Leren denken -- bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘leren denken’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘leren denken’.

Ruimte voor ons gevoelsleven

Jozef Rulof haalt de wijsgeer Socrates aan als pionier in het leren denken.
Socrates vroeg aan zijn medemens om te bedenken waarom we ons gelukkig voelen.
Want een gedachte, meneer, ontleed op de weg naar boven en naar de astrale wereld, is de weg bewandelen van Socrates.
Neemt u dat?
Daardoor zijn de wijsgerige stelsels ontstaan, en hebben de mensen een universiteit van gebouwd.
Door denken.
Wie ben ik?
Wat ben ik als ik gelukkig ben?
Wat is gelukkig zijn?
En toen zei Socrates, vroeg hij aan de mens: ‘Moeder, u bent gelukkig, maar waarom bent u zo gelukkig?’
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

Weinig woorden gebruiken

Aan de leerling-priester Venry wordt in de Tempel van Isis in het oude Egypte gevraagd of hij gelukkig is:
Ben je gelukkig, Venry?”
„Deze vraag kan ik niet beantwoorden, want er is geen gevoel in mij.”
„Heel goed, Venry, je moet zeggen, wat je voelt, niets anders, vooral weinig woorden gebruiken en hetgeen je wilt zeggen duidelijk aanvoelen.
Tussen Leven en Dood, 1940

Oorspronkelijk gevoel terughalen

Jozef Rulof schakelt zijn waarneming van afleidingen volledig uit wanneer hij wil denken:
En wat is nu denken?
Als u ergens aan begint dan komt er iets in u, en in ene keer bent u afgeleid, nietwaar?
Ik kan boeken gaan schrijven momenteel, ik ga hier zitten, we gaan schrijven, dan kunt u een jazz opvoeren, en u kunt schreeuwen allemaal, links om me heen en achter me heen, meneer: we gaan zitten, en ik hoor u niet meer.
Zo ver schakelen wij ons uit.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Een toehoorder zegt dat zijn onderwerp steeds wegwaait als hij wil denken.
In de eerste zin van het volgende citaat herhaalt Jozef eerst het probleem van de man, en dan legt hij de nadruk op het blijven terughalen van het oorspronkelijke onderwerp:
Ik ben aan het denken, en in ene keer komt er iets en dan waait het zomaar uit me weg.
Meneer, u haalt het terug.
Terughalen.
Terughalen.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

Zoals een taal leren

Jozef raadt aan om het terughalen van het oorspronkelijke onderwerp spelenderwijs te doen, zoals we een taal kunnen leren:
Wat struikelt er in u?
Waardoor wordt uw gevoelsleven afgeleid, afgestuurd?
Waardoor?
Het wordt een waas, u kunt het niet vasthouden.
En nu moet u langzaamaan beginnen.
Want als u dat met geweld doet, krijgt u alleen maar maagzuur.
En straks een maagzweertje.
Nu moet u het nog kalm aan doen ook.
Want met geweld gaat het niet eens.
Spelenderwijs.
Zoals je een taal leert.
Hier zit een taalleraar, dames en heren.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Jozef haalt een taalleraar aan die zijn leerlingen Frans leert door te beginnen met de eenvoudigste woordjes totdat die woordjes in het gevoelsleven van de leerlingen verankerd zijn:
En dat zegt hij, en dan gaat hij met u leren denken.
Want hij wringt u in dat ‘Oui monsieur.’
‘Bonsoir.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
De eerste woorden vormen dan de basis voor de volgende begrippen:
Hij begint zo fantastisch, en dan moet u dat vasthouden, en door iets te leren, krijgt u grond om te leren denken.
Uw geest, uw gevoelsleven laat dat niet meer los.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

