Mozes en de profeten -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘Mozes en de profeten’.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘Mozes en de profeten’.

Vanaf de oertijd

De meesters stonden voor de enorme opgave om een geloof te brengen aan ‘wilden’:
De mens voelt zich, hij jaagt, hij sterft voor zichzelf.
Hij weet van een hogere liefde niets af.
Hij eet, hij drinkt en aan die ‘wilden’, die menselijke hyena’s, die kinderen moeten een geloof, moeten een wijsheid, zullen een wetenschap ontvangen.
Want zó is het begonnen.
Lezingen Deel 1, 1950
Ze hadden leven, zij konden één-zijn met Moeder Natuur.
Zij gingen baden, ze gingen zwemmen, ze gingen op jacht, meer was er niet.
Meer was er niet.
Meer konden zij ook niet verwerken noch beleven.
Lezingen Deel 1, 1950
De meesters konden niet over wedergeboorte gaan spreken:
‘Nee’, zeiden ze – wedergeboorte, dat woordje moest nog komen – ‘u kunt weer terug, u kunt terug en door dit terugkeren gaan wij verder.’
Dat was reeds wijsheid voor miljoenen jaren terug.
Die mensen konden het u nog niet vertellen, die kon men het op aarde niet geven, want wanneer ze gingen spreken en wanneer ze de mensen gingen bezielen, hoorde men hun niet.
Zij moesten volkomen één zijn met de stoffelijke mens, met dit innerlijke leven, maar dan nam de aarde de stof alweer weg.
De mens leefde hier, had hier houvast, van dat onzichtbare voelde en zag de mens niets.
Lezingen Deel 1, 1950
Ze hebben geprobeerd om de aardse mens geestelijk voedsel te geven:
Ze hebben het geprobeerd om af te dalen in die mensen om die mensen te voeden; ze komen niet verder.
Lezingen Deel 1, 1950
Maar de aardse mens voelde hen niet:
Hoe moeten wij doen om die mensen van die maatschappij, van het oerwoud, dat wilde gedoe daar los te maken en het te brengen waarin wij leven?
Door wat praatjes, wat kletspraat?
Praat u maar, zingt u maar, schreeuwt u maar: ‘Wij zijn hier, hoort u ons niet?
Hier zijn we!’
De mens loopt eenvoudig door deze onzichtbare levens heen.
De mens zegt niet: ga weg, ik ben hier.
Nee, men ziet die wezens niet.
Deze levens zijn onzichtbaar.
Het innerlijke oog is nog niet ontwaakt, de helderziende is nog niet ontstaan.
En toch leeft men daar.
Men heeft smart, men heeft gevoel: men moet deze mensheid tot ontwaking brengen.
‘Maar ze moeten weten dat wij leven!
Achter de kist is er geen dood.
We moeten ... we voelen ons ruimtelijk diep!
Dit alles behoort ons toe, ik ben eigenlijk reeds als deze Albron!’
Dat voelde elk mens, de man, de moeder.
Ze kunnen kinderen baren, ze kunnen contact krijgen met die massa, maar wat kunnen wij bereiken?
Niets, niets, niets!
Dan komt de meester, de ‘engelen’, het ruimtelijke, geestelijke ontzag en die bewustwording tot eenheid.
Ze gaan ... ze zitten bijeen en analyseren voor zichzelf hoe die verbinding op aarde te brengen.
Hoe had de mens in die tijd moeten denken?
Wat hadden die meesters, wat hadden die vaders en die moeders van ons moeten doen om die levens op aarde in dat onbewustzijn op te trekken en die mensen het gevoel te schenken dat er een Alkracht is, een Albron, een brok leven, een kracht die denkt, die voelt, die bezielt, die vader en moeder is, die ons alles geeft, die licht is en duisternis?
Hoe komen wij tot die bron?
Hoe kunnen wij die mensen tot de bezieling voeren, tot het weten?
Lezingen Deel 1, 1950
Ze wisten als ze het woord ‘God’ brachten en de mens op aarde dat tot zijn eigen beperkt begrip ging terugvoeren, het dan onwaarheid zou worden, maar de allesomvattende werkelijkheid van de Albron kon de mens op aarde toen nog niet begrijpen:
Weer gaan ze en moeten ze terug naar de aarde om het nóg eens te proberen, want ze weten: ze leggen de mensen aan onwaarheid vast, leugens en bedrog, want de werkelijkheid is nog niet te beleven noch te aanvaarden.
Wat nu?
Nog eens proberen!
Zeker duizenden malen, uren en uren, dagen en maanden – volgens uw tijd – is er gedacht, gevoeld en gesproken over deze ontwikkeling, over dit contact, om de mens op te trekken, tot de innerlijke God te voeren, want zij zijn innerlijke, geestelijke Goden.
Tot daar ...
Zij weten precies dat zij verder kunnen, graad na graad wakker zullen maken, want zij weten: door mijn denken, door mijn voelen, door mijn daad heb ik in die ruimte licht gebracht.
Licht, licht, licht ... daar, daar, overal.
Door elke gedachte brengen zij licht, omdat zij deel zijn van die ruimte, omdat elke gedachte uit de Albron gekomen is en die Albron niets anders heeft gedaan.
Dat manifesteren van die Albron – zij hebben er nog geen naam voor – die kracht, die werking heeft niet anders gedaan dan zij nu doen.
En dat ligt nu in de handen van de mens!
Dat zal u aanstonds duidelijk worden.
Lezingen Deel 1, 1950
En inderdaad, de mens op aarde heeft er later een dogma van gemaakt, een God die verdoemt:
Dan voelt u de macht van uw maatschappij, dan voelt u het bewustzijn van de miljoenen op aarde.
Dan kunt u niet zeggen: mijn God, mijn God, wat zijn wij ver.
Maar daarnaast zijt ge weer straatarm, omdat gij, die massa dan, de theoloog, de miljoenen die aan de dogmatische stellingen vastzitten, de duisternis nog hebben te aanvaarden, want er is nog altijd iemand hierboven of in de ruimte die verdoemt!
En dát trappen wij in elkaar!
Dát slaan we de eigen kroon van het hoofd, want dat ís er niet.
Dat hebben deze miljoenen kunnen beleven en moeten vaststellen, dat hebben zij moeten aanvaarden!
Het gaat niet, op aarde gaat het niet.
Die miljoenen zijn te bereiken; u kunt erin afdalen, u kunt erin spreken en drinken.
U kunt die gevoelens opstuwen, maar er zijn duizenden karaktertrekken daar, eigenschappen – muren zijn het – die u moet overwinnen.
Lezingen Deel 1, 1950
Toch moest er eerst een geloof komen om het oerwoudbewustzijn te ontstijgen:
Indien er geen geloof was – Mozes bracht geloof – indien de mensheid geen geloof had gekregen, dan leefden we, dan leefde u nog, de hele mensheid nog in het oerwoud.
Door het geloof is de maatschappij opgebouwd, zijn er rechtswetenschappen bedacht, bevoeld, geschapen.
Door Mozes, allemaal door Mozes, langzaamaan.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Dat geloof was nodig voor de massa.
Daarnaast bouwden de meesters ook aan de metafysische weg voor de enkelingen die zich gingen verdiepen in de occulte levenswetten:
Intussen zijn de meesters – heb ik u verteld – om de mensheid heengegaan en hebben de occulte levenswetten verstoffelijkt.
De eerste magiërs kwamen, de tempels ontstonden.
China, Brits-Indië?
Neen, het oude Egypte, de tempels van Ra, Ré en Isis kwamen tot stand.
Daar zonderden zich mensen af en kwamen reeds tot eenheid met een bloem; waarom ook niet.
Maar de massa ... dat waren maar enkelingen die het gevoel kregen om de occulte wetten te beleven, dat waren maar enkelingen, maar nu die ontzagwekkende massa, om die massa vast te leggen en te binden aan goddelijk gezag, daar was een geloof voor nodig.
De mens in de tempels krijgt het directe metafysische, ruimtelijke, geestelijke weten.
De mens op aarde moet nog maar geloven, maar wie zich afstemt op een bloem, krijgt het.
Wie zich afstemt op licht, nacht en zich gaat afvragen: ‘Waarom moet ik sterven?
Wat is dat, een dood?’ die mens wordt aangetrokken en bezield door iets anders.
Het is toch wel merkwaardig, wanneer gij in uw eigen tijd even afdaalt in uw voelen en denken en uw eerste gevoel ontwaakt en u zich gaat afvragen: ‘Wat is dood, wat is doodgaan?
Ik wil er toch wel meer van weten’, dan ontwaakt er onmiddellijk iets en komt de ruimte, de goddelijke levensruimte, neen, de bewuste macrokosmos, de astrale wereld op uw leven af, bezielt u en verruimt die gevoelens.
Is het niet zo?
Die onfeilbare wet hebt ge allen leren kennen en hebben de miljoenen die nu in de astrale wereld leven en het Al bevolken, geleerd.
Die hebben ze daar moeten ondergaan, ze hebben zich die wetten eigen gemaakt en kunnen ze terugschenken aan de mens die nog het onbewuste bezit, die nog in het onbewustzijn, in de duisternis leeft.
De mens op aarde krijgt gevoel, krijgt weten, krijgt een geloof.
Lezingen Deel 2, 1951

