Kerkelijke vertelsels -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘kerkelijke vertelsels’.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘kerkelijke vertelsels’.

Vertelsels door kerken en Bijbelschrijvers

Een vertelsel kan tot dogma vastroesten:
Dan gaat de maatschappij, dan gaat de ontwikkeling van de mens, van de mensheid beginnen.
U ziet de straten komen, u ziet het plaveisel, u ziet de fundamenten.
U kunt zeggen: ja, we krijgen een universiteit, wij krijgen een kerk.
We krijgen een godsdienst, een geloof.
De mens heeft reeds een geloof, de mens zit vast aan een dogma, dogmatische gevoelens.
Een dogma wil zeggen: u zit vast aan een vertelsel.
De Bijbel heeft vertelsels, het zijn dogmatische strekkingen die u met de maatschappij, die u met geluk, leven en liefde verbinden, met de ruimte, uw Heer, uw God.
Meer is er niet.
Lezingen Deel 1, 1950
Wie liefheeft, onderzoekt:
Want wie liefheeft, onderzoekt met waarheidlievende gevoelens.
Wie zichzelf werkelijk liefheeft, die dorst, want die voert zichzelf terug naar Gethsemane, naar Golgotha en de Messias, tot de sferen van licht.
Lezingen Deel 3, 1952
Door de mens tot Christus en God te brengen, hebben de kerken veel goeds gedaan:
De mens denkt rozenkransen te bidden, om er zó langs te lopen?
Bid door uw karakters.
Maak van uw karaktertrekken een rozenkrans, dan is de kerk weer goed, dan heeft de katholieke kerk tenminste nog iets voor uw levens kunnen doen.
Want ontegenzeggelijk is er veel goeds.
Men brengt u tot Christus, men brengt u tot God.
Alleen, te veel centjes, te veel goud, te veel verdoemdheid ook, te veel bezoedeling; want nu is Christus niets meer, zij kríjgen alles.
Verdienen hoeft u niets, u gaat maar neerzitten, u biecht maar.
Lezingen Deel 2, 1951
Er is een geloof gebracht dat kon dienen als houvast:
U hebt van mij gehoord dat ik de katholieke kerk en het protestantisme, de Bijbel kraakte, maar niet hetgeen de kerk, het geloof, de Bijbel aan de mens geeft en de mens tot God voert.
Nu kunnen wij wel zeggen: ‘Ja, de meesters hadden met die onzin niet moeten beginnen om Mozes en de anderen wartaal te geven.
Want: ‘de Heer spreekt.
De Heer hééft nooit gesproken.’
Maar ze moesten beginnen.
We leven nu in een tijd dat gij de Heer kent, God kent.
God kent u niet, de Christus kent u niet, u weet van de Christus niets, de mensheid althans.
Maar kernen werden er tot stand gebracht, kernen werden er opgebouwd om de mens toch aan die schepping vast te binden, vast te leggen, iets te geven, een houvast, een werkelijk houvast door het geloof.
Lezingen Deel 2, 1951
De meesters brachten God en de metafysische weg:
Dat is de kosmologie nu voor een karaktertrekje, voor het zijn, voor het ontwaken, voor het denken, voor het voelen, voor alles.
Voor wat?
Ziet u, nu gaan we door de kosmologie toch tot God terug, maar naar de metafysische wet, het woord ‘ja’, de wet leven, de wet licht, de wet liefde, de wet geboorte.
Nu staan wij voor de wetten.
De meesters wisten dat zij de mensheid die wetten niet konden geven.
Maar voordat de Bijbel begon en voordat zij gingen inwerken, waren zij reeds bezig in China, Japan en in het Verre Oosten om de metafysische leer door het contact van de mens op te bouwen en om het geloof in de wet leven, licht, liefde, vader-, moederschap tot de menselijke maatschappelijke ontleding te voeren.
Lezingen Deel 2, 1951
De boodschap van Christus wordt vernietigd door de dogma’s:
Christus is door het onbewuste vernietigd.
En dat onbewuste wil ook nog de ziel, het leven, het bewustzijn, de goddelijke kern van Christus bezitten.
Voelt u?
Die moordenaars, die vernietigers, die gaan om Christus heen zitten, en leggen hun handen uit, bidden en maken Hem heilig.
Er is geen heiligheid in de ruimte.
Christus ziet elke seconde op aarde dat Zijn leven telkens weer wordt verkracht, vernietigd, mismaakt.
Dat heeft de katholieke kerk opgebouwd, dat heeft het protestantisme opgebouwd.
Ik heb hier verleden gesproken over de dogma’s op aarde.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Daarom schreit de apostel Petrus zich leeg:
De Petrus, waarvan men een tempel, een kerk heeft gemaakt, schreit zich op dit ogenblik leeg, waarom men zijn leven zo bewierookt.
‘Ik heb niets gekund!’
Lezingen Deel 1, 1950
Het leven liefhebben in plaats van de kerkelijke franjes:
Komt ge door te bidden, te zingen en heilig te doen op Aarde, tot de Universele stelsels?
Dan kan ik u thans zeggen, néén, dat is niet mogelijk, wij hebben als mens de wetten te volgen, wij moeten als mens onze schepping vertegenwoordigen, wij móéten door het vader- en moederschap terug tot het bewuste Goddelijke „AL”.
En dat wil zeggen, mijn meester, dat de mens van de kerk, in tweeduizend jaar niets heeft bereikt.
Indien wij het kind van de Aarde ál deze wetten kunnen leren, dan komt dat leven verder en leert het de God van ál dit leven kennen, eerst dán komt er vrede en rust op Aarde, harmonie en begrijpen.
Door ál die franjes is het gevoelsleven van het kind van God bezoedeld, mismaakt, bedrogen, verknoeid; bidden en neerliggen en kuis doen, helpt ons niet, wij moeten het leven van God „lief” hebben en de levensgraden ondergaan, waarna wij onze kringloop voor de Aarde kunnen voleindigen.”
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944