Diep beleven

In het boek ‘Maskers en Mensen’ wordt gesteld dat westerlingen niet op volle kracht kunnen denken omdat ze te gesplitst zijn:
Jullie westerlingen letten op niets, zegt men in het Oosten, je denkt dat je kunt denken, maar dat is niet waar.
Jullie zijn gedachteloos!
Wat jullie denken noemen is voor ons hier ... beleven!
Jullie beleven niets, jullie zijn door duizenden dingen jezelf niet meer en hierdoor gesplitst!
Geloven jullie niet, maar wij zouden het je kunnen bewijzen!
Je gedachten worden niet beleefd, je volbrengt zo’n gedachte voor hoogstens vijftien procent, volgens je wil, je gevoel, je leven, je persoonlijkheid, je ziel, je leven en je geest!
Geloof je het niet?
Maskers en Mensen, 1948
Frederik beschrijft in dit boek dat iemand zich ergert wanneer een gesprekspartner van de hak op de tak springt of niet kan wachten totdat je uitgepraat bent.
Dit stoort het beleven van een gedachte, het verruimen van een gevoel, het doordenken op een bepaald thema.
Hij ergert zich al, wanneer Erica van de hak op de tak springt.
Hij kan zich ergeren, wanneer hij tegen je praat, je iets vertellen wil, en je ontneemt hem het woord om zélf iets te zeggen.
Maskers en Mensen, 1948
Diep over iets doordenken is het onderwerp beleven van a tot z:
Wat is denken, meneer?
Het ding beleven waar u het over hebt.
Van voren tot A.
Van a tot z.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
In dit doordenken en beleven is het belangrijk te handelen naar de eigen gevoelskrachten.
Jozef Rulof beantwoordt een vraag van een toehoorder die zelf wil beleven wat er in de 27 boeken beschreven staat:
U leest de boeken, nietwaar?
Hebt u ze allemaal al gehad?
Maar toch een stuk of vier, vijf, zes?
Begrijpt u ‘De Kringloop der Ziel’?
Kunt u dat vasthouden als u dat leest?
(Meneer in de zaal zegt iets.)
Wat zegt u?
(Meneer in de zaal): ‘Geen van allen.’
Ja, ik geloof ...
(Meneer in de zaal): ‘Ik kan het niet verwerken.’
Ja meneer, maar dat kunnen ze allemaal niet.
(Meneer in de zaal): ‘Ik wil het niet lezen als een roman.’
U wilt dat verwerken?
U wilt dat allemaal beleven?
U bent een beetje aan het Frederik spelen in die boeken.
Pas op, meneer, of u krijgt vandaag of morgen uw tik.
Nee, dat kan geen mens.
Dat kan geen mens nog.
Dat kunnen ze hier niet.
Want dan zou u dat boek moeten schrijven, moeten beleven, en u zou die persoonlijkheid bezitten.
U gaat in uw denken al te ver.
Als u ‘De Kringloop der Ziel’ lezen kunt, u leest wat daar staat ...
En dan hebben wij het over ‘de kist’, over de moord, u weet wat een moord is, u gaat de grond in met Lantos Dumonché, nietwaar?
En dat voelt u.
Dan bent u er nog altijd bij.
Maar nu wilt u ook voelen wat hij beleeft.
Ja, dat gaat niet.
Ziet u, nu gaat uw denken al, nu leren we al iets, u gaat nu al te ver.
U vraagt nu al te veel.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Lezen over de gevolgen van zelfmoord is iets heel anders dan proberen die gevolgen zelf te voelen:
Het is al bibberig en slijmerig en schreeuwend genoeg daar onder die grond als je daar Lantos Dumonché hoort schreeuwen.
Blijf in vredesnaam in dat boek op de aarde.
En nu is uw denken heus niet zo kinderachtig, want nu bent u al een heel eind op weg.
Voelt u nu?
Nu gaat u al te ver.
Dus praat nu maar ...
Nu heb ik u vanavond al duidelijk kunnen maken dat u niet te weinig denkt, maar u gaat al te diep.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Zelf willen bezitten wat Jozef heeft beleefd, is gevaarlijk:
U wordt hier niet gek van, als u niet wilt bezitten wat ik ben.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
In de biografie ‘Jeus van Moeder Crisje’ wordt beschreven hoe Jozef leert chaufferen op een stoel, in trance:
Want dan zet ik u allemaal op een stoel, en dan gaan we, over één week gaan we ons uitgeven voor chauffeur.
Er zijn er wel die het kunnen, maar dan moet ik de mensen hebben die het niet kunnen.
Wil ik weleens kijken of u ook chauffeur bent.
Want nu wórdt u automobiel.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Maar die tranceslaap kunnen we niet beleven:
En als u nu sterven wilt, dan wordt u, dan gaat u door de dood.
En wilt u dat ...
Bedenkt u dat ook?
Wilt u daar ook doorheen?
Wat gebeurt er nu als u in slaap bent?
Denkt u daar ook over?
Ja.
En dat kunt u niet vasthouden, is het niet?
Meneer, wees blij dat u het niet vast kunt houden.
Want anders bent u op slag, plotseling, als u dat vasthoudt, en u bent daarin, u daalt hier af, op slag ligt u voor de grond, en dan bent u bewusteloos.
En de dokter die u oppakt zegt: ‘Die man heeft epilepsie.’
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Het is hierin belangrijk om in het eigen dagbewustzijn te blijven:
Maar u was even uit uw dagbewust voelen en denken weggezakt.
Nu bent u, volgens dat bent u nog meer dan de rest, dan honderdduizend andere mensen, meneer.
U komt hier voor de dag, u leert.
We leren iets, voelt u?
U komt hier voor de dag: ik kan niet denken, ik kan het niet vasthouden; u gaat veel te diep, veel te diep.
Blijf bij het dagbewuste.
En dan zult u eens kijken hoe eenvoudig of u denkt.
En dan kunt u de kracht van uw gevoelsleven, uw wil, uw denken bepalen, zelf volgen en beleven.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

