Ontstaan van de Mens

tekst Voice-Over

Dankzij de warmte van de zon kan de eerste planeet haar energie verder verdichten tot nevelen.
In het hart van deze planeet zijn de nevelen na miljoenen jaren zo sterk verdicht dat ze zich kunnen splitsen en verdelen in heel kleine deeltjes.
Op dit ogenblik wordt het individuele leven geboren dat we later de mens zullen noemen.
Deze cellen hebben dezelfde eigenschappen als de nevelen waaruit ze zijn ontstaan.
Ze verbinden zich en splitsen zich zodat er nieuw leven ontstaat, hun eerste kinderen.
De oudercellen hebben hiermee hun eerste leven volbracht.
Hun ziel laat het cellichaampje los en is even later klaar om te reïncarneren in een nieuw cellichaampje.
In dit tweede leven kunnen ze nieuwe ervaringen beleven, en zo gaat het verder, leven na leven verruimen ze zich en dijen zo uit tot wat we het visstadium kunnen noemen.
In tegenstelling tot de vissen op aarde, die tot het dierenrijk behoren, volgen we hier op de eerste planeet alleen de menselijke ziel in haar lichamelijke evolutiestadia.
De menselijke ziel bouwt leven na leven aan de groei van haar lichaam.
Elke incarnatie gaat ze een stapje verder.
Vanaf haar eerste leven als cel is de ziel bezig de menselijke gestalte op te bouwen die veel later op aarde zal verschijnen.
De hoogste toestand die de ziel op de eerste planeet bereikt is het waterachtige bewustzijn van een organisme dat doet denken aan de aardse zeeleeuw.
In dit water beleven we volop alles wat ons lichaam ons te ervaren geeft: voortbewegen, eten, slapen en paren.
Wanneer we dit water zijn ontgroeid staan we voor de volgende mijlpaal in onze evolutie: het leven op het land.
Op het vasteland zullen we ons gaan oprichten en kunnen we een landelijk bewustzijn opbouwen, dat veel rijker zal zijn aan afwisseling en uitdagingen.
Maar op de eerste planeet is er weinig land te beleven.
De zon geeft hier te weinig licht en warmte om het land en ons lichaam voldoende te verdichten, te verharden.
Al het leven blijft hier waterachtig.
Wanneer de ziel haar laatste leven op deze eerste planeet, deze eerste kosmische levensgraad, heeft voltooid, gaat zij op weg naar nieuwe ontwikkelingskansen.
Op het moment dat de eerste zielen deze planeet verlaten, worden nog steeds nieuwe zielen geboren in het hart van deze planeet.
Deze nieuwe zielen beginnen eerst nu aan hun eerste cellenleven en zij zullen pas miljoenen levens later het zeeleeuwstadium bereiken, om daarna net als de eerste zielen hun tocht te beginnen naar de volgende planeet op de tweede kosmische levensgraad.
Op de volgende planeet ontwikkelen de eerste zielen opnieuw hun lichaam van cel tot zeeleeuwachtig organisme.
Maar doordat de zon hier in dit nieuwe zonnestelsel sterker is, meer warmte geeft, krijgt het lichaam meer stoffelijke kracht en wordt zo een leven op het land mogelijk.
Door de wil om zich op het land voort te bewegen vormen zich na vele levens de poten.
Stap voor stap verdicht zich het waterachtige lichaam tot een landelijk organisme.
Het leven op het land geeft ons vele nieuwe ervaringen, zoals het zoeken naar eten dat niet meer voorbijdrijft zoals in het water.
Dit zoeken naar eten brengt gevoelens voort, die we het ‘instinct’ kunnen noemen.
Het lichaam geeft ons het gevoel van honger, en wanneer we die honger niet kunnen stillen, voelen we ons zwak en angstig.
Al deze lichamelijke gewaarwordingen brengen werking en beweging in ons gevoelsleven.
Ons gevoel houdt zo gelijke tred met het machtige lichaam dat we ontwikkelen op de moederplaneet van de tweede kosmische levensgraad, Mars.
De planeet was toen nog groen en vol leven.
Op de volgende planeten verfijnen we onze machtige gestalte tot het menselijke lichaam op de moederplaneet van de derde kosmische levensgraad: de aarde.
Op aarde ontwikkelt ons gevoelsleven zich tot een stadium dat we het ‘dierlijk bewustzijn’ kunnen noemen.

