Jezus Christus -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘Jezus Christus’.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘Jezus Christus’.

Christus in het Al

Meester Zelanus zegt op een contactavond:
Christus is de andere dan de Bijbel, dan de katholieke kerk en het protestantisme de Christus verklaart.
Christus is een heel andere.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
De meesters hebben in het hiernamaals Christus heel anders leren kennen:
Maar géén Bijbel is ertoe (in) staat, alléén het leven van Christus, doch zoals wij Christus mochten leren kennen, niet als op aarde.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 1, 1944
Christus had al op aarde geleefd voordat hij daar als Messias terugkeerde:
U en wij bewandelen dus Christus’ weg.
U en wij komen in Zijn leven, als we liefde trachten te geven aan al het leven van God.
Is het niet machtig te moeten aanvaarden, dat Christus op Aarde heeft geleefd, voordat Hij daar als Messias terugkeerde?
Voelen wij niet juist daardoor zo sterk, dat Hij tot ons behoort en Hij onze Vader en Moeder, onze Broeder en Zuster is?
Is het niet machtig te kunnen zeggen: Christus bouwde met de anderen voor ons aan de sferen van licht, aan al de gebouwen en tempels aan deze zijde en aan de levensgraden, welke in de kosmos zijn ontstaan?
Zijn hartklop is als de onze en daardoor bezitten we zekerheid, dat ook wij ons Zijn Goddelijk licht eens kunnen eigen maken.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Hij kende al de vorige levens van zijn kosmische ziel:
Hij wist, Hij kent ál Zijn bil-, biljoenen vorige levens.
Er is niets meer in de ruimte dat Hem niet toebehoort.
Hij is licht, Hij is een zelfstandigheid, Hij voelt zich gedragen door de krachten en de elementale wetten van de ruimte.
Lezingen Deel 1, 1950

Een smalle weg

De meesters hebben kunnen volgen hoe Christus vanuit het Al afdaalde naar de wereld van het onbewuste om op aarde te reïncarneren:
Aan Gene Zijde is het afdalen van Christus door de meesters gevolgd, de kosmische graden waren bij dit machtige gebeuren tot in het Al zichtbaar.
Miljoenen zielen zagen de terugkeer van de hoogste meester in de ruimte.
Zij wisten wat Hij op Aarde ging beleven.
Christus sloot Zijn ogen, loste langzaam voor hun ogen op in de wereld van het onbewuste en aanvaardde het vonkstadium.
In niets onderscheidde dit gebeuren zich van het natuurlijke proces.
De Goddelijk-bewuste had Zijn reis naar de Aarde aanvaard, werd embryo en groeide in Zijn moeder op.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De wereld van het onbewuste kan ook anders benoemd worden:
Die wereld is in niets veranderd; dat is – heb ik u verklaard – de wereld voor de geboorte, de wereld voor de reïncarnatie, voor het nieuwe leven.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Christus keerde vanuit zijn Albewustzijn naar de aarde terug:
‘Ik kom niet van deze wereld’, zegt de Christus, ‘Ik kom vanuit Mijn bewustzijn.’
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Aan Gene Zijde voelt men het ogenblik – de sferen zijn vol en leeg – het ogenblik zal komen, een ontzagwekkende gebeurtenis, want het Albewustzijn zal naar de aarde worden gebracht.
De mens aan Gene Zijde kijkt door de sferen heen, kijkt in het Al en beleeft met de Messias, die Messias zal heten ...
Messias wil betekenen voor de ruimte: het goddelijke bewustzijn.
Messias is mentor, is meester, niets anders en niets meer.
Lezingen Deel 2, 1951
Zijn wedergeboorte wordt als kerstfeest gevierd:
Voelt u dit ogenblik?
Dat is het kerstfeest, het ontvangen van ontwaking, het ontvangen van liefde, het ontvangen van een wedergeboorte.
Ja, de wedergeboorte van Christus.
Maar het beleven van die daad, het beleven van die bewustwording, het beleven van een goddelijke afstemming, het beleven van de wedergeboorte die ál de ruimten omvat, dat ligt in het leven van Christus, dat wilde Hij brengen.
Christus wordt naar de levenswetten voor de ruimte – die de mens nog bezit – wordt Christus op aarde geboren, hartje zomer, niet in de winter.
Lezingen Deel 2, 1951
Vóór zijn komst waren al enkele fundamenten op aarde gelegd door Mozes en de profeten:
Fundamenten – zei ik u – zijn gereed.
Een klein weggetje is er gebouwd waarop Hij zal staan, maar die weg zal Hij moeten verstevigen.
Hij zal vanuit dit moeras een begaanbaar pad moeten bouwen door Zijn persoonlijkheid en Zijn wijsheid, Zijn Goddelijk contact.
Lezingen Deel 1, 1950
Hij bracht de ruimtelijke liefde:
Omdat Hij harmonie is, zal Zijn leven de ruimtelijke liefde vertegenwoordigen en zal de mens op aarde leren kennen hoe men die liefde aanvaardt, hoe men die liefde krijgt wanneer men een harmonisch geheel in zich opneemt.
Dat alles zal Hij brengen.
Lezingen Deel 1, 1950