Eeuwig brandend vuur in de hel

De meesters begonnen mensen te inspireren om afbrekende handelingen te laten:
Ik heb u duidelijk gemaakt dat men de mens ging beïnvloeden; alleen: ‘Doe dat niet’, en ‘láát dat’, want gij breekt u af.
God zal u straffen.
Ja, natuurlijk straft de ruimte u.
Natuurlijk, wanneer gij een mens vermoordt, bewust in al zijn heilige zaken verkracht, bewust vernietigt door de praat die gij van het leven hebt te zeggen.
Dat ís die verdoemenis!
Dat moest en dat zou oplossen.
Die angst heeft een figuur geschapen, is een muur geworden die niet meer omver te werpen is, niet meer te overwinnen is.
De mens heeft het opgestuwd en bezield.
De mens heeft er zelf vuur van gemaakt, omdat de angst, het gevoel: doe dat niet, de Heer straft u en dan zijt gij eeuwigdurend mismaakt.
In het begin – jazeker – vonden de meesters dat ontzagwekkend.
Maar is het niet droevig, is het niet verschrikkelijk dat ge de mens moet slaan, omdat ge de mens zult bereiken?
Omdat ge de mens wilt bereiken en wilt beschermen, moet ge hem slaan.
Ja, met een zweep?
Nee, met woorden: ‘Dat de Heer straft u.’
En het is waarachtig waar dat de mens zelf voor zijn leven, zijn maatschappij, zijn kerk, zijn godsdienst, zijn geloof een verdoemenis heeft geschapen, die die meesters niet hebben gewild!
Dát niet, dat zou het niet zijn!
Maar u ziet het: zowaar dat de roddel, de kletspraat van uw maatschappij mensen heeft gebrandstapeld die niets en niets hadden gedaan, mensen hebben opgehangen voor het gezicht, het aangezicht van de wereld, van uw maatschappij, mensen hebben gekerkerd, mensen levend hebben begraven.
Omdat één mens begon kwaad te spreken van die mens, heeft de massa zich kunnen uitleven, omdat het dierlijk instinct ontwaakte.
Lezingen Deel 1, 1950
De mens zelf heeft er later eeuwigdurend vuur bij gemaakt:
Zíj hebben dat niet verteld dat er een eeuwigdurend branden was, dat heeft de mens ervan gemaakt.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Wat Mozes heeft gehoord, is later miljoenvoudig aangedikt tot eeuwige verdoemenis:
De meesters – heb ik u verklaard – moesten beginnen om de mens enigszins angstig te maken en aan de wet God vast te leggen: er is een God die alles heeft geschapen.
Doe geen verkeerde dingen – ziet u, dat was alweer waar – want gij komt in disharmonie met de God van al het leven, met de Vader van liefde.
En dat alleen kreeg Mozes in handen.
Hij beleefde zijn wonderen, maar de mens heeft er verdoemdheid van gemaakt, door onwetendheid, nietwaar?
Alles wat de mens in handen krijgt en niet begrijpt, dat smijt hij over de aarde, het wordt vertienvoudigd, miljoenvoudig verdicht voor het kwaad, voor het verkeerde, maar nooit en te nimmer voor het goede.
Lezingen Deel 2, 1951
Christus verklaarde dit aan zijn apostel Johannes:
Dan gaat ge ... dan gaat gij zeggen wat de Christus tegen Johannes zei, waarvan ik u even het beeld gaf: ‘Johannes, het is niet dat wat wij op aarde hebben gebracht, maar de mens heeft die angst vermiljoenvoudigd en heeft er een verdoemenis aan gemaakt.
Lezingen Deel 1, 1950
Die woorden zijn niet in de Bijbel opgenomen:
In de sferen van licht, in de zevende sfeer, op de Vierde Kosmische Graad, op de Vijfde, op de Zesde en op de Zevende, dat de goddelijke Albron is, hebben zij die wetten moeten ontleden.
Zij hebben plaats moeten nemen in de natuur, zij moesten dat één-zijn ondergaan.
Zij hebben zich neergezet en gevraagd: wat hebben wij te doen?
En toen kwam de meester – dat dan later de Messias, de Christus zou zijn – tot het woord, de eenheid met Zijn Albron en kon Hij zeggen: ‘Wij hebben op aarde waarlijk wijsheid gebracht.
Wij hebben op aarde het begin gemaakt voor een menselijk-ruimtelijk geloof.
Maar we hebben de mens vastgeklonken aan iets dat – indien dit niet wordt verbroken – hij regelrecht in een duisternis staat en zich er zelf niet van los kan maken, indien wij die middelen daar niet bouwen.’
En nu staat het Goddelijke gezag voor de menselijke verdoemdheid, die er niet is.
Toen zei Christus: ‘Het is dringend noodzakelijk, wanneer Ik daar terugkeer, om met hen die Me zullen volgen deze wetten te bespreken.’
En toen Christus ...
Daarvan vertelt uw Bijbel niets, want ze hebben de woorden die Hij tot Zijn apostelen sprak niet kunnen opnemen.
Dat bleef in Johannes, dat was voor Petrus, Andreas en dat was voor de anderen.
Maar kunt gij dit aanvaarden dat de Christus hier tussen Galilea en de kleine lieflijke plaatsen die daar tot stand waren gebracht, Zijn wandeling vervolgt over de aarde ... tussen rogge en de wetten van Moeder Natuur Zijn gang voortzette en zich gereedmaakte om die mensheid op te vangen ... sprak over die verdoemdheid?
De anderen zijn hier.
U kunt Hem daar voor u zien, de Messias.
Wandelende, kijkende naar de ruimte, het leven dat Hem aanschouwt, dat Hem aanvaardt!
Hij staat stil met Johannes ...
Hij legt Zijn linkerhand op de schouders van Johannes; Johannes die kijkt.
Hij zegt: ‘Kijk, Johannes, gij zijt de gevoeligste.
Kunt ge Mij aanvaarden?
Dit alles is openbaring, dit alles is evolutie.
Zeer zeker ben Ik niet in staat om deze wetten te verklaren; Mijn tijd, Mijn leven is te kort.
Maar dat zullen anderen doen.
Johannes, Ik kom uit een bron waarmee Ik één ben.
Ik kom vanuit het Goddelijke gezag, de Goddelijke ontwaking.
Ik heb God als vader en als moeder leren kennen.
Wij móésten beginnen om de mens een geloof te schenken.
Gij kent de geschiedenis van Mozes, ge weet hoe het Huis Israël is ontstaan.
Maar deze angst, de angst om het leven te mismaken, Johannes, is opgebouwd, is opgestuwd.
Dat heeft men bebeeld en vervormd, het is een rijzige gestalte geworden en nu zit de mens aan ’n eeuwigdurende verdoemdheid vast.
Ik zal niet in staat zijn om dat de mens weer af te nemen.
Want gij voelt wel, Johannes, Ik kan de eerste fundamenten slechts leggen voor het goddelijke, uw vaderlijke evangelie.
Ik kan alleen de nieuwe fundamenten plaatsen.
Maar de andere, die opstijgend een Tempel zullen vertegenwoordigen en optrekken, die fundamenten komen eerst in een later tijdperk; en zijn wij teruggekeerd tot de sferen van licht, van liefde en leven, geluk, zaligheid en rechtvaardigheid.’
Johannes kijkt ...
De apostelen wachten daar.
Petrus denkt: ‘Wat heeft de meester nu weer?’
En wanneer de Christus tot Johannes zegt: ‘Vertel het aanstonds ... vertel het eerst, Johannes, wanneer Ik er niet meer ben.
Wanneer Mijn taak voorbij is, vertel dan en leg dan óók de eerste fundamenten.
Want kunt gij tot in het goddelijke Al, het goddelijke bewustzijn, denken en voelen, kijken, hoe de eerste werking is geboren?
Hoe de eerste gedachten, vanuit de Albron ontstaan en uitgezonden, zichzelf hebben kunnen verstoffelijken?
Dat kunt gij niet!
Daarvoor hebt ge ruimten te overwinnen!
Daarvoor zult gij zon, maan en sterren in u op moeten nemen.
Gij zult het leed, het gevoelsleven van miljoenen mensen moeten dragen, wilt gij één-zijn met Mij en met Hem waardoor wij zijn:
de Vader in de hemel.
Gij zult élke gedachte van die miljoenen mensen moeten opnemen en willen dragen, in uw hart sluiten.
Eén verkeerde gedachte en ge zinkt zelf terug en stemt u weer af op dat wat gij niet meer wilt zijn en gij reeds hebt overwonnen, maar niettegenstaande dat tóch weer terugvoert, omdat gij het verkeerd ziet en beleven wilt.’
En dan staat de Christus op de aarde met beide voeten en moet aanvaarden dat de mensheid in een duisternis is geplaatst.
De mens zit vast aan zijn angst.
Aan zijn geloof?
Jazeker!
Men heeft het zo opgevoerd, zelf zo tot de ruimte gebracht; dat hebben die meesters, dat hebben die kinderen, die vaders en moeders niet bedoeld.
Zij hebben alleen gezegd: ‘Wij zullen de mensen angstig maken.
Doe niet verkeerd, want gij breekt uzelf af!
Wanneer gij daar en daarheen gaat en gij wilt dat leven zo aanvaarden en ondergaan, dan bouwt u aan duistere machten en krachten.
Maar wanneer ge daarvan vrij wilt zijn en blijven, voer uzelf dan naar de ijle klanken, het timbre voor de Almoeder.
En dan zal elk woord bezielend zijn, uw leven vertolken, en de zin, het gevoel en de ruimte afmaken, zodat gij nieuwe fundamenten hebt gelegd.’
Maar dat hebben die mensen niet gekund.
Lezingen Deel 1, 1950
Het nieuwe fundament dat door Christus is gebracht heeft na tweeduizend jaar de verdoemenis nog niet kunnen wegnemen:
Er gingen tweeduizend jaar voorbij bijna en nóg – hoe bestaat het, hoe is het mogelijk – na tweeduizend jaar aanvaardt men nog verdoemenis, terwijl daarnaast een goddelijk fundament ligt dat zegt: ‘God is een Vader van liefde!’
Lezingen Deel 1, 1950
Het dogmatische gevoelsleven staat reeds 2000 jaar op een dood punt.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Onze theologen vertellen kletspraat.
Ze zitten nog – dat universiteitskind – aan de Bijbel vast en spreken in de twintigste eeuw over verdoemenis en eeuwigdurend branden.’
Zo angstig.
Lezingen Deel 1, 1950
De verdoemenis is vastgehouden en versterkt door de kerken:
Is het niet verschrikkelijk, dat de priesters op aarde met deze onwaarheden, die niets anders dan godslasteringen zijn, de gelovige zielen angst en schrik aanjagen?
Zij willen de mensheid over God en Zijn heilige zaken inlichten – en vertellen intussen zonder een schim van bewijs en zich beroepend op de onfeilbaarheid van hun kerk, de grootst mogelijke nonsens.
God is liefde, roepen ze uit en vervolgen in één adem: maar wie zondigt, veroordeelt Hij tot branden in het eeuwige vuur!
Wat is het voor een bewustzijn, dat zich zó tegenspreekt?
Zo klein en arm is hun opvatting over Gods Wezen, dat hoe langer hoe meer leken zich van hen afwenden.
Hun geloof in God en Christus, hun gevoel zegt hun, dat hun Schepper goddelijker en lieflijker is dan uit de tegenstrijdige opvattingen van die kerken van de aarde zou blijken.
Deze zielen weigeren langer de verschimmelde denkbeelden te aanvaarden over een hel, die eeuwigdurend het zieleleven doet branden, en een God, die door zulks toe te staan toch niet anders mag heten dan een menselijk wezen, dat háten kan.
Ook in dit opzicht staat de mensheid voor het ontwaken.
Ontelbare gelovigen raakten de kerken al kwijt door het prediken van deze monsterachtige opvattingen, die Gods ware Wezen verlagen en versluieren.
Een God, die Liefde is, kan niet verdoemen.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Ook de hervormingen in de geloofsleer hebben hier niets aan veranderd:
Door Luther wordt ge nog eeuwig verdoemd.
Door de katholieke kerk ook.
Door het protestantisme wordt ge ook eeuwig verdoemd.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Het is een merkwaardig vuur dat niet verbrandt maar wel eeuwig foltert:
Eeuwigdurend gaat die deur open, dan komt er zo’n ijzeren ketel en daar stoppen ze u in en u verbrandt, u komt in de hel.
Moet u die nonsens eens goed beleven.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
U gaat eeuwigdurend in het vuur, maar u verbrandt nooit.
Want u moet altijd in dat vuur zijn.
Steek uw hand eens in het stoffelijke vuur van u, u bent uw hand kwijt.
Maar die mens verbrandt nooit en hij zit toch in het vuur, en eeuwigdurend moet hij erin blijven.
En dat vuur is niet zo sterk om u volkomen te vernietigen, maar dat begrijpt uw katholiek niet.
U bent in vuur, u brandt en u brandt eigenlijk niet.
U moet alleen maar wat gemarteld worden, ziet u, streep eronder.
U moet alleen maar een beetje gemarteld worden.
Het moet lang duren.
Vloekt u maar, en u bent al weg; wij durven dat wel.
Weet u dat er geen vloeken bestaat?
Er bestaan geen zonden.
Want als u iets doet, als u iets verkeerds doet ...
Bent u dan in staat om uw kind te worgen als het kind verkeerd heeft gedaan?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Jozef Rulof (André) kreeg te horen waarom de kerk die verdoemende stok achter de deur houdt:
Een moeder komt bij André, toen zegt ze: ‘Mijn man ... ik ben katholiek, mijn man is katholiek, en ik heb nu uw boek gelezen, uit de eerste sfeer, ‘Een Blik in het Hiernamaals’.
Maar’, zegt ze, misschien interesseert het u, ik zal het ook in de boeken opnemen, ‘meneer pastoor kwam en die wou nóg tienduizend gulden hebben’, zegt ze, ‘want hij (haar man) is nog met één been buiten de hemel.’
Toen zegt zij: ‘Nou, laat hem er dan maar uitbengelen. Want van mij geen cent meer, meneer, want er is geen verdoemdheid.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Hierdoor krijgen gelovigen angst voor het stervensproces:
De kerken doen hun gelovigen huiveren voor het stervensproces, dat hen een eeuwige hel kan binnenvoeren.
Zij jagen u vrees aan voor uw Schepper en schrijven Hem, Die een en al liefde is, de wreedste aller straffen toe: een ééuwige foltering – denkt u het zich eens in – in een brandende hel.
En dat alles zonder een schimmetje van bewijs – gelóven moet u het! – en ze beroepen zich op uitspraken, die in de loop van de eeuwen onherkenbaar misvormd zijn.
Welk een vreselijke verantwoording hebben uw kerken op zich geladen, hoe willen zij dat goedmaken jegens de God van al het leven?
Durft één priester, één dominee zich zijn toestand in te denken, als hij moet ervaren, dat hij de God, Die hij dacht te dienen, dag in dag uit in alle toonaarden gehoond en bezwádderd heeft, door Hem, Die een bron van liefde is, als een God van verdoemenis voor te stellen?
En toch, ééns, bij zijn binnentreden hier, zal hij deze vreselijke werkelijkheid moeten aanvaarden.
Het leven zélf zal hem daar overtuigen hoe Gods heelal wezenlijk is ingericht.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Het maakt mensen moedeloos:
Ook hem hebben ze vroeger angstig gemaakt door deze beelden, je voelt je machteloos en juist nu, denk je wat kan mij het leven schelen, je gaat toch voor eeuwigdurend kapot!
Wat is dat toch voor een God, die zijn leven verdoemen wil, vragen de mensen.
Geloof jij nog langer in dat kreng?
Ik ben niet in staat om ’n kind van mij te slaan en God, die een Vader van liefde is, trapt je een hel in, ontneemt je alles, je krijgt geen mogelijkheid meer om je verkeerde daden goed te mogen maken?
Ik wil met die God niet meer te maken hebben!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 1, 1944
Uit angst voor het eeuwigdurende branden zijn gelovigen boven hun krachten gaan handelen tot ze godsdienstwaanzinnig werden:
Duizenden van deze mensen hebben zich op deze verkeerde manier overgegeven aan God en zijn hierdoor gevallen.
Ze verlieten in gevoel de aarde, de stoffelijke wetten en stonden voor de waanzin.
Door het gebed, het smachten van deze persoonlijkheden naar al deze heiligheid, stortte het dagbewustzijn in.
Had de kerk aan deze mensen de waarachtige waarheid kunnen schenken, geloof mij, dan hadden al deze verongelukten de grond onder de voeten niet verloren.
Nu hult de kerk zich in een geheimzinnig waas en blijft liever verdoemen, dan de mensen het ware licht te tonen.
Maar de kerk is nog niet zover.
Toch is dit leven verwaasd door hetgeen de mens van de kerk ontving.
Door de afgrijselijke praatjes over de verdoemdheid zijn deze mensen begonnen om alles van zichzelf in te zetten, uit angst voor het eeuwigdurende branden.
Ze wisten echter niet, hoever ze van de aarde weggingen en konden op een dag niet meer vaststellen of ze nog tot de levenden dan wel tot de doden behoorden.
Op dat ogenblik ging het aardse lichtje uit en leefden ze in het duister en hierin zien wij hen thans terug.
Niet één van deze mensen is te helpen, André.
In hen leeft de kerkelijke waanzin.
De kerk trok deze levens in de verdoemdheid en daar wilden ze natuurlijk niet in.
Toen wilden ze alles van de kerk en het geloof weten en bezweken.
Had men deze mensen kunnen opvangen, hun kunnen vertellen, dat God niet verdoemt, dat God een Vader van liefde is en dat ze zich eerst met het aardse leven moeten bemoeien, dat ze moeten leven naar eigen aard, dan had de kerk wonderen kunnen verrichten!
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
De kerk is het, die de gelovigen zou behoren op te vangen, maar de verdoemdheid breekt deze levens doormidden.
Duizenden van deze mensen werden door die vervloekte verdoemdheid van de kerk geestelijk vermoord.
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
Maar die vervloekte verdoemdheid jaagt de mens naar het krankzinnigengesticht.
Er is geen uitdijen meer.
Lezingen Deel 3, 1952
De dogmatische stelsels hebben de mens, het menselijke ik, het innerlijke, de persoonlijkheid gebroken.
De mens begon aan wartaal.
De mens maakte zich vrij van zijn eigen stadium, zijn houvast, de bewuste mentaliteit waarin hij leefde, de wetten voor organisme, ziel, geest en innerlijk leven, omdat hij ging zoeken, hoger wilde gaan dan hij aan kracht, bewustzijn en gevoel bezat.
Deze beelden krijgt u aanstonds weer en dan stellen we vast hoe de mentaliteit, hoe het bewustzijn, hoe het denken is in dit huidige stadium.
En dan staan we voor uw universiteit, voor uw geleerde als dominee en geestelijke, het protestantisme, de katholieke kerk.
Ja, dan stellen wij vast, ónherroepelijk, dat er nog miljoenen mensen vastzitten aan een dogma en de wetten van God niet kennen.
Lezingen Deel 1, 1950
Hun levens zijn kapotgegaan door de angst voor de verdoemdheid en daar losten deze karakters volkomen in op.
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
Geen krankzinnige kan zo diep wegzinken als deze lieden, geen is zo te betreuren als deze godsdienstwaanzinnigen, die hier met hun Bijbel rondlopen, er dag en nacht in lezen en toch niets van al die heiligheid snappen.
Wie heeft hieraan schuld?
Wie stortte al die levens in deze onmenselijke ellende?
De kerk!
Alléén de kerk heeft schuld aan deze waanzin.
Ik zou amen willen zeggen, maar ik stik in het „amen” van de kerk.
De kerk zegt het en speelt nu met dit allerheiligste vuur Gods!
De kerk liet deze levens verstikken in een poel van onbewustzijn, van modder en slijk.
De kerk groef voor deze mensen het graf waarin ze leven.
Mijn God, kunt Gij het de kerk vergeven?
Wat moet ik hier eigenlijk nog aan toevoegen?
Boekdelen zijn over deze godsdienstwaanzinnigen te schrijven, André, en toch, dit woord is reeds voldoende.
De kerk heeft schuld, want de kerk spreekt over de verdoemdheid!
God verdoemt niet!
Nooit!
Nimmer heeft God één ziel verdoemd!
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
Doch de liefde voor datgene dat zij willen bezitten is het, die door hen allen is aanvaard, maar waarin ze zich verloren.
Al de karaktereigenschappen van deze levens liggen gesmoord onder de macht en de kracht van de waanzin.
Niet één eigenschap is nog bewust, wat bij andere waanzinnigen meestal wel het geval is, ook al kan bij hen tengevolge van astrale inwerking de algehele krankzinnigheid intreden.
Daarom zei ik je, dat deze de ongelukkigsten zijn onder al deze ziekelijke graden.
Deze mensen zoeken God en verongelukken erdoor.
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
Door God verongelukten deze levens en daaraan heeft de kerk schuld, omdat de verdoemdheid elk leven smoort!”
„Zijn geen van allen te helpen, Alcar?”
„Niet één, André.
Ik vertelde je immers, dat géén karaktertrek nog waarneembaar is.
Hoe willen wij contact krijgen met de hoofdkaraktereigenschappen?
Wanneer er geen liefde gevoeld wordt, is de mens een levende dode en deze is niet te bereiken.
Welnu, al deze mensen hebben het normale ten opzichte van de volle persoonlijkheid afgelegd.
Niets is er meer in hen, dat nog leven bezit; ze staren zich blind op hun verlangen en lossen hierin volkomen op.
Deze levens zijn ónbezield, voor honderd procent léég!
Dit volkomen oplossen streeft naar het uiteindelijke in één toestand, voor hen de godsdienst.
Wie dit beleven wil laat het organisme los en verdwijnt nu in het ledige niets.
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
Ze leven niet, maar zijn levend dood.
Ze spreken geen woord waarheid; al hun gedachten hebben geen betekenis en ze leven naast de schepping.
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
De godsdienstwaanzinnige, André, is bezig zichzelf in te graven en dat nog wel in God.
Dit betekent ontzettende armoede voor het zieleleven; dit is zó afschuwelijk, zo leeg en nietszeggend, dat wij voor hen geen woorden kunnen vinden, want die levens staan waarlijk stil!
Iets wat niet leeft is dood en deze mensen zijn door hun geloof gestorven.
Stel je voor: ze aanbidden het Allerhoogste in de Ruimte, hun God, en gaan door hun God het lege niets tegemoet!
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
God kan zichzelf niet verdoemen:
Al deze openbaringen, André, komen tot de verdichting en de verstoffelijking door het baren en scheppen en heeft ál het leven in onze ruimte te aanvaarden.
Maar je weet nu, indien je de wetten wilt leren kennen, moet je terug tot míj en de éérste splitsing, het ogenblik, toen de „Almoeder” aan deze, dus geestelijke openbaring begonnen is.
En nu zie je, dat ook wij slechts háár openbaringen zijn, dat „ZIJ” het is, die lééft en niet wij, omdat „ZIJ” haar ruimten zal vullen door haar eigen leven.
Uiteindelijk dus, mijn André, ís het God, Hij ís het, waarvan wij deel uitmaken, maar ook niets anders.
Hij vertegenwoordigt „Zichzelf”!
En door ons allen!
Dit moet het kind van de Aarde leren kennen, eerst dan komt er daar geestelijke verruiming en is er van verdoemdheid geen sprake meer.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 3, 1944
Het gaat om waanzinnige dogma’s:
Er bevinden zich nu geen godsdienstwaanzinnige mensen op Aarde, maar waanzinnige „dogma’s” ... krankzinnig denken en voelen, door de mens geschapen en niet door de „Almoeder” ... noch „God” ... wij hebben er niets mee te maken.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 3, 1944
Tot in het schemerland blijft het geloof in de verdoemenis de mens tegenhouden in zijn geestelijke ontwaking:
De mensen in dit schemerland aanvaarden op Aarde een God, die verdoemen kan, en in die overtuiging treden zij na hun dood de astrale wereld binnen.
Hier moet hun bewustzijn voor een God van liefde nog ontwaken.
Die verdoemenis leeft in hun eigen leven, want God verdoemt niet.
Op Aarde reeds heeft het hen tegengehouden, zij kwamen door die opvatting omtrent verdoemenis niet van hun onbewuste ik los en traden dus ook in ons leven een ónbewuste wereld binnen.
Dat is dit schemerland!
Nu moeten zij leren, dat God alleen liefde is, en dan volgt vanzelf het geestelijk ontwaken.
Aan deze zijde vragen zij waar Christus leeft, zij willen Christus zien.
Dat heeft men hun op Aarde verteld, doch de wetten van ons leven hebben een andere betekenis dan hun dominee heeft gedacht.
Zij zoeken hier naar hun geestelijken, maar ook deze kunnen niet antwoorden, ook zij moeten nog ontwaken.
Op Aarde werden zij van Christus’ leven overtuigd en nu, aangekomen aan Gene Zijde, vinden zij Christus niet.
Een enorme teleurstelling is het gevolg en dan schreien zij als kinderen, omdat zij voelen, dat men hen op Aarde heeft bedrogen.
De katholieken zoeken hier naar hun pastoor en willen ook hier te biecht gaan en de heilige communie ontvangen, maar deze geestelijke mist hier zijn toebehoren en zoekt zélf.
Ook hij moet nog in de geest ontwaken.
De astrale wetten zijn op Aarde niet begrepen, men weet er weinig van en toch bracht Christus u het Heilige Evangelie.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
In het schemerland is er wel hulp voorhanden:
Het menselijke wezen in dit schemerland stelt vragen en wil alles van God weten.
Hier dreigt men niet meer met de verdoemenis, het leven kan zonder bijgeloof ontwaken.
Al deze zielen zijn diep getroffen door de op Aarde heersende onbewustheid, de onwetendheid, die het leven mismaakt voor de astrale wereld.
Precies als op Aarde voelt het innerlijke leven, dat er een God is, maar op Aarde dringt men nog niet tot de waarachtigheid van God door.
Maar hier kunnen wij hun vragen beantwoorden.
Nu komt er bewustzijn in hen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Maar het bevragen alleen helpt niet:
Het vragen stellen alleen helpt hen aan deze zijde niet, zo wij in de geest willen ontwaken, moeten wij het leven van God dienen.
Christus zelf gaf het voorbeeld en zette Zijn Eigen Leven ervoor in.
Dat is het overwinnen van de lagere levensgraad en het alles geven van onszelf!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Een eeuwigdurend voortgaan zonder verdoemenis is heel anders:
Wist de mensheid maar dat er een eeuwigdurend voortgaan zónder een eeuwigdurende verdoemenis is, dan zou het aardse leven spoedig veranderen, want dit bewustzijn voert u onmiddellijk naar het geestelijk ontwaken.
Uw maatschappij zou direct veranderen en in het menselijk hart zou liefde komen.
Nu de „Eeuw van Christus” een aanvang heeft genomen, komt deze wonderbaarlijke afstemming en wetenschap over uw wereld en dit zal de mensheid naar het geestelijke bestaan optrekken.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Maar veel mensen moeten in het hiernamaals nog vrijkomen van het geloven:
En die man die zegt: ‘Ik heb een tempel gebouwd, ik heb alles van mijn leven voor de mensheid willen geven en nu heb ik nóg geen licht.’
Nee, u moet eerst vrijkomen van het geloven.
U moet de dingen kunnen beleven, u moet de dingen kunnen aanvoelen, u moet ze kunnen zien, en eerst dan zegt uw persoonlijkheid tot het andere leven: ‘Geloof het niet langer, aanvaard het niet langer!
Er ís geen verdoemenis, er is alleen liefde, alleen evolutie.’
Lezingen Deel 1, 1950
Want geloof in verdoemenis geeft geen uitdijing in liefde:
Daar ligt de professor, daar ligt de godgeleerde: ‘Wat moet ik doen?’
Op aarde aanvaardde hij de dingetjes van de maatschappij.
Ruk die medailles maar van u af!
U moet eerst het besef krijgen dat de maatschappij een wereld is om te ontwaken.
Alles wat u hebt gedaan is prachtig, u hebt de mensen tot God teruggevoerd, maar van de wal in de sloot; u hebt ze erin getrápt en nu wilt ge dat God u opvangt, en uw leven zegent?
Wij worden niet gezegend, u bént zegening, want om ingezegend te zijn wil zeggen: een eenheid te ondergaan van alles wat u in de ruimte waarneemt.
Dat gebeurt onmiddellijk.
Nu kunnen wij dit kind opvoeden.
Dit kind heeft een machtige positie bereikt.
De mensen, de maatschappij, de wereld spreekt over dit genie, dit geestelijke wonder en in het leven achter de kist heeft het voor zover nú nog geen betekenis, want – nu komt het – wat hebt u gedaan met dit?
U gaf daar een machtige bezieling aan uw mensen, u trok uw mensen op tot God, tot de ruimte, u had het woord, een welsprekendheid die het kind van de aarde kon bezielen.
Maar waarom legde u weer het halt voor uw eigen voeten door de God van al het leven te verdoemen?
Voelt u, u komt voor de werkelijkheid van het woord te staan, het uitdijende voor het woord, totdat het woord geestelijk is bezield, geestelijke waarachtigheid krijgt.
Lezingen Deel 1, 1950
Zelfs in de lichtsferen kan men niet gelukkig zijn, zolang er medemensen onder de verdoemenis lijden:
De meesters liepen daar waarlijk jaren en jaren, eeuwen liep de één na de ander, de één liep de ander voorbij: ‘Ik heb het licht, ik heb het leven, ik heb de liefde ... moet je dat zien, dáár, kijk eens even!
Bent u gelukkig?’
In de eerste sfeer begint het, de mens wandelt ...
‘Ik ben lekker vrij, ik ben heerlijk vrij van de aarde.
Niemand kan mij meer iets doen, want ik heb de aarde, ik heb alles beleefd.
Ik heb met de aarde niets meer te maken.
Ik ben vrij, ik ben gelukkig.
Wie doet mij wat?
Ik heb licht, ik heb de bloemen, ik heb de bomen, ik heb een eigen huis.
Ik zet mij hier neer, ik concentreer mij maar een klein beetje en daar komt een tempel om mij heen, met al de lieflijkheden die ik in mij voel.
De kunst, de wetenschap, de wijsheid ziet gij aan mijn muren hangen, en midden in mijn zaal, de zaal van liefde, daar zit ik, daar lig ik, omringd in een schone natuur, de orchideeën van de ruimte om mij heen.
Ik krijg kussen van lieflijkheid, van harmonie; de Moeder spreekt tot mij.
Maar ik ben niet gelukkig.
Ik ben niet gelukkig!
Waarom niet?
Mijn God, wat komt er op mij af, wat stormt er tot mijn leven?
Waarom laat U de mensen zingen en blij zijn?
Hoe is het mogelijk, wat komt er tot mij?
Mijn God, ik ben straatarm in de eerste sfeer, ik heb niets.’
Een ander loopt daar, kijkt naar de ruimte, heeft licht, heeft leven, heeft liefde.
Maar dáár is iemand verdoemd, door u!
Die zit daar vast.
Die miljoenen hebben geen leven meer; die zijn angstig.
Angstig voor wat?
Voor ‘de kist’, voor de dood die er niet is, voor duizenden dingen meer, maar dat hebben wij te beleven.
Geef de mens iets in handen en zeg tegen de mens, zeg de ander weer: ‘Maak van dit gedichtje nu een mooi vers, maak er dan een prachtige novelle en bespreek en bevoel Moeder Natuur in al haar zaligheid, haar uiteindelijke wetten, haar innerlijke wetten.
Bespreek haar voor ziel, geest, leven en stof, en laat de persoonlijkheid spelende het leven ondergaan, vertolken, zoals uw virtuozen dat kunnen op de viool, op de piano, op de harp.
Maak er een symfonie van, maar vertolk daardoor dat er géén verdoemdheid is.
Er is alleen leven, licht, liefde, goddelijke zaligheid!’
Miljoenen mensen lopen daar en staan machteloos in de eerste sfeer, de tweede.
Heel die ruimten zijn gevuld door een machtige bezieling.
De mens is gereed, de mens kent zich nu.
De ruimte is overwonnen, planeten en sterren dragen wij onder ons hart.
Niemand kan ons iets meer vertellen, wij hebben ons die wijsheid eigen gemaakt.
Wij hebben de kringloop der aarde volbracht, en nóg staan we in de verdoemdheid.
Kunt u daar gelukkig zijn als u weet dat u moeder bent en uw kind daar door die ellende verrekt, neergeslagen wordt, geen licht in de ogen bezit, geen gevoel meer en telkens daar neerligt en zingen moet, kreunen moet: ‘Doe niet verkeerd want gij zijt verdoemd.’
Lezingen Deel 1, 1950
Een god die eeuwig verdoemt is erger dan wie of wat dan ook op aarde:
Wat is dat voor een godheid, die daar een ruimte omspant, die een goddelijke macht bezit, die Alwetend, Almachtig is?
Heeft die nog een verdoemdheid nodig?
Heeft die een zwaard in Zijn handen – want verdoemdheid is scherper dan een snijdend zwaard – heeft die een zwaard nodig in Zijn handen om Zijn kinderen, die in liefde door Zijn leven zijn gebaard, te slaan, te vernietigen, te kraken, te onthalzen?
Hang dat leven maar op, knal het maar neer, leeft u maar uit, lieg maar raak indien u wilt; als er dan toch verdoemdheid moet zijn, breek uw maatschappij maar af.
Doe maar mee aan leugen en bedrog, dat is immers niets in vergelijking met eeuwigdurende verdoemenis.
Waarvoor leeft gij eigenlijk?
Scheld elkaar maar uit, besteel elkaar, onthals elkaar.
Kleed elkaar maar uit, neem alles wat u hebt van een ander, besmeur, bezoedel en mismaak elkaar maar.
Verdoemenis?
U haalt het niet bij de verdoemenis.
Lezingen Deel 1, 1950
Zolang men in verdoemenis gelooft, is geen reële vooruitgang mogelijk:
Een mens op aarde is bezig om zichzelf in het gareel te zetten voor de goddelijke macht en Moeder Natuur.
De mens is bezig om zichzelf op te bouwen, tot de evolutie te brengen, te beschilderen, te bezielen, te bezingen, te bedichten.
Hij maakt voor zichzelf een machtig toneel en hij staat erbovenop en spreekt: ‘Ik zal zijn zoals Hij is en ik zal doen gelijk de klaarte ’t ons heeft verteld.
Ja, weet u, ik zal spreken gelijk de golven der oceanen, de lichten der lichten.
Ik zal zijn als een boom in de natuur, als een bron, als een levensbron zal ik ’t leven bezielen.
Ik dicht, ik speel, ik doe aan muziek, ik doe aan kunst.’
Maar waaraan doet u eigenlijk als die verdoemdheid er toch is en alles weer uit uw leven wegvaagt?
Waar begint het begin en waar is het einde?
Waar begint God te denken?
Vervloekt zijt Gij, de God van al het leven, indien er iets van U uitgaat waardoor Gij Uw kinderen, Uw levenslicht slaat.
Lezingen Deel 1, 1950
Bidt u maar en zingt u maar; als u niet oplet en u doet iets verkeerds – één stap maar, ziet u? – dan bent u al weg.
U komt nooit meer tot het leven, u hoeft niets meer te doen, voelt u?
Lezingen Deel 1, 1950
Dit reikt tot in het goddelijke Al:
Het goddelijke Al is niet gelukkig, want er is nog altijd verdoemdheid op aarde.
Lezingen Deel 1, 1950