Vlaamse commentaarstem bij filmpje:

De geboorte van onze ziel

Alcar en André verlaten de tempel der ziel en reizen in de geest naar de eerste planeet.
Met de hulp van zijn meesters laat Alcar André het moment beleven waarop de eerste zielen geboren worden.
In het hart van deze ijle planeet vloeien de nevelen uiteen onder invloed van warmte van de zon en ze verdelen en verdichten zich in myriaden cellen.
Dit verdichtingproces kan vergeleken worden met het condenseren van waterdruppels uit de ochtendnevel op een autoruit.
Zoals de Albron als gouden lichtbal zich moest splitsen en verdelen om zelfstandige hemellichamen als planeten en zonnen te kunnen vormen, zo moet ook deze planeet zich splitsen en verdelen om het leven te laten evolueren en een zelfstandigheid als cel te geven.
Uit het hart van deze ijle moederplaneet wordt nu de ziel geboren, die biljoenen tijdperken later op de aarde haar menselijke gestalte zal bereiken.
Hier splitst de ziel zich af van de eenheid waar zij tot op dit moment deel van uitmaakte.
Vanaf dit moment is onze ziel een zelfstandigheid en kunnen wij aan onze levenstocht als individueel leven beginnen.
Wij zijn ons op dit moment nog niet ‘bewust’ van onze geboorte, net zomin als wij op aarde onze geboorte bewust meemaken en herinneren.
De ziel is hier nog onbewuste stuwing, maar zij bezit toch reeds dezelfde kracht en eigenschappen als de Alziel waaruit zij geboren is, maar dan nu als individueel leven.
Tezamen met miljoenen soortgenoten begint de ziel hier aan haar eerste leven als cel, als embryo.
Op dit moment neemt ons eerste leven haar aanvang.
We zijn geboren als eenheid van ziel en lichaam.
Onze ziel als Albronnelijke stuwing, en ons lichaam als embryonale cel, samengesteld uit nevelstof, uit het nevelplasma dat zich in het hart van deze planeet gevormd had.
Op dat moment is er nog geen scheiding tussen ziel en lichaam geweest, dat zou aanstonds gebeuren.
Maar eerst konden we beginnen aan ons eerste cellenleven.

Onze eerste liefde

De ziel is nog volkomen onbewust, zij is zich nog niet bewust van haar bestaan, zij heeft nog geen bewuste persoonlijkheid ontwikkeld.
Zij zal dezelfde weg volgen als de Alziel, omdat zij uit precies dezelfde energie en kracht is samengesteld.
Net zoals de nevelen eerst groeiden en op kracht kwamen, groeien de eerste cellichaampjes in omvang en kracht om te evolueren tot het volwassen stadium.
Véél later op aarde zal de menselijke groeitijd van cel naar volwassen lichaam uitgedijd zijn tot twintig levensjaren, maar tijdens het eerste leventje op deze eerste planeet bereikt de ziel haar volwassen stadium in enkele ogenblikken.
Het proces is echter precies hetzelfde.
Het groeien geeft ook hier reeds de ziel ervaringen, de ervaring van groei en uitdijing.
Nadat de ziel haar eerste ‘volwassenheid’ als cel bereikt heeft, krijgt zij de ‘drang’ om zich te verbinden met een celletje dat eveneens tot het volwassen stadium is geëvolueerd.
Net zoals de nevelen van de Albron zich verbonden en hierdoor nieuwe verdichtingen produceerden, verbinden zich ook de eerste cellen met hun soortgenoten.
De eerste cellen worden één met een cel van gelijke kracht en groeistadium.
Hier beleven ze hun eerste kus, hun eerste ouderschap.
Er is hier nog geen verschil tussen moeder en vader, beide cellen zijn van dezelfde kracht en op hetzelfde moment geboren.
Uit de eerste samensmelting van twee cellen wordt een nieuwe kindercel geboren.
Ook dit nieuwe leven wordt geboren door splitsing van de ouders: de ene cel geeft iets van zichzelf, en ook de andere cel splitst iets van zichzelf af, wat tezamen de nieuwe kindercel vormt.
Alcar vraagt aan André waar hij dit proces op aarde terugziet.
In al de biljoenen tijdperken die volgen zullen deze fundamentele wetten immers dezelfde blijven.
Op aarde spreken we van eicel en zaadcel, maar ook als aardse mensen geven beide ouders iets van zichzelf wat door versmelting het nieuwe leven, de nieuwe cel voortbrengt.