Dammen en schaken

Jozef praat over dammen en schaken als mogelijkheden om concentratie op te bouwen:
We gaan dammen.
Ga een partijtje dammen, meneer.
Neem dinges, en dan zeggen ze: ‘Ja.
Vasthouden.’
Dat is een studie, u moet die hersens in het gareel dwingen.
Misschien hebt u altijd vroeger, in een ander leven, uit de natuur gedacht en nu loopt u er altijd uit.
Uit het normale.
Nu moet u terug naar het normale.
En nu kunt u met verschillende dingen beginnen.
Vooral met dammen.
Neem een bord, en nog iemand: en concentreren.
Dan kunt u direct en onmiddellijk vaststellen hoe diep of uw gedachten gaan.
U wordt toch wel geen Piet Roozenburg (wereldkampioen dammen in 1948, 1951, 1952 en 1954) , maar goed.
Want die denken twintig zetten en honderd zetten vooruit, die knapen.
Dat is ook wat, hoor.
De kunst van een schaakmeester is – niet? –: denken.
Alles is denken, denken, denken.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

Leeg denken en taken afmaken

Jozef geeft raad aan een vrouw die onrustig denkt:
Je moet tegen jezelf zeggen, ik wil geen speelbal zijn van mijn gedachten.
Je moet zélf denken!”
„Dat kan ik wel, maar als ik aan het rusten ben, dan gaat het niet, dan denk ik aan duizenden dingen en dat is akelig.”
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
Jetje moet leren denken óf rusten:
Als je rust, móét je ook maar alléén rusten!
Als je wilt denken, doe het dan.
Doch denken en rusten tegelijk is nu te moeilijk, dat zijn twee werelden apart, twee toestanden.
Je moet óf het één óf het ander.
Beide handelingen komen straks en dan beleef je deze zoals jij dat wilt.
Wil je het proberen?
Rusten en aan niets denken, Jetje, is al iets wonderbaarlijks, wat maar weinig mensen kunnen.
Kunnen zij dit niet, dan verliezen zij juist hun rust en komen tot de splitsing van de persoonlijkheid.”
„Ja, dat ken ik, dat is het!
En dat moet ik nu voorkomen of ik rust niet.”
„Dit is het enige, Jetje, wat je overwinnen moet, want verschijnselen, zoals rusten en denken, beide tegelijk, putten je uit.
Als je dit van onderen af hebt opgebouwd, is er niets meer in staat om je overgevoelig te maken.
Dan heb je de hoofdeigenschappen van jouw persoonlijkheid overwonnen.
Dan ben je heerseres op dit terrein en van inzinken is er geen sprake meer.”
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
Voor Jetje is het ook belangrijk om een taak af te maken:
„En als je weer opstaat, Jetje, en iets wilt gaan doen, maak het dan af.
Ga je kopjes wassen, doe het dan!
Loop nooit weg en onthoud, dat door je handelwijze het onafgemaakte werk je toch steeds achtervolgt, totdat het je tenslotte overweldigt.
En dan sta je weer voor de splitsing van je persoonlijkheid, wat je zal hinderen en waar je weer akelig van zult worden.
Ook al ben je doodmoe, maak het werk af.
Ook al doe je er tien uur over, maak het af, Jetje, want anders krijg je nooit rust.
Al die werkzaamheden stapelen zich anders op tot een geweldige hoogte, waaronder jij bezwijkt.
Dan zink je weer in je vorige toestand terug en dan kan niemand je helpen.
Héél de wereld drukt dan op je schouders.
Is het niet zo?”
„U weet alles.
Ik sta steeds voor deze dingen en die doodgewone zaken maken mij dan van streek.”
„Wat af is, Jetje, hindert je niet!
Je houdt dan de weegschaal van je dagelijkse leven in evenwicht.
Jij bent van huis uit niet slordig, want het behoort niet tot je karakter.
Mensen, die geen geestelijke diepte bezitten, trekken zich van slordigheid niets aan, maar voor jou werkt het afbrekend.
De dingen, die je niet kunt afmaken, mag je laten liggen, maar wanneer je na je rusten opnieuw begint, dan moet je eerst het werk dat is blijven liggen, afmaken.
Dan pas ga je verder en gaat je wil het leven van alledag beheersen; van héél de huishouding, van jezelf, van je slapen en rusten.
Kortom van alles!
Het mooie is nu, Jetje, dat juist de dingen, die je tot stand hebt gebracht, je zullen steunen.
Als wij mensen op iets moois terug kunnen kijken, dan schenkt het ons voldoening.
De voldoening is weer de stuwing om het nog mooier te doen.
Zielsziekten van Gene Zijde bezien, 1945
Jozef praat over gedachten als een verstoffelijking van het gevoelsleven voor het werk in de maatschappij:
Voor duizenden dingen, meneer.
Allemaal problemen.
U maakt uw gevoelsleven als verstoffelijking voor maatschappij, voor dat en dat en dat en dat, maakt de mens niet af.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