Laatste oordeel

Op een contactavond werd aan Jozef Rulof gevraagd hoe Gene Zijde over het laatste oordeel denkt:
Ik heb hier de vraag: „Heeft het laatste oordeel ook voor Gene Zijde betekenis?”
Jozef zegt: „Thans, dame, moet u zich gereedmaken voor een kermistent.
U zult nu mogen lachen, want wanneer men mij die vraag stelt, beef ik al.
Luister, eerst de werkelijkheid.
Een laatste „oordeel” bestaat er niet, dame!
Als u hier verkeerd doet, staat u onmiddellijk voor het oordeel en dat zijn de gevolgen van uw daad.
Voelt u dit?
Dan ga ik verder.
Dus dat, wat de katholieke kerk ervan zegt, is kletspraat!
Stel u nu die kermis voor, die ik bedoel.
Stel u voor, dat de goddelijke engelen beginnen te toeteren, want dat gebeurt immers!
Ze toeteren om ons allen en dan staan wij uit onze graven op en moeten kleur bekennen.
Maar, dame, wat is er in al die miljoenen eeuwen gebeurd?
Miljoenen organismen, skeletten dus, geraamten, zijn weg, zijn opgelost.
Er zijn mensen, die nu geen lichaam meer bezitten en toch, dit zegt de katholieke kerk immers, staan wij op uit onze graven en moeten voor God verschijnen.
Gelooft u nog aan die onzin?
Wij hebben geen tand meer in onze mond, onze mond is ook al weg, om „ja” te roepen!
Anderen slepen met mijn hoofd, ruzie is er, omdat de mens naar zijn benen en armen moet zoeken.
Doch de tijd heeft onze armen en benen doen oplossen.
Dit nu, dame, is de kermistent voor dit laatste oordeel van de katholieke kerk!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
De ziel ligt niet in een graf te wachten:
Dat laatste oordeel, waar ze ... ziet u?
Wat is dat voor een verschrikking om de mens in de grond te sturen en ze daar te laten?
En komt er een einde; en dan spreekt God.
Mijn god, mijn god, waar leven de mensen die in het prehistorische tijdperk hebben geleefd?
Voor honderd miljoenen jaren terug leefden al mensen op aarde en die leven nu in het Albewustzijn, het zijn goden; zonder God, zonder Christus, zonder Bijbel, zonder boeken.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Er is geen God die over ons oordeelt:
Die griezelige gedachte omtrent het laatste oordeel, voor welke wij in dit verband komen te staan, heeft aan deze zijde geen betekenis, omdat wij onmiddellijk na ons sterven een bestaansgraad, een bestaanswereld binnentreden.
Toen wij in het astrale leven aankwamen, wachtte ons geen oordeel en werd ons niet een plaats hier opgedrongen, neen, geachte lezer, wij stonden na ons sterven voor onze eigen persoonlijkheid.
Ons eigen innerlijk bepaalt waar we hier zullen wonen.
God oordeelt niet en Hij wijst ons evenmin een plaats aan.
Zélf zijn we het die oordelen!
De bewustzijnsgraad voor ons zieleleven is het, die ons doet afstemmen op een van de hellen of hemelen.
Geestelijke Gaven, 1943
Christus bedoelde heel iets anders:
Omdat ze met een ‘laatste oordeel’ door de straten van de stad lopen en wachten tot de hemelen gaan tetteren om u op te roepen met uw naakt gebeente.
Elke verkeerde daad, als u die beleeft en voelt, plaatst u voor het laatste oordeel, want nu zult ge kleur bekennen.
Dát heeft Christus bedoeld!
Lezingen Deel 1, 1950
Dat heet ‘oorzaak en gevolg’:
Wat voor de kerken het laatste oordeel heet, is voor ons het oorzaak en gevolg.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941

