Mens of ziel -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘mens of ziel’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘mens of ziel’.

Wie heeft het woord ‘mens’ uitgevonden?

Jozef Rulof vraagt op een contactavond aan zijn toehoorders:
Wie heeft dat woord „mens” uitgevonden en aan ons gegeven?
De mens!
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
In hun kosmologie bekijken de meesters al het leven vanuit de kosmos:
Wat blijft ervan over, van uw eigen terminologie?
Wie heeft het woord ‘mens’, maar wie heeft het woord ‘dood’ en het ‘sterven’ uitgevonden?
Dat lééft er niet in de kosmos.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Dan verdwijnen alle namen die tot het aardse denken behoren:
De mens verdwijnt, ook uw hond, al die namen verdwijnen, die u aan een ding gaf.
Lezingen Deel 3, 1952
Om het zielsniveau te beschrijven, hebben de meesters een eigen terminologie opgebouwd:
Wij, de meesters, hebben een eigen terminologie en die is duidelijk, heel natuurlijk.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950

De persoonlijkheid van de ziel

Alles wat we doen, plaatst ons voor de vraag of ons handelen in harmonie met het leven is:
Wij hebben miljoenen levens beleefd, wij gingen van planeet tot planeet en zo kwamen wij op deze Aarde.
Welnu, élke gedachte van ons, iedere daad maakt iets van het leven van onze ziel wakker en dat wakker worden is nu de verstoffelijking van die daad.
Wij doen iets en dan staan wij voor de harmonie of de persoonlijkheid van die daad.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
Door alle disharmonie hebben vele mensen een minderwaardig mensbeeld opgebouwd:
Hebt u dan nog minderwaardigheidscomplexen, indien u weet waarheen u gaat?
Ik geloof wel dat ge aanstonds angstig voor uzelf zult worden om een bewuste diefachtige voetstap te maken ten opzichte van de mens, uzelf, uw vader-, uw moederschap, uw ziel, uw leven, uw geest, uw licht, úw persoonlijkheid.
Lezingen Deel 3, 1952
Het artikel ‘karma’ licht toe dat het woord moordenaar niet het hele wezen van de ziel kan typeren:
Maar die man die daar nu moordenaar is, is in zijn hele zijn geen moordenaar.
Die komt terug naar de aarde, geeft aan dat leven dat hij nu te vroeg uit dat leven heeft geslingerd – hij is man, hij wordt moeder – hij geeft aan die ziel een nieuw lichaam voor die en die tijd, dan is het weer klaar.
En straks is alles klaar en dan gaat hij door, want hij moet naar een geestelijke wereld om zich gereed te maken voor een nieuwe stoffelijke kosmos, de Vierde Kosmische Graad.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
De ziel is veel ruimer dan één handeling van haar persoonlijkheid:
Of dacht je dat een moordenaar altijd moordenaar bleef?
En dacht je dat een mens een fout begaat, dat dan dadelijk de ganse persoonlijkheid maar in de hoek moet worden getrapt?
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Na het begaan van een moord zorgt de ziel in volgende levens voor het herstellen van haar harmonie:
Wat is moordenaar?
Voor de ruimte, God, die kent u niet als moordenaar, maar voor de ruimte bent u een mens die de goddelijke harmonische wetten voor de geboorte, voor reïncarnatie heeft gesmoord.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De ziel gaat steeds verder en bouwt door het beleven van vele lichamen een persoonlijkheid op:
En dat lichaam kan nog sterven, kan verdwijnen, de ziel gaat verder, Zij is níét tegen te houden.
Haar kan men niet vernietigen.
Die persoonlijkheid is groeiend en bloeiend.
Archief, 1945

Geen enkele ziel is een ‘eskimo’