Stoffelijke ontwikkeling

De meesters brachten eerst stoffelijke ontwikkeling:
Weinige eeuwen terug leefde de mensheid nog in het oerwoud in holen en krotten.
Zij maakte zich daar echter goeddeels van los.
Elke dag ontspruiten nieuwe gedachten, die zich openbaren vanuit uw menselijk bestaan, uw menselijke ziel, elk ogenblik beleeft ge nieuwe wonderen, de openbaringen voor uw eigen zijn.
Maar dit alles bracht u niet naar de hogere stadia.
Alles volgend moeten wij aanvaarden, dat vanuit een ander bestaan, uit de astrale wereld, wezens naar de aarde terugkeren om u voor die hogere bewustwording te bezielen.
Hun eerste werk was, de mensheid een beter bestaan te schenken.
De holen en krotten vervielen, er kwamen steden; er werd handelgedreven, de mens beploegde het land, hij kweekte vruchtbomen aan, de wildernis werd door het leven als ziel, door de stoffelijke persoonlijkheid gevormd.
Archief, 1945
De meesters uit de zevende lichtsfeer ontvingen hun inspiraties uit de hogere kosmische levensgraden:
De meesters uit de zevende sfeer hebben deze berichten opgenomen, ze kwamen als nu uit de ruimte en hadden die te aanvaarden.
Ze wisten: waarheid, liefde, welwillendheid, rechtvaardigheid leefden er onder deze harten.
En nu begint de astrale wereld, de meesters beginnen om op aarde contact te leggen.
Ze waren reeds bezig, ze hebben dat en die dingen reeds op aarde gebracht.
Ze hebben vuur geschapen; ze hebben steentjes over elkaar geschuurd, een vlam ontstond er.
Maar de eigenlijke maatschappij, de menselijke ontwikkeling moet nog plaatsvinden.
De mens heeft een geloof nodig, de mens heeft ontzag nodig, de mens weet niet wat dit alles te betekenen heeft.
De mens moet men terugvoeren naar de goddelijke geboorte, naar God, door het vader- en moederschap.
Er zullen universiteiten worden opgebouwd.
Er zal een wetenschap ontstaan.
Er zal een geloof komen op aarde en dat geloof wordt later, over eeuwen ... wéten!
Lezingen Deel 1, 1950

Leven na de dood

Toen Mozes na zijn laatste leven op aarde in het hiernamaals tot bewustzijn kwam en vragen ging stellen aan zijn meester, kreeg hij te horen waarom het brengen van een geloof in God noodzakelijk was:
Hebben wij er verkeerd aan gedaan, Mozes, door de mensheid een geloof te schenken?
Alleen door het zwaard wil de stoffelijke mens ontwaken, er was voor ons dus geen ander middel.
Hij stond ons geen ander toe!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Toen Mozes begreep dat zijn meester als God tot hem had gesproken, vroeg hij zich af waarom hij zich niet als geestelijke meester had bekend gemaakt:
„Maar waarom is die massa onwaarheid gegeven, meester?”
„Hebt ge dan niet gezien, dat de meesters het eerst op een andere wijze probeerden.
Zij spraken door de gevoeligen en maakten zich bekend als mensen, die de Aarde voorgoed hadden verlaten, die opgenomen waren in het leven na de dood.
Maar wat deden de mensen?
Aanvaardden zij ons?
Ze sloegen de goedgelovigen dood en beroofden ons zo van onze instrumenten!
Zouden wij zelf op Aarde het astrale wezen aanvaard hebben?
Weet de stoffelijke mens iets van deze persoonlijkheid en z’n denken en voelen af?
Neen, Mozes, wij kónden niet anders handelen en moesten ons voor God uitgeven.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
„Zal de mensheid dit eens weten, meester?”
„Vanzelfsprekend komt het zover.
Anderen, die na ons komen, zullen deze wijsheid op Aarde brengen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Ze zullen weten, dat niet God, maar de meesters tot ons spraken.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De mensheid kreeg een geloof omdat ze als massa niet op een metafysische wijze overtuigd kon worden:
En toen kreeg de mensheid een denken, een geloof.
Want de mensheid was metafysisch, direct ten opzichte van God achter de kist, niet te overtuigen.
Dus men kreeg een geloof.
De meesters begonnen te werken.
De mens die achter de kist kwam in de astrale wereld keerde terug en zag dat hij leefde.
Toen begon hij te denken.
Dat is de werkelijkheid.
En toen werd Mozes geboren.
En wat ze er nu in al die eeuwen van gemaakt hebben!
Er is van die goddelijkheid niet veel meer over.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952