Een zwakke Christus

Een mens heeft zijn eigen narigheid in de mond van Christus gelegd:
Christus ligt daar alleen in Gethsemane, al die adepten van de Christus die lagen te snurken, diep in slaap, de ene lag zo, en die lag zo, en Christus daar alleen, niemand was bij Hem, en toch vertelt de wereld daar dat Christus zei: ‘Laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan.’
Meneer, voelt u wat de mens heeft gewild die dat gezegd heeft?
Dat is een mens geweest, die heeft even over de wereld gekeken, en toen zag hij zijn eigen narigheid ook, maar die wilde hij graag kwijt, en dat heeft hij nu de Christus in Zijn mond gelegd.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
De Bijbelschrijvers hebben Christus erger vermoord dan de kruisiging:
Hoe Christus is vermoord aan het kruis, heeft geen betekenis.
Maar hoe de Bijbel de Christus heeft vernietigd, dát zegt alles.
Men heeft Hem woorden in Zijn mond gelegd, in het hof van Gethsemane bijvoorbeeld, we hebben daar meermalen over gesproken: ‘Vader, Vader, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan’, nietwaar?
Maar wie was erbij toen Hij dacht en deze woorden heeft gesproken?
Telkens weer stelt de mens deze vraag.
En dat is de moeite waard, want deze mens denkt.
Daarginds liggen de apostelen en zijn in slaap gevallen; daar in de verte.
Dat Gethsemane is diep, en daarginds ligt de Christus en zegt: ‘Mijn God, Mijn God, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan’.
Niemand in de ruimte, op aarde heeft deze woorden gehoord.
Maar in de Bijbel staat het.
Dat hebben de Bijbelschrijvers in die en die tijd klaargemaakt, Christus verzwakt, van Hem een mens gemaakt.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De apostelen waren op dat moment ver van hem verwijderd:
Want men heeft Christus veel in Zijn mond neergelegd.
Golgotha en Gethsemane, ik heb u dat verklaard.
Men heeft gezegd: ‘Mijn God, mijn God, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan.’
En een kind van de aarde wil gaarne voor Hem sterven.
Was Christus zwak?
Kan niet.
Heeft Hij ook nooit gezegd.
Hij was alleen.
Wie heeft het gehoord?
Wij staan in Gethsemane, daarginds in de verte, twee-, driehonderd meter van ons vandaan, Christus is niet te zien, was Hij, in die tijd – wij hebben dat gezien, dat beeld ligt daar – Christus, alleen, en hier liggen zijn apostelen; angstig, er gebeurt iets.
Er waren sensitieven bij.
Wie heeft gehoord dat Christus dat zei daarginds, als het ware in Marokko?
Dat heeft men van Christus gemaakt.
Zó groot.
Het sterven van Christus.
(Mevrouw in de zaal): ‘Zeiden ze dat ook niet in het evangelie, de evangelisten, in Mattheus, in Marcus en Lucas?’
Men heeft dat Christus in Zijn mond gelegd.
Wij willen alleen maar zeggen, dit: men heeft Christus verkleind, verzwakt.
Dat kan de Goddelijk Bewuste nimmer hebben gezegd.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Christus kon zich niet verlaten voelen aan het kruis:
Men heeft de Christus gezegd: ‘Mijn God, Mijn Vader, hebt ge Mij verlaten?’ toen Christus aan het kruis geslagen werd.
Dacht ge waarlijk dat voor Christus de kruisdood alles was, dat Hij angst had voor de kruisdood, dat men Hem ging vernietigen?
Een kind uit uw oorlogstijd is gemarteld en geslagen, en bleef staan, vertelde niets aan uw vijanden.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Christus is veel groter:
Ook dit is de goddelijke waarheid: Christus is niet op Golgotha bezweken en riep niet: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?!’
Dat is kletspraat.
Wij deinzen voor geen dood terug en nu Christus?
Wij twijfelen niet meer aan God; Christus dan wel?
Kan dat?
Is dat zo?
Ik zeg u, ze hebben Christus met al die woorden niet alleen onttroond, maar Hem opnieuw aan hun kruis geslagen.
En dit is het, de waarheid!
Zij nu maken opnieuw van een goddelijk bewuste een zielig mens en dat bestaat niet, dat nemen wij niet, Christus is voor ons groter!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Men heeft hem niet leren kennen:
En hoeveel duizenden problemen van de Bijbel hebben ze Christus niet in de mond gelegd.
En de Christus zegt altijd weer: was Ik dat?
Mij hebt gij niet gekend.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Aan meester Zelanus werd op een contactavond gevraagd hoe het dan wel zit met Christus en onze zonden:
(Meneer in de zaal): ‘Meester Zelanus, ik zou u willen vragen: er zijn vele geloven die leren dat de Christus geleefd en gestorven is voor de zonden van de mensen.
Ik deel dat niet, u voelt dat wel.
Maar wilt u misschien nog eens precies aangeven hoe of dat eigenlijk is?’
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De mens wilde er makkelijk vanaf komen:
De katholieke kerk, het protestantisme zegt: Christus heeft door Zijn dood u alles vergeven, nietwaar?
En dan legt u de handen maar op het bloedoffer van Christus, en u bent vrij.
Dat zou u wel willen, zou de mens wel willen.
U leert nu niets, nietwaar?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
U voelt wel, als Christus dat heeft moeten aanvaarden, de mens ziet ...
De fout is door het protestantisme en het katholicisme opgebouwd, dat de mens, dat de Christus als Messias alles vergeeft.
Maar de katholieke kerk weet van deze wetten niet af, de katholieke kerk verdoemt nog, heeft nog een laatste oordeel, en nu gaat u maar door.
Dus het wordt een menselijke toestand waarin u alles vergeven wordt door de Messias – wij blijven bij het menselijke – Jezus Christus.
Nu weten wij hoe Christus is geboren, waar Jezus vandaan is gekomen, hoe Christus in het Al is gekomen om God te vertegenwoordigen, dat zeggen u de boeken; en hebben wij geleerd dat ge elke wet eerst moet verstoffelijken – en wat is nu een wet? – en dan vergeestelijken, verruimtelijken en vergoddelijken.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Dat zou de massa, de mensheid wel willen, handen neerleggen op de Christus, die men eerst heeft gekraakt, vernietigd, bewust vernietigd.
Men heeft Hem gegeseld, bloed liep weg, bloed stroomt nog van Golgotha over de aarde.
En de dominees en de geestelijken bidden.
Biecht u maar en u bent alles kwijt.
Er zijn kardinalen in de duisternis, er leven pausen in de hellen; het zijn geen hellen, het zijn duistere sferen.
Zoudt ge willen denken dat die mensen hebben gebeden?
Die hebben gebeden, die bidden dag en nacht, maar het heeft niet geholpen.
U kunt door uw gebed – heb ik u geleerd – kunt u uw leven niet veranderen.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Is dat dan het afbreken van uw kerk?
Nee.
Die verdoemdheid, die disharmonie, dat Christus voor u gestorven is, neemt u dat nog?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja.’
Dan bent u ernaast.
Christus is niet voor u gestorven, Christus kwam hier om u het goddelijke bewustzijn te brengen.
Dus u aanvaardt nog dat Hij aan het kruis gestorven is voor u?
(Mevrouw in de zaal): ‘En zou mij dat niet in de hemel brengen, als ik dat geloof?’
U kunt dat geloven, maar het gééft u niets.
U zult uw eigen dood sterven.
Ziet u?
U zit in die Bijbel en u aanvaardt wat daar staat: Christus is voor ons gestorven.
Ja, dat zoudt u wel willen.
Dat zou de ruimte wel willen.
En nogmaals, omdat Hij Zijn leven gaf, zegt de Bijbel, zegt de dominee, dan krijgt u – geloof dat maar en bid maar – dan krijgt u het eeuwige leven, dan hébt u het.
Nee, u zult uw dood beleven, uw nieuwe geboorte.
U bent nu moeder, maar aanstonds komt ge terug naar hier en zijt ge vader.
Uw handelen, uw denken en voelen zult ge moeten richten tot Hem.
Maar gij zult stap voor stap moeten verdienen.
Ziet u?
Los van de Christus en toch alles.
(Mevrouw in de zaal:) ‘Hij gaf daar Zijn leven.’
U luistert niet.
Hij gáf daar Zijn leven niet.
Hij is daar niet voor mij en voor u en voor de miljoenen van deze wereld gestorven, Hij is daar bewust vermóórd.
Dat is heel iets anders.
Dat is niet hard, mijn kind.
(Mevrouw in de zaal): ‘U maakt het te moeilijk.
Het is zo eenvoudig, dat geloof ik ...’
Ja, als u dat vasthoudt van u, is eenvoudig.
Maar dát niet meer.
Dit plaatst u voor Zijn realiteit.
Voelt u, wat eenvoudig wordt?
De Bijbel zegt, de geleerde zegt: bid en aanvaard, dan bent u klaar.
Maar voor de ruimte bent u dat niet, dat hebben wíj moeten aanvaarden.
Het is zo eenvoudig als u Christus aanvaardt en u zegt: ja, Hij is voor mij gestorven.
Néé, Hij moet voor ons léven.
Angstig?
Ik doe u niets.
Het gaat om die realiteit, het gaat om die duisternis te doen oplossen.
(Mevrouw in de zaal): ‘Christus leeft voor mij ...’
Voor iedereen?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja.’
Voor iedereen.
Voor hond en kat toch ook?
(Mevrouw in de zaal): ‘Hij leeft.’
Hij leeft ja.
Maar Hij is daar niet voor mij gestorven.
Door Hem zal ik het eeuwige leven ontvangen wanneer ik de wetten harmonisch beleef.
Ziet u?
Hij heeft niet alles kunnen vertellen, hoe het moest.
Want daarvoor heeft men Hem het spreken ontnomen.
Maar u denkt nog Bijbels.
En dat kunt u, maar niet wanneer u de handen neerlegt op het bloedoffer.
Dat zou deze wereld wel willen.
Makkelijk, eenvoudig.
Nu wordt het eenvoudig: ik geef mij maar aan Hem.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De kerken hebben een vloek gemaakt van zijn bewustzijn:
Want de katholieke kerk, het protestantistische kind zegt: ‘Hij schonk ...
Hij schonk u alles, Hij heeft u alles vergeven.
Toe, bid nou maar vijf onzevaders en je bent alles kwijt.’
Een vloek hebben ze gemaakt van Zijn bewustzijn.
Lezingen Deel 1, 1950
De werkelijkheid wijkt niet voor een onzevader:
‘Ja, Hij is voor mij gestorven, Hij heeft mijn zonden weggenomen.
Ik ben elke morgen naar de kerk gegaan, ik ging te communie en ik bad, ik biechtte.
Ik zei: ik heb fout gedaan, mijnheer pastoor, ik heb de mensen belogen en bekocht.
Ja, ik vergreep me gisteren even dááraan!’
‘Bid u maar vijf onzevaders en dan bent u het kwijt.’
Dat zou hij wel willen!
Dáár ligt de werkelijkheid, achter de kist en dat is niet alleen hier, dat is overal hetzelfde.
U gaat door een stinkerige wereld, u ruikt het.
Lezingen Deel 1, 1950
De man achter de tralies van de biechtstoel kan ons hierbij niet helpen:
Iemand anders vraagt nu: „Is biechten nog noodzakelijk?”
Jozef Rulof zegt: „Mevrouw, dit moet u voor uzelf uitmaken.
Wanneer u mijn boeken en het woord van de meesters kunt aanvaarden, loopt u niet alleen de biechtstoel voorbij, maar bovendien de kerk uit.
Waarom biecht ge niet direct tot Christus?
Dat kan, doch u moet dit zelf willen en volkomen bedenken.
Die man daar achter die tralies kan ons niet meer helpen en wij weten het, hij kan ons niets vergeven, wij moeten dit toch weer goedmaken, u leert dit door de boeken!”
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
En in het hiernamaals helpt dat kruis ook niet:
De katholiek, de geestelijke heeft zijn kruis, houdt hij angstvallig vast.
Ik zeg: ‘Doe dat maar weg, want het heeft geen betekenis meer.
U ként dit niet.
Daarom voer ik u ...’
Kom naar Den Haag de volgende keer, of daarna, dan komen wij op Golgotha en dan leert u Christus kennen.
Die katholiek kent Christus niet; hij heeft dat kruis met de Messias eraan, de Messias heeft alles voor hem goedgemaakt, als hij zijn hoofd maar buigt is het klaar.
Jazeker.
‘Kind, doe dat kruis weg.
Wij gaan u een andere Christus laten zien.’
En dan begint een universele kosmische, goddelijke leerschool.
Wet na wet wordt u verklaard.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De kerk ziet nog altijd een God als mens die kan vergeven, en die is er niet:
Wat heeft de maatschappij, wat heeft de mensheid, wat heeft de Bijbel, wat heeft de kerk nu van de goddelijke levenswet?
Niets, niets, niets, niets.
Ja, wanneer de kerk spreekt – moet u maar luisteren – dan spreekt de dominee, de geestelijke naast en langs de eigenlijke stellingen, de fundamenten die door de Almoeder werden gelegd, want men ziet altijd de God als mens.
Een God die liefde heeft, jazeker, voor de mens.
U bidt maar, u buigt zich maar en u hebt met goedmaken, met nieuwe fundamenten leggen, met nieuwe levens te aanvaarden, de wedergeboorte niets te maken; u biecht maar en u bent van alles af.
En dát zoudt ge wel willen.
Lezingen Deel 2, 1951
Net zoals men Christus heeft toebedacht dat Hij ook nog voor de zonden van zijn moordenaars gestorven zou zijn:
En wanneer u dit gaat voelen, dan voelt u wel, dan moet u begrijpen en dan zal het u duidelijk zijn, dat de mens Christus heel eenvoudig heeft vermoord.
Men maakt van deze moordpartij nog een genade.
Dat is zo afschrikwekkend, dat is precies hetzelfde als wanneer de mens iemand vermoordt en zegt: ‘Kijk, nu moet dat dode lijk, deze verminking, deze mismaking, moet mij ook nog de kroon op mijn hoofd zetten.’
Ik ben niet alleen leeggedronken, mijn bloed is weggenomen, mijn geestkracht, mijn levenskracht, mijn bezieling, nu moet ik ook nog nieuw leven geven aan mijn moordenaars.
Dat heeft men van Christus gemaakt.
Nu moet Christus, omdat men Hem heeft vernietigd, omdat men Hem daar aan het kruis heeft geslagen als de goddelijk Bewuste, moet Hij nog terugkeren naar de aarde en zeggen: ‘Ik vergeef u alles.’
Jazeker, maar daar bent u niet klaar mee.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Christus kan geen zonden vergeven:
Christus kán u dus, katholieke kerk, geen zonden vergeven, gij en uw kinderen zullen in harmonie leven, liefde voelen en geven voor al het leven.
Het kind van God zál élke fout goedmaken en daarvoor is de reïncarnatie geboren, de waarachtige wedergeboorte.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944
Het woord ‘vergeven’ moet uit het ruimtelijke woordenboek:
Het woord ‘vergeven’ is er niet voor God noch voor Christus.
Het gaat altijd maar weer: vergeven, vergeven, vergeven.
De katholieke kerk smeekt en vraagt om vergeving.
God hééft niets te vergeven.
Ook de Christus niet.
Dat woord moet uit het woordenboek voor de ruimte.
Dat woord ‘vergeven’ is in disharmonie met de werkelijkheid want God is liefde.
Ziet u?
En die hebt u te verdienen.
Lezingen Deel 2, 1951
Slechts weinig mensen beleven een werkelijke biecht met oprechte wroeging:
We kennen toch de biecht?
Wil je mij wijsmaken dat die man daar biecht, die vrouw daar biecht voor honderd procent, en dat er geen karaktereigenschappen zijn die nog, die onherroepelijk niet deel willen uitmaken van dat gebed, die wroeging?
Dat hoofd buigen, is dat buigen?
De katholieke kerk, de biecht zou ontzagwekkend zijn indien de mens voor honderd procent voor God en de ruimten kon biechten; maar hij vertikt het, hij doet het niet.
Hij legt nog zoveel in zich, en houdt zoveel vast dat hij zijn slordigheid, zijn afbraak niet zal zien.
Ja, er zijn er.
Meester Alcar heeft mij eens meegenomen naar een biechtstoel op een dag, hij zegt: “Ga eens mee, dan kun je een werkelijk mens horen biechten.”
En toen lagen wij naast de mens in de biechtstoel en hoorden die moeder zeggen: “Ik heb mijn kind vermoord.
Ik heb werkelijke wroeging.
Is dat te vergeven?
Ik heb mijn kind vermoord door de drang en de dwang en de wil van mijn man.
Ik heb geen leven meer, mijn kind ben ik kwijt.
Ik ben een moordenares geworden door de vervloekte wil van mijn man.
En nog moet ik blijven?
Ik kan dat leven niet meer zien.”
En die moeder, Jeus, had werkelijke wroeging, wroeging!
Ze wilde alles inzetten en nu knaagt het hart en nu is de mens voor honderd procent geopend voor zijn smarten, zijn wroeging: “Ik heb verkeerd gedaan.”
Lezingen Deel 3, 1952
En ook kunstenaars zoals Bach zagen slechts het lijden:
Daarom heeft Bach zich leeggeschreid toen hij aan Gene Zijde terugkwam.
Hij zei: ‘Ik heb Hem vermoord.
Ik heb een zielig product van Hem gemaakt.
Ik had er heel iets anders van moeten maken.
Ik heb Zijn smarten bezongen, maar Zijn Goddelijk bewustzijn zag en voelde ik niet.’
Bach die kreunt nog door zijn gezang dat ge jaarlijks en nu weer opzendt.
Lezingen Deel 1, 1950
Christus sprak over goed en kwaad op de wijze die men toen kon begrijpen:
Christus sprak over goed en kwaad, maar bracht de Goddelijke wijsheid tot de aardse Mensheid volgens de levensgraad waarin zij leeft.
Had Hij als een Goddelijk bewuste gesproken, géén kind van de Aarde zou Hem hebben begrepen.
Archief, 1945
Zijn uitspraken zijn als levenswijsheid bedoeld:
Wat heeft Christus ze gezegd in die tijd?
En wat doen ze nu?
Eet en drink van Mijn vlees en bloed.
Dat kunnen wij ook, doch als levenswijsheid is dat bedoeld!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 1, 1944
Daarom kan hij geen ‘onzevader’ aan de mens gegeven hebben:
Vraag twee: ‘Hoe staat u tegenover het Onzevader zoals de Bijbel dit leert bidden?’
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
‘Leid ons niet in verzoeking.’
Toen dat kwam ...
Altijd maar het Onzevader, en dat gaat maar door, want het hoort er immers bij, dat is het Onzevader.
Men zegt dat Christus dat aan de mens heeft gegeven.
Nu zeiden de hoogste meesters aan Gene Zijde: ‘Heeft Christus dat werkelijk gezegd?’
Ze weten niet waar het Onzevader vandaan is gekomen.
Wanneer hebben de Bijbelschrijvers het werkelijk over de lippen van Christus horen verstoffelijken?
‘Leid ons niet in verzoeking, bescherm ons voor het kwade.’
Mevrouw, als u niet kwaad doet en het kwade niet wilt, hoeft God u niet te beschermen.
En God zal u heus niet ...
Wat is dat voor een vader die de mensen, een vader en moeder van de aarde doet dat niet, maar een God die zijn kinderen in verzoeking leidt?
Hij stelt ons voor de feiten en zegt: ‘Blijf er maar af.’
Neen, hij brengt u pertinent naar dat gevaar.
En dan moeten wij maar vragen: ‘Doe het alstublieft maar niet.’
Wat zou die God daar nu in vredesnaam aan hebben?
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Het Onzevader is verkracht.
Het Onzevader heeft de goddelijke betekenis voor de mens, voor Golgotha en Gethsemane, de sferen van licht verloren, omdat er opnieuw in staat: ‘En breng ons niet tot verzoeking.’
Wat is dat voor een verdwaasde godheid die deze, een andere godheid moet smeken: ‘Breng mij niet in verzoeking’?
En doet een vader dat nu voor het kind?
Brengt een moeder haar eigen kind op de slechte weg indien u het gevoel hebt om de Christus, om de ruimte, om een God te kunnen beleven en te aanvaarden?
Maar toch is er een God voor de katholieke kerk en de Bijbel, de dominee, het protestantisme, die de mens verzoekt en die altijd op de loer ligt om dat kind een oog uit te rukken, het licht te ontnemen, neer te slaan als een oud vod.
Dat kreng is altijd bezig om de mens, zijn leven, zichzelf te mismaken en het naar de duisternis te voeren.
Die God leeft nóg in de twintigste eeuw.
De universiteiten waarheen het kind gaat om die wetten te leren, brengt de mens na zeven jaar tot de mensheid, laat dat kind los en dan staat het goddelijke ik bovenop de eeuwigdurende verdoemdheid.
Lezingen Deel 2, 1951
De goddelijke wijsheid van Christus is in de Bijbel teruggebracht tot het aardse denken:
En Christus bracht goddelijke wijsheid, maar die is teruggebracht, teruggevoerd tot de maatschappij, tot het menselijk denken en voelen, zoals de Bijbelschrijvers dit hebben ontleed.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Elk woord van Christus in de Bijbel is dogmatisch verstoffelijkt:
De Bijbel?
Ja, als Christus werkelijk spreekt dan hebt u die universele liefde.
Elk woord van Christus – nu komt het – is dogmatisch verstoffelijkt.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951