Maria en Jozef

Maria en Jozef werden voor hun taak wedergeboren vanuit de eerste lichtsfeer:
Op aarde leven twee mensen die afstemming hebben op Zijn graad.
Er leven nog mensen die vanuit de eerste sfeer – die wáren reeds in de eerste sfeer – zijn teruggegaan om het mensdom op aarde te dienen, kregen die geboorte en zouden met elkaar dit goddelijke gezag aantrekken.
U krijgt onmiddellijk nu een beeld wie nu Maria en waar Jozef vandaan zijn gekomen voordat zij deze goddelijke genade, deze goddelijke werking zouden beleven.
Hierdoor stelt de ruimte vast, en kunt gij aanvaarden, dat de mens zich gereedmaakte om het Albewustzijn aan te trekken, te dienen en te baren.
Lezingen Deel 1, 1950
Christus inspireerde Jozef en Maria om zich aan elkaar te geven:
Toen Christus geboren wilde worden – nu gaan we naar die inspiratie, meneer – toen zond Christus Zijn gedachten uit voor de geboorte en zag twee mensen.
Toen werd Jozef reeds geïnspireerd om zich te geven.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Jozef en Maria kwamen hierdoor tot geslachtsgemeenschap, het stoffelijke één-zijn:
Deze mensen kwamen tot één-zijn, stoffelijk één-zijn, want ook de Christus, de hoogst Bewuste heeft het in de zesde graad nog moeten beleven op macrokosmische afstemming.
Er is daar nog steeds één-zijn, want de mens moet die goddelijke wetten beleven.
De mens heeft geen andere wetten te aanvaarden, dit is ruimtelijk vader- en moederschap, dit is goddelijk.
Lezingen Deel 2, 1951
Jozef en Maria zorgden voor harmonie:
Wij zien, wij beleven het contact tussen Christus, het Leven ín haar, dit Kind en Maria.
Wij volgen Jozef als vader, het dienende gevoel, Jozef als de scheppende kracht; het vertegenwoordigde gevoel voor Maria nemen wij in ons op.
Wij zien hier een waarlijk vader.
Die man, dat gevoelsleven, is open en bewust en dient, altijd gereed om het moederlijke op te vangen.
Er is nooit twist, zij komen uit de eerste sfeer.
Eén woord, één verkeerd woord van vader en moeder had het goddelijke gezag in de moeder gesmoord, en was er een disharmonie ontstaan.
De moeder en de vader zijn in harmonie met deze geboorte, met de stoffelijke wet, de werking.
Lezingen Deel 1, 1950
Maar voor de Messias was hier alles harmonie, er was een open weg gemaakt.
Die levens waren gereed om dat gezag, dat gevoelsbewustzijn te kunnen opvangen.
Lezingen Deel 1, 1950
De meesters spraken tot Maria tijdens haar zwangerschap:
Is het dan niet eenvoudig dat de meesters dit leven bezielen, dat de meesters, dat de astrale wereld, het leven van Maria optrekken en haar laten zien en haar helderhorend maken?
Lezingen Deel 2, 1951
In dit Leven in de moeder komt een stilte ...
Toen zij tussen de derde en de vierde maand leefde, sprak dit Bewustzijn tot haar ik en ging zij voelen dat zij iets machtigs droeg, waarvan de sterren zouden spreken.
Zij komt in een hoger voelen en denken en hoort onzichtbare stemmen, die toch welluidend zijn om te kunnen beluisteren.
Zij hoort, zij verstaat, men spreekt door haar tot haar leven, door haar eigen taal, en zegt: ‘Gij zult één zijn met het Al.
Gij zult het Leven baren, het Aller-, Allerhoogste dat de wereld een geloof, dat de wereld een evangelie zal schenken.’
Wat Maria in die tijd als moeder heeft gehoord, daarvan is nog niet één woord, is, werd niet één woord, één zin vastgelegd.
Niemand heeft kunnen beluisteren wat zij tijdens haar één-zijn met haar Kind, met de ruimte onderging.
Men vertelde, men maakte haar gereed, dat zij aanstonds het Levende Licht zou aanschouwen.
En zoals de mens op aarde nu nog geboren wordt, zijn deze dingen, zijn deze wetten vertolkt, werden de gevoelens uitgestippeld die vanuit het goddelijke Al en de kern van dit leven tot het moederlijke baringsgezag opvoerden, zodat zij kon begrijpen.
En nu, na enkele maanden ... die voorgeschiedenis, het één-zijn van moeder en kind waren machtige openbaringen voor deze mensheid.
Maar deze mensheid en de mensheid van toen kon die gevoelens immers niet begrijpen.
Men noemt het engelen, de engelen kwamen tot Maria en zeiden haar: ‘Zie, Hij zal aan uw leven verschijnen.
Voel, Hij is in u en kijk welke weg Hij heeft te gaan, opdat gij voorbereid zult zijn om Hem aanstonds te kunnen dienen.
Om Hem aanstonds aan uw hart te kunnen nemen en dán te kunnen zeggen: gá, want Ge zijt gekomen vanuit het goddelijke Al, Ge zijt gekomen vanuit de goddelijke bron om ons, om mij en het leven op aarde te dienen.’
Lezingen Deel 1, 1950
Toen een engel – het was een meester van deze zijde – Maria verkondigde dat door haar de Messias geboren zou worden, was dit leven in haar reeds enige maanden oud!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
En dat hebben meer moeders beleefd die het genie op aarde zouden brengen.
Die hebben, deze moeders – en kunt u uw stoffelijke vergelijking maken – hebben gevoeld dat zij innerlijk iets zaligs, iets verhevens droegen.
Miljoenen moeders hebben later en in deze tijd tot hun ... tot het innerlijke leven gesproken en waren met die kern, de kern voor kunst, voor muziek, voor wijsheid verbonden.
Lezingen Deel 1, 1950
Christus werd wakker in de moederschoot:
We zien dat de meesters uit het goddelijke Al het bewustzijn, het innerlijke Leven wakker maken.
Tijdens dat Maria tussen de derde en vierde maand haar Kind droeg, maakten de meesters dit Leven wakker.
Ze stelden alleen hun gevoelens op dit Leven in en zeiden: ‘Wij zijn hier, meester.’
Ze behoefden Christus, ze behoefden dit Leven niet aan te raken.
Ze behoefden niet te zeggen: kom, we trekken deze aura op.
Dat deed dit Goddelijke gezag, dit Bewustzijn, door eigen krachten, dat ging vanzelf, maar ze wáren er.
Ze lieten Hem voelen, ze lieten dit Leven voelen dat zij er waren.
En toen kwam er: ‘Hoort u Mij en ziet u Mij?
Ik spreek ...
Ik spreek tot u vanuit de Tempel van de Moeder.
Lezingen Deel 1, 1950
Heel Gene Zijde volgde de geboorte en het leven van Christus:
Dat geschiedde en gebeurde tijdens het één-zijn van Maria en Christus tussen de derde en vierde maand.
Tussen de vierde en de vijfde, de vijfde en de zesde kwamen er nieuwe openbaringen.
En als het Kind geboren wordt, dan leeft heel Gene Zijde – er is geen ... er is geen wereld meer, of die is leeg – al het leven staat naast de Goddelijk Bewuste en zal Hem helpen dragen?
Nee, dat leven zal Hem volgen.
Lezingen Deel 1, 1950