De brug over en niet weer terug

Het herhalen van steeds weer dezelfde gedachten kan vergeleken worden met het terugkeren nadat men een brug overgestoken heeft:
Wilt u ontwikkelen, en leren denken?
Als u een brug over bent, gaat u dan hier op aarde altijd maar weer terug?
Als u de brug over bent met een geest, dan moet u nooit meer terug in hetzelfde.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Vele mensen denken niet door, en je ziet hun karakter dan ook niet veranderen:
En het is waar, wij mensen denken niet, wij kunnen nog niet denken.
De mensen denken niet, want je ziet de mensen niet veranderen en dat zou moeten geschieden, maar je neemt het niet waar.
Ze denken alléén aan dat wat hen bezighoudt en dat heeft gewoonlijk niets met het leven uit te staan.
Maskers en Mensen, 1948

Eén ding tegelijk

René vertelt Frederik hoe belangrijk het is om één ding op volle kracht te doen:
Mensen, Frederik, die een boek lezen en tegelijk naar de radio willen luisteren, scheppen onrust en zijn niet in harmonie met hetgeen ze eigenlijk willen doen.
Ik kan dat niet uitstaan!
Wat deze mensen willen is mij niet duidelijk.
Je doet één ding en wel op volle kracht! – óf je stoort je persoonlijkheid.
Maskers en Mensen, 1948