Zonde

Kosmisch ontleed bestaan er geen zonden:
En we hebben ook geen zonden gedaan, want wanneer we nu dit kosmisch gaan ontleden en zien, dan is er geen zonde, dan kunt u doen wat u wenst.
Er is geen zonde, er zijn geen fouten, er is alleen onbewustzijn.
Want u krijgt de gelegenheid ...
Dat wordt u niet vergeven, God hoeft niets te vergeven, want God gaf ons alles.
U krijgt weer een nieuw lichaam, u kunt moeder worden en u geeft aan die ziel die u het leven ontnam, geeft u een nieuw lichaam, in u.
Voelt u?
U krijgt die harmonie weer in uw handen.
U gaat weer verder.
Er is geen verdoemdheid.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
God kan zijn eigen leven niet verdoemen of straffen:
De zonde is onbewuste werking!
Want de ‘AL God’ straft niet, kan niet straffen, want Hij manifesteerde zich door uw leven.
Hij kan één deel van Zijn lichaam niet vernietigen, of Hij vernietigt Zichzelf!
Archief, 1945
Verwerp het woord verdoemdheid!
Verban het uit uw geschriften!
Het heeft geen mogelijkheid om te bestaan, het betekent onrechtvaardigheid, onbewustzijn, het woord is niet in staat te kunnen leven.
Archief, 1945
We kunnen slechts een tijdelijke disharmonie scheppen:
De zonde is er niet!
Wat men zonde noemt op Aarde is de geschapen disharmonische wet, als levensgraad.
Archief, 1945
Zonde doen ís het verduisteren van uw levenslicht.
Aanvaard dat gij úzelf straft, voor tijdelijk uw levensgraad hebt verduisterd en gij ziet uw disharmonische wet.
Gij zijt nu bezig te ontwaken!
Archief, 1945
Uiteindelijk is alles evolutie en ontwaking:
„Is er geen ander woord, zijn er geen andere wetten door God geschapen, die ons ver verwijderd hadden kunnen houden van het verkeerde, dat door ons leven geschapen werd?”
„Néén, mijn meester, dit ís Gods Schepping.
Wij moeten deze wetten aanvaarden.”
„Het spreekt dus vanzelf, meester Zelanus, dat wij door de verstoffelijking van onze Goddelijkheid zonden en fouten zouden doen?”
„Wij hebben geen fouten, noch zonden geschapen, meester.”
„Alles is dus evolutie?”
„Dat is het.”
„Ontwaking.”
Archief, 1945
Het zogenaamde kwaad geeft ons de ervaring hoe het niet moet:
Waar blijven nu – kwaad, verdoemdheid?
Wat willen deze, voor het zieleleven van de Aarde zó meedogenloze begrippen vaststellen?
De vernietiging van uw godheid.
En is dat mogelijk?
Al het kwaad van deze planeet en dat van de Aarde is evolutie.
Het is het beleven van de zeven levensgraden voordat de liefde beleefd kan worden.
Het wil zeggen ervaring!
Leerschool!
Archief, 1945
God kent geen zonden!
God heeft geen zonden geschapen!
God weet niet wat dat is!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944
God schiep wetten en levensgraden en Hij wist, dat wij door die werelden zouden ontwaken en is dat zonde doen?
Ook al vermoord je een mens, dan nóg doe je geen zonde!
God zégt echter tegen je, geef dat kind van Mij een nieuw leven!
God kan je dat niet kwijtschelden en nu kun je alles weer goedmaken.
Maar er is niet één zonde!
De wetten zijn miljoenvoudig erger!
Jazeker, dat voert je tot het „oorzaak en gevolg” en tot de „karmische wetten”!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944
De Bijbel kent vele zonden:
De Bijbel zegt hiervan in Joh. 9: En voorbijgaande zag hij een mens, blind van de geboorte af; en zijne discipelen vragen hem, zeggende: ‘Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind’,’ zie je, daar heb je al erfelijkheidskwestie, ‘‘dat hij blind zoude geboren worden?’
Jezus antwoordde: ‘Noch deze heeft gezondigd noch zijne ouders, maar dit is geschied opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.’’
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Jozef Rulof antwoordt daarop:
Kijk eens, want Christus hebben ze zoveel in de mond gelegd, want dan kunt u wel aan het wegnemen blijven.
Hier zegt Christus weer, dat is Chrístus: ‘Opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.’
Door een pak slaag?
Door vernietiging?
Door blind-zijn?
Is dat Christus’ woord?
Moet Christus met dát naar de aarde komen: ‘Je wordt kapot geslagen, je zult blind zijn, je zult door kanker en tbc en lepra en cholera vergaan, of je leert God niet kennen, of God kan zich niet in je openbaren’?
Dat heeft Christus niet gezegd.
Maar zo zijn er duizenden en duizenden gezegden in de Bijbel, die hebben ze menselijk in elkaar gezet.
Hoe kan een Goddelijk Bewuste zoiets zeggen?
Hoort u dat van meesters die in het licht zijn?
Is dit een liefdetaal, dit?
Moet een mens waarachtig eerst honderdduizendmaal stoffelijk vernietigd worden, en kunnen dán eerst de goddelijke openbaringen in een mens ontwaken?
Hoe kan dat?
Wie heeft dit geschreven?
Wie heeft dit gezegd?
Christus weer?
Zo heeft men Christus dingen op de lippen gelegd, dat wijst pertinent naar haat, hartstocht en onbewustzijn.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
De kerkelijke hervormingen hebben de begrippen ‘zonde’ en ‘verdoemdheid’ niet weggenomen:
Voelt u de chaos van Luther, de katholieke kerk, het protestantisme?
Wat heeft men van Christus gemaakt?
Er is niets meer van Christus over, niets meer.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
(Mevrouw in de zaal): ‘In ... van Luther, doet hij dan niets ter zake?
Hij heeft getracht, zijn bedoeling was om de grote verwording van die katholieke kerk, daar de mensen van te redden en ze daar eenvoudiger en een beter geloof, een ander geloof ...’
Hij heeft van goud ...
(Mevrouw in de zaal): ‘ ...een vrijer geloof ...’
...hij heeft van goud koper willen maken.
Is precies hetzelfde.
Hij heeft het willen vereenvoudigen, maar hier valt er ...
Als u een werkelijkheid hebt en in handen bezit, dan kunt u daaraan boetseren.
Hij heeft het willen vereenvoudigen: dat moest dit en dat moest dat ...
Maar alles van de katholieke kerk draait en leeft om de werkelijkheid heen, en ook dat van Luther.
Voor Luther zijt ge nog altijd verdoemd.
Wat wil dit kind, wat wil die grote Luther hier op aarde doen als hij toch met beide benen op de verdoemdheid blijft staan?
Wat wilt u dan boetseren?
Wat wilt u doen?
Waarvoor wilt u vechten, als u dan toch de diepe chaos beleeft en er geen voortgang, geen evolutie van kunt maken?
Ik zeg u toch, waarom heeft dit leven die strijd – maar zo moest het geloof komen – aanvaard?
En waarom zette hij dit leven dan op tegen de katholieke kerk?
Waarom?
Ffft; en alles is weg.
Leg de katholieke kerk op uw hand, en het geloof van Luther, en het protestantisme ...
Buiten het bewustzijn van Christus om, voelt u wel?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De meesters willen de mens bevrijden van deze wanbegrippen, niet van de kerken:
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, ik wil iets vragen, mijnheer Rulof.
U bent zeker tegen kerken, hè?’
Nee.
(Mevrouw in de zaal): ‘O.’
Zijn we niet.
Hebt u de boeken gelezen?
(Mevrouw in de zaal): ‘Nou, ik ben ermee bezig.’
Leest u maar, dan zult u voelen dat we het niet zijn.
(Mevrouw in de zaal): ‘ ...in uw rede te horen.’
Wij halen alleen die fouten uit die kerk.
(Mevrouw in de zaal): ‘O.’
De mens, ik zeg toch, de mens heeft een dogma, een geloof nodig.
Wie is daarmee begonnen?
Het Huis Israël.
Abraham, Isaak en Jakob.
Maar in het prehistorische tijdperk leefden er ook mensen en hebben (geen) Isaak en Jakob, geen Christus, noch God, geen Bijbel gekend en leven nu in het Al.
Voelt u wel?
Wij hebben het niet over het geloof.
Maar die verdoemdheid moet eruit, want God kán Zijn leven niet verdoemen.
Vindt u dat verkeerd?
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, dat vind ik niet verkeerd.’
De mens heeft een houvast nodig.
Christus, de meesters hebben de mensen een geloof geschonken.
En toen wisten zij ...
Toen kwam Mozes.
Mozes kreeg waarachtig het eeuwige leven, de liefde.
Dat was veel in zijn tijd.
Maar hij was ook een rebel, want de mens wás niet anders.
Maar wanneer u durft, daarom zeg ik, wanneer u durft te denken en uzelf wilt verrijken ten opzichte van uw geest, uw innerlijk leven, uw hiernamaals – u móét verder, dit is het alles niet – dan krijgt ge het ‘ja’ en het ‘nee’, de onwaarheid en de waarheid te zien, en dan ontwaakt u.
De mens die blijft vasthouden aan die verdoemdheid en aan het laatste oordeel en zoveel duizenden gedachten en gevoelens, krijgt nimmer geestelijk voelen en denken.
Daar vechten wij voor.
Is dat verkeerd?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Het gaat om het prehistorische bewustzijn van de verdoemenis:
Hoe kunt gij rechtvaardig zijn als u het ene kind God schenkt en het andere verdoemt?
Voor de kerk is er nog een God die de mens eeuwigdurend laat branden.
Voelt u hoe prehistorisch dit gevoelsleven, deze persoonlijkheid, dit bewustzijn, deze liefde is ten opzichte van de goddelijke rechtvaardigheid?
Lezingen Deel 2, 1951
Het leven wil niet in verdoemenis geloven:
De kerk bidt, leest heilige missen voor de zieke, voor de stervende en wíl dat leven, die moeder of vader de evolutie ontnemen.
Máár, geachte kerk, ging die ziel tóch niet van de Aarde heen?
Indien gij ook dat nóg overwinnen kón, já, dan eerst bezat ge macht, doch die levenswetten en rechtvaardigheidsgraden, behoren de ziel als mens toe en krijgt gij nooit te beleven, nimmer in handen, eerst dán waart ge in staat om het leven van God te versjacheren, dat thans niet mogelijk is.
God bewaar ons, wij hebben niets tegen uw kerk, niets tegen uw persoonlijkheid, máár deze fouten moeten oplossen, gij kunt niet door de missen, uw bidden dus, het leven remmen, beveiligen, dat heeft de ziel als mens en als vader en moeder in handen gekregen en kan géén macht, welke ook, verdoezelen, noch verbreken, dit zijn de Goddelijke levenswetten voor de ziel als een godheid!
Voelt gij reeds, katholieke kerk, wat gij eigenlijk bezit?
Indien dat niet zo is, dan roept de „Universiteit van Christus” u toe, dat gij alléén wat franjes bezit, mooie gewaden hebt geschapen, maar méér, iets anders niet.
Goud, rijkdom, bewieroking, menselijke beheiliging, dat hebt ge voor u zelf geschapen, van geestelijke waarachtigheid hebt ge geen begrip, zodat, gij als kerk hebt dat te aanvaarden, vroeg of laat tóch het kind van God begint te denken en dan rustigjes uw geheiligd leven vaarwel zegt!
Beleeft ge dat niet?
Zó is dat úw eigen halt!
De waarheid, want het leven van God wíl niet in verdoemdheid geloven en kán dat niet, omdat het diep in zichzelf voelt, dat het een Goddelijke afstemming bezit.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944