Christus en Jezus

De meesters kunnen elke minuut van het leven van Christus volgen:
Wij hebben Hem gevolgd vanaf de geboorte toen Hij nog in het kribje lag, toen Maria met Hem daar zat en Hem voedde.
Het kind, het goddelijke Kind, het goddelijke bewuste Ik had voeding nodig.
Christus kreeg voeding van de moeder.
We hebben Hem gevolgd en gezien toen Christus over de grond kroop en Hij nog niet kon lopen.
We hebben Hem gezien dat Maria Hem omwikkelde, verschoonde en dat zij het Kind zoende, kuste, en het goedenacht wenste.
Lezingen Deel 2, 1951
Toen Jezus nog kind was, liet Christus al zijn ouderdom voelen:
Dit kind gaat de ouderdom van zichzelf voelen, het gaat begrijpen.
Het speelt, maar het speelt anders, het legt zich neer en aanschouwt een ruimte.
Het valt in slaap, het is buiten, het is binnen, het is overal.
Wanneer de moeder het zoekt, dan ligt het neergeknield aan de bloemen ... voor de bloemen in de natuur.
Het omgeeft zich, het omringt zich met deze schatten.
Maria vindt het soms terug, dit Leven, omringd van vogelen.
Lezingen Deel 1, 1950
Wij volgen de jeugd van Christus en zien Hem als klein kind, als een jongen van uw tijd spelend en ravottend en toch weer anders.
Onder het spel kan Hij plotseling ophouden en naar een stille plek gaan om er te mediteren, want van het ogenblik, dat Hij Zijn ogen opensloeg, stond de Goddelijke Bezieling op dit leven ingesteld en dit bleef zo tot Zijn laatste seconde op aarde.
De jaren gaan rustig voorbij.
Archief, 1945
Hij sprak via zijn gevoelsverbinding met de natuur én met Zijn moeder, wat zijn broertjes en zusjes niet begrepen:
De andere broertjes en zusjes merkten deze eenheid niet van moeder en kind.
Dit kind wandelde náást haar en stuurde de eigen gevoelens tot de moeder, waarvan het andere leven niets begreep, niets voelde.
Er waren meer broertjes en zusjes.
‘Waarom’, zegt de één, ‘moeder, zijt ge zo één met Hem en waarom kunt ge míj die gevoelens niet schenken?’
Een broer van Christus, spreekt de wereld over een broertje van Christus?
Het kind ziet dat dit kind in de stilte van de ruimte leeft.
Er is iets, ja ... wat is het?
De moeder weet het, ze kan deze gevoelens niet vertolken.
Lezingen Deel 1, 1950
Christus bouwde zijn Goddelijke bewustzijn op in het gevoelsleven en het denken van Jezus:
De hoogste meester – waarvan en waarover de profeten hebben verteld dat het Goddelijke bewustzijn op de aarde, op de aarde zal ontwaken – leeft reeds in het gevoelsleven van Jezus.
De naam Jezus heeft niets anders te betekenen dan hetgeen gij hebt ontvangen.
Uw maatschappelijke vertegenwoordiging moet plaatsvinden door een zelfstandigheid, of de maatschappij kreeg niet anders dan disharmonie te zien.
Dit Leven krijgt een naam zoals men daar aan velen een naam heeft gegeven.
Maar in dit Leven leeft het Goddelijke ontzag, het Goddelijke bewustzijn, dat Moeder Aarde, het dienende principe, te vertegenwoordigen heeft.
En nu ontwaakt in Jezus ruimtelijk gevoel.
Naarmate dit Kind ouder wordt, krijgt het universele gestalte.
Er gebeurt niets, maar wanneer Jezus als mens de ene gedachte na de andere ondergaat, voelt Hij dat hier de goddelijke geboorte plaatsvindt.
Lezingen Deel 1, 1950
Toen hij klaar was om de kennis van de schriftgeleerden aan te vullen, trad hij de tempel binnen:
Op twaalfjarige leeftijd treedt zijn bewustzijn aan de dag.
Overtuigd van Zijn krachten gaat Hij de tempel binnen en onderhoudt zich met de schriftgeleerden.
Hij verbluft hen met Zijn kennis, die nu al volledig op de wetten van Zijn en onze Vader is ingesteld.
Hij spreekt van Zijn intuïtie uit, Zijn gevoel, dat Hij in Zijn miljoenen levens eigen maakte en dat Alvermogend werd.
Archief, 1945
Maar het aardse gezag ging niet van het voetstuk af:
Wij komen na enkele jaren met de Messias, met de Christus, in Jeruzalem en staan voor de Farizeeërs en de schriftgeleerden.
Nu vertelt Christus, nu door zijn één-zijn met Jezus, aan de schriftgeleerden hoe het moet en hoe het kan zijn, wat goed is en wat men verkeerd heeft beschreven, wat men verkeerd heeft bedoeld.
Hij zet de wereld reeds voor de feiten.
Hij plaatst het aardse gezag voor ruimte, voor ziel en geest, maar wordt niet aanvaard.
De eerste verkeerde voetstappen zijn reeds beleefd en heeft Hij al moeten aanvaarden.
Er zijn boeken geschreven op deze wereld, die gaan wij voelen, die gaan wij reeds zien; er zijn fouten gemaakt.
En we weten: de andere mensheid, over eeuwen en eeuwen, later, zal dit Leven beschrijven en zal zeggen: waar heeft dit Leven, waar heeft Christus Zijn bewustwording ontvangen?
Wanneer ik u op dit ogenblik met uw aardse wijsheid verbind, dan zijn er boeken in omloop – en die mensen komen voor het geestelijke schavot, voor zichzelf te staan – die het leven van Christus hebben bezoedeld.
Men schrijft, men praat dat Christus daar en daar een studie heeft ondergaan.
Nu kunnen wij aanvaarden, u kunt beleven dat dit niet zo is, want de goddelijke openbaring, het goddelijke bewustzijn komt met de dagen.
Elk uur geeft een nieuw leven, nieuw voelen, nieuw denken.
Lezingen Deel 1, 1950
Christus ontwaakte in harmonie met het stoffelijke lichaam:
Christus ... na twaalf jaar beleeft Hij een schone wereld op de aarde.
Hij wandelt in de natuur, Hij spreekt met Zijn vriendjes en vriendinnetjes.
Hij heeft altijd een mooi woord, maar Hij speelt als een normaal kind.
Soms, dan voelt Hij tot zich komen ... dan ontwaakt er iets, dan zondert Hij zich af.
Hij is ... dan gaat Hij in de natuur en legt zich weer neer tot de bloemen, Hij spreekt met de dieren.
Maar wanneer Hij dat allemaal heeft verwerkt, dan komt de aardse lichamelijke ontspanning.
Het lichamelijke dat eist: niet te veel nu, of Gij spat aanstonds uit elkaar; wij hebben steen op steen te leggen.
Het leven corrigeert zich vanzelf, het (is) ontwakend naarmate de stoffelijke stelsels, het zenuwstelsel, de hersenen meer kunnen dragen.
De zwaarte van de ruimte komt al, maar het uiteindelijke zicht, het goddelijke Al trekt alles weer in zich op.
Nu reeds kunnen wij vaststellen, moeten wij aanvaarden: dit Leven ontwaakt vanzelf.
Men hoeft niets te doen, geen meester is hier nodig.
De taak, de waarheid, de harmonie die in dit Leven aanwezig is, zegt: ‘Ga uit Mijn oog, Ik vertegenwoordig mijzelf.
Mijn Goddelijk Ik zal ontwaken, Mijn Goddelijk Ik breng Ik naar de mensen.
Ik kan niet links, Ik kan niet rechts gaan, Ik ga één weg, vooruit, regelrecht naar deze mensheid en dan geef Ik mij over.’
Lezingen Deel 1, 1950
Hij had ook geestelijke vrienden:
En nu wandelt Hij als mens, als broeder, als een normaal eenvoudig mens over de aarde met Zijn broeders en zusters.
Zo nu en dan haalt Hij een kind uit de ruimte en wandelt met Zijn vriend door de natuur.
Wie dat zijn geweest, kent de mensheid niet, maar Hij had al vrienden, Hij bezat Zijn vrienden voordat Hij Zijn taak op Zijn schouders nam en de apostelen hun werk en hun leven en hun taak voor zich zagen.
Lezingen Deel 1, 1950
Velen hebben zijn wijsheid kunnen beluisteren:
Velen hebben met Hem gewandeld langs de wateren en dan sprak Hij van schone dingen.
Velen hebben het mogen beleven dat de natuur Zijn meester was.
Wij kunnen dat nu allemaal volgen.
Daar spreekt Hij tot de bloemen en zegt: ‘Waar zijt gij geboren?
Vanwaar Ik kwam, zult gij een gewaad bezitten, schoner dan dit.
Ge zijt dan gouden uitstraling, ge bezit het gouden bewustzijn en dat wil zeggen: de alwetendheid.
We zullen tezamen één zijn in voelen en denken en gewetensvol, altijd, eeuwigdurend al deze ruimten vertolken.
Eén te zijn in leven en geluk, voor ziel en geest.’
U moet deze woorden ... u moet de Christus daar eens in zien, dan ziet u de mens, dan ziet u de jongeling, het natuurlijke geluk, het speelse, het blije.
Zo nu en dan kan Hij lachen, glimlachen.
Zo nu en dan bruist het in Hem en is Hij een normaal mens, een gewoon mens van de aarde, met ín Hem, in zijn onderbewustzijn het goddelijke Al, de bíljoenen levens die Hij heeft afgelegd in zich dragend en dat alles aanstonds tot de openbaring te voeren.
Lezingen Deel 1, 1950
Hij bereidde zich ernstig op zijn taak voor:
Hij verbindt Zich met het leven van boom, plant en dier en volgt hun ontwaken en groei.
Hij beleeft de regen en de wind, het onweer en de bliksem, de maan en de zon, de nacht en de dag en dringt door tot hun kosmische diepte.
In die uren gaan we aanvoelen, hoe ernstig Christus Zich op Zijn taak voorbereidt en we zien ook, dat Hij daarin niet verder gaat, dan Hij op dat ogenblik verwerken kon, hetgeen voor u en voor ons een les is ook in óns beleven geen stap over te slaan.
Archief, 1945
Na de natuur gaat Hij de mens peilen:
Nu maakt Christus Zich los van de natuur en stelt Zich open voor het hogere leven op aarde: de mens.
Hij volgt hoe deze in de moeder groeit en gestalte krijgt.
Hij maakt zich één met het geboorteproces en beleeft de vorming van de persoonlijkheid.
Weken en maanden lang peilt Hij de mensen om Hem heen en volgt Hij al die graden en bewustzijnstoestanden, totdat Hij boordevol is.
Archief, 1945
Christus maakte zich klaar om de Albron te vertegenwoordigen:
Lang stil te staan bij deze taferelen is niet mogelijk.
Dan zouden we boekdelen moeten ontleden, en hebben wij te schrijven, wilt ge de jeugd van Christus beleven en voor u zien.
Maar wanneer Hij zeventien, achttien jaar wordt en een schoon wezen voor u staat, met alleen liefde in zich, wanneer de grond, de bodem waarop Hij leeft en wandelt, spreekt en elke voetstap die Hij doet, zingend door Zijn kracht, Zijn willen dienen het goddelijke timbre van de ruimte raakt en een klank, een symfonie van woorden en gevoelens terugkeert naar de aarde, die door elk mens is te aanschouwen, die door elk mens is aan te voelen, dan weten wij dat de goddelijke harp bezig is zichzelf te stemmen.
De Albron bespeelt dit Leven?
Nee, een Mens heeft zich gereedgemaakt om de Albron te vertegenwoordigen.
Een Mens is gereed om het leven vanuit het goddelijke Al op de aarde te brengen en zich daar te manifesteren door de harmonie van deze ruimte voor elke wet op te bouwen, te verstoffelijken, te vergeestelijken en die wet een levensruimte te schenken voor hierna, het hierna achter de kist.
Wanneer Christus in Hem ontwaakt, wanneer Hij de apostelen aanvaardt en Hij Zijn eenentwintigjarige leeftijd heeft bereikt, het ruimtelijke gevoel, het mannelijke, de scheppende krachten over Zijn lippen komen en elk woord duidelijker, gezalfder, universeler spreekt, trilt het in de mens op aarde, want deze woorden, deze gevoelens werden nog nimmer vertolkt.
Lezingen Deel 1, 1950
Hij volgde zijn kosmische reis:
Hij ondergaat Zijn nieuwe levens, Zijn reïncarnatie, Zijn onderbewustzijn.
Hij maakt een reis, die wij nu hebben gemaakt en die we aanstonds voortzetten, vanaf de maan door de overgangsplaneten.
Hij komt één met Moeder Maan, Hij beleeft de visstadia.
Lezingen Deel 1, 1950
Hij zag alle levensfasen die Hij als ziel doorlopen had:
Ik, met de Mijnen, móést door deze levensfasen.
Wij moesten verder en hoger gaan, omdat wij de God van al het leven, de Albron zouden vertegenwoordigen.
Wij zouden die eerste wetten, de bewustwording, het ontwaken voor lichaam, ziel, stof openbarend ondergaan, wilde Ik mij die wijsheid, die ruimte eigen maken, wilde Ik die graad van bewustwording overwinnen.
Ja, van lichaam naar lichaam, door lichaam naar lichaam kregen wij verruiming.’
Hij ondergaat dit en eindelijk, eindelijk heeft Hij de aarde bereikt.
Hij staat weer voor het ogenblik dat Hij de zon mist, maar als astrale persoonlijkheid ontwaakt.
Hij vraagt: ‘Waar is het zonlicht?
Ik kan me herinneren dat Ik ziek was ...’
Nu stromen die visioenen door Hem heen.
Hij kent de wetten, want ze zijn miljoenen malen teruggekeerd vanuit het heelal voordat Hij naar de aarde als de Messias zou verschijnen.
Teruggekeerd vanuit het goddelijke Al, naar de Zevende, de Zesde, de Vijfde, de Vierde Kosmische Graad, de Derde ...
Terug naar het eerste ogenblik toen Hij als embryonaal leven begon.
Duizenden malen heeft Hij, met de miljoenen die bij Hem zijn, deze reis afgemaakt en beleefd, waarvan de wetten onder Zijn hart leven.
Hij keert nu weer terug, Hij keert terug tot het goddelijke Al.
Hij beleeft, Hij ondergaat de ruimte.
Hij komt in het heelal met Zijn zusters en broeders en Hij ziet dat ze contact leggen voor de aarde.
Sfeer met sfeer wordt verbonden, graad met graad, wereld met wereld, ruimte met ruimte, zielen met zielen, geest met geest.
En dan staat Hij voor het ogenblik dat Hij oplost.
Dan heeft Hij te aanvaarden dat Hij de ruimte ingaat en zich gereed kan maken voor Maria en Jozef.
Lezingen Deel 1, 1950
Na deze meditatie was Hij gereed:
Hij keert terug, Hij ontwaakt en wanneer Hij zo tot de apostelen komt, tot Zijn kinderen, dan kan Hij zeggen: ‘Ik ben gereed.’
Nu is Hij Goddelijk geboren.
Geboren voor Zijn Goddelijke taak.
Geboren voor de Goddelijke bewustwording, de rechtvaardigheid, de liefde, het weten, de harmonie – waardoor alles is ontstaan.
Lezingen Deel 1, 1950
De apostelen begrepen niet dat Hij zonder eten en drinken kon:
Maar die Judas daar en die Petrus daar en die kleine apostelen die met de Messias, die met het hoogste en het Goddelijkste Bewustzijn op aarde konden wandelen, die met Hem konden eten en drinken ...
Hij gaf hun duizenden bewijzen.
Toen Johannes zei: ‘Meester, waarom eet u niet?
U hebt in veertien dagen, drie weken ... ik heb al vierentwintigmaal de zon op en onder zien gaan en U eet niets.
U drinkt niets.’
Wat zei Hij toen?
‘Het voedsel dat Ik in Mij heb, is de verruiming geworden voor Mijn geest en dat spreekt, Johannes.’
En wat kan Johannes daarvan begrijpen?
Toen Hij veertig dagenlang zich afsloot ...
Toen ... wanneer er regen kwam, nam Hij twee druppels water vanuit de ruimte en zei: ‘Eén druppel is gelijk een levenszee, nietwaar, want één vonk vertegenwoordigt werelden aan ruimten, regen en wind, oceanen, want Ik ben ziel van Zijn Ziel en leven van Zijn Leven.’
Lezingen Deel 1, 1950