Futiliteiten overboord

Jozef ziet het giechelen als een veel voorkomende hinderpaal om dieper door te denken:
„En dan dit nog, mensen.
Kijk zelf en u weet het.
Heel onze maatschappij is één „giechel” ... !
Ik ben generaal ... ha, ha, ha ...
Ik ben ambtenaar ... ha, ha, ha, ...
Ik heb me vanmorgen geschoren en gewassen en mijn tanden gepoetst, ha, ha, ha ...
Grinnik nu maar ... want dat wordt het.
Ik ben chef de bureau geworden, ha, ha, ha ... dus geen mens meer, maar koeiendrijver ...
Ik ben een prins ... ha, ha, ha, ha, ... nog zo’n giechel erbij.
En ik ben koning.
En ik heb een broertje, een zusje, een vader en moeder.
Ik heb zo’n mooie jurk en draag paarlen en diamanten, mooie schoentjes, ha, ha, ha.
Maar van de sandaaltjes uit de boeken ‘Maskers en Mensen’ hebben zulke lieden niets.
Ze zien alleen zichzelf, giechelen steeds, lachen om alles en niets, kennen geen ernst en weten niet, wanneer en waarom ze mogen lachen.
Dat kunnen ze niet begrijpen en zij zien deze ernst – waarmede God en ons leven te maken heeft – als saaiheid.
Wel, die drukte is het, die betekenis heeft voor de mens in deze maatschappij.
Ik was vanmorgen vroeg op, ha, ha, ... zegt de een.
Ik kook elke dag, haaaa ... ha ... zegt de ander.
Maar, wat er ín hen leeft, weten ze niet!
Dat zegt hun ook niets, ze zijn ijdeltuitachtig bewust, maar dat weten ze ook niet en giechelen almaar door.
Als je hen erop wijst, worden ze kwaad!
Dames en heren, voelt u dit?
De mens giechelt om alles en er valt nu niet te giechelen.
Maar dit is het karakter, het lege nietszeggende gedoe van deze maatschappij, die ons elke dag een God van haat en wraak voor een goede God van liefde tracht te verkopen.
Wanneer gij niet in staat zijt, om dit alles zelf uit te vinden en gij blijft „giechelen” ... is Gene Zijde en de reine en grote liefde wég uit uw leven.
Gij wilt die grote liefde toch beleven en bezitten, maar die zult ge van geen mens krijgen, omdat uw liefde, uw persoonlijkheid, uw karakter, zelfs uw kinderen één grote „giechelpartij” is en niets anders!
Iemand kwam tot mij en zei: ‘Ik verdraag dat „gegiechel” niet langer, ik ga scheiden!’
Ik hoorde dit alles aan van die man en ik had me te buigen, ook al zei ik hem, dat hij haar niet voor niets had ontmoet en hij aan dat leven had goed te maken.
Hij zei: ‘Ik kan er niet meer tegenop – ik stik in dat gegiechel, ik zal alles voor haar doen, maar ik ga weg, ik wil iets anders van mijn leven maken.’
En weet u, wat die man bezat?
Drie miljoen.
Hij schonk die „giechel” bijna alles en vertrok.
Hij werd kolenboer ... ging iets anders doen en trouwde toen met een keukenmeisje; hij begon een nieuw leven.
In dat vorige zou hij zijn gestikt!
Op deze manier „begiechelen” wij ons kostbaarste, onze afstemming op God en de wetten en maken er een kermistent van.
We weten het niet.
Toch hamert er iets, steeds weer, de andere mens kan doodvallen?
Als dit zo was, zou ik zeggen: ‘De „droedels”!’
Ik zei tegen iemand, om die mens te leren en omdat het jammer was: ‘Giechel niet zo als je voor mensen staat.
Ze lachen je achter je rug uit.’
Ze werd kwaad, rood werd ze.
Van schrik?
Neen, ik kwam aan dat persoonlijkheidje.
Maar hoe noemen de mensen dit leven: lachende Gerritje ...
Maar dat Gerritje is in dit geval een vrouw, en daar ligt ze te apegapen in de straatgoot, met haar karakter, haar moederschap, haar moeder-zijn.
Deze „liefde” heeft geen cent te betekenen, deze persoonlijkheid is een „giechel”.
De mens hoort het en daarvan kun je leren.
Maar neen, men wordt kwaad, men verdedigt zich hardnekkig en nu sta je voor leeg gedoe en kun je de benen nemen.
Ik kreeg het meest slaag van de mens, die ik iets wilde leren, juist van die mensen.
Nooit meer wil ik leerlingen zien.
Ik kan ze niets leren, wanneer ze dat vervloekte „gegiechel” om niets, niet willen afleggen.
Ik laat ze thans smoren, giechelen, maar mijn innerlijke oortjes zijn voor die mannen en vrouwen potdicht, ik hoor ze niet meer.
En dat had ik die mijnheer, met wie ik sprak, willen geven, doch hij bezweek in dat lege, nietszeggende gegiechel!
Heb ik gelijk?
Bent u geen giechel?
Gode zij gedankt, eerst nu, mijn dame – u stelde deze vraag – beginnen wij om de ernst van ons leven te zien en te willen aanvaarden.
Dat moet voor alles in ons aanwezig zijn, of wij vergiechelen de goddelijke leerschool!
De mens lacht om alles, zelfs om goddelijke heiligheden, want dat beleven wij dagelijks.
Zo vinden ze mij een fakir, een magiër, een kreng, omdat ik ze het „gegiechel” wil ontnemen!
Hoe leren wij nu geestelijk denken?
Eerst ál die futiliteiten uit uw karakter verbannen, dat lege gedoe voor onze persoonlijkheid; wij moeten aan de heilige ernst beginnen.
Voor al die karaktertrekken stuk voor stuk nieuwe fundamenten leggen, juist door de werkelijkheid, de ernst van ons leven voor ál de wetten van God!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950

Harmonie in huis en maatschappij

Een toehoorder vraagt aan Jozef Rulof hoe wij kunnen leren denken:
Ik lees hier: „Mijnheer Rulof, ik wilde u vragen en indien mogelijk een antwoord alstublieft ...
Hoe moeten wij leren denken?
Is ons denken verkeerd ingesteld ten opzichte van ons leven en al dat andere, waarmede wij, volgens de leer van de meesters, te maken hebben?”
Jozef zegt: „Van wie is deze mooie vraag?
Van u, dame?
Ja, mevrouw, dat is een mooie vraag, omdat gij zelf bezig zijt u af te vragen: hoe moet ik denken.
In de allereerste plaats, dame, zeg ik u, als u straks achter de kist komt – hoor nu goed, wat ik u wil geven – behoeft u geen angst te hebben.
U komt er, u bent gereed, u wilt zich buigen, want u voelt dat het denken van de mens op aarde niets heeft te betekenen.
Ik zou nu een boek kunnen schrijven, steeds weer nieuwe boeken, enkel en alleen om de vraag „hoe moet ik leren denken” te ontleden!
Zo machtig is het, zo diep, omdat uw vraag met God, Christus, ziel, geest, de ruimte, met al de levensvragen van de mens verbinding heeft, doch waaraan de mens toch nog niet wil beginnen.
We zullen beginnen met het dagelijkse, dame.
Bent u thuis in harmonie met uzelf en met hetgeen gij daarin hebt te doen, dames en heren?
Bent u verkwistend, lui, smerig, dus vuil, hebzuchtig en bemoeizuchtig, veel pratend en er steeds naast?
Snauwend en grauwend, roddelend en kletskousachtig, hatend, bedrieglijk?
U hoort het al, het plaatst ons weer voor ons woordenboek en daarvan moeten wij de reine harmonie beleven.
Het antwoord hiervoor is: kom door uw denken tot de maatschappelijke harmonie, het harmonisch denken en gij legt fundamenten voor uw geest en persoonlijkheid.
Uw vraag, dame, omvat wel twintig boeken.
Gelooft u dit?
Boeken van ongekende schoonheid zijn het!
Boeken over God, Christus, de wetten van Moeder Natuur, uw ziel, uw geest, uw vader- en moederschap, vriendschap, broeder- en zusterliefde, kerk, godsdienst, kunsten en wetenschappen, ga verder en wij zijn vanavond om twaalf uur nog niet aan het eind, zoveel is er thans te bespreken!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
In de maatschappij merkt men de mensen op die op hun taak kunnen doordenken:
Kunt u doordenken, dan bent u het genie.
En dan komt u tot uitdijing.
U verstoffelijkt iets.
De taak die u doet, kan alleen ontstaan, en krijgt alleen ruimte wanneer u doordenkt.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