Adam en Eva

Elke menselijke ziel begon haar eerste leven als cel op de eerste planeet in de ruimte:
Wij hebben gezien, dat twee cellen van één levensgraad nieuw leven hebben geschapen.
Toen zij tot die éénheid kwamen waren zij Goddelijk rein, universeel één in alles, géén disharmonie kon dit éénzijn bezoedelen.
Daarin waren deze cellen Goddelijk harmonisch en beleefden toen deze Goddelijke aanraking.
Dat werd natuurlijk de splitsing, als zielen van één graad, één leven, één bewustzijn en zijn nu voor God en Zijn ruimten tweelingzielen!
Wat ik nu moet volgen is en het „AL” van mijn bewustzijn verlangt, de „Universiteit van Christus” als fundamenten vastlegt ...
Dát God alléén geluk, leven en liefde heeft geschapen en géén ellende, dát, indien deze cellen de harmonie weten te beschermen, zij nimmer narigheden kunnen beleven, nooit ellende, nimmer afbraak nóch disharmonische gevoelens ten opzichte van het eigen leven, de eigen levensgraad als man en vrouw, vader en moeder.
Déze twee cellen nu kúnnen alles dragen, want zij vertegenwoordigen, bezitten ál de Goddelijke harmonische wetten.
Máár, mijn broeders, thans keren wij tot het leven op Aarde terug en stellen vast, hoe ontzagwekkend, hoe rot menselijk, deze levens zichzelf hebben verduisterd.
Er is voor het huwelijk op Aarde géén harmonie meer te zien, zó bewust afbrekend hebben de levensgraden van God de eigen verkregen zelfstandigheid voor het vader- en moederschap bezoedeld!
Waarom is er dus géén geluk, géén reine, universele liefde op Aarde te beleven?
Omdat de mens de Goddelijke reinheid, dit „Universele” éénzijn, zélf bezoedeld heeft!
Zélf heeft mismaakt!
Zélf heeft verkracht!
De mens heeft zich zélf uit dát paradijs geluk verbannen en ís héél iets anders, dan de kerk, de „Bijbel” ervan maakt.
Wij stellen dus voor de „Universiteit van Christus” vast:
„Dat ook dát verhaal uit de Bijbel ónzin is.
Wij stellen vast en leggen de fundamenten voor: God, als een Vader van Liefde.
Voor de mens als „Tweelingzielen”.
En zíj, man en vrouw, zijn in staat, door Goddelijke éénheid tezamen gekomen, de scheppingen van de „Almoeder” te beleven ín geluk, door liefde, niets is in staat deze heilige éénheid te verbreken.
Maar wij weten hoe de mens zich op Aarde voelt, hoe man én vrouw hun liefde beleven, wij weten, dat zij moord en brandstichting hebben geschapen en zichzelf úít dat Goddelijke verband hebben gerukt, hebben geslagen en getrapt.
En tot de kerk moeten wij zeggen:
Wat de „Bijbel” zegt over het menselijke paradijs, is in strijd met de Goddelijke werkelijkheid.
De mens heeft niet van verboden vruchten gegeten, maar hij heeft zichzelf uit deze Goddelijke harmonie getrapt, verwijderd, doordat hij zich heeft willen uitleven en hierdoor de andere levensgraad én zijn eigen afstemming bezoedelde, waardoor zijn harmonisch leven voor de liefde, het huwelijk op Aarde volkomen oploste, zich daar dus disharmonisch heeft gesplitst!
Dat gepraat nu over het „eten” van verboden vruchten, is de armoedigste ónzin door de Bijbelschrijvers vastgelegd.
En tóch, miljoenen mannen en vrouwen aanvaarden deze ónzin!
De kerk wil deze „ónzin” nog niet prijsgeven, want hierdoor behoudt zij haar overmacht en (anders) lopen al die kinderen de kerk uit.
Zij heeft nu haar machteloosheid te aanvaarden en zij lost op, doch dat moet thans voorkomen worden.
Maar de „Universiteit van Christus” verklaart thans ál deze ónmenselijke verhalen van de Bijbel en legt nieuwe fundamenten voor het kind van Moeder Aarde.
Wanneer begint het kind van Moeder Aarde te denken?
De kerk verbiedt haar kind om zélf te denken, doch daardoor smoort zij de menselijke evolutie voor ál de Goddelijke rechtvaardigheidswetten.
Vanzelfsprekend, zoals wij reeds volgden, moet dat afschrikwekkende verhaal over „Adam en Eva” van de Aarde verdwijnen!
Deze „Adam en Eva” die wij thans leren kennen, hebben een andere evolutie beleefd dan de Bijbel ervan zegt en te vertellen heeft.
Wij hebben als Goddelijke vonken niets met die onzin uit te staan.
Wij hebben niet in ’n paradijs geleefd, waar een boom haar appeltjes tentoonspreidde – wij beleefden onze oerwoudstadia, kwamen úít de wateren vandaan en begonnen toen eerst aan ons landelijk leven; die prachtige verhalen zijn dus in strijd met de Goddelijke werkelijkheid en hebben geen grond van bestaan meer, zíjn ónmenselijke nónsens!
En toch is deze verklaring de macht van de katholieke kerk om ál die miljoenen mannen en vrouwen door die vervloekte angst tot het geloof te behouden.
Dat het „geloof” van de Aarde verdwijnt, kunt gij thans aanvaarden, want het „AL” wíl, dat het kind van Moeder Aarde zichzelf leert kennen en nu „weet”!
Het „Geloof” wordt „Weten”!
De mens van Moeder Aarde zál nu „weten”!
En het vader- en moederschap zál thans, voor de „Eeuw van Christus” gezuiverd worden!
Het vader- en moederschap krijgt hierdoor weer universele én Goddelijke betekenis.
Hierdoor keert de vrede en de rust, de liefde voor man en vrouw terug en zullen zij elkaar leren begrijpen.
En bovendien krijgt zij nu haar reine levensgraad – als de Goddelijke rechtvaardigheidswet – universeel, dus voor de Aarde en haar ruimte, zuiver stoffelijk en geestelijk in handen.
Dát heeft de „Almoeder” bedoeld en niets anders.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944

De heilige maagd Maria

Op een contactavond in 1950 werd Jozef Rulof bevraagd over de heiligverklaring van Maria.
In dat jaar voegde Paus Pius XII het dogma toe van de Maria-Tenhemelopneming:
U vraagt nog verder: „Wilt u ons uw zienswijze mededelen betreffende het dogma over de heiligverklaring van Maria door de paus?”
Jozef zegt: „Dit is echt katholiek.
U hebt het gehoord, vele gelovigen namen dit niet en het is nu ook mosterd na de maaltijd, maar de kerk heeft zo’n stuntje nodig.
Wat de meesters ervan zeggen?
Dat de katholieke kerk Maria niet voor heilig moet verklaren, omdat de paus Maria niet kent.
Moeder Maria heeft Christus op natuurlijke wijze gebaard en Jozef en Maria hadden méér kinderen.
Als de kerk die onbevlekte ontvangenis verandert, is Maria niet heilig meer?
Want hier gaat het om.
Dit heeft niets te betekenen, mijnheer Reitsma, niets!
Maria is in contact met de Vierde Kosmische Levensgraad en moet haar eigen leven voortzetten.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Vraag uit de zaal: „Maria baarde dus Christus volgens de wetten van elke moeder?”
Jozef zegt: „Ja, dame!
Maria en Jozef waren als man en vrouw in staat om kinderen te baren en Christus is door de scheppende en barende organismen op Aarde teruggekeerd en dat is reeds goddelijk.
Wat wil de kerk er nu nog bijmaken?
Dat verhaaltje dus van de kerk gelooft geen mens meer, die even doordenkt.
En dát is nu het heilig-zijn van de kerk.
Onbevlekt ontvangen ... is voor de kerk iets heiligs en zou goddelijk zijn?
Kun je daar nog overheen?
Ziet u, zo heeft de kerk zoveel heilig verklaard en het is niets anders dan eigen maaksel, het onbewuste van de kerk en de knuppel achter de deur van de biechtstoel!
Als dat er niet meer was, liepen er nog meer mensen uit de kerk, want dan wordt het te gewoon, té echt menselijk.
En dát is het, maar de kerk wil hier nog niet aan!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
De Heilige Geest Gods had dienst:
Meneer, er zijn al oorlogen door ontstaan, om de onbevlekte ontvangenis van Maria.
Die katholieke kerk maakt het nog erger, die zegt: ‘De Heilige Geest Gods daalde in haar neer.’
Dat ging vanzelf.
Dat bestáát niet, dat bestaat niet in de ruimte.
Jozef en Maria waren lichamelijk één, en dat is het allerhoogste en het heiligste dat God heeft geschapen.
Dat vindt de katholieke kerk onkuis en vies.
En Christus Die zei: ‘Zo gij gedaan hebt, was het goed.
En Ik heb mij te buigen’, en Hij werd kind.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Het wordt tijd dat deze katholieke verduistering wordt opgeblazen:
De Christus staat niet alleen voor de poorten van Rome en zegt: ‘Is Maria nog onbevlekt ontvangen?
Heeft ze mij niet gebaard, niet echt?’
Toen zagen zij een schooier.
De man werd weggevoerd, werd aangezien voor een geestelijke gek, en Christus vroeg aan de deuren van Rome, regelrecht in het aangezicht van het heilige, machtige, katholieke Vaticaan: ‘Heeft Maria Mij echt gebaard?’
Een gek ...?
Maar Híj was het.
‘Dan wordt het tijd’, zeiden de apostelen, zeiden de meesters, ‘dat dat machtige katholieke fundament spoedig door de geestelijke atoombom wordt opgeblazen opdat de mensen zich niet langer kunnen verduisteren.’
Want dit is verduisteren, want dit gaat naast de schepping.
Dit gaat niet door het moederlichaam heen, waarvoor de Albron zich baarde en schiep.
Dit gaat om de eigenlijke natuurlijke, rechtvaardige, harmonische schepping heen, want ‘Maria heeft onbevlekt de Christus de geboorte gegeven.’
En díé wetten, díé rechtvaardigheden hebben wij (niet) in de macrokosmos, nóch op of in de wateren, op de bergen en waar gij ook zijt, kunnen vaststellen.
Dat is dezelfde kracht die de handen wast in onschuld.
Dat is de Caiphas in de mens, die de waarheid foltert en aan het kruis slaat.
Dat is de leugen van uw professor en uw theoloog, die nog altijd een verdoemdheid liefhebben.
Maar, mijn zusters en broeders, dat is voor u allen, voor deze maatschappij en deze mensheid het universele halt.
Dit is het halt voor de eerste sfeer, want gij zult de reine baring te beleven hebben en hebben te aanvaarden zoals de Albron als moeder u het lichaam, de ziel en de geest en het leven, het denken en voelen gaf, want alleen daardoor beleeft ge de volgende geboorte; en is dat voor u een nieuw lichaam, nieuw moeder-zijn, nieuw vader-zijn.
Lezingen Deel 2, 1951
Maar dan is het zover en Christus wordt op Aarde geboren.
Door de ónbevlekte ontvangenis?
Ook dat is kletspraat!
Maria en Jozef hebben aan „Christus” een organisme gegeven.
Maria en Jozef waren volkomen één – zoals de mens het éénzijn voor het vader- en moederschap beleven moet.
Maria en Jozef kwamen tot éénheid en de ziel „Christus” werd vanuit het „Goddelijke AL” aangetrokken.
Van ónbevlekte ontvangenis is er géén sprake en wij kennen die wetten.
Mijn broeders, het vader- en moederschap is het állerheiligste voor de mens én voor Christus!
Christus wordt geboren zoals de mens geboren wordt, een andere schepping is er niet.
Voor de Universiteit van Christus leggen wij vast:
Wat de katholieke kerk en andere dogmatische instellingen er thans van maken, is in strijd met de werkelijkheid.
Maria zou baren, maar daarvoor is „Jozef” de schepper!
Christus kent deze wetten!
Hij weet, hoe Hij geboren wordt en heeft deze wetten te aanvaarden.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Laat de sterren maar hun natuurlijke baan behouden:
Maar die ster die de meesters uit het Oosten daarnaartoe stuurden, mevrouw, die was er ook niet.
Die ster was niet aan de hemel, en die cirkeleerde daar niet naartoe.
En bleef juist staan boven Bethlehem?
Neen dame, die heren die waren heldervoelend, want de innerlijke ster van de ruimte, de Christus zelf, bracht hen naar de plaats waar Hij lag.
De ster van de ruimte ...
Ik vroeg dadelijk: ‘Was die ster ... heeft die werkelijk daar een plaatsgenomen?’
Toen zegt meester Alcar: ‘Nu kent u de ruimte, het ontstaan van het heelal.’
Toen kon ik het pas vragen, toen kon hij het mij verklaren.
Hij zegt: ‘Hoe kan een ster uit haar baan, uit zijn baan, hoe kan de aarde uit haar baan gaan?
Is niet mogelijk.’
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951