Een blijvend houvast

Christus heeft elke cel van zijn stoffelijke lichaam overwonnen:
Zijn ziel, Zijn geest, Zijn persoonlijkheid is het die het stoffelijke geweld voert en draagt, maar Hij heeft elke cel overwonnen, er is geen weefsel meer dat Hem stoort.
Lezingen Deel 1, 1950
Hij geeft zijn eerste lezing:
En dan komen de apostelen.
Dan begint Hij om te denken.
Hij maakt zich vrij – wij zien dat, wij volgen dat – Hij maakt zich vrij van de natuur.
Z’n innerlijk leven zien wij op het aangezicht.
Hij kijkt door alles heen, woord voor woord krijgt nu betekenis.
Woord voor woord – weten wij, hoort u straks, zien en horen miljoenen mensen die Hem volgen – krijgen nu een Goddelijke geboorte te beleven.
Want elk woord is een Goddelijke wet!
Elke gedachte moet een Goddelijke geboorte ondergaan.
En dan geeft Hij Zijn eerste lezing, geeft Hij aan de mensen Zijn eerste woord.
Nu begint Hij de waarheid die in Hem leeft, de ruimte waarvan Hij deel is, te vertolken, te verstoffelijken.
Lezingen Deel 1, 1950
Zijn woord is voor alle eeuwen:
Nu krijgt u een beeldspraak te horen die regelrecht uw leven, Zijn leven, de mensheid met het leven in de natuur verbindt, maar maatschappelijke bewustwording krijgt, maatschappelijke fundamenten heeft te aanvaarden, omdat de mens zich staande zal houden voor de eeuwen die komen, om de duisternis, het andere, het lagere ik, de disharmonie te kunnen overwinnen.
Lezingen Deel 1, 1950
Hij wilde de mens een houvast geven:
Neen, want indien Christus, hoe dat ook is, indien Christus er niet was gekomen, had u toch niet dat houvast, dat goede, die liefde in u gehad, en de mensheid had dat nimmer leren kennen.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Christus sprak met een alvermogende zekerheid:
We zien Hem in Zijn sneeuwwit gewaad door de velden gaan en Zijn Heilig Evangelie verkondigen.
Hij geneest die in Hem en Zijn Vader geloven kunnen naar lichaam en ziel.
Hij ontmoet liefde en begrip, maar ook woede, hoon en gemeenheid.
Maar Hij blijft onder alle omstandigheden Zichzelve gelijk.
Hij, als Goddelijk-Bewuste, kent beter dan wie ook in de ruimte de afstemmingen van de mensen, tot wie Hij zich richt.
Hij weet ook, dat dit Zijn uur is en dat Zijn Woord eens zal worden aanvaard en nagevolgd.
Hij spreekt niet alleen voor de mensen van Zijn tijd, Hij getuigt voor alle eeuwen.
Er ligt een alvermogende zekerheid in Hem en elke stap, die Hij doet, is berekend.
Nimmer is er zwakte, aarzeling of twijfel in Hem, ook niet als Hij denkt aan wat Hem wacht: Zijn Kruisdood.
Archief, 1945
De apostelen begrepen zijn gevoelsverbondenheid met al het leven niet:
Toen Christus op aarde leefde, door de weilanden ging met Zijn apostelen ... door de korenvelden ... toen stond Hij zo nu en dan even stil ...
En dan wisten de apostelen maar niet wat Hij voelde, wat er in Zijn leven afspeelde.
Lezingen Deel 1, 1950
Wanneer Ik neerzit, Johannes, weken en maanden ... zult ge dan de kracht bezitten, het volle vertrouwen, dat er met Míj niets is?
Want Ik kan niet ziek zijn.
En indien Ik ziek zou zijn, indien Mij iets zou hinderen, Johannes, dan behoort het Mij toe en zal Ik het dragen en zal Ik het verwerken.
Ik zal ermee op gaan, Ik zal ermee doorgaan, door de nacht naar de dag, maar wanneer Mijn leven moet spreken, zal Ik spreken en wanneer Ik de wetten van Mijn Vader moet verklaren, dan geschiedt het vanzelf.
Nee, Johannes, wanneer ge Mij ziet en Ik staar in de ruimte of Ik kijk in de bodem, Ik raak Moeder Aarde aan, dan ga Ik in dit universum, dan daal Ik terug tot dat vanwaar Ik kwam.’
Lezingen Deel 1, 1950
Ik was één met het koren, één met Moeder Aarde.
Ik gaf Mijn ziel vleugelen.
Ik vloog even terug tot het goddelijke Al van Mijn Vader.
Lezingen Deel 1, 1950