De Oppermacht

De meesters uit het Al geven aan de meesters uit de zevende lichtsfeer door hoe zij de mensheid tot bewustwording kunnen brengen:
Eens leefden wij op de Aarde als gij.
De Goddelijke sferen hebben ons opgenomen en toch weten wij, hoe gij denkt en voelt en hoe het leven op Aarde nu is.
Laat u dit tot steun zijn.
De aardse mensheid moet door u tot ontwaking gebracht worden.
Zet alles van uzelf daarvoor in, zoals ook wij onszelf daarvoor hebben ingezet.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Goddelijk is al het leven in de ruimte.
Spreek tot de mensheid als God, of gij wordt niet gehoord.
Baan voor ons de weg, wij komen terug naar de Aarde.
Voor de bewustwording van de mensheid zal de meester uit het Al naar de Aarde afdalen en er geboren worden!
Door hem zal de mensheid tot ontwaking komen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Alléén het bewúste gevoel zal naar God kunnen luisteren.
Werk dus aan het bewustzijn van de mens en geef daartoe aan het woord de Goddelijke betekenis!”
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941

Schemerland

Voor het brengen van een geloof hadden de meesters mensen nodig die vanuit het schemerland op aarde konden reïncarneren:
En nu worden er mensen geboren die de eerste sfeer reeds hebben bereikt?
Nee, de mens uit het schemerland, éven daaronder, die reeds het licht ziet, die het licht reeds waarneemt en in zich opneemt, die mensen gaan verlangen.
Die mensen kunnen stuwen, bezielen, kunnen spreken, hebben een hogere intuïtie, zijn mentaal, zijn ijlbezield.
De mens in de eerste sfeer is vrij van hartstocht en geweld, van afbraak en vernietiging en onrechtvaardigheden.
De mens onder de eerste sfeer, die nog niet zover is, maar die gereed is om zichzelf tot de ontwaking te voeren, die mensen heeft men nodig om de mens in de stof te bezielen.
En die mensen voelen zich, zij kunnen vragen: ‘Wat leeft er hier?
Is er meer?
Ik zie toch iets, ik voel toch iets, ik kijk hier doorheen.’
Ja, zij zien daar die mist, een schemerachtige wereld, die is er overal.
Ze zien vanuit de stof zichzelf.
Ze zien terug naar het ogenblik toen ze daar astraal-geestelijk waren.
Lezingen Deel 1, 1950
En nu dalen de meesters naar het schemerland af.
Want ik zei u: de eerste sfeer is er niet toe in staat, die mensen wéten, die kunnen niet meer in onwaarheid, in kletspraat, in bedrog leven; dat gevoel is niet meer aanwezig.
Ze zijn in harmonie met de natuur, ze spreken met de ruimte en met het licht.
Ze kunnen alleen dienen, werken, hun kracht, hun bezieling, hun gevoel geven aan alles, maar niet voor de afbraak, niet voor onzin, niet voor en door dat leven dat hieronder leeft, dan staan ze machteloos.
Want ze weten: ze gaan terug tot de onwetendheid en zijn nu leeg aan gevoel.
Dus de menselijke machine wordt niet stukgedraaid.
Die menselijke machine kan alleen werken wanneer die machine, wanneer die weefsels, wanneer die stelsels in harmonie zijn met het oneindige, met het universum, met ziel, geest en stof.
Vanzelfsprekend bevinden zich mensen gereed in het schemerland.
Er zijn er daar die vragen, die smeken: ‘Maar waarom kan ik niet terug?
Daar ligt mijn vader, daar ligt mijn moeder.
Ze kennen me niet!’
En één van hen is vader – de eerste vader – Abraham.
Dit is nu Abraham die vraagt, die smeekt: ‘Laat mij terug, geef mij een nieuw lichaam, ik zal die massa even optrekken.
Ik heb leven, ik heb bezieling, ik heb gezond en ik heb licht, ik heb alles en daar weet men niets.
Daar ligt mijn vader; moet u ze zien, moet u mijn moeder zien, moet u mijn broertjes zien, mijn zusjes.
Mijn God, ik sta erin, ik lééf in hen, hoort ge me dan niet?’
Nee, u wordt niet gehoord.
Lezingen Deel 1, 1950
Toen kreeg een man in het schemerland het verlangen om zijn kennis op aarde te brengen:
Toen ging deze mens verlangen, een man, een scheppende kracht.
Deze voert zich op, hij komt in een schemerachtige toestand.
Hij hoort spreken, hij hoort ‘voelen en denken’, en in deze stilte hoort hij: ‘Hoort ge mij?
Ik ben de Heer.
Ga terug tot daar en verlos uw vader en moeder uit deze duisternis.
Ik zal u het gevoel geven om deze massa te binden, één te brengen tot mij.
Ik ben meester.’
Maar deze meester noemt zich Heer en meester over alles.
‘Waarachtig, ik ben de Heer, ik ben het gevoel, ik ben licht, ik ben leven, ik ben liefde’, dat had men deze Abraham niet behoeven te vertellen, want dat had dit kind niet geloofd, niet gevoeld!
Wat wist Abraham daar van de tweede, van de derde, van de vierde of van de vijfde, van de zesde, van de zevende sfeer af?
Lezingen Deel 1, 1950