Wanneer meester Alcar aan Jozef Rulof uitlegde welke kracht het oorspronkelijke lichaam van de vijfde stoffelijke levensgraad had, gaf hij aan dat de mens op aarde hier de benaming eskimo’s gebruikte:
„Ja, men noemt hen eskimo’s.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Het lichaam van de vijfde stoffelijke levensgraad kon tegen het koude klimaat waardoor een groep zich in het noorden kon vestigen:
Hun lichamen zijn gehard en kunnen tegen dit klimaat.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Op een contactavond vroeg een lezer aan Jozef Rulof hoe het kan dat de eskimo’s niet hoger kunnen evolueren dan de vijfde graad.
Jozef antwoordde hem dat de meesters dat nooit gezegd hebben.
De lezer was zich niet bewust dat het woord eskimo behoort tot het aardse denken, terwijl de vijfde lichamelijke levensgraad een term uit het zielsniveau is.
Geen enkele ziel zit vast aan een bepaalde stoffelijke levensgraad, de ziel beleeft alle graden en biljoenen lichamen om te evolueren:
Vraag van de heer Berends: „In het boek ‘Het Ontstaan van het Heelal’ deel II, staat, dat de eskimo’s in de vijfde lichamelijke levensgraad leven en dat zij niet hoger kunnen gaan.
Maar, mijnheer Rulof, in dat geval zouden ze toch stilstaan in hun evolutie en dat is niet mogelijk, daar toch elk wezen eenmaal de stoffelijke zevende graad moet beleven, wil het innerlijk leven ook eens het hoogste ontvangen.
Ook het innerlijke leven is voor de eskimo’s één met het stoffelijke, natuurlijke organisme, terwijl bij anderen, dus die geen natuurlijk organisme bezitten, van de vijfde graad dus, de ziel gaat ontwaken.
Wat is de verklaring hiervoor?
Misschien is het wel eenvoudig, maar wilt u hierop ingaan?”
Jozef zegt: „Wat u mij daar allemaal verklaart en heeft te vertellen, mijnheer Berends, is het verhaspelen van die wetten, geen touw kan ik eraan vastknopen.
U ligt er volkomen uit.
Nooit hebben de meesters zoiets gezegd.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Jozef legde uit dat ouders alleen die zielen als kinderen kunnen aantrekken, die gericht zijn op dezelfde stoffelijke levensgraad als het lichaam dat de ouders hebben:
U hebt dat niet begrepen.
U had het kunnen begrijpen, want het staat in het boek anders, en natuurlijk ontleed, doch u gaat er nu zelf andere mogelijkheden bij halen.
Dat doen meer mensen, maar nu loopt u onherroepelijk vast, wat wij nu alweer beleven.
Wat u voelt is namelijk dit, dat gij en die eskimo’s geen ander innerlijk leven kunt aantrekken, dan uw eigen levensgraad bezit.
Is dit het niet?”
Berends: „Ik weet het nu, dank u.”
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950