Zijn Blijde Boodschap

De kern van zijn boodschap is liefde te voelen voor alles wat leeft:
Hij bracht het heilige, Goddelijke bewustzijn, dat u evangelie hebt genoemd, maar dat wil zijn: liefde, ontwaking, evolutie, begrijpen en aanvoelen alles wat leeft, ten opzichte van de ruimtelijke vergeestelijking.
En dat zegt weer: in een wereld te zijn waar harmonie is, in een wereld te zijn te midden van miljoenen zusters en broeders, om eeuwigdurend verder te gaan.
Altijd verder en hoger om de God van al het leven te bereiken in de Albron en Hem daar eeuwigdurend te vertegenwoordigen als vader en moeder, in de wérkelijke betekenis, die alleen kan zijn: liefde te voelen voor alles wat leeft!
Laat de Christus in uzelf ontwaken.
Lezingen Deel 1, 1950
Dat is als een goddelijk schilderij:
Had een ruimte, had een hemel, had dat geschilderd en had Hem daar neergezet met twee woorden eronder: ‘Ik heb lief alles wat leeft’, en u had een goddelijk schilderij, een goddelijk, ruimtelijk tafereel ontvangen waar ge altijd naar kunt kijken, altijd.
Lezingen Deel 1, 1950
Zonder liefde zijn we niets:
Hij had kunnen zeggen, en nu hiernaast ... nu alles wat de mens zich eigen heeft gemaakt in het leven – we spreken over kunst, over schrijven, over talent, over gaven – en nu blijkt het dat gaven, kunst, wetenschappen niets hebben te betekenen, want nu voert dit ons tot de woorden van Christus: ‘Indien ge al de talen van de wereld bezit en ge hebt geen liefde, dan hebt ge niets en ge zijt niets.’
Lezingen Deel 2, 1951
Het gaat niet alleen om het voelen, maar vooral om de concrete daad:
Want dit is het wijsgerige stelsel voor de daad.
Met andere woorden en heel menselijk gezegd: ik ben begonnen om iets van mezelf te maken.
Laat de Christus in u ontwaken, voer uw godheid naar de sferen van licht, maar zie altijd Golgotha voor u en ge weet hoe te moeten handelen, is mijn laatste woord op deze eerste morgen dat we weer tezamen zijn.
Lezingen Deel 2, 1951
Bid niet, maar doe:
De God kwam op aarde, de goddelijke Bewuste op aarde, die God in alles, in stof, in geest vertegenwoordigt, en die wilde men leren bidden.
Toen zei Christus, toen Hij gereed was om te denken – Hij heeft zoveel jaren gemediteerd – tot Zijn apostelen, tot Petrus, en Johannes, en deze woorden waren schoon, Hij zei: ‘Bid niet voor Mij en bid niet voor jezelf, maar dóé.
Een gebed, Johannes, opgestuurd naar de God van al het leven, dat ís het leven.
U kunt waarachtig inspiratie ontvangen.
De God, het leven, de Alziel, de Algeest kan u bezielen, indien ge daarna aan de opbouw, de verstoffelijking begint.’
Lezingen Deel 2, 1951
Het doen als gevend dienen eindigt als de ander gaat spotten:
Toen de blinden hem vroegen het wonder tot stand te brengen, nadat ze Hem eerst hadden bespot, zei Christus:
„Laat de blinden de blinden genezen.”
Hier is niet te genezen, het gevoelsleven weigert!
Geestelijke Gaven, 1943
Christus kon nog geen kosmologie geven:
Christus kon de apostelen nu geen kosmologie geven, maar Hij had hun reeds bewezen dat Hij alleen maar door te denken de mens, de ziekelijke mens genas; maar geestelijk, geestelijk innerlijk, daartoe was ook de Christus niet in staat.
Hij zei: ‘De blinden zullen de blinden genezen.’
Met andere woorden: ga uit mijn omgeving want ge zijt niet te bereiken.
Lezingen Deel 2, 1951
Christus wilde niet de persoonlijkheid van één mens dienen, maar Hij werkte voor de hele mensheid:
Ik dien op dit ogenblik geen mens, Ik dien de mensheid, Ik dien ruimten, ruimten wil ik dienen.’
Christus diende het goddelijke Al voor u, voor de mens.
Dit beeld te zien, te voelen, te volgen, de Christus te zien wandelen, te denken, dat goddelijke voelen voor de mens, te waken voor een mensheid, voor ruimten ...
Lezingen Deel 2, 1951
Hij wist dat de mens die zijn boodschap in praktijk bracht, op weg was naar de eerste lichtsfeer:
Waarom kwam Christus nu naar de Aarde?
Wie de eerste sfeer beleven en vertegenwoordigen wil, staat nu voor Golgotha!
Thans heeft de mens liefde te geven of hij kan de eerste sfeer niet betreden.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Het gaat om de universele liefde:
U houdt van elkaar – als ik hierop doorga, neem ik u alles af en u krijgt alles terug – u houdt van elkaar.
U zegt: ‘Hoeveel moorden worden er niet om een vrouw, om een man misdreven?’
Waar of niet?
De ene mens vermoordt de ander omdat de mens denkt lief te hebben, díé mens daar, die éne.
En de hele wereld krijgt u eens te dragen onder uw hart.
Voelt u de kinderachtigheid van onze mensen, van het denken in de maatschappij?
Als mensen zeggen: ‘O, míjn vrouw’, en ‘míjn, mijn man en mijn man’, die man dat is een afgod.
Ik zeg: ‘Maar die andere mannen dan, kunt u daar niets voor voelen?
Dat zult u wel een keer moeten want Christus zei: ‘Hebt universeel lief.’
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Dat is de hoogste graad van liefde die de menselijke ziel op aarde kan beleven:
Het is hiervoor, dat Christus de hoogste liefde tot haar bracht.
Hij wist, dat zij haar liefdeleven had bezoedeld.
Archief, 1945
Die hoogste liefde kan ook met andere begrippen verwoord worden:
En dan krijgen wij te zien straks dat onze liefde spreekt, dame, waarvoor Christus naar de aarde kwam.
En dan is het: hebt elkaar, hebt een ander lief gelijk uzelf.
En nu gaat het naar de hartelijkheid, naar de welwillendheid, het begrijpen.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