Abraham en de profeten

Abraham ontwaakte op aarde:
Deze mens wordt geboren, deze mens wordt wakker.
Deze mens gaat denken, hij gaat huwen.
En dit nu, mijn zusters en broeders, wanneer dit kind opgroeit bij een moeder die nog niets wist, die van dit kind geen gevoel had, maar in haar voelde: er leeft daar iets, wat is dat?
Die woorden zijn nog niet te vertolken, men had nog geen psychologie, men kende de ziel niet, het gevoelsleven niet.
In haar is er een bron tot uitdijing gekomen.
Dit leven wordt wakker gemaakt, vanzelfsprekend door de meesters wakker gehouden.
Met dit gevoel zal dit kind ontwaken, en zal het vader Abraham heten.
Abraham komt op aarde.
Lezingen Deel 1, 1950
Al in zijn jeugd voelde Abraham zijn missie:
Het kind Abraham walst en springt en danst over de aarde en heeft een zending te volbrengen.
Dit eerste kind uit het schemerland, uit het leven na de dood komt terug en zegt: ‘Ja ...’
Als het zeven, als het acht, als het negen jaar is, voelt de moeder al: wat is er in dat kind?
Dit kind is anders.
En dan komt het gevoel tot ontwaking: eenheid.
De eerste fundamenten zijn gelegd.
Níéts is er in de Bijbel geschreven over het eerste denken en voelen van vader Abraham, want die gevoelens die heeft men niet meer kunnen opvangen.
Men heeft later alleen maar dit eerste voelen en denken aangepast aan de gedachten van de mens die dan de Bijbelschrijver zou zijn, die deze gedichten, deze verhaaltjes samen zou voegen en er een begin van zou maken.
Lezingen Deel 1, 1950
Hij hoorde de meester spreken:
Wie, vraag ik u nu, sprak er tot de aartsvaders, wie sprak er tot Noach, tot Abraham, Isaak en Jakob, tot Mozes?
Wás het God?
Neen, lezers, het waren – en u zult het al wel begrepen hebben – de meesters van Gene Zijde!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Maar dat werd de ene en almachtige God:
Waarom noemden zij zich dan God, hoor ik u al vragen.
Dit is het antwoord: Als de meesters zich aan hen hadden geopenbaard als astrale wezens, zouden ze hen nimmer aanvaard hebben.
In hun bovennatuurlijke verschijning kón de mens niet anders dan God zien.
De meesters lieten het bewust zo en versterkten in de mens het gevoel, dat hij God zélf zag, die ene en Almachtige God, Die de mens van nu af aan moest verkiezen boven de vele goden en halfgoden, die hij aanbeden had.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De ene mens na de andere ging nu geloven in de Heer:
Abraham huwt, er komen kinderen.
Er komen ...
Abraham, Vader, Isaak en Jakob, het Huis manifesteert zich, het dijt uit.
Het ene leven gaat over, het andere komt terug.
De verhalen verspreiden zich, de Heer die spreekt.
De eerste wijsheid wordt ontvangen, beleefd, uitgezonden en aanvaard.
Vierentwintig, dertien, veertien, vijftien, zestien, zeventien, achttien, negentien, twintig, eenentwintig, gaat u maar door, vijfendertig, vierenzestig mensen geloven van deze mens dat er een leven is achter de kist?
Nee, dat er een Heer bestaat die alles heeft geschapen.
En: doe dat niet, of gij zijt verloren, en: ga daar niet heen, want de Heer zegt ...
En nu komt woord na woord tot ontwaking, er komen mooie verhaaltjes.
Lezingen Deel 1, 1950
Er leven bil-, miljoenen mensen op aarde, maar die zijn nog niet gereed.
Hier is er een kern gelegd.
Lezingen Deel 1, 1950
In de boeken van Jozef Rulof wordt deze groep mensen het Huis Israël genoemd:
Zo is de eerste gedachte, zo is het Huis Israël – Israël, wat ontwaking betekent, geestelijke bewustwording – ontstaan en geboren.
Lezingen Deel 1, 1950
De ene profeet na de andere kreeg meer bewustzijn:
Dat was de eerste vader, Abraham.
Toen kwam Isaak.
Of dat een neef of een oom van hem geweest is, doet er niet toe.
Want de kerk heeft daar iets moois van gemaakt.
En later kwam Mozes.
Weer hoger bewustzijn.
En ga nu eens verder.
De ene profeet na de andere kreeg meer, meer, meer, meer bewustzijn, totdat er één mens is die zegt: ‘En nu zal het geschieden.’
Dat was Johannes de Doper, dat was het hoogste bewustzijn voor de ruimte.
Niet Jesaja.
Want er zijn er die hebben nonsens verteld.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
De profeten bereidden de komst van Christus voor:
De meesters leggen de fundamenten voor „Christus” ... de hoogste meester in het „AL”.
Al de profeten praten over Hem.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Men noemt het profeten, het zijn rebellen.
Ze wéten nog niet beter, ze dienen het kwaad, ze dienen het goede.
Ze hebben de zweep, ze hebben de liefde.
Ze vertolken een bloem en het dierenrijk.
Ze wéten niet beter en dat zijn de eerste grofstoffelijke fundamenten voor hetgeen dat aanstonds het goddelijke universele zal zijn, de Universiteit van Christus.
In een hol in de grond leeft de mens die voor God dient.
Dan komt er een huisje, een paar palen worden opgetrokken.
De mens neemt bezit van deze omgeving en heeft het gevoel het andere leven wakker te schudden, het te dwingen om naar boven te kijken, want dit behoort óns; maar het behoort ons niet toe.
Wij hebben ons deze wetten, deze ruimte eigen te maken.
Lezingen Deel 1, 1950
Het geloof werd op aarde gebracht als een eerste denken:
Ze hebben een geloof op aarde gebracht, voordat de Bijbel begon.
Ze hebben gebracht een Huis op aarde, een kern, een vader en een moeder, daarmede is de mensheid begonnen.
Die mensen begonnen te denken, want de mens, de miljoenen op aarde kónden nog niet denken, het ging alleen om bezit.
Egypte, en waar de mens leefde, het ging om de sterkste.
De sterkste had alles, de zwakken leefden in het oerwoud, werden gemarteld en afgemaakt.
Toen begon men te denken.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Het zijn de meesters van Gene Zijde, die, gesteund door hun kosmische bewustzijn, door hun kennis van de astrale wetten, door hun liefde, het aardse gebeuren in handen hebben genomen.
Zij spraken tot Abraham, tot Jakob, tot Mozes, zij brachten de goedwillende elementen onder de mensheid bijeen en voerden hun kracht naar buiten op.
Ze maakten daarbij gebruik van de nog op geweld en vernietiging gestemde eigenschappen van deze mensen, maar leidden die in de goede richting en maakten haar ondergeschikt aan hun vérstrekkende plannen.
Veel van wat deze nog onbeholpen en onbewuste instrumenten bedreven, is dus niet terug te voeren op de meesters.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Met dit materiaal moesten de meesters werken.
Hoe ze desondanks hun doel bereikten, zal ik thans gaan vertellen en daar wacht ons allereerst de beschrijving van Mozes’ leven.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941