Denken naar liefde toe

Jozef benoemt vele karaktereigenschappen die het denken naar liefde in de weg kunnen zitten:
In de eerste plaats moet ge uzelf afvragen: Heb ik nog roddel, haat, afgunst, ontevredenheid, jaloezie, luisachtig gedoe, luiheid, verkwisting, hoogmoedswaanzin, drukte, kale drukte, opschepperij, valse gedachten, oneerlijkheid, hartstocht, twistzieke gevoelens in mij!???
Ik kan verdergaan, doch dit is voorlopig genoeg.
Ga beginnen, om al die verkeerde eigenschappen de nek om te draaien, dood die omlaaghalende gevoelens.
Bent u niet zeurderig, kunt ge iets overgeven, of blijft ge dag in dag uit vastzitten aan één narigheidje?
Kunt ge de fout vergeven, kunt ge uzelf voor de andere waarheid buigen?
Dan zijn dit de goede fundamenten, waarop ge staat en kunt ge aan de geestelijke opbouw beginnen!
En dat, dame, voert u naar de liefde, die zeven graden bezit, overgangen dus, voordat wij die geestelijke eenheid als liefde hebben bereikt en wij ons die fundamenten voor ons karakter hebben eigen gemaakt.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
In liefde kunnen we denken wat we voor een ander kunnen doen:
Wie niet denken wil, meneer, bezit ook geen liefde, die is leeg.
En u loopt allemaal vast omdat de een voor de ander niet wil en niet kan denken.
U kunt denken naar uw gevoel.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

Het denken in ‘mijn’

Het denken in ‘mijn’ raakt meestal geen geestelijke werkelijkheid:
Maar toen zijn wij begonnen om geestelijk essentieel te denken, volgens de wetten.
‘Ik leef hier.’
‘Ik ben hier op aarde.’
Hoe denkt u nu elke dag?
‘Ik ben nog op aarde.’
‘Ik leef in de maatschappij.’
‘Dát is mijn vrouw.’
Dat zou je wel willen.
‘En dat is míjn man.’
Dat zou je wel willen.
Wat u allemaal hebt – kan ik al beginnen – is gekregen goed vandaag.
Hebt u een lieve vrouw, meneer?
Ben je ze misschien straks kwijt, want het kan zijn dat ze een ander toebehoort.
We hebben miljoenen levens gehad.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Jozef Rulof (André) ziet dat de meeste mensen op aarde nog niet aan geestelijk denken beginnen.
Zijn geestelijke leraar meester Zelanus vraagt in een lezing waarom de mensheid nog lacht over reïncarnatie:
‘Alleen de mensen staan er niet voor open’, zegt André.
‘Ze willen niet denken, zoals voor zoveel machtige zaken niet, die door de God van al het leven een eigen wereld kregen te vertegenwoordigen.’
De mens zegt: ‘Neen, neen, neen’, en komt met zijn eigen smoesjes voor de dag.
‘Lacht uw persoonlijkheid, wereld, mensheid, geleerde, sterke meneer, om alles wat door God is geschapen en ik over reïncarnatie, wedergeboorte spreek?’
Hoort u?
‘Wij zien elkaar nog op deze weg, geleerde, wij spreken elkaar nog.
Bovendien, wijsgeer, Plato-aan en het Socrateskind, wij zien elkaar terug en dan staan wij voor de wijsgerige stelsels van elke dag, de nacht, het licht, de taak die u op aarde hebt te volbrengen.
Lezingen Deel 3, 1952

Moeilijk?

