik ben u heel dankbaar voor alles wat ik van u mocht ontvangen.
Ik hield van uw kind, dat ik mijn leven had willen geven om haar te mogen behouden, maar uw kind, ik moet het u zeggen, is een slet, zij heeft Jan Rap en zijn maat lief en verslonst zichzelf.
Nu heeft ze mij wijsgemaakt, dat zij een Tante moest bezoeken.
Hebt u in Emmerik familie wonen?
Ik zag, zij lag daar ... néé ... dat niet.
Maar er volgt nog: Jammer is het, maar ik moet u waarschuwen.
Uw dochter is een slet ...”
Hij gebruikt nu de woorden van de gevangenisdirecteur en maakt zijn brief af.
Nu omzetten in het Duits, het is plat en Duits door elkaar, maar dat geeft niet, ze weten nu precies wat ze aan hun dochter hebben.
Zullen die mensen hem begrijpen?
Na tien dagen krijgt hij een brief terug.
De vader schrijft, dat hij haar daar heeft gehaald en thans komt ze de deur niet meer uit.
Hij heeft er een goede indruk gemaakt en wanneer hij weer eens in Duitsland komt, de deur staat voor hem open.
„Es ist ja schade, wir wissen ja alles.
Der Krieg hat al das Gute in der Mensch kaputtgemacht.”
Sloes, zand erover, hun kind wordt vergeten.
Crisje praat met hem, ze zijn opnieuw één, van hart en ziel ... één, ze begrijpen elkaar.
Crisje zal bidden, dat hij een goed meisje zal krijgen, maar Jeus schreit zich in het bos volkomen leeg.
Mijn hemel, wat was hij gelukkig met dit leven.
Meisjes zijn adders!
Hij wil nooit meer een meisje hebben.
Hij zit dicht in de buurt van Golgotha.
Daar heeft hij onder de struiken gelegen en zich leeggeschreid voor iets anders.
Schrei toch, Jeus, roepen hem de bomen toe, dat lucht op.
Was Fanny nu maar hier, je kunt met geen mens praten, geen mens kan dat begrijpen, alléén moeder weet alles, zij heeft hetzélfde beleefd.
Maar Crisje zegt, je kunt ze beter begraven dan deze smart, dit is erger, dit maakt je kapot.
Als ze doodgaan heb je je liefde nog, nu heb je niets meer en Jeus had waarachtig lief.
Waarom heeft ze hem bedrogen?
Waarom toch?
Wanneer Crisje er niet was, maakte hij een eind aan zijn leven.
Doch dat wil hij zijn lieve Crisje niet aandoen, dat mag niet.
Wie wil er tot zijn leven praten?
Dacht hij het niet?
Casje komt terug en zegt:
„Ik dach zo biij mien eiges, hie’r is wat aan de hand, Jeus, wat is ter met ow?”
„Had giij mien dan nie’t kunne waarschuwe, Casje?”
„Wík ow is wat zegge, Jeus?
Had giij dan naor mien wille luustere?”
„Néé, van eiges nie’t, giij hèt jao geliek, Casje.
Maor wèt giij wat ter in mien umgeet?”
„Dut ’t vul pien, Jeus?”
„Jao, ik verrek van binne.”
Casje laat hem uitbelken.
Heeft hij hem niets te zeggen?
„Ik kan dat begrie’pe, Jeus.”
„Giij wèt niks, as kameraoje moje mekaar waarschuwe, maor giij wis niks.”
„Ik wist alles, Jeus, maar je was ja net gek.”
„Meidjes zun addes, Casje.”
„Das ’n leuge, ow moe’der dan?”
„Das waor, maor wat hebbe ze mien te pakke gehad.
Ik verrek van de pien.
Ik wil nooit meer kusse.”
Casje lacht, hij hoort het en vraagt: „Moje daor ook nog um lache?”
„Ik lach nie’t um ow, ik mos lache um mien eiges.”
„Umdat ze ow ook te pakke hebbe gehad?”
„Van eiges, alle minsche hebbe dat met te make.
Dan had giij maor ’n goeie uut motte zuuke.
Maor now is wat andes, Jeus.
Ik gao’t now naor de stad.