God

Meerdere mensen voelden zich nu geleid door hun God:
Er zijn reeds zielen, die zich afzonderen en aan een hoger leven beginnen.
Zij voelen scherper dan de massa, dat een hogere macht bezig is op de mensen in te werken.
Zij spreken al over een God, over een oppermacht, die mens en dier en wereld geschapen heeft.
Verscheidene van hun leiders zijn door die God aangeraakt.
Hij sprak hen toe en gebood hun Hem te dienen en de andere stammen van Zijn bestaan en Zijn geboden te spreken.
Zij ondervinden, dat hun God hen leidt en bijstaat en ze putten kracht uit Zijn steun.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De meesters hebben die mensen bijeengehouden:
De meesters zien dat het goed gaat.
Maar eeuwen en eeuwen zijn er nodig om dit kleine plukje gevoel, deze paar zielen, deze mensenkindertjes bijeen te houden.
Lezingen Deel 1, 1950
De groep had een krachtdadige leider nodig:
Wie is ertoe geschikt de domme, zich in hartstocht uitlevende massa wakker te schudden en zo nodig krachtdadig de ogen te openen voor de geestelijke zijden van dit leven?
De meesters weten het antwoord op de vragen.
De mens, die deze gewichtige taak vervullen zal, leeft aan Gene Zijde, maar weet zelf nog niet wat hem wacht.
Deze mens toeft in het schemerland en hij is een van de velen, die zich afvragen, wat hij voor het geestelijk ontwaken van de mensheid kan doen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Hij heet nog geen Mozes, maar die naam zal hij later krijgen, want hij zal bij zijn eigen familie, waarvoor eerst Abraham, Isaak en Jakob geboren zullen worden, komen!
Maskers en Mensen, 1948
Deze man wilde op aarde gaan getuigen dat de ziel de dood overwint:
Moet het leven op Aarde zo voortgaan, overpeinst hij, walgend van de brute zinnelijkheid, waaraan dit leven zich zonder ophouden overgeeft.
De mens denkt niet, leeft zich slechts uit en beseft niet, hoe hij zichzelf erdoor vernietigt.
Hoe wil deze mensheid dan weten, dat er een leven na de dood is?
Dat er een andere wereld bestaat, waarin de ziel verder leeft?
Daarvan, zo voelt deze mens, moet de massa weten, anders is zij niet op te trekken.
Hij zou weer terug willen zijn op Aarde en staande te midden van de mensen willen getuigen, dat de ziel na de dood verder leeft.
Hij zou hem toe willen schreeuwen, zich af te keren van de hartstocht en zich te gaan voorbereiden op het leven na de dood.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Hij vroeg zich af hoe hij opnieuw geboren kon worden:
Maar hoe zou hij opnieuw geboren kunnen worden, hij, die de Aarde voorgoed verlaten heeft?
Zou de Oppermacht zijn wens niet waar kunnen maken?
Men spreekt er hierover, dat er voortgang is, de mens hoger en hoger kan gaan.
Er moeten werelden zijn, waar het altijd licht is en zielen wonen, die zich bewusten kunnen noemen.
Zijn zij niet in staat hem te helpen?
Hij verlaat zijn schemeroord en daalt af naar de Aarde.
Hier gaat hij van stad tot stad en volgt de bewoners ervan.
Hij neemt waar, hoe meedogenloos het ene leven het andere behandelt, hij ziet de verdrukten en de rijken der Aarde.
Hij staat midden in hen, op de dag en in de nacht, en blijft zichzelf, ook als hij beleeft, hoe man en vrouw één zijn.
Hij zoekt deze belevenis niet meer, dit hoort de aardse mens toe.
Hij kent deze wetten, hij heeft die als stoffelijk mens en als astrale persoonlijkheid beleefd.
Hij wil slechts dienen en verlangt ernaar opnieuw op Aarde geboren te worden.
Maar wie geeft hem het nieuwe organisme?
Hij daalt in de moeder af, juist op het ogenblik, dat de bevruchting plaatsvindt.
Zo hoopt hij een nieuw lichaam te ontvangen.
Maar hij moet ervaren, dat het een andere ziel is, die aangetrokken wordt en hem buitensluit.
Hij moet uit de moeder gaan, dit is niet voor hem.
Wie staat het deze ziel toe in de moeder af te dalen om een nieuw lichaam te ontvangen?
Welke kracht, welke macht beschikt het zo?
Zijn deze wetten niet in eigen handen te krijgen?
Waar valt dit te leren?
Ik wil naar de Aarde terugkeren en er opnieuw leven.
Ik wil die domme massa helpen, wakker te worden.
Zie toch eens hoe stakkerig ze zijn.
Wat zullen ze veel goed te maken krijgen, wat moest ik al niet lijden, omdat ik mezelf en het leven niet kende!
Ik zou op hen in willen hakken, hard, hard, om hun toch maar aan het verstand te brengen, dat ze bezig zijn zichzelf te vernietigen.
Hóe kan ik opnieuw geboren worden?
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De meester sprak tot Mozes in het schemerland:
De meesters – heb ik u verklaard – konden niet anders doen dan de massa op aarde door Mozes aan goddelijke wetten vast te leggen.
Ik heb u die lezingen gegeven, we waren één met die duisternis.
Mozes in zijn sfeer, die arme ziel, pratende, vragende, smekende: ‘Gééf mij een organisme, opdat ik mijn ouders, mijn zusters, mijn broeders en die wilde bende daar kan overtuigen.
Ik lééf en niemand weet het!’
We hebben gezien dat de meester tot Mozes afdaalde en hem voor de goddelijke waarachtigheid plaatste, want hij kan zeggen: ‘Ik ben God.’
‘Zijt gij God?’ zei Mozes, vraagt deze ziel.
‘Ik ben op afstemming met de goddelijke wetten.
In mij ligt er, leeft er de kracht om u een nieuw lichaam te schenken, een nieuw organisme om uw taak daar te kunnen voortzetten, om iets voor uw zusters en uw broeders, uw vaders en uw moeders te kunnen doen.’
En wat geschiedt er nu met het leven dat het woord ontvangt van de meester, dat dan eigenlijk als een genade moet zijn?
Neen, die meester weet als een goddelijke bewuste, als een ruimtelijk gevoelsleven weet deze meester dat Mozes, dat de ziel, de persoonlijkheid zelf aan die opbouw, aan dat verlangen moet beginnen.
Indien men Mozes, indien men dit leven vól had gepraat en die geest, die persoonlijkheid telkens weer tot hem terug was gekomen en hem mooie verhalen had geschonken en dit leven begint er niet aan, dan had Mozes, dan had deze persoonlijkheid daar gebleven, in die mist, in dat schemerland.
Hoort u het?
Mozes leefde in een mist, in een schemerland, waar hij ondanks zijn onbewustzijn een goddelijke taak kreeg te vervullen.
Vanuit dit schemerland kwam hij naar de aarde terug en kreeg hij een machtige taak in zijn handen.
Maar daarboven, ver van zijn leven vandaan, miljoenen lichtjaren voor te denken en te voelen en liefde te geven, daar leefde de eerste sfeer en daarin waren mil-, miljoenen mensen gereed, mannen en vrouwen, om die taak te vervullen.
Maar zij mochten die taak niet aanvaarden.
Zij konden die taak niet aanvaarden, want zij leefden in de waarheid, in de rechtvaardigheid, in het bewustzijn voor de liefde.
Dat de ruimte, dat God, dat de meesters Mozes hebben bezield, is een ontzagwekkende levenswet en een levensruimte voor de maatschappij en zal zich in de toekomst manifesteren.
Want hier spreekt de goddelijke rechtvaardigheid als een machtige persoonlijkheid, een God van liefde.
Want de meester kan u niet optrekken, kan u geen taak geven, u kunt niet verbonden worden met die rechtvaardigheid en die levenswet voor de waarheid indien gij dat licht, die liefde nog niet bezit.
Lezingen Deel 2, 1951
Een meester uit de zevende sfeer sprak als God:
Mozes leefde aan Gene Zijde in het schemerland.
Hij beleefde, dat er geen dood was en keerde terug naar de Aarde, doch als astrale persoonlijkheid.
Op Aarde gekomen, moet hij aanvaarden, dat hij zijn geliefden niet kan bereiken.
Toen keerde deze mens tot de sferen terug en zonderde zich af.
De mens ging vragen stellen.
Dán komt de meester uit de zevende sfeer tot dit leven en krijgt de mens ontwaking.
Wat is er te beleven?
„Wilt gij naar de Aarde terug?”
„Ja, maar wie bent u?”
„Ik ben God!”
„Wat zegt u?”
„Ik ben God!”
„U kunt mij een nieuw organisme schenken?”
„Ja, dat kan ik.”
„Geef mij dan een nieuw organisme.”
„Waarvoor?”
„Ik wil mijn moeder en vader overtuigen dat ik leef.”
„Dat is mogelijk, doch wanneer u daar bent weet u van dit leven niets meer.”
„Wat zegt u?
Ik voel niets meer?”
„U zult voelen dat gij leven kunt en leven moet en dat „IK” tot uw leven heb gesproken, meer is er niet.”
„Geef mij een nieuw organisme.”
Deze mens, als vragende ziel, wordt „Mozes” op Aarde en zal voor het „Huis Israël” dienen!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Mozes vroeg wat het woord ‘God’ betekent:
„Wat betekent dit woord, ik bedoel, het woord God?”
„Het woord God betekent: Ruimte, Onmetelijkheid, het betekent Leven!
Het woord betekent: Liefde.
Wie Mij zoekt, zal het eeuwige geluk vinden.
Wie Mij waarachtig aanvaarden kan en Mij dienen wil, zal Mij leren kennen ...
Ik leef in deze ruimte en kan alles schenken, wat gij verlangt, als ge Mij maar zoekt.
Ik ben tot u gekomen, omdat gij wilt dienen.
De betekenis van Mijn leven zult gij leren kennen.
Geef de mensheid op Aarde Mijn beeld, vertel haar van uw wijsheid.
Blijf voortgaan op de weg, die u bent ingeslagen en die naar Mij voert.
De mens moet God leren kennen.
Waarin u leeft, voelt en ziet is het weten van God.
Al het leven in de ruimte vertegenwoordigt Mij als God.
God omvat álles, dit woord geeft u de betekenis van Mijn leven.
Door dit éne woord overziet gij uw eigen leven en het Mijne, álles ligt er in besloten!
Ik ben het Universum, Mijn kind.
Ik ben het leven.
Ik ben de Liefde.
Ik ben in álles.
Ik ben licht en duisternis.
Ik ben zichtbaar en onzichtbaar en Ik spreek tot u als mens en toch ben Ik God.
Dit moeten de mensen op Aarde leren kennen, eerst dan zien zij in Mijn leven.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Om te reïncarneren moest Mozes ‘geboorte’ worden:
Hij wil de nieuwe geboorte beleven: ‘Geef mij een leven, geef mij een nieuwe geboorte.
Laat mij opnieuw leven, ik wil dienen.’
Razend is de kracht van dit leven.
Bezield zoals het is, werpt het zich neer in de natuur en smeekt om een nieuw leven, een nieuw organisme.
Vanzelfsprekend zal het laatste gevoel, het ‘gram’ bewustzijn tot bezieling moeten komen voor deze mens, wil deze mens geboorte en reïncarnatie, vader- en moederschap wórden.
Dat hebben ... dat heeft dit kind beleefd, maar het kent de wetten nog niet.
Metafysische wetten spreken thans tot dit bewustzijn.
En eindelijk, onder dit gaan, onder dit voelen en denken, de smart, te willen dienen, te willen beleven, te willen werken om die mensen daar, uw vader en moeder, kinderen, op te trekken naar iets beters, krijgt dit leven vanuit de ruimte een wet te beleven en te ondergaan en lost dit bewustzijn voor de anderen op.
Lezingen Deel 1, 1950

