Karakter -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘karakter’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘karakter’.

Innerlijke gelijkenissen met ouders

Op een contactavond vraagt een vrouw aan Jozef Rulof hoe we karaktertrekken van onze ouders krijgen:
(Mevrouw in de zaal): ‘Mag ik u iets vragen, meneer Rulof?
De karaktertrekken die we gekregen hebben van vader of moeder, hoe komen we daar dan mee?’
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Jozef weet dat de mens en de wetenschap dit geloven:
En zegt de dokter: ‘Ja, dat is van uw vader.
Ze aardt op moeder, ze aardt op vader.’
Mevrouw, u hebt uw eigen karakter, zie, want ...
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
De invloed van onze ouders ligt echter op een ander vlak:
Men zegt in de psychologie, dat als uw vader of moeder talent heeft, krijgt het kind het ook.
Mevrouw, wij zeggen: dat bestaat niet.
Er is wel beïnvloeding.
En dat is heel eenvoudig.
Er zijn zelfs mensen die tot zeventig jaar nog onder de invloed van de ouders zitten, en hebben niet die zelfstandigheid, dat gevoel, die karaktertrekken, die wil om zich los te maken van ouders.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Wel krijgt men dikwijls kinderen die in dezelfde afstemming leven:
Maar u raakt altijd weer uw graad van denken en voelen.
Omdat u met die levens hebt te maken.
Voelt u wel?
En nu trekt u natuurlijk vanzelf een gevoelsleven aan dat op het uwe afstemming heeft.
En dan heet het: ‘Ja, dat lijkt op vader.’
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

Reïncarneren van karaktertrekken

Dankzij de reïncarnatie zijn we niet beperkt tot één leven om ons karakter op te bouwen:
Dat hebt u nu allemaal in handen.
U moet nu zelf weten wat u van uw leven gaat maken.
Wilt u vreugde bereiken?
Het is mogelijk.
Wilt u elke dag zon voelen en beleven, geestelijk bezit?
Dat ligt in uw handen.
Maar de essentiële punten voor dit opbouwen, het reïncarneren van uw karaktertrekken hebt u gekregen door vader- en moederschap, de wedergeboorte.
Lezingen Deel 2, 1951
Zo kunnen we elke gedachte en elke karaktertrek naar de liefde stuwen:
Man en vrouw willen liefde beleven, doch weigeren te baren en te scheppen voor élke gedachte.
Ik heb geleerd, mijn meester, dat ál mijn karaktertrekken gebaard en geschapen willen worden en daarvoor doe ik alles!
Daarvoor maak ik mijn leven bemind en sta ik open voor al het leven van God!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Dan kan ons karakter met vreugde beluisterd worden:
(Mevrouw in de zaal): ‘Heeft dan die stem iets met het karakter te maken?’
Ja.
(Mevrouw in de zaal): ‘Er zijn mensen die een heel prettige stem hebben, en mensen, als men die hoort spreken ...’
Dan ril en beef je.
(Mevrouw in de zaal): ‘Juist.’
Heeft de stem met het karakter te maken?
Nu komen we tot de persoonlijkheid, wat ik daar zei.
Nu hoort u de mens zingen, en nu zingt de persoonlijkheid.
Heeft de persoonlijkheid veel gevoel ...
En dat ziet u nu weer terug in alle kunsten, niet in de wetenschappen, maar in alle kunsten.
Hebt u een viool, gaat u maar aan de piano zitten; de een is gevoelig, en de ander slaat op dat orgel, dat ... doet u de oren dicht, kunt u niet beluisteren.
Dus u krijgt nu het gevoelsleven te zien door kunst.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951

Het leven liefhebben

De ziel als het leven in de mens is machtig:
De mens beseft niet, dame, hoe machtig de mens is als léven; niet als karakter nog, als persoonlijkheid.
Maar als léven heb ik zo ontzettend ontzag voor het leven, maar niet voor het karakter en de persoonlijkheid: dat moeten wij maar afwachten, dat komt later.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Jozef heeft geleerd om het leven in de mens lief te hebben:
Als je het leven liefhebt, dan komt dat karakter en die persoonlijkheid vanzelf.
Toen het begon, toen zei ik tegen meester Alcar: ‘Wat moet ik opvangen om dat van de maatschappij, die karaktertjes.’
Hij zegt: ‘Heb het leven lief, dan vang je alles op.’
Het gaat vanzelf, als je het leven maar liefhebt, als je dat maar te pakken krijgt, ín je.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Christus toonde de weg:
En nu zegt u dagelijks, hoort Gene Zijde, hoort de ruimte dat: ‘Ik kan het niet.
Het gaat niet.’
Er zijn altijd weer gevoelens in ons die omhoog komen en die mij beletten om het goede te doen, om liefde te zijn.
Het gaat er niet om om liefde te geven, u behoeft niets te geven, u behoeft het alleen maar te zijn.
Harmonisch te zijn, te denken, te voelen, en dan komt u vanzelfsprekend weer tot Gethsemane en dan staat u voor de mens en dan zullen we zien hoe nu de Christus, de Messias, het beeld gaf voor de mens, hoe te moeten handelen.
Als een ander bedriegt, hoeft u het niet te doen.
Als een ander te lui is om naar de hemelen te kijken, dan doet u dat wel: u dorst, u verlangt.
Lezingen Deel 2, 1951