Trouwen met God of Christus

Het „trouwen” met Christus is grote onzin.
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
Het in één leven heilig willen worden is alles op één kaart zetten:
Een mens – nu kunt u dat volkomen vaststellen – een mens die, onbewust of bewust doet er niet toe, het gevoelsleven reageert thans, pertinent, één lijn volgt – dat is ook alles van zichzelf op één kaart zetten – één lijn, één weg volgt en nu een sekte, een godsdienst aanvaardt in plaats van de goddelijke kosmos, moederschap, voelt u, hoe zielig, hoe arm dat wordt ten opzichte van God, Christus, ruimte, kosmos, macrokosmos.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
En nu denkt de mens – en dat wilde ik u vertellen – nu denkt de mens dat hij als het ware met zichzelf kan maken en breken wat hij wil; hij knoeit, hij doet dit, hij doet dit, hij zegt ... ‘Ik ben baas over mijzelf’, zegt een vrouw, ‘en ik wil geen kinderen, ik wil met dat gedoe niet te maken hebben.’
Dat is voor dit leven, dat kunt u allemaal uitspelen.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Maar wanneer men nog terug moet naar de aarde om karma op te lossen, is het belangrijk in harmonie te blijven met het moederschap:
Hoe komt u terug?
Hoe wilt u terug?
Zorg dan dat u kinderen krijgt.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Want het moederschap en het vaderschap zorgen ervoor dat er een lichaam beschikbaar is om in te reïncarneren.
Hoe meer vrouwen geen kinderen krijgen, hoe meer andere moeders meer kinderen moeten baren om de menselijke evolutie in stand te houden:
En nu baart die ene moeder tien, twaalf kinderen, veertien, zestien, alleen om de menselijke graad in stand te houden.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Als iedereen ‘heilig’ gaat doen en celibatair leeft, is de mensheid in honderd jaar volkomen vernietigd:
‘Als we toch waarlijk’, zegt meester Alcar, ‘de kerk voor deze huidige eeuw hadden en moesten aanvaarden en iedereen zag het allerheiligste daarin, dan was de schepping en dit universum in honderd jaar volkomen vernietigd.’
De mens kon niet verder, want er waren geen lichamen meer, want we waren allemaal heilig, maar we zaten nog in dit erbarmelijke onbewuste universum.
Want dit universum is nog onbewust, is nog maar stoffelijk bewustzijn.
Het geestelijk bewuste universum dat bezit geen nacht meer, geen slaap meer.
Lezingen Deel 3, 1952
Een mens kan vergeten hoe hijzelf het leven heeft ontvangen:
Maar hoe heeft de paus, hoe hebben de kardinalen, hoe hebben al die pastoors en kapelaans en bisschoppen hun levens gekregen?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Hoe meer men zich in het celibataire leven ingraaft, hoe verder men zich van het natuurlijke moederschap en het vaderlijke gevoelsleven verwijdert:
Hoe hoger u in een geloof opklimt, in een dogma, en u wordt iets, en u hebt al die miljoenen mensen daar opgetrokken, omdat ze onbewust zijn, u neemt ze mee ...
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Nu heeft de paus, en de katholieke kerk heeft dat allemaal op haar geweten, zijn geweten, hij zit vast aan zijn afbraak, hij staat stil voor Moeder Natuur, er is geen leven meer, niets meer.
Zo heilig zijn deze mensen.
En die moeten terug naar de aarde, omdat ze moeten baren.
En nu zijn ze zo heilig en zo heilig en zo kuis geweest dat ... die ziel die gaat daar ...
In, niet in één leven komt u daarin, u gaat minstens tien, twintig levens ...
Want u voelt wel, u voelt, als u in de eerste klas komt ...
Voelt u waar u naartoe gaat wanneer u goed katholiek wordt, en wanneer u een heilig zustertje wordt?
Hebt u daar weleens over nagedacht?
Ja, wat gebeurt er dan?
In dit leven komt u maar op die en die graad, u bent in dit leven geen moeder.
U wordt van dat hospitaal waarin u leeft geen moeder, u haalt die hoogste graad niet.
U wordt ook geen pastoor, of u wordt geen kardinaal.
Maar u wilt daar naartoe, dat bewustzijn blijft, in het volgende leven wordt u weer wakker, en weer gaat dat kind bidden.
‘O, dat kind wil een altaartje hebben.’
En dan zegt moeder: ‘Kijk, dat kind moet naar de kerk, dat moet een pastoor worden’, want het kind zit al voor een altaartje.
Het verleden is bewust op honderd procent, en dat gaat tien, twintig levens door.
Er gaan honderdduizend en twintigduizend jaar voorbij nu, voor de katholieken, en die bidden, bidden, bidden, maar in het nieuwe leven, en als moeder(schap) als non, en als vaderschap als pastoor, ze gaan door, want ze moeten het hoogste beleven, ze moeten kardinaal, ze moeten paus, vader, Heilige Vader moeten ze worden.
Als ze Heilige Vader zijn, hebben ze het hoogste bereikt.
En dan bent u het juist, hebt u het hoogste, maar hebt u het allerlaagste wat er is, want u bent voor duizend jaar buiten de schepping.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Het Albronnelijke baren en scheppen wordt door deze ‘heiligheid’ gesmoord:
Dat zei ik u zostraks, een kind dat heilig wordt – een moeder, een ziel in het moederlichaam – en kuis wordt, en rein wordt, smoort nu de Albron in haar, en weigert tot evolutie, verder te gaan, tot het baren; tot het scheppen.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Want het moederschap is het één-zijn met baring en schepping:
U kunt nu zeggen: ‘Ik ben baring, ik ben schepping, God leeft in mij’, moeder, als u uw kindje draagt.
Zo heilig, zo machtig is het voor de moeder, te beleven het kind, het één-zijn met die baring en schepping.
Lezingen Deel 3, 1952
Het niet willen deelnemen aan het baren en scheppen, brengt disharmonie voor de eigen evolutie, die door wedergeboorte gestalte krijgt:
Indien u dus geen vader en geen moeder wilt zijn, staat u naast de schepping en brengt ge disharmonie voor uw eigen evolutie.
Lezingen Deel 3, 1952
Dit is niet alleen lichamelijk geldig, maar ook in het voelen en denken:
Want alleen het goddelijke baren en scheppen blijft in uw leven de zelfstandigheid behouden en voelt ge u rustig, en voelt ge u scherp bewust.
Als u vader- en moederschap beleeft dan dijt u vanzelfsprekend rustig, harmonisch, ruimtelijk uit; niets kan u storen.
Maar wanneer er maar iets is in dat vader- en moederschap en u hebt het gestoord door uw heilig doen en uw gebid, uw bidden, dan betreden we later, terug op aarde, in een nieuw leven, de psychopathie voor vader- en moederschap, de krankzinnigheid voor het vader- en moederschap.
En gaat u nu maar eens over de wereld heen en gaat u maar eens naar de mensen kijken, van wie kunt ge nu zeggen: ‘U bent voluit, honderd procent vader en moeder geweest’?
En dat vader- en moederschap wil ook een karakter zijn, wil een gedachte zijn.
Ik heb u dat geleerd en ik heb toen gezegd tot u, mijn zusters en broeders: en nu beleven wij, betreden wij de wijsgerige stelsels voor uw vader- en moederschap als gedachtekracht, als gedachteleven, nu is uw ganse woordenboek te beleven en te zien, aan te voelen en te ontleden en staat ge voor uw goddelijke persoonlijkheid.
Gaat u nu iets begrijpen van uzelf?
Lezingen Deel 3, 1952