Mozes

Mozes is zijn naam.
Als Mozes zal dit leven op Aarde geboren worden en deel uitmaken van het Huis Israël.
Aan Deze Zijde heeft men het oplossen van deze ziel in de wereld van het onbewuste gevolgd.
Niet God was het, die tot haar sprak, maar een engel, een meester in het eeuwige leven, een bewuste vonk Gods.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Mozes zal op Aarde het woord God opnieuw horen en herkennen, hij zal handelen naar het eeuwigheidsgevoel, dat in hem leeft.
Er is geestelijk bewustzijn in zijn leven gekomen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Door deze mens zullen de meesters op Aarde wonderen tot stand brengen, zij kennen de astrale wetten, ze hebben ze zich eigen mogen maken.
Uit het Al bereikte hem de opdracht met alle krachten de bewustwording van de mensheid ter hand te nemen.
Uit het Al kwam het woord God tot hen, de naam van Hem, Die Zijn schepselen als een Vader en Moeder moesten leren kennen en beminnen.
Uit het Al verkregen ze de gegevens, hóe de mensheid het geloof in Hem te brengen.
„Tot u spreekt het leven van God,” zo hadden de meesters uit het Al gesproken, en hun woorden waren door de zevende sfeer ontvangen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Mozes en de zijnen zouden onder leiding van de meesters de weg bereiden voor de hoogste meester uit het Al.
Door Mozes zullen de mensen op Aarde met het Al verbonden worden.
Hem zal het woord bereiken van de mens, die tot God was teruggekeerd en geworden was als God het wilde.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Nog zou het niet dadelijk begrepen worden, hoe simpel het ook was, voor wie de kosmische wetten kent.
Meer zouden de meesters Mozes echter onmogelijk kunnen zeggen.
De bewustzijnsgraad van de mensheid stond het niet toe!
Daarmee moesten zij rekening houden.
En wat ze door Mozes aan haar zouden schenken, zou toch al een geweldige omwenteling in de toenmalige opvattingen teweegbrengen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Wat de meesters op Aarde brengen, is aardse wijsheid en heeft nog niets met de Goddelijke realiteit uit te staan.
Doch dat komt later!
De profeten zijn ónbewust, doch ontvangen van Gene Zijde hun Occulte bewijzen.
Mozes ontvangt:
Materialisaties.
Dematerialisaties.
Geestelijke verschijnselen.
Mozes is helderhorend en helderziend!
Mozes krijgt de taak in handen om de mensheid tot de stoffelijke bewustwording te brengen.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
God wil, dat Mozes van zijn volgelingen strijders maakt.
Hij moet in staat zijn tegen de heidenen oorlog te voeren, want het zal niet lang meer duren, of men valt hem en zijn kleine kudde aan.
Hij moet dan weerstand kunnen bieden, wil hij niet met de zijnen uitgeroeid worden.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De meesters aan deze zijde zien Mozes’ kudde groeien.
Rust krijgt de stam niet, van links en rechts wordt hij aangevallen, uiteengeslagen, maar vernietigd wordt hij nimmer.
De meesters waken!
Zij leiden Mozes en de zijnen door alle gevaren heen, zij zien vooruit en kunnen het leven op Aarde in alles volgen, geheimen bestaan er niet voor hen.
Zij dalen af in de heidense aanvoerders, ze zijn de onzichtbare toeschouwers bij hun handelingen en weten erdoor wat zij in hun schild voeren.
Zij waarschuwen Mozes en zo is deze hen telkens een stap voor.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Steeds meer mensen sluiten zich bij hem aan.
Zijn wonderen nemen hun twijfel weg, het geloof ontwaakt in hen.
Bij verscheidenen openbaren zich geestelijke gaven, ze worden helderziend en ontvangen visioenen.
Deze zieners en zieneressen vormen een steun voor Mozes in zijn zware strijd.
De meesters werken niet alleen aan dit volk om het groot en sterk te maken en het verder te brengen op de geestelijke weg, zij geven het ook uitvindingen, voeren de kunst op.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Er vloeit veel bloed!
Om te bestaan en te kunnen prediken moet het ene gevecht na het andere worden geleverd.
Mozes’ kinderen doden en worden gedood.
Velen geven hun leven voor de heilige zaak.
Zullen zij in het hiernamaals een hemel binnentreden, wacht hun daar de beloning voor hun strijden en streven?
Mozes weet dat niet, verdiept er zich ook niet in, hij vecht en leert en predikt het bestaan van de Levende Almachtige God, in Wie hij met heel z’n wezen heeft leren geloven.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Steeds meer mensen sloten zich bij de groep van Mozes aan:
Door het onvermoeide werken van de meesters aan Gene Zijde en hun instrumenten op Aarde begon voor de mensheid het opwaarts gaan in stoffelijke toestand.
Zij begonnen in te werken op hen, die het meest openstonden.
Deze wonnen langzamerhand aan gevoel, hun betere-ik kreeg meer en meer de overhand en deed hen aansluiten bij de anderen, die dachten en voelden als zij.
Steeds meer mensen sloten zich bij deze kern aan.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De meesters voerden de mensheid naar het licht via de enige weg die de mens op aarde hen toestond:
Zij zijn het, die de mensheid door de dood naar het leven, door de duisternis naar het licht voeren.
Dit kost strijd en bloed, maar een ándere weg kunnen de meesters niet gaan, de mens zélf staat het niet toe!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941