Ons kosmische leven

Onze ziel beleeft op aarde lichamelijke levensgraden om zich innerlijk te ontwikkelen:
Er leven géén mensen op aarde, maar levensgraden.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 3, 1944
In hun kosmologie spreken de meesters over de Albron in onszelf.
Het artikel ‘Alziel en Albron’ geeft een beeld van die Albron:
Dit is kosmologie.
U bent met de macrokosmos, met de Albron, de Almoeder, de Alvader voor en in uzelf, verbonden.
Lezingen Deel 3, 1952
Die Albron in onszelf is in evolutie:
Dus de Albron – nu komt het woord – heeft zichzelf in die ruimte verdicht: zichzelf.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Wanneer we iedereen als leven van de Albron zien en liefhebben, kunnen we het aardse denken in lichaam en karakter overstijgen:
De Albron leeft hier in de zaal.
Jullie zien elkaar veel te veel als mensen.
Zag je maar geen mensen, en ken je ...
Ik heb het leven lief, maar geen karakters.
Jullie kijken allemaal naar karakters en naar een persoonlijkheid.
Maar kijk eens naar het leven, en dát moet je trachten lief te hebben en dan gaat het vanzelf.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
De meesters beschrijven de basisfundamenten van ons leven.
Die worden toegelicht in het artikel ‘onze basiskrachten’:
De mens die Gene Zijde heeft bereikt, was ook op aarde.
Hij leefde – gaf ik u – vanaf het ontstaan der scheppingen.
Hij ging door de prehistorische tijdperken heen, overwon dit universum alleen door drie goddelijke wetten – verklaarde ik u – die de mens bezit én waardoor hij zijn goddelijke afstemming kan bepalen, kan zien, kan voelen en beleven.
Dat is het vader-, moederschap en de reïncarnatie.
Deze drie fundamenten hebt u dagelijks voor élke gedachte in uw handen.
Nu krijgt u het beeld te zien dat de natuur, de ruimte dat alles in handen houdt en dat de mens in zichzelf die ruimte aan de karaktertrekken, aan de persoonlijkheid doorgeeft, waardoor die evolutie plaatsvindt.
Dat alles heb ik u geleerd.
Deze drie fundamentele macrokosmische fundamenten, door God verstoffelijkt en vergeestelijkt, leven in de mens en dat ís de mens.
Lezingen Deel 2, 1951
In hun kosmologie beschrijven de meesters de kosmische reis van de ziel vanaf de Albron tot in het Al:
En dan kunt u ook het beeld in u opnemen waardoor die bron zichzelf terugvoerde tot het Al, en toen onzichtbaar en zichtbaar de uiteindelijke eenheid kreeg.
Maar die door het leven als mens, als natuur en het dierenrijk zou worden vertegenwoordigd.
Dus de Albron.
Wanneer André u leert ... gij noemt u mens, maar gij zijt geen mens, gij zijt Albron.
Het gaat hier niet meer straks om mensen, om dieren en planten en om natuur, het gaat erom dat de Albron zichzelf vergeestelijkte en verstoffelijkte en dan is er van mens-zijn geen sprake meer.
Lezingen Deel 3, 1952
Dan zijn we een evolutiegraad van de ziel, die zich verdicht heeft tot een stoffelijk lichaam:
Wij zijn dus een levensgraad als ziel, als goddelijke kern, als Albronnelijk vermogen, als geest, als leven, we zijn een verdichtingswet, want is uw stof, is uw kasteel, uw tempel niet verdicht?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Het leven heeft zichzelf tot een stoffelijke graad gebracht:
Wie zei me daar iets, wie was dat?
(Meneer in de zaal): ‘Dat was ik.’
Ja, ja, maar híér.
Dat is, het universum sprak tot mij, vertolkt, verstoffelijkt, dat bewustzijn ging denken als mens, dat noemen wij een mens, maar u bent een graad van leven.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Dat leven is ook gekomen tot een bepaalde gevoelsgraad:
Maar voor de ruimte en Gene Zijde is het mensdom opgelost, want u vertegenwoordigt nu een graad als gevoel, als geestelijke stof waarin u als vader en moeder leeft.
En dat is een wereld, dat is een sfeer, dat is een ruimte, dat is de goddelijke vertegenwoordiging als mens.
Lezingen Deel 3, 1952
Alles wat we zien is een evolutiegraad van het leven:
Wij kennen géén koningen en koninginnen op Aarde, alléén levensgraden!
Wij kénnen géén mensen!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 3, 1944
Wanneer het leven tot de voordierlijke gevoelsgraad is gekomen, komt het als menselijke persoonlijkheid tot disharmonisch handelen, omdat het op dat moment nog niet bewust is van de harmonie van de eigen Albron en Almoeder:
Dát zijn de Goddelijke rechtvaardigheidswetten en dat werd ons verkregen voordierlijke bewustzijn, doch ook voor al het andere leven.
Nog zijn macro- en microkosmos één en nog is de ziel zeker van haar levensgraden.
Haar levenswetten voerden haar echter tot de disharmonie, waarvan wij de eerste levenswetten mochten beleven.
Wat ik thans voel, mijn meester, is, dat wij haar oorzaak en gevolg moeten volgen, om haar straks terug te zien in haar duistere wereld, de hellen, zoals men dat op Aarde, het voor het huidige stadium noemt.
De evolutie voerde haar tot disharmonisch leven en dat was niet te voorkomen, stel ik nu vast en hebben wij te aanvaarden.
Ook komt er tot mijn leven, of dat wel door de „Almoeder” is bedoeld, een Goddelijke vraag dus, die wij moeten beantwoorden.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
De meesters uit het bewuste Al verklaren waarom we deze disharmonie niet konden overslaan:
Stuurde de „Almoeder” ons, zichzelf soms, bewust naar deze levenswetten, waarvan wij er niet één hebben begrepen?
Ik ga voelen, wat het bewuste „AL”, de „Universiteit van Christus” van mijn leven en bewustzijn wil, zodat ik u kan antwoorden.
Wij hebben thans te aanvaarden en ook die Goddelijke wetten hebben wij óp de Maan mogen beleven, dat (niet) wij deze niet-bewuste levensgraden beleven, deze dierlijke afstemmingen, doch de „Almoeder” zélf!
En dat is nu een machtig verschil en hebben wij mensen niets meer te vertellen.
Het is de „Almoeder” die zichzelf heeft verstoffelijkt als een menselijke en geestelijke levensgraad.
Voelt gij dit, mijn meester?
Dit woord is ontzagwekkend!
Want het neemt álle menselijke vragen weg, die voor het huidige stadium gesteld worden.
De mens vraagt:
Waarom maakte God ons niet ineens af?
Waarom moeten wij ellende beleven, als God liefde is?
Waarom moest de mens eerst door deze duistere, voordierlijke levenswetten, vragen wij!
En dan kunnen wij antwoorden, de „Albron” is het!
De Almoeder!
De Alvader!
De Algeest!
De Alziel! ... die zichzelf als menselijk en dierlijk leven heeft verstoffelijkt, doch waardoor wij als mens het eigen leven ontvingen.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Onze ziel als onze Albron groeit in bewustzijn door alle disharmonie heen:
De „Albron” zal zich dus verstoffelijken en vergeestelijken, doch daarvan stellen wij de disharmonie vast, als mens, als leven van God.
Het was niet anders mogelijk, hier moet de ziel doorheen, doch haar Goddelijke afstemming zal haar voor álgehele ondergang beschermen.”
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Het disharmonische handelen is slechts een tijdelijk aspect van de ontwakende persoonlijkheid van onze eeuwige ziel:
Wat is een Mens?
Kent het aardse wezen zichzelf?
Heeft dit wezen geen minderwaardigheidscomplex gekregen door zijn eigen disharmonie?
Archief, 1945
Onze kosmische reis voert ons door zeven kosmische levensgraden om ons ruimtelijke bewustzijn te ontwikkelen:
Er kwamen graden tot stand, zeven overgangen noemen we dat, en die zeven overgangen om het vader- en moederschap te beleven zien wij aanstonds in de ruimte terug als macrokosmische levens.
Als de Eerste, de Tweede, de Derde, de Vierde, de Vijfde, de Zesde en de Zevende Kosmische Graad, om dan als mens het Al, het goddelijke Al te betreden en zijt ge een godheid.
U bent nu een menselijk deel van uw ... van de Albron – ook een godheid – maar voor uw ruimtelijke bewustzijn, uw goddelijk karakter bent u eerst ménselijk bewust.
We hebben ruimtelijk bewustzijn, we krijgen goddelijk bewustzijn en daarvan ontleden en verklaren wij u thans de wetten.
Lezingen Deel 1, 1950