Jozef zegt dat hij boven zijn karakter uitsteeg door fundamenten te leggen voor de universele liefde:
Leg eerst fundamenten voor je vriendschap, je vrouw, je man.
Zij moeten er ook aan beginnen, want vriendschappelijke banden voeren tot de liefde; het huwelijk krijgt zo geestelijke betekenis!
Is dit nu niet de moeite waard, dame?
Ik heb dit gedaan.
Langzaam maar zeker steeg ik boven dit eigen karakter uit, doordat ik de wetten van de meesters aanvaardde.
En wat doen nu de mensen?
Ze willen zich verruimen en hebben er niets voor over.
De „onsjes” gevoel van die mensen zijn schoon op, de „wil” om verder te gaan is onbewust.
Nu kost het bloed en dit willen zij niet inzetten, want dit is te moeilijk, het stoffelijke leven is gemakkelijker.
En zie, het afbreken door dat luie gedoe begint.
Ze zoeken naar een uitvlucht, willen niet buigen, niet weten, dat ze zwak zijn en zo staan we voor de onwil van de mens, het bezwijken!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Jozef zegt tegen zijn toehoorders dat het gaat om het doordenken in de richting van Christus:
Ik tracht alleen het mooie in en voor alles te zien, ben steeds bereid, om de mens en het leven op te vangen, als het kan.
Doch voor honderden feiten sta ik machteloos, omdat de maatschappij zover nog niet is.
Daarvoor heb ik mijn hoofd te buigen, altijd weer te buigen, maar ik denk dóór en wel in de richting van de meesters, van Christus!
Voelt u reeds, wat ge hebt te bedenken, dame?
En dit is nog lang niet alles.
Ik zei u al van tevoren, hierover zijn boeken te schrijven en de meesters zijn daartoe in staat, omdat zij zich dit alles reeds lang hebben eigen gemaakt.
„Wat is het moeilijk”, zegt iemand daar in die hoek van de zaal.
Maar het is niet moeilijk, die moeilijkheid bent u zélf en die wilt ge nog niet opruimen!
Ik vind alles gemakkelijk, éénmaal zult ge dit ook voelen, doch dan hebt ge fundamenten gelegd.
En voor dit, dames en heren, vecht men op Aarde en dit wil de mens in de andere mens zien en vinden, doch heeft er zélf niets voor over.
U allen wilt „liefde”, nietwaar?
Dat maakt het leven mooi en waarachtig, maar ... wat hebt ge hiervoor in te zetten?
Niets?
Uw luiheid?
Al datgene wat ik al opnoemde?
Dit lage afbrekende gedoe in uw karakter?
Dan heeft uw liefde niets meer te betekenen en staan wij voor het weglopen, de scheiding, waar of niet?
Maar ge vindt het nergens, gij kunt uzelf niet ontlopen, noch omzeilen!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Geestelijke verruiming begint met weinig woorden en kleine stapjes:
De mens leert, de mens wil zich verruimen, maar begin alstublieft aan de kleinigheidjes, en wees welwillend, bedachtzaam met uw woorden, met uw handelen.
Zeg in vredesnaam héél weinig, want alles wat u zegt, moet u straks weer terugnemen.
Want u raaskalt, u roddelt, u kletst, u praat maar na.
De mens die veel praat, is niet in staat om te denken.
Is dat niet zo?
Maar u praat veel te veel.
U praat veel te veel, omdat ge nog niet aan geestelijk universeel, ruimtelijk, goddelijk denken bent begonnen.
Moeilijk?
Is het zó moeilijk om in harmonie te zijn met uw maatschappij, om niet te stelen en niet te bedriegen?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950