De eerste steen

Op een contactavond bespreekt Jozef het roddelen en veroordelen van een ander mens:
En nu, in deze tijd is de mens bezig om zich geestelijk te verruimen.
We hebben Christus gekregen, Die was op aarde.
Maar u voelt zeker nog wel, hoe de chaos is op aarde voor de mensheid, maar hoe armoedig de mens nog denkt.
De mens wil niet leren denken.
Het zijn kleine duiveltjes, zeggen ze.
Je bent hier weleens moedeloos als je de drama’s hoort van de mens.
Dan leven ze erin, ze lezen al boeken en ze zeggen: ‘Wat is het prachtig’, en ze vertikken het om eraan te beginnen.
Hoe moet ik leren denken?
Bouw in de eerste plaats voor uzelf nu eens iets op.
Waarom is de mens altijd in staat om maar verkeerd over de mens en het leven en alles te kletsen.
Wat is geklets, wat is geroddel?
Verleden hadden wij het erover.
Het goede krijgt u er niet in.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Wat zei Christus?
‘Ga weg, Satan.’
En dan wouden ze een mens kastijden, en dan zegt Hij, schreef Hij in het zand, nietwaar: ‘Wie vrij van zonden is, gooie de eerste steen.’
Ja, dieven en moordenaars stonden om Hem heen.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Ze hebben me uitgejouwd:
De één zegt: ‘Ik moet dat leven niet meer, ik wil met dat leven niet te maken hebben.
Ze hebben mij geslagen, ze hebben mij gekraakt.’
En wat dan nog, indien men u de waarheid vertelt en gij het licht niet wilt zien?
Christus stond en staat altijd voor de mensheid, voor de mens, voor de moeder, voor de vader, voor het kind.
‘Christus, ik ben geslagen.
Meester, ze hebben me uitgejouwd.’
‘Zo’, zegt de Messias tegen Petrus, ‘hoe hebt ge die mensen aangekeken?’
‘Ja, ik was wel iets.
Ik dacht: wat gaat u dat aan dat wij wandelen.’
‘En toen hebt gij, Petrus, gezegd: ‘Kijk naar uzelf, bemoei je niet met ons.’
Maar wanneer Ik het levenslicht wil zijn, Petrus, dan moet Ik uitstralend de mens kunnen beïnvloeden.
Ik moet de mens willen benaderen.
Waarom wilt ge uzelf wegcijferen uit Mijn licht?’
Lezingen Deel 2, 1951
De apostelen vroegen aan Christus of ze het goed deden:
Toen Petrus ...
Die weg hebben we gevolgd – indien meester Alcar dat nodig vindt om u die lezingen eens te geven – hoe vaak de apostelen aan de Christus hebben gevraagd en Petrus vroeg: ’Hoe vindt u mij?’, op een avond.
‘Moet ge dat van Mij weten’, zegt Christus, ‘Petrus?’
Johannes kwam: ‘Doe ik het goed?’
‘Weet ge dat niet?
Moet ge van Mij weten of ge het goed doet?
Voelt ge dan het geluk niet in u, Johannes, Petrus, voelt ge dan de warmte niet indien de vreugde u van het andere en door het andere leven tegemoet straalt?
Is dit dan niet het werkelijke één-zijn voor het goede?’
Wanneer u de snauw, de grauw, de afbraak, het brute, het ruwe, het snibberige geweld van de mens moet ontvangen, is dat niet duidelijk door u te voelen en te beleven indien het in u en tot u komt?
Waarom buigt ge u?
Waarom is de mens zo gelukkig voor iets warms, iets begrijpends?
Lezingen Deel 2, 1951
Christus ging altijd terug naar het begin van de afbraak:
Wij staan – dat kent u, dat weet u – met de apostelen in Jeruzalem en nu geeft Hij Zijn profetieën.
Het ogenblik dat de Bijbel, dat het goddelijk evangelie geschreven moet worden, dat gaat gebeuren.
Waardoor schreef Christus Zijn Goddelijk evangelie?
Die paar, die enkele woorden die Hij sprak, is dat het goddelijke heelal?
Links en rechts deelt Hij Zijn wijsheid uit.
Wanneer de apostelen, wanneer de mensen Hem vragen: ‘Ja, maar hij heeft mij bedrogen ... en hij heeft dát gedaan.
Ik wil rechtspraak hebben.’
En wanneer men komt, dan zegt Hij, vraagt Hij: ‘Wat hebt ú gedaan?
Wie is hier begonnen, wie legde het eerste fundament voor de afbraak, het bedrog, de lastering, de kletspraat?
U?
Dan hebt gij de duivel, het kwaad aanvaard en aangetrokken, dan zult gij dat weer goedmaken.’
Hij nam niet degene die voor honderd procent bedroog, Hij nam de mens die de fundamenten legde om dat bedrog te doen plaatsvinden.
Lezingen Deel 1, 1950
U bent geen misdadiger:
Toen de Christus op aarde kwam en de misdadiger voor Hem stond, Hij zegt: ‘U bent geen misdadiger.
Alles wat u hebt gedaan, neem Ik in mijzelf op.’
En toen zij men: ‘Dat is God zelf.’
Wanneer de mens waarlijk iets wil leren, wij kunnen u die problemen geestelijk verklaren, begin dan toch in vredesnaam om nooit meer naar de mens te zien die iets verkeerds doet.
Want u bent het zelf.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Zij is geen publieke vrouw:
Daarom ging Christus naar Maria Magdalena.
Hij zegt: ‘Buig u toch, zij is geen publieke vrouw.’
‘Dat is een zonde?
Zonden zijn er niet.
Ik vergeef u alles.’
Natuurlijk, God vergeeft u alles, u hebt het natuurlijk goed te maken, dat wist Christus ook wel.
Maar dat kon Hij Maria niet vertellen.
De evolutie, het bewustzijn voor de mensheid was nog niet zover.
Maar gíj hier op aarde, kijk maar naar de mensen, de mens doet iets verkeerd, een foutje, een erge fout, pa is even veertien dagen weggeweest, ma doet dit ...
Wég, mens.
‘Ik wil hem niet meer zien!’
Terwijl de mens miljoenen jaren heeft geleefd, levens heeft afgelegd, de mens is buiten zijn kleine foutjes universeel, heilig, machtig, diep.
En dat heeft niets meer te betekenen.
U wilt zeggen dat u als vader de moeder hebt beleefd als liefde?
Vertel.
Laat mij u in de ogen kijken en dan zal ik u vertellen welke liefde u van de moeder hebt beleefd als man.
Kunt u niet.
Want door één verkeerd woord sluit de moeder zich, kunt u niet bereiken.
U moet altijd en eeuwigdurend in alles liefde zijn, dan gaat de moeder u dragen en dan gaat haar hart, haar universum open.
En dan zegt zij: ‘Ja, lieverd.’
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Christus wist dat hij voor Pilatus in Jeruzalem kwam te staan:
En dan staan we, mijn zusters en broeders, wereld, maatschappij, dan staan we in Jeruzalem.
We komen uit dat reine, eerlijke, kinderlijke, zuivere Gethsemane.
We worden voor de maatschappij geplaatst en dan krijgen we dat mooie gelaat te zien van Pilatus.
En dan moet de mens oordelen.
Hij moet bewijzen, omdat vijfentwintigduizend mensenkinderen dit Leven niet begrijpen, moet hij bewijzen wat hij doet.
Hij moet ...
Hij moet een rechtvaardigheid uitspreken.
En nu staat de Messias, van links en voor en links en achter Hem voor kwaad, bedrog, afbraak en bezoedeling.
Barabbas komt er ook bij, een bandiet, die staat naast Hem.
‘Ja’, zeiden ze, ‘dan had U zich ook maar niet met het kwaad, met de drek, de afbraak, de bezoedeling van de wereld moeten uitgeven.
U had zich niet met die mensen moeten bemoeien.
U weet hier niet wat U doet!’ schreeuwde men de Messias toe.
‘U hebt Maria Magdalena aanvaard en weet u wie dat is, hoe zij is?
U neemt aan dat de bagger van de maatschappij, het dierlijk bewustzijn Uw voeten wast?
Rabbi, Ge zijt krankzinnig, maak dat Ge wegkomt!’
Waarom heeft de Christus dat gedaan?
Waarom, waarom sloot Hij zichzelf niet voor de wereld af?
Waarom heeft Hij niet gezorgd dat die en die dingen niet van Hem konden worden verteld?
Want toen Maria Magdalena – het woord komt – als een hoer voor de maatschappij en de wereld zichzelf had verkracht en afgemaakt, hoe kon de Christus zichzelf door die duisternis besmetten, indien Hij voor het licht van de wereld, van miljoenen mensen wil verschijnen?
Een raadsel?
Hij die uit de goddelijke Bron komt, doet verkeerde dingen, zodat Hij bewust die maatschappij, dat onbegrijpen, dat dierlijke gedoe de zweep in handen geeft om Hem maar even af te rammelen, dood te slaan, te vermoorden?
Want dat komt.
Wanneer is Hij wijs, wanneer is Hij achterlijk?
Dat hebben zich de mensen, de enkelingen die gereed waren en die Jeruzalem omrandden, die dat allemaal hebben gevolgd, die hebben zich afgevraagd: ‘Heb ik het recht om over deze Mens te denken?’
Dat zijn de kosmische problemen waarvan de wereld niets weet, maar waardoor het ene verkeerde na het andere werd opgestapeld.
Waardoor de Messias geen fundamenten heeft gelegd voor de maatschappij en het ziende oog van de stoffelijke mens?
Nee, Hij bouwde aan kuilen, aan voetangels en klemmen voor Zichzelf.
Hij ging door modder en slijk naar het licht!
Hij zegt, want Hij wist: als Ik in die maatschappij licht beleef, hoe kan Ik dan het andere wat nog niet zover is tot Mij optrekken?
Hij daalde in dat slijk af, Hij wérd slijk.
Hij zei tegen Maria: ‘Láát het en ge zijt genezen.’
Ja, dat gebeurt.
Dat zult ge aanstonds beleven, dat dat gebeurt.
U kunt op slag een universeel vertrouwen naar voren brengen indien gij uw man en uw moeder en uw vrouw liefhebt.
Dan zijt ge universeel wáár.
En dat heeft ons Gethsemane, dat heeft ons Pilatus getoond.
Want dát is het niet, handen wassen in onschuld, niet bekennen, geen kleur bekennen en het andere leven laten versukkelen, laten verongelukken op de weg, de lange weg terug naar de Alvader.
Dat is geen kunst.
Maar om neer te liggen hier en te zeggen: pas op, denk niet verkeerd!
En indien ge niet wilt, ga dan maar verder, ga dan maar naar uw eigen schavot.
Lezingen Deel 1, 1950
Christus waarschuwde de mens voor overspel:
Wat zegt Christus nog meer?
Wij kunnen élke gedachte van en vóór zijn Goddelijke bewustwording ontleden.
Christus waarschuwt de mens voor overspel.
Hij weet, dat de mens zijn tweelingziel verloren en bezoedeld heeft.
Als Hij zegt:
„Maar Ik zeg u allen, dat, zo wie éne vrouw aanziet, om dezelve te begeren, te bezitten, die heeft alreeds overspel gepleegd.”
Christus waarschuwt het leven op Aarde voor de val, het verliezen van het ruimtelijke contact, élk woord heeft ruimtelijke en Goddelijke betekenis.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944