Ontnuchtering

Na zijn leven op aarde ging Mozes over naar het hiernamaals:
Mozes treedt de astrale wereld binnen.
Velen van zijn kinderen zijn hem voorgegaan.
Waar zullen zij in het eeuwige leven binnentreden?
Zullen zij plaats krijgen aan Gods rechterhand?
Zij hebben hun leven ingezet, al hun krachten gegeven om de mensheid een geloof te schenken en haar de weg naar God te wijzen.
Ze hebben daartoe zonden en fouten begaan, geweld toegepast en ménsen gedood.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Mozes en de zijnen kwamen echter niet aan in een lichtsfeer:
Mozes en de zijnen vernietigden Gods leven, aan hun handen kleeft bloed, zij overtraden de wetten van God.
Het gevolg ervan is, dat Gods hemelen voor hen niet opengaan.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De meesters vingen Mozes in het hiernamaals op:
Toen Mozes zijn ogen sloot, zijn ziel zich losmaakte van zijn lichaam, droegen de meesters hem naar de astrale wereld.
Hij lag in diepe slaap.
Het duurt even voor hij ontwaakt.
Hij kijkt om zich heen, probeert te denken.
Hij voelt zich nog op Aarde, maar dan begrijpt hij plotseling, dat hij gestorven is en de Aarde verlaten heeft.
„Waar is God, waar is Zijn licht?”
Mozes ziet, dat het schemerig is om hem heen, hij voelt zich vreemd.
Alle gevoel is uit hem weg.
De tranen lopen over zijn wangen, nu hij zich z’n toestand bewust wordt.
„Waar ben ik?
Heeft God mij alleen gelaten?
Op Aárde sprak Hij tot mij, volgde Hij mij in alles en nu, waar is Hij nu?
Waarom vocht ik, waarom is al dat bloed vergoten?”
Mozes weet niet vanwaar deze gedachten in hem komen.
Hij is er zich niet van bewust, dat men hem helpt te denken.
Aangekomen in het eeuwige leven staat hij voor de opgave los te komen van het aardse leven.
Nieuwe vragen wellen in hem op.
Waar zijn z’n volgelingen?
Velen gingen hem voor naar hier.
Hij roept om hen.
Dan treedt er een engel op hem toe en deze meester zegt:
„Mozes?”
„Wie zijt gij?”
„Ik ben een kind van God, Mozes.
Ik ken u.”
„U kent mij?
Waar ben ik, waar leef ik?”
„In de wereld na de dood, Mozes.”
„Waar is God, kunt u mij dat zeggen?”
„God zult gij leren kennen, Mozes.”
„Is mijn leven daar voorbij?”
„Uw leven en uw taak zijn ten einde, Mozes.
Gij zijt de astrale wereld binnengetreden.
Uw leven na de dood is begonnen.”
De engel toont Mozes zijn leven op Aarde en zegt hem waartoe hij daar geboren werd.
Mozes moet in het gezicht van de feiten de woorden van de meester aanvaarden, toch valt hem het geloven moeilijk.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Mozes keek terug op zijn leven:
Weer ziet hij de brand in het braambos en alle andere wonderen.
God geeft hem en zijn volk de Tien Geboden en niets is van dit ontzaglijk gebeuren verloren gegaan.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Hij leerde nu zijn meester kennen:
„U ziet, Mozes, hoe het leven op Aarde voor ons is geweest.
Ook ík heb op Aarde gediend en moeten aanvaarden, dat niet God het was, Die tot mij sprak.
God spreekt niet als mens, Mozes.
God spreekt alleen tot ons leven van gevoel tot gevoel, in heilige eenheid!
Ik was het, die tot u sprak.
Ik, die u kent als Abraham!
Mij was het gegeven tot u te spreken, de meesters wilden het!
Gij zult mij aanvaarden, Mozes, want ook dat wilden de meesters.
Isaak en Jakob en de anderen, ze leven hier en ge zult hen ontmoeten.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Ik was het, Mozes, die tot u heeft gesproken als God en u wonderen toonde.
Ik gaf u de helderziendheid en het weten en verbond u met de brandende braambos.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Op aarde had hij de tien geboden niet begrepen:
Mozes en zijn volgelingen hebben de Tien Geboden niet begrepen, ook al wilde Mozes, dat zijn volgelingen de geboden zouden beleven.
Maar hoe was hun toestand?
Ze stonden ondanks het geestelijk en Goddelijk weten voor oorlog, voor moord en vernietiging.
Op het ogenblik, waarop Mozes de Tien Geboden uit de handen van zijn God ontving, hadden zijn volgelingen eigenlijk de strijd moeten staken, één gebod overheerste al de andere, namelijk het „Gij zult niet doodslaan!”
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De hoogste meesters gaven hem die tien geboden:
De hoogste meesters van deze zijde gaven u de „Tien Geboden”, zij waren het, die zich als engelen aan u vertoonden.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Op een contactavond beantwoordt Jozef Rulof een vraag van een mevrouw in de zaal over de tien geboden:
(Mevrouw in de zaal): ‘Maar waar zijn de geboden dan voor gegeven als wij ons dan wel moeten houden aan: gij zult niet doden.
Er staat toch ook dat je Gods naam niet ijdel zult gebruiken?
Dat behoort toch ook tot de geboden?’
Ziet u, in de tien geboden, dame, leven nog fouten.
En die tien geboden die heeft Mozes ontvangen, maar Mozes zijn gevoelsleven ligt er nog aan vast.
Gij zult Mijn naam niet ijdel gebruiken.
Mijn lieve god, mijn lieve mensen, wat bedoelen ze daarmee?
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Wat zeggen de tien geboden?
Mozes had mooie ogenblikken in zijn leven, nietwaar?
Die ruwe rebel, Mozes was een ruwe rebel en daarnaast weer het kind.
De Heer sprak ...
Ja, de meesters.
Wij moesten ...
De meesters konden niet anders handelen.
Ze moesten met geweld beginnen, want de mens wilde geweld.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Later zegt Jozef dat men Mozes niet meer kon geven in die tijd:
En Mozes kreeg inspiratie.
Hij heeft geen uittreding beleefd, want dan had Mozes het geweten.
Maar het kon niet.
Want weet u waarom niet?
Ze hadden Mozes ...
Ze hebben Christus zoveel tijd later vermoord, wat hadden ze met Mozes dan klaargemaakt?
Het kon er niet in, meneer.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Niemand overheerste Mozes in zijn taak op aarde:
Ge ziet thans in uw eigen leven, Mozes.
Het waren uw eigen verlangens, die u naar de Aarde deden teruggaan om er een taak te volbrengen.
Niemand dwong u ertoe, als ú niet gegaan was, zouden er aan deze zijde miljoenen anderen gaarne die taak verricht hebben.
Niet één ziel heeft uw leven dus overheerst of u tot daden gedreven, die strijdig waren met uw wezen, voor God is dat niet mogelijk.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Mozes handelde naar zijn eigen verlangens:
Trouwens, u kón niet anders handelen dan u deed, u richtte zich naar het verlangen en het weten in u!
Zoudt ge thans nog willen terugkeren om hier op Aarde te leraren en zo nodig oorlog te voeren?
Uw gevoel zegt neen, nu wilt ge verder en hoger gaan of uw leven staat stil.
Met de ondervinding, die ge opdeed, kunt ge dat ook.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Mozes had al vele levens beleefd:
Ge waart eens een Koning over een heidens volk en in latere levens de slaaf van hen, wier lichamen gij eens liet verbranden.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Maar in die jammerlijke omstandigheden begon u te denken, toen ontwaakte in u het verlangen de ellende uit de wereld te verbannen en de mens geluk te verschaffen.
Die verlangens om te dienen maakten dat u opnieuw hier op Aarde geboren mocht worden.
Indien ge mij in alles hebt kunnen volgen, Mozes, moet het u duidelijk zijn, dat er voordien nog geen geestelijk licht in u was.
U bezat nog slechts het verlángen om te dienen.
Maar nu is het dienen beleefd en er is licht in u gekomen.
U hebt thans afstemming op een sfeer, welke ligt boven die, waarin u vóór uw laatste aardse leven verbleef.
Nog kunt u die sfeer van licht, de eerste hemel aan onze zijde, niet binnengaan.
Eerst moet u zich uw toestand bewust worden en goedmaken wat misdreven werd.
In u leefde niet het gevoel om te moorden, Mozes, noch schiep u er behagen in te vernietigen.
In uw leven lag het gevoel van liefde, maar deze liefde was nog stoffelijk.
Gij zult u thans de geestelijke liefde eigen maken en daarna uw hemel kunnen binnentreden, waarvan ge zélf het licht schiep.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Maar eerst, ik zeg het u wéér, moet door u alles worden goedgemaakt, ja, zelfs een verkeerde gedachte moet worden rechtgezet.
Voor deze Goddelijke wet staan u en uw volgelingen, staat al het leven van God!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941