Dief of ziel

Als Jozef niet had leren denken, had zijn meester Alcar niets met hem kunnen aanvangen:
Ik zeg u, leer voor het goede te denken.
Leer te denken, zoals Christus het heeft gedaan.
Denk nooit verkeerd van en over de mens, ook al staat ge voor haat of voor de dief.
Doch ga uit dat leven vandaan, u moet er niets mee te maken willen hebben.
Wat de mens doet, moet hij zelf weten, als ú maar niet verkeerd bent!
Ik heb moeten leren denken, of meester Alcar had met mij niets kunnen beginnen.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Jozef moest leren om niet naar het menselijke karakter te kijken, maar naar de medemens als ziel met een goddelijk leven:
En dan in de eerste plaats: ik wíl van de mens niet verkeerd denken.
De mens is voor mij een goddelijk leven.
Dat karakter zegt mij geen cent.
En die persoonlijkheid die er is, of mevrouw nou die of die, en meneer die is, zegt mij niets.
Dat is allemaal leven.
Zo leven wij aan Gene Zijde.
Dat zijn de meesters, en dat was Christus.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Als we in termen van ‘slecht’ of ‘kwaad’ denken, kost dat onze eigen gevoelsrust:
Voor mij zijn er geen slechte mensen, geen kwaad, is er geen afbraak.
Voor mij zijn dit allemaal, is de hele wereld, is de ganse maatschappij, al die miljoenen kinderen op aarde zijn mij even lief.
Denk eens aan één kind verkeerd, en u trapt uzelf uit deze rust, uit die harmonie.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Ons voelen en denken vertegenwoordigt onze gevoelsgraad.
De geestelijke gevoelsgraad brengen we alleen tot ontwaking door te gaan denken vanuit onze ziel, onze Albron:
Want mijn denken – ziet u – mijn denken, als ik ga denken dan verstoffelijk ik mijn gevoel, en dat gevoel is dus de Albron en die Albron die is menselijk bewust, voor vele miljoenen mensen dierlijk, voordierlijk, grofstoffelijk bewust; zij doen aan moord, aan brandstichting.
U kunt de ruimte, de God in u niet tot ontwaking brengen wanneer u moordt, brandsticht, liegt, besteelt, de mens besteelt.
U kunt die geestelijke sfeer niet tot ontwaking brengen indien u weigert uit te dijen.
Lezingen Deel 2, 1951

Verruiming

Wanneer maken we door onze gedachten iets van onze ziel wakker?
Een uitdijing van de gedachte geeft u een overwinning, als u dat woordenboek er weer bij hebt en uiteindelijk kunt zeggen: mijn gedachten gaf ik geestelijke ruimte en licht en liefde.
En dan dijt uw gevoelsleven, die gedachte dijt uit.
U kunt vandaag een goddelijke gedachte beleven.
En dan eerst, meneer, mevrouw ...
Wanneer maakt u iets los van uw goddelijk ik?
Wanneer trekt u iets van uw goddelijke ziel af en ...
Want die ziel, die goddelijke mens – dat is de mens – in ons, dat zijn wij, die moeten we wakker maken.
Dus wanneer u het nu vertikt om te leren, boeken zeggen u niets, en u hebt niet zo’n interesse om iets van uzelf te maken, staat u ook pertinent in een klein, klein kringetje, en daar komt u niet uit.
Is dat zo?
U ontkomt niet aan uzelf.
U moet uzelf willen verruimen tot het Al terug.
Uw gedachte moet geestelijke fundamenten krijgen, bezieling, verruiming, een eigen ruimtelijk karakter.
Elke karaktertrek, elke gedachte, ieder woord, het kleinste ding moet geestelijke afstemming krijgen en bezitten.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Hoe brengen we waarheid, werkelijkheid en verruiming in onze gedachten?
En is eigenlijk alweer een wijsgerig stelsel, dat wil zeggen: waar ligt het fundament voor ons denken?
Wanneer zijn wij in harmonie – door ons denken – met de scheppingen?
Dat wilt u toch leren?
Waarom heeft men van Socrates, Plato en anderen een universiteit gebouwd?
Dat zijn wijsgerige stelsels om tot de werkelijkheid, de waarheid, de harmonie, de rechtvaardigheid te komen, voor uw innerlijke leven, uw astrale, ruimtelijke, goddelijke ik.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Ook onze gedachten kunnen we laten reïncarneren met meer licht:
Bent u niet wedergeboren?
Laat u deze gedachte, die u vandaag deed, opnieuw uitstralen?
Geeft u die gedachte ‘vleugelen’?
Wat u vandaag verkeerd deed in de stof, in die maatschappij, doet u dat morgen anders?
Waarheen wilt u?
Waarvoor leeft ge eigenlijk?
Lezingen Deel 2, 1951
Toen Jozef Rulof (André) zijn geestelijke reizen voor zijn kosmologie ging maken, moest hij het denken voor zijn eigen ik loslaten.
Hij moest leren denken voor zijn ziel, voor zijn Albron:
‘Dan zal het u duidelijk zijn dat wij voor onszelf niet meer mogen denken, André.’
Dus André moet zich volkomen vrijmaken van de aarde, er is niets meer in hem wat er nog voor hem kan denken, hij voelt niet meer voor zichzelf.
U moet nu alleen voor uw God gaan denken, uw godheid, uw geest straks, uw goddelijk licht, voor uw Albron.
Probeer het eens.
Probeer het eens?
Probeer nu vandaag, de weken, de dagen, de uren die komen, want ge zult er achter de kist aan moeten beginnen, daar moet uw zélf weg.
Lezingen Deel 3, 1952