Geloof

De mens heeft een geloof ontvangen door Mozes.
Ja, vanuit het eerste denken en voelen, om de mens aan God vast te leggen, dat leest u in ‘De Volkeren der Aarde’.
Hoe krijgen wij, hoe krijgen de meesters, hoe krijgt uw godheid uzelf weer van dat geloof af; want u zult die wét beleven.
Daarvan heeft de kerk niets.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De kerk heeft miljoenen mensen gebrandstapeld:
‘Het waren er maar tien’, zegt de katholieke kerk.
Maar sinds deze tweeduizend jaar zijn er miljoenen mensen gebrandstapeld.
En daarvóór, toen heette het geen katholieke kerk, maar toen waren het de heersers, de heerschappij, de vernietiging, het willen bezitten van de wereld, macht, overheersing, in ons, in ons.
En het allerkleinste, het zwakste gevoel, waardoor wij overheersen, is precies hetzelfde alsof ge de hele aarde bezit.
Want die kleine vonk moet uit ons weg, want die verduistert het licht.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De kerk vloekte God – of is zij de Middeleeuwen vergeten, toen zij de brandstapels deed loeien om duizenden schepselen Gods daarin te verzengen, alleen om de eigen macht erdoor te verzekeren.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Miljoenen mensen werden er afgeslacht voor het geloof.
Men heeft brandstapels opgebouwd omdat de mens zei: ‘Ja, ik hoorde iets.’
‘Wat?!
U hebt niets te horen, u hebt te geloven.’
Dat was de katholieke kerk.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Weet u hoeveel miljoenen mensen er op de brandstapels zijn gegooid door de katholieke kerk, door de roddel van een ander?
Onschuldigen werden aangewezen, en (mensen) zeiden: ‘Zij is een ketter en hij, en ze zijn in contact met demonen.’
En de katholieke kerk geloofde het en smeet dat leven op de brandstapel; door vuil gedacht.
Maar weet u dat dit moord is, dat vals, verkeerd denken geestelijke moord is voor uw persoonlijkheid en dat de reïncarnatie niet kan komen, want gij smoort uw verdergaan, uw uitdijing.
Lezingen Deel 2, 1951
De kerk verkocht hemelen:
Voor geld dacht men bij u op Aarde een hemel te kunnen kopen, kocht men aards geluk, kocht men waarin men trek had, kocht men liefde en ontzag, ja, voor geld kocht men God en Christus!
Hoe is er in dit opzicht op Aarde huisgehouden!
De hemelen zijn verkwanseld alsof het aardse goederen waren, de kerken versjacherden Gods hemelrijken, ze voerden dit tot waanzinnige hoogte op.
Met een rustig geweten kwamen deze transacties tot stand.
Eeuwenlang is dit mogelijk geweest, maar door deze oorlog komt ook hier een einde aan.
Zulk een weerzinwekkend gesjacher zal straks niet meer mogelijk zijn.
De mensheid zal dan weten, wat het zeggen wil zich een hemel eigen te maken!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Hoeveel heb je in je zak? luidt de enige vraag die gesteld wordt en waarvan het antwoord beslissend is voor de kwestie: zalig of verdoemd?
Maskers en Mensen, 1948
Já, mijn broeder, waarom doet de kerk niets voor het kind van Moeder Aarde?
De kerk kan het, doch zij denkt aan zichzelf.
Wat de kerk kán is niet te zien.
Voor ziel en geest doet zij niets, alléén rijkdom, dat interesseert de kerk, de katholieke kerk!
Maar ook andere sekten hebben zich verzilverd.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 3, 1944
De Eeuw van Christus is ook voor de kerk begonnen en zij zal de kerk het Goddelijke halt toeroepen.
In de Eeuw van Christus onzin te lanceren als goddelijke waarheid is niet meer mogelijk!
De kerk moet ophouden de hemelen te verkopen voor geld en goederen, dat is afdalend, dat is onbewust, het schept dierlijk talent!
Hemelen moeten verdiend worden!
Door te bidden en missen te lezen, kan het zieltje geen hemel betreden, dit te denken is onbewust, het is het gesar van het geestelijke ik en het vervloeken van Gods Almacht.
De mis van uw pastoor voert u daarom dan ook geen streep verder!
Een aflaat heeft voor onze wereld en de wetten van God geen betekenis!
Het biechten en vergeven worden kennen wij niet in ons leven, ook dat is aardse onzin!
God kan u vergeven, maar het oorzaak en gevolg blijft!
Gij moet toch alles zélf weer goedmaken!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Het bewustzijn van de kerk is niet hoger dan de persoonlijkheid die spreekt:
Waarom kunt gij goedvinden dat een kind van een volk de andere mens, het andere leven van God kan en mag vernietigen omdat gij een vaderland vertegenwoordigt?
Wie hebt gij, hoe is uw God?
Is dat een stad, is dat een massa, is dat de mensheid, is dit de ruimte, is dit alleen maar de planeet aarde?
Neen, de godheid nu van al die dogmatische instellingen is niet dieper dan de persoonlijkheid die nu spreekt.
Alles valt thans omver ten opzichte van de Almoeder, die waarlijk liefde is, en die liefde die komt naar voren.
Lezingen Deel 2, 1951
Voor de kerk mag de mens doden!
Dat mág en dat kán, want de kerk leeft voor een vaderland.
Maar die kerk, André, bezit ook niet anders dan haat en afbraak en kan de „Albron” niet vertegenwoordigen.
De katholieke kerk is nú nog in staat, wij leven nu in 1950, om kanonnen te zegenen!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 3, 1944
Wat heeft de waarachtige „Christus” gebracht?
Daar gebracht?
Dat gij niet zúlt doden!
Dat de mens, als het leven van God moet liefhebben!
En wat doet nu het kind van Christus?
De kerk zegt: gá en dood!
En is ook dat in harmonie met ons leven, met al deze lieflijke wetten van de Almoeder?
Voel je de ónzin van alles?
De onzin voor dit denken en voelen?
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 3, 1944
Galilei werd het zwijgen opgelegd:
Welke universiteit – vraag ik nu, vragen de ruimten – bezit thans rechtvaardigheid en goddelijke waarheid als liefde?
Want wanneer ge de rechtvaardigheid, de harmonie betreedt als levenswet ... en dat heet: waar Galilei voor de gevangenis inging toen de paus zich vergreep aan het leven van deze ontwaking, de rechtvaardigheid, de harmonie – want Galilei was ervoor geboren – en zei: ‘Vader, vader, de aarde draait om de zon.’ en sloeg deze ‘heiligheid’ met zijn vuist op tafel en zei: ‘Neen.’
Daardoor sluit dit leven zich miljoenen tijdperken af want hij heeft de evolutie voor de mensheid tegengehouden.
En dat is de paus en dat is de katholiek en daar is de protestant en daar is de Bijbel, de mens die nu van het heilige, enige woord een massasuggestie heeft gemaakt, een verklaring heeft gegeven, heeft opgebouwd, heeft verstoffelijkt, die niets meer met dit Alstadium als liefde heeft uit te staan.
Lezingen Deel 2, 1951
Toen Galilei zei: ‘Vader, de aarde draait om de zon’, toen zei de paus: ‘Kletspraat.
Jij blijft er vanaf!’
En toen zat Galilei in het Vaticaanse kerkertje en toen hebben ze hem voor dertig, vijfendertig jaar gesmoord; hij mocht niet meer spreken, anders ging hij de brandstapel op.
En die pausen die moeten diezelfde school volgen.
En toen zegt de een tegen de ander – voordat hij doodgaat en de ander komt –: ‘Zeg, vergis jij je nou niet weer.
Vergrijp jij je nu niet weer als er weer een Galilei komt.’
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
„Is het niet wonderbaarlijk hoe dit alles door de „Universiteit van Christus” geregeld wordt?
Toen Galilei het leven op Aarde moest verlaten, riep hij tot God: moet mijn machtige waarheid kapot, mijn Vader?
Mogen die onbewusten mijn werk smoren?
Kan de katholieke kerk die macht behouden?
Is mijn leven voor niets geweest?”
En toen kwam er uit de ruimte tot Galilei: Néén, mijn zoon, ik stuur mijn kind „Newton” naar de Aarde en dat leven zal je werk voortzetten.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 3, 1944
Als de kerkgeleerden doen wat zo vele wetenschapsmensen al deden, zouden ze het grootste deel van hun kerkelijke leer, die ze de eeuwen door met fanatisme als zijnde „onfeilbaar” hebben uitgedragen, moeten prijsgeven of belangrijk herzien.
De kerken zouden u dan moeten erkennen, dat ze de eeuwen door een volslagen verkeerd beeld van God en Zijn heilige wetten hebben gegeven, en gelooft u dat ze dit met de invloed, die ze thans nog op de massa hebben, zullen toegeven?
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Rome volgde de stoffelijke politiek en brak zichzelf erdoor af.
Nu kan het geen rol van betekenis meer spelen in dit ontzagwekkende gebeuren.
Rome is stervende, de toekomst zal het de mensheid te zien geven.
Rome staat stil in ontwikkeling, reeds eeuwenlang wroet de kerk in het onbewuste.
De geestelijke sensitieven daar geloven niet, dat wij als mensen in het eeuwige leven voortgaan en toch met de aarde in contact kunnen blijven.
Onze astrale wereld wordt voor duivelsgedoe uitgekreten.
De Goddelijke wonderen, waarvan ik u sprak, zullen het haar echter wel anders bewijzen.
De kerk kan de mensheid niet leiden in de doolhof van vragen, waarin deze nu ronddwaalt.
Is het dan zo onnatuurlijk, dat zij zich afkeert van deze geestelijke „gidsen” en zonder zich door deze te laten intimideren elders naar het antwoord zoekt op de levensvraag: „Waarheen voert het leven op Aarde de mensheid?”
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De mens laat nog voor zich denken door anderen:
‘Ik hoor het al’, zegt hij, ‘Moeder Aarde, maatschappij, je hebt het over je eigen ellende.
Ja, waarom kan God dit nu goedvinden?’
Hoort u, de maatschappij is reeds aan het spreken.
‘Dat is het.
Waarom kan God nu goedvinden dat er een idioot, dat Adolf Hitler, een duivel, een satan, zoveel mensen, zoveel kinderen vernietigt, vergast, bezoedelt, mismaakt?
Want dat is het, dat komt er nu tot mij.
Niets anders hoor je nu.
Dit beleven alle mensen.
Dat vraagt zich de mens af.
Ja, maatschappij, er lopen daar andere kinderen.
Uw dominee weet het nu niet meer.
Meneer pastoor staat thans met zijn mond vol tanden.
De mens denkt, maar naar de verkeerde richting.
Dat kuddedierinstinct wil nog niet veranderen.
De mens laat voor zichzelf denken, hij kan nog niet voelen, niet begrijpen dat God met al deze ellende, deze drek, deze duisternis niets te maken wil hebben en ook niets te maken heeft.
Lezingen Deel 3, 1952
Het kerkelijke denken is afgestemd op het schemerland:
De mens van dit schemerland ging op Aarde naar de kerk, lag neergeknield en bad en toch verhoorde God deze gebeden niet.
Maar zij hadden ook alleen hun stenen gebouw lief, zij mompelden slechts woorden!
Bidden en smeken en toch niet verhoord worden moet betekenis hebben.
Hier leeft deze betekenis.
Al deze zielen kenden geen God en ze hadden niet lief, zij volgden alléén het dode woord.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Hun innerlijk leven bleef als deze sfeer mistachtig koud.
Ze moesten voor al de wetten van God en hun eigen karaktereigenschappen nog ontwaken.
De één bad meer dan de ander, toch zagen zij elkander hier terug.
Dit zijn de ware christenen niet.
Deze gaan zelfs over de lijken van hun eigen soort.
De katholiek haat de protestant en omgekeerd en toch zeggen beiden in dezelfde God te geloven.
Daarom leven zij in deze sfeer, in dit schemerland.
De mensheid is als uw protestant en katholiek, die bidden en daarbij tegelijk haten en zelfs ten strijde trekken om de leden van hun eigen kerk af te maken.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
In dit schemerland leven echter miljoenen zielen, die niet eens weten dat ze op Aarde gestorven zijn.
En dat is ook weer heel natuurlijk, want zij bezitten een God van wraak en vernietiging, die zij in hun kerk leerden aanvaarden.
En doordat er geen licht in dit leven is, het onbewuste dit leven overheerst, duizenden karaktereigenschappen nog moeten ontwaken, schreien ze als kleine kinderen om hun verloren geluk.
Ze geloven, dat een ziekte hen uit hun dagelijkse omgeving heeft gehaald en dat men hen in een ziekeninrichting heeft gebracht.
Zelfs na hun dood voelen ze zich nog ziek.
Vanzelfsprekend worden al deze mensen geholpen.
Er zijn steeds zusters en broeders aanwezig, die hen van dit leven willen overtuigen.
Maar velen willen die hulp niet eens aanvaarden.
Omdat zij denken in een ziekenhuis te zijn ondergebracht, schelden zij op eenieder, die hen nadert en hen wil overtuigen, dat ze gestorven zijn.
Vreselijk gaan ze tekeer tegen hen, van wie zij aannemen, dat ze tot een ander geloof behoren.
Hen stellen ze aansprakelijk voor hun toestand.
Deze mensen moet men alleen laten, straks komen ook zij uit eigen beweging om hulp vragen en kunnen wij hen helpen om te ontwaken voor dit leven.
Deze mensen zullen vele eeuwen nodig hebben om tot het astrale bewustzijn te komen.
Men moet hen overtuigen van alles, wat losgelaten moet worden, omdat het tot het stoffelijke bewustzijn behoort en ballast is voor dit leven.
Op Aarde gingen zij door deze eigenschappen te gronde, zelf schiepen zij zich al deze astrale narigheid.
Deze mensen wandelen maar wat rond in de mistige sfeer van het schemerland en denken aan al het aardse, waaraan zij geen einde willen zien.
Hun gehele leven is verward, zij voelen zich stoffelijk en geestelijk apathisch.
Een graad lager en wij treden het psychopathische bewustzijn binnen, ook die zielen leven in deze wereld.
Wanneer de zusters en broeders tot zulke mensen spreken en hen willen overtuigen van de astrale wetten, maken zij zich uit de voeten, want zij willen niets van deze godslasteringen weten.
Wat die broeders en zusters hebben te zeggen is duivelsgedoe, en ja, dat is ... dat is ...!
Niets willen ze daarmee te maken hebben.
Zo zijn deze zielen verstard in hun dogma’s.
Hoe ontzettend moeilijk het is om deze zielen uit dit onbewuste op te trekken en hen te overtuigen van de toestand waarin ze leven, kunt u beoordelen, wanneer u hen zelf eens zou kunnen volgen.
Van al de feiten, waarvoor zij in dit nieuwe leven staan, aanvaarden zij er niet één, doordat men hen op Aarde dol heeft gepraat over een hiernamaals, dat alleen in de fantasie van hun geestelijken bestond.
Indien u eens wist, hoe vreselijk hun ontgoocheling is te moeten aanvaarden, dat letterlijk alles anders is, dan kunt u vaststellen, hoe de kerk het zieleleven van God verminkt.
Zij durven aan niets anders denken dan aan hun eigen Christus en vinden het verschrikkelijk, dat in het ziekenhuis, waarin zij denken te zijn, geen kruisbeeld opgehangen is.
Maar dat kennen wij niet in ons leven, wij leven in de werkelijkheid en hebben Christus anders leren kennen.
Steeds weer vragen ze waarom het hier zo onchristelijk is, maar ze weigeren intussen de astrale wetten te aanvaarden.
Het duurt lang, voordat deze zielen tot het geestelijk ontwaken komen.
En daar hebben de kerken en de geestelijken schuld aan, zij hebben Gods wetten vervormd en aangepast aan hun eigen lege bewustzijn.
En daardoor maakten ze het innerlijke leven van deze gelovigen kapot.
Zo vreselijk is hun lijden, dat ze dóód willen zijn, en ze weten niet, dat zij door de dood dit leven binnentraden ...
Ook hier vragen zij nog om eten en drinken en ze vinden het leven maar saai, omdat er voor hen niets te koop is.
Deze persoonlijkheid heeft dorst en wil lekker eten, hoewel ze voor de astrale wereld geen eten of drinken nodig hebben.
Deze gevoelens en verlangens behoren tot de stoffelijke wereld, waarvan zij nog geen afscheid hebben genomen.
Al die zielen moeten zich dus volkomen losmaken van hun aardse gedachtenleven en voor dit leven ontwaken.
Ze willen naar huis terug.
Zij vragen waar de dokter is en denken bewust aan de ziekte, waardoor zij dit leven binnentraden.
Ze zien met verlangen uit naar de familieleden, die op ziekenbezoek zullen komen.
Ze geloven thans herstellende te zijn en spoedig als genezen ontslagen te zullen worden.
Als men hen ervan tracht te overtuigen dat zij op Aarde zijn gestorven, halen ze hun schouders op en kunnen het niet aanvaarden.
Wij overtuigen hen dan van dit leven door hen te verbinden met hun familieleden, die reeds eerder de Aarde hebben verlaten.
Het herkennen volgt en nu staan zij voor de feiten!
Ze schreien zich leeg en ze voelen nu pas terdege, dat zij alles van de Aarde hebben verloren.
Toch blijven zij hunkeren naar al het mooie van de Aarde, dat in dit leven geen betekenis heeft.
Zo beleven wij hier duizenden toestanden, die alle voortvloeien uit de persoonlijkheid van mensen, die nog voor Gene Zijde moeten ontwaken.
De mens in dit schemerland is als een klein kind, want haat en ruw geweld heeft hij afgelegd, of hij zou nog behoren tot de lagere hellen.
Dit kind als volwassen mens is moeilijk te overtuigen van de wetten Gods en toch moeten zij deze eens aanvaarden.
Eerst dan kunnen wij hen van al het verkeerde in hun leven overtuigen, waarna de persoonlijkheid voor een gevecht op leven en dood staat – de lege en toch overheersende persoonlijkheid moet overwonnen worden.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Wij willen elke ziel uit het schemerland wakker maken voor de hogere werelden en dan moet alles, wat geen geestelijke waarde heeft, onherroepelijk uit dit karakter verdwijnen.
Dat is de geestelijke opbouw en het ontwaken voor de eerste sfeer en dit geldt voor de enkeling, de massa en de mensheid.
Deze zielen gingen door de dood naar het eeuwige leven, beleefden die dood – en toch, wat hebben zij geleerd?
Is het niet afschuwelijk, dat een geestelijke ook hier nog over een God van verdoemenis spreekt?
Grijnst u uit deze opvatting niet de geestelijke armoede van dit gevoelsleven toe?
De man spreekt zijn hele leven over God als over een Vader van liefde, maar daarnaast ook – hoe rijmt het?
– over een God, die verdoemt.
Hier staat deze ziel voor zijn eigen schemerland, zijn onbewuste-ik van de Aarde.
Die man moet ontwaken, het allereerst op Aarde, het is broodnodig, want door zijn afschuwelijk gepreek smoort hij de ontwaking voor het zieleleven.
Hij is een levend dode en toch wil hij het mensenkind op Aarde leren ontwaken?
Voelt u, hoe noodzakelijk het is, dat op Aarde deze wetten gaan spreken?
Voelt u ook, hoe afschuwelijk het is voor degenen, die hen volgden en zich in onze wereld teleurgesteld zien?
Het is dringend nodig, dat de mensheid op Aarde de wetten van God en die voor het eigen leven leert kennen.
Die wetten te leren kennen zal voor de Eeuw van Christus het geestelijk ontwaken blijken te zijn.
Radeloos zijn de volgelingen van de kerk, menig dominee krijgt van hen een aframmeling, waarna hij eerst beseft, wat een onzin hij als voorlichter op Aarde te brengen heeft gehad.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De katholiek zoekt hier naar de Voorhof van onze Lieve Heer, doch vindt niets wat maar op een Voorhof lijkt.
Deze ziel is daardoor geradbraakt.
Maar op Aarde leerde men haar niets anders.
De protestant klampt zich vast aan het bloedoffer, deze heeft zijn handen neergelegd op de wonden van Christus en denkt zijn eigen hemel te kunnen betreden.
U moet deze armoedige zielen gadeslaan wilt u de beleefde ellende kunnen voelen, hun innerlijk leven is als een kerkrat zo arm.
Arm in gevoel, arm aan geestelijk weten en arm is deze persoonlijkheid ten opzichte van de astrale wereld, arm voor God en Christus, voor Golgotha en het geestelijk ontwaken.
Zij staan onbewust in de Goddelijke wetten, leven erin en zoeken, zoeken, zoeken, naar het goede, dat zij op Aarde nimmer hebben gekend.
Deze Bijbelzieken zijn ook in ons leven apathisch, velen psychopathisch en deze zijn niet te helpen.
Het is echter de moeite waard hen te volgen, hiervan is een grote studie te maken.
Deze persoonlijkheden moeten volkomen omgeploegd worden, alles moet eruit, wat men dit innerlijke leven geleerd heeft.
En dit geldt voor de enkeling, de massa en de ganse mensheid!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Ik zeg u: de kerk wordt in het schemerland vervloekt, omdat zij al deze zielen bewust heeft vermoord!
De kerk heeft hen doodgeslagen en ongeschikt gemaakt voor onze wereld!!!
In de Eeuw van Christus moet de kerk tot het geestelijk ontwaken komen.
Tweeduizend jaar lang wroet de kerk al in het onbewuste.
De kerk blijft slapen, maar nu zullen haar gebouwen ineen vallen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Meester Zelanus heeft ook pausen opgevangen:
Maar wanneer de ziel voor de geestelijke wetten staat en het bewustzijn er is, dat bijna alles overboord gegooid moet worden, omdat het katholieke geloof slechts een dogma is – is voor ons hier het geluk voor ons leven om die zielen te helpen.
Ik had in die tijd slechts één gevoel, ik wilde alles weten van kardinalen en pausen, de geestelijken van de Aarde, die hun kringloop hadden volbracht.
En mijn meester Emschor bracht mij tot duizenden zielen, hij verklaarde mij de wetten.
Wij waren bij élk sterfbed, André, zodat ik miljoenen mensen mocht opvangen, waardoor ik zelf ontwaakte en hierdoor vanzelfsprekend bewustzijn kreeg.
Eerst daarna begon ik aan mijn eigen kosmologie.
Maar voel je, als je het hoogste voor de Aarde en God denkt te bezitten en je achter de kist komt en aanvaarden moet, dat álles anders is en je zelf niets te betekenen hebt, dat dit een gat in je ziel slaat?
Als kinderen hebben ze geschreid, maar later werden ze wild van bezieling om de kerk te kraken.
Nu wilden ze afbreken wat zij zélf daar hadden opgebouwd, doch dat is niet mogelijk, men hoort en ziet hen niet!
En dan staan ze, zitten ze opnieuw op hun heilige stoel die voor God niets te betekenen heeft, doch gaan thans door de levensaura van hun opvolgers heen en kunnen voor deze wereld „já en amen” zeggen!
Wij zullen hen nog ontmoeten, mijn broeder, velen zijn op weg en hebben voor deze wereld hun titels en meesterschap bereikt.
Thans voeren zij het leven van God tot de „Albron” terug, maar weten, hoe hun kerk de mens bedrogen heeft.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944
En dan vraagt de opperheilige van de katholieke kerk aan meester Zelanus of de mens dan geen geloof moet hebben:
U hebt dat woord (‘heilig’), dat woord moet uit uw woordenboek vandaan, u kunt alleen maar waar zijn.
En wanneer u waarheid bezit, bent u universeel rechtvaardig in alles.’
En toen gingen we terug.
Als ik de katholieke kerk aanval en ontleden wil, doe ik het alleen door mijn evolutie, dan heb ik de middelen in mijn hand, in mijn ogen, en onder en in mijn hart leeft die wijsheid, de Universiteit van de Messias, want ik heb de waarheid, de werkelijkheid, de geboorte, het terugkeren, het vader- en moederschap voor die dogmatische instellingen gezien en volkomen beleefd.
We breken niets af, integendeel, we zetten daar het universele woord in de plaats, het universele macrokosmische uitdijen voor elke gedachte, voor de waarheid.
Welke taak had u?
Ziet u?
‘Maar’, zei hij, ‘is het dat niet, is het dat niet’, vroeg hij, ‘is het dát dan niet?
Moet de mens dan geen geloof hebben?
Indien wij dit de mens zullen ontnemen ...’
‘Neen, dat zal de mens houden totdat Christus terugkomt.
Want de mens kunt ge het geloof niet ontnemen indien ge niets anders bezit, dan loopt hij zich tegenover zijn universele liefde, zijn uitdijing te pletter.
Dit alles zal blijven totdat de Messias komt, maar niet op de wolken om te spreken maar door het directe-stemapparaat.
En dan zegt Hij tegen Zijn apostel, Zijn discipel: ‘Ga, in naam van Mij spreekt gij over de wetten van uw en Mijn vader, want gij weet.’
Lezingen Deel 3, 1952
Dan valt de kerk in één nacht van haar voetstuk af:
Wanneer de technische wonderen, waartoe de directe-stem behoort, op Aarde komen, valt zij in één nacht van haar voetstuk af.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944