De komst van de Messias

Mozes vroeg of hij de eerste lichtsfeer mag zien:
„Mag ik de hemelen zien, meester?”
„Ga met mij, Mozes, ik zal u tonen wat u wacht.”
De meester voert Mozes naar de eerste sfeer.
Hij spreekt:
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Ik mag u deze heiligheid tonen, doordat gij uw leven ingesteld hebt op de wetten van deze wereld, of het was niet eens mogelijk.
Deze sfeer is ontstaan, doordat miljoenen zielen aan een hoger leven begonnen.
Deze mensen staan voor het kwaad niet meer open, zij kunnen geen onrechtvaardigheid begaan, hun zielen zouden weigeren.
Zij hadden uw taak niet kunnen volbrengen.
Voelt gij dat?
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Mozes wist nu hoe hij de lichtsferen kon bereiken:
Mozes weet nu, dat hij alleen door het goede te doen, alléén door de liefde de sferen van licht kan betreden.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Mozes diende de mensheid:
Mozes diende met alle krachten in hem de geestelijke bewustwording, niet van een stam, maar van de mensheid.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De meeste andere aardse regeerders dienen alleen zichzelf:
Uw aardse regeerders dienen hun vólk, maar meestal alleen zichzelf.
Als zij het leiderschap van Mozes zouden navolgen, zouden zij in waarheid God en Christus en de meesters hebben vertegenwoordigd.
Nu moeten zij aanvaarden, dat hun werk geen geestelijke betekenis heeft, ook al dienen zij hun eigen volk en ontvangen zij de hulp van de meesters daarbij.
Hun dienen is aards, stoffelijk, maar niet geestelijk zoals eenmaal dat van Mozes.
Zij gaven hun krachten om de stoffelijke welvaart van hun landen op te voeren, maar met het prediken hiervan kan een waarachtig leider niet tevreden zijn.
Oneindig veel belangwekkender dan de stoffelijke welvaart is de geestelijke bewustwording van de mensheid.
En hiervoor juist zetten Mozes en de zijnen alles van zichzelf in!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Mozes begreep nu hoe de meesters voor de mensheid werken:
Mozes begrijpt.
Hij ziet zijn eigen levensafstemming voor zich en neemt waar, dat de mensheid nimmer alleen gelaten is!
Anderen zetten zijn taak voort.
Hij kan tevens een blik slaan in de verre toekomst en ziet, hoe de meesters van Gene Zijde steeds meer ingrijpen in het lot van de mensheid.
Indien hij wil, kan hij opnieuw deelnemen aan hun plannen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
De stam Mozes breidde zich uit:
De stam Mozes ontwikkelt zich, steeds meer mensen komen tot het geloof en tot God.
En de ene profeet na de andere komt nu naar de Aarde en uit hun woorden blijkt, dat er grote dingen te gebeuren staan.
De Messias zal naar de Aarde komen, wordt er gezegd.
Wat is de bedoeling van God, vraagt men zich af.
Waarheen zal deze komst het leven voeren?
Van de profeten kan getuigd worden, dat hun wijsheid over die van Mozes heengaat.
Zij dringen al dieper door in het leven van God, en de wetten, waarover ze spreken, worden voortdurend scherper door hen ontleed.
Zij prediken hun hoorders over een God van Liefde en deze krijgen hoop, dat er eens rust en vrede op Aarde zal zijn.
Zij voelen al wel, dat een hoger leven mogelijk is.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
En Mozes neemt nu ook een astrale taak voor de mensheid op:
Als astrale persoonlijkheid leidt Mozes het leven op Aarde door vele gevaren verder, omhoog naar het licht.
Ook hij spreekt nu als God tot de mensheid.
Mozes ziet als zijn meester ver vooruit, vele eeuwen, weet hij, zullen er nog voorbijgaan, voordat de mensheid bewust is en zij God in Zijn Wezen en Schepping kent.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Zelfs tot in de laatste wereldoorlog zal hij zijn taak voortzetten:
Bij hun laatste en verschrikkelijkste strijd zal hij, Mozes, zo ziet hij, zijn kinderen bijstaan en naar de eindoverwinning voeren.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941