Reïncarnatie

We zullen onze laatste penning moeten betalen:
Voorwaar, „IK” zeg u allen: gij zult geenszins uitkomen, daar niet, gij zult uw laatste penning moeten betalen voor uw leven.”
En wij, mijn broeders en al het leven aan Gene Zijde, hebben ónze laatste penning moeten betalen voordat wij de sferen van licht konden betreden, wij stonden voor ons „oorzaak en gevolg” en voor onze karmische levenswetten, voor ál onze disharmonie.
Is dat duidelijk?
Maar dat is niet door de mens, het huidige stadium begrepen.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Christus sprak over zijn eigen vorige levens:
En Christus zei: ‘Voordat gij was, was Ik er al.’
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Daar hebt u de reïncarnatie van de Christus.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

Gethsemane en Golgotha

Christus heeft zich voorbereid op de kruisiging:
Toen de Messias voelde dat het ogenblik zou komen, toen ging Hij in meditatie; Híj zelfs!
Lezingen Deel 1, 1950
Hij wist dat zijn tijd op aarde minderde:
Christus legde zich neer en dacht: ja, Ik moet Mij gereedmaken, de tijd is kort, aanstonds ga Ik de aarde verlaten.
En dat was de smart in Hem, dat Hij geen tijd kreeg door het brute geweld om Zijn taak, om Zijn zending te kunnen volbrengen.
Lezingen Deel 1, 1950
De apostelen waren in slaap gevallen:
Nu liggen ze neergeknield in Gethsemane.
De apostelen vallen in slaap, ze zijn doodmoe, de jongens.
Maar ge zúlt ...!
Dat weet Hij, dat weet niemand, dat weet Hij alleen!
Zij zijn nog aards-geestelijk ingesteld op stoffelijke dingen, op slaap, op gevoel.
Ze zijn doodmoe, maar zij hadden nog vijf procent, nog drie, nog vier, nog twee, nog één procent en daarvan waren zij de negenennegentig kwijt.
Nog één procent van de honderdduizend, de honderd gevoelsprocent en die zekerheid ín hen – dat hadden zij nog, de apostelen – en hadden zij zich wakker door kunnen houden.
Maar die wil verzwakte en viel dit ganse kleine gezelschap in slaap.
‘Kunt ge dan geen uur met Me waken?’
Christus was wákker.
Hij ligt in Gethsemane neergeknield.
Hij zegt tot de ruimte – want God, de Albron, de Vader, de Moeder als God, die is reeds ...
Die zijn al in Hem ontwaakt – Hij stuurt naar de Albron: ‘Ik ben gereed, Ik ben wakker en bewust.
Ik ... maar Mijn woord krijgt vleugelen.’
In Gethsemane ligt Hij daar en zegt tot de jongens, Zijn kinderen: ‘Waarom kunt ge dan geen uur met Me waken?’
Hij had het niet behoeven te zeggen, maar Hij zegt iets en dat wordt begrepen, dat wordt aanvaard.
Ze schrikken, ze slaan zichzelf, Petrus en Johannes.
Ze ranselen zichzelf, ze schreien, ze smeken: ‘Mijn God, waarom zijn wij niet wakker gebleven?
Waarom kunnen we dan niet waken over onszelf?’
Ze hadden toch het gevoelsleven, de bewustwording, die wijsheid kunnen ondergaan.
Nu zijn ze het kwijt.
Ze hadden hun meester kunnen voelen, ze hadden God kunnen zien.
Ze hadden de Albron kunnen zien ... kunnen zien in Gethsemane, kunnen beleven, omdat Hij hen met de Albron verbond.
Lezingen Deel 1, 1950
Christus moest het doen door het woord:
Voor Christus was het leven een begaving, een allenig dienen, het álles geven van zichzelf.
Wanneer Hij de stoffelijke middelen had aanvaard, dan had Hij met stoffelijke middelen kunnen werken, maar dan was Hij verloren geweest.
Christus moest het doen uit Zijn gevoelsgraad, Zijn Goddelijk voelen en denken, Zijn bewustzijn.
En dat was alléén door het woord!
Lezingen Deel 1, 1950
Hij stond voor de maatschappij:
En nu staan we onmiddellijk hier, uit dit machtige Gethsemane, in Jeruzalem?
Dat is uw maatschappij.
Als ge gaarne zoudt willen weten wat dat Jeruzalem heeft te betekenen, dan is elke steen van uw stad precies hetzelfde, een deel van dat fundament, van dat stadje, die omgeving.
Lezingen Deel 1, 1950
Dat woord, die naam Jeruzalem heeft niets te betekenen, want dat Jeruzalem is ook hier en dat leeft in uw hart, maar dat wil zeggen: daar kunt gij de menselijke geschiedenis beleven en zien, ondergaan.
Lezingen Deel 1, 1950
Christus ging met een bewust doel en denken in Jeruzalem.
Waarom?
Want dat is het hart van de maatschappij, dat is uw Den Haag, uw Amsterdam en alles, dat is uw Parijs, dat is New York nu.
Lezingen Deel 1, 1950
Hij kwam bij Pilatus:
U kent het drama.
Ze gaan hoger, ze gaan verder, ze komen bij Pilatus.
Lezingen Deel 1, 1950
Hij kende de wereld en bleef zichzelf:
Maar Hij is liefde.
Hij is harmonie.
Hij gaat terug voor het schandaal dat deze massa bezit, waaronder deze massa leeft.
Hij weet: er leven zeven dierlijke graden; enkele mensen op deze wereld zijn slechts bewust en kunnen het gevoel aanvaarden, dat zijn de hoogst bewusten.
Die voor Hem dienen, die komen uit de astrale wereld, maar de mens die zijn stoffelijke stelsels nog te beleven heeft, die de kringloop der aarde nog moet volbrengen, die mens leeft in duisternis en geweld.
Lezingen Deel 1, 1950
Christus zei maar enkele woorden:
En die énkele woorden die Hij sprak, die waren dan ook Goddelijk bewust.
En daar valt niet meer over te praten; Hij zei alleen: ‘Gij zegt het ...’
Lezingen Deel 1, 1950
Men vroeg hem:
Zijt Gíj de Christus, de Messias?’
En nu moet u in staat zijn om te zeggen: ‘Ja, ik ben het, u zegt het.’
Die hoogmoed was er niet eens in Christus.
Hij wilde niet eens zeggen: ja, dat ben Ik.
U bent níéts in de ruimte.
Hij wilde ook niets zijn, maar Hij wás het, Hij vertegenwoordigde het, in Hem leeft het.
Lezingen Deel 1, 1950
Toen Christus aan het kruis hing, was Hij niet bezig met het lichaam dat vernietigd werd:
Wat dacht gij toen Christus Zijn ogen sloot op Golgotha?
Dát wat er in Hem omging?
Dat dát lichaam werd gekraakt?
Nee, Hij stierf en Hij leefde.
Daar vergrijpt zich de katholieke kerk aan.
Lezingen Deel 1, 1950
Zijn woorden aan het kruis waren heel anders:
Christus zei: ‘Dát leven ben Ik.
Gij zijt uit God ontstaan.
Ik lijd voor u.’
Lezingen Deel 1, 1950
Zijn woorden zijn verkeerd geïnterpreteerd:
De Christus is niet op Golgotha voor de zonden van de mens gestorven, integendeel, Hij is bewust door de mens van Moeder Aarde vermoord.
Lezingen Deel 3, 1952
Hij bedoelde dat Hij verbonden was met het lijden in de wereld:
Jazeker, gij hebt aanstonds in de eerste sfeer het leed, de ellende, de armoede, de vernietiging van Moeder Aarde in u op te nemen.
Want dat leed en die smart behoort u toe!
Lezingen Deel 1, 1950
Ge zult leven en sterven voor het leven dat met u de weg, de goddelijke weg bewandelt en de sferen voor het uiteindelijke gezag eens betreden zult.
Lezingen Deel 1, 1950
De laatste woorden van Christus waren voor zijn geliefde apostel:
De laatste woorden die de Christus heeft gesproken tot de enkeling – maar dan van gevoel tot gevoel – die onder Hem stonden, nee, in de verten, waren niet voor de maatschappij en niet voor het leven dat Hem niet eens heeft aangeraakt tijdens Zijn leven op aarde.
Hij ging regelrecht naar Gethsemane, daar even naast, even verder en bezocht Hij – waarvan de Bijbel niets weet – de Judas.
Toen Judas daar neerlag, hij de waanzin beleefde voor zichzelf: mijn God, mijn God, ik heb me vergrepen aan Zijn leven!
Ik heb Hem toch niet verraden? was dit de menselijke maatschappij waarin u nog leeft.
Christus, die dit alles onderging, die de spijkers in Zijn handen voelde en de prik onder Zijn hart, was ingesteld, jazeker, op Zijn Goddelijke Persoonlijkheid, op Zijn ontwaking.
Maar toen men Hem optrok, optrok ... en men Zijn leven in de grond plaatste, toen Hij rustig neerhing om te sterven, toen dacht Hij niet alleen aan zichzelf, maar Hij ging regelrecht naar Zijn geliefd kind ... de Judas, de beste die Hij had.
De Judas, die zichzelf zou vergrijpen.
Maar Judas hoorde Hem niet, Judas was opgelost in zijn smart, in zijn denken, in zijn voelen en jazeker ...
‘Ik kan je niet meer helpen, Judas, nu je zelf je handen uitsteekt aan je machtige ik.
Waarom doe je dat toch?
Waarom ga je het leed en smart verergeren?
Buig je en begin aan een nieuw leven, maak alles goed.
Je hebt Mij niet verraden, Ik weet wat je hebt gevoeld.’
Lezingen Deel 1, 1950
Het directe contact vanaf Zijn kruis ...
Vanaf die hoogte daar op Golgotha kunt u de stralen zien die regelrecht gaan naar Zijn Judas.
Niet naar Petrus en Johannes, niet naar degenen die het dichtst bij Hem leefden, Hij zocht en beleefde de narigheid, het armoedige kind, dit kind dat nog zou ontwaken.
Dit hulpbehoevende wezen dat het nodig had, waarvoor Hij was gekomen: om Zijn universeel bewustzijn voor de aarde te verstoffelijken en daarna te kunnen vergeestelijken, maar waarvoor Hij geen tijd heeft gekregen.
Lezingen Deel 1, 1950

De opstanding

Christus wist dat we miljoenen malen moeten opstaan, om al de eigenschappen van ons leven gestalte te kunnen geven:
Christus zei immers: ‘Wij zullen al deze goddelijke eigenschappen moeten overwinnen, dat hebt u mij op Golgotha laten zien, of wij zijn niet in staat om God volgens Zijn harmonische wetten te vertegenwoordigen.
Maar het is wel mogelijk, want het universum gaf mij alles.’
Dit is dan ook de waarachtige opstanding waarover Christus heeft gesproken, maar door de Bijbelschrijvers en de latere mens volkomen werd mismaakt.
Want ze keken alleen maar naar dat graf en hebben er zelf iets anders voor gemaakt.
Ze hebben het makkelijker willen maken en juist door dat makkelijker maken, is het verkeerde zien, het verkeerde voelen, de disharmonie voor de opstanding in de mens ontstaan.
Weet u wat ervan over is gebleven, van de goddelijke opstanding in de mens?
Het laatste oordeel.
En dat is nu alles.
André kan hier zien: ‘Dat gij en ik’, zegt hij, ‘kunnen opstaan telkens weer en dat de ruimte mijn leven, mijn ziel en mijn geest, mijn persoonlijkheid zal bezielen en dat dit opstaan niets anders wil zijn dan het uiteindelijke te beleven voor een nieuw vader- en moederschap.’
Lezingen Deel 3, 1952

Onze eigen Christus

De Christus in de mens zal ontwaken door reïncarnaties:
U krijgt vanmorgen ‘De mens en zijn reïncarnaties’.
De Christus in de mens zal ontwaken en dat kan alleen door de reïncarnatie, niet voor de macrokosmos, maar voor de menselijke persoonlijkheid.
Lezingen Deel 2, 1951
Door liefde brengen we de Christus in ons tot uitdijing:
Wanneer ge wilt rusten, rust dan en word rust.
Wanneer ge werkend zijt en wilt dienen, werk dan en word werking, maar laat u nimmer door de Pilatussen en de Caiphassen in u, de afbraak van de wereld en uw verschrikkelijke woordenboek verpletteren en neerhalen.
Blijf ondanks alles in uw maatschappij weten: de God van liefde leeft onder mijn hart, en breng ik tot uitdijing en ontwaking, voor gans deze mensheid en hiernaast en uiteindelijk voor de Christus in u.
Lezingen Deel 2, 1951
Zo komen we tot geestelijk spreken en handelen:
En toch, elke daad, waar het nu om gaat, elke handeling, elk woord moet ge eerst innerlijk beleven en dan naar die geestelijke Christus in u voeren en dan eerst laten uitdijen.
Spreek dán.
Lezingen Deel 2, 1951
Meermalen heb ik u gevraagd: laat de Christus ín u ontwaken.
Lezingen Deel 2, 1951