Wiij zie’n mekaar in lange tied nie’t.”
„Wat mot giij daor doe’n, Casje?”
„Warke.”
„Heiij veur mien daor dan gin baantje?”
„Daor zeg giij zo wat, Jeus.
Ik zal der aan denke.”
„Geet nie’t, wâ?”
„Das te zegge, moeilijk is het.”
„Dat sprik van eiges, giij zit toch in ow eige lève.”
„Maor toch zak der aan denke.”
„As dat is waor was, Casje.”
„Alles is meuglik, Jeus.
En now ’t beste met ow.
Trek ow dat nie’t zo aan, daor zun meidjes zat op de wereld.”
„Ik hèt ter zat van, Casje.”
„Mesjoer, Jeus.”
„Goeie dag, Casje.”
Nog hoort hij: „Gao’t naor ow moe’der, ziij hèt lekkere soep veur ow, Jeus.”
„Ik kan jao nie’t meer ete, dat mos giij toch wel wette.”
Weg is Casje ...
Die man is gek, denkt hij.
Dat is ja geen mens.
Die man weet van dit leven niks.
Hij had hem veel willen vragen, maar wanneer hij die stem hoort, voelt hij zich altijd opnieuw geprikkeld.
Het is iets, waardoor je je onmachtig voelt.
Het zegt hem, dat leven heeft alles en hij heeft niets.
Hij had het dialect willen vergeten, en ook dat kan niet eens, wanneer hij de stem hoort komt het plots ook terug en is eigenlijk ook beter.
Van al dat Hollands en Duits wordt hij maar naar.
Je bent nu zover van huis weg, dan heb je helemaal niets meer, je voelt je koud en bedrogen.
Hij weet niet, voelt niets van hetgeen hij bezit, dat zijn helderziendheid enorm is, onfeilbaar is, dat hij hierdoor duizenden mensen geluk zou kunnen schenken, hij begrijpt niets van zichzelf.
Wie denkt er nu aan lekkere soep, als je geen hart meer hebt?
Zie je, daarom is Casje een rotkerel ... een mens van lek m’n vesje, die lekker kan kletsen en van het leven geen verstand heeft.
Dit is erg, maar dat heeft hij niet gevoeld, daarom is het ook geen mens.
Wat wil die stakkerd voor hem in de stad doen?
Het is om je gek te lachen, maar hij kan niet meer lachen, zijn ziel is kapot.
En toch, dat zou ze wel willen, dan hadden ze daarginds nog meer pret en dat moet niet!
Zo is het goed, Jeus.
Elke boom krijgt van hem zijn smart te beleven.
Tegen de avond scharrelt hij op huis aan, hij moet dat leven vergeten.
Met „das Stolzenfels am Rhein” wil hij niets meer te maken hebben.
Toch komt er rust vanbinnen.
Crisje is het, die hem thans opvangt, omdat zij weet wat er in hem leeft.
„Giij mot now bewieze wat giij kunt, Jeus.”
„Jao, moe’der.”
„Hèt giij dat van mien dan vergete?”
„Néé, moe’der, van eiges nie’t.”
„Daor zun andere meisjes, Jeus?”
„Wèt ik, moe’der, maor ziij was jao gans wat andes.
Mien God, moe’der, kú giij vader dan vergete?”
„Van eiges nie’t, Jeus, maor wiij motte veruut kie’ke en nie’t achteruut, aiij dat maor wèt.”
Hij weet het.
Hij zal alles doen om deze slag te overwinnen.
Maar nooit meer een meisje!
Wat zal hij nu gaan doen?
Even nog, Jeus, en je weet het.
Ook dat gevoel zal ontwaken.
Eerst dan kom je tot een besluit.
Jij zult dienen!
Jij zult voor Onze Lieve Heer werken, Jeus.
Al de groten hebben klappen gekregen door de liefde, juist die gevoelens, Jeus, hebben hen versterkt, hierdoor kregen zij ’n ander bewustzijn.
Indien je maar weet, alles is goed!
Alles, hoe vreemd het ook tot je komt, het leven zal je dat straks verklaren, doch dan sta je voor de ruimtelijke wetten!
De groeten van je Casje!