Onze eerste dood

Nadat de eerste zielen het ouderschap hebben beleefd, hebben ze het uiteindelijke voor hun eerste leven bereikt en laten ze hun cellichaampje los.
De zielen zweven uit hun lichaampje en trekken zich terug in hun Albronnelijke rust.
Dit is de eerste dood, de eerste splitsing tussen ziel en lichaam.
Uit de nevelen van de eerste planeet waren ziel en lichaam als eenheid geboren, nu splitsen zich beide aspecten van ons menszijn en worden ze als afzonderlijke werelden geboren.
Doordat de ziel zich terugtrekt uit het cellichaampje, creëert zij haar eigen wereld, die de meesters ‘de wereld van het onbewuste’ noemen.
Hier is dus de astrale wereld ontstaan, gecreëerd door de ziel.
In deze astrale ruimte verwerkt de ziel de gebeurtenissen van haar eerste leven.
Die ervaringen kunnen zo terugzinken naar het machtige en ongekende ‘onderbewustzijn’.
Op deze wijze maakt de ziel zich klaar om met ‘een schone lei’ te kunnen beginnen aan haar volgend leventje.
Deze astrale wereld is nog niet gevuld met tempels en bloemen, er bestaan nog geen sferen van licht, er is nog geen Zomerland, er lopen nog geen geesten rond, want de ziel heeft nog geen menselijk-geestelijke gestalte en lichtende uitstraling als bewustzijn opgebouwd.
De astrale wereld is dus nog ‘leeg’, alleen gevuld met het leven van de eerste zielen.
Om André duidelijk te maken hoe die astrale wereld er in het begin uitziet, toont Alcar hem die wereld in een lichtende atmosfeer:
Op deze eerste planeet bezit de ziel een harmonie in wat de mens op aarde ‘leven en dood’ is gaan noemen.
De dood als voleindiging van het eerste leventje en de overgang naar de volgende fase.

Onze eerste reïncarnatie

Doordat de eerste cellen beide een deel van zichzelf afgestaan hebben, is de kindercel samengesteld uit twee delen.
Hierdoor kan deze kindercel zich na een groeiproces splitsen in twee cellen.
De twee cellen die op deze wijze ontstaan zijn groeien naar hun volwassen stadium en voelen zich aangetrokken tot elkaar.
Ook zij bestaan uit ziel en lichaam, want in die eenheid zijn zij afgesplitst van hun ouders.
Ook zij planten zich voort, net zoals hun ouders gedaan hebben.
Deze ouders als zielen bevinden zich trouwens nog in de buurt, want deze ouders voelen zich verbonden met het leven en de werking van hun twee kinderen.
Zij stuwen deze kinderen tot werking en inspireren hen om te paren.
De zielen van de ouders willen immers een nieuw leven beleven om zichzelf verder te brengen.
Zij hebben een nieuw lichaam nodig om nieuwe ervaringen op te doen.
En dat lichaam wordt hun geboden door deze twee cellen.
Deze twee cellen brengen door het paringsproces twee nieuwe kindercellen voort, waarin de ‘ouderzielen’ kunnen indalen.
Hierdoor krijgen de eerste zielen de mogelijkheid om te reïncarneren.
Hier vindt dus de eerste reïncarnatie plaats, de eerste wedergeboorte van de ziel.
Meester Alcar benadrukt het feit dat de ziel zelf de mogelijkheid van reïncarnatie geschapen heeft door het eerste ouderschap.
Doordat de eerste zielen iets van zichzelf afstonden en hierdoor hun kinderen geboren werden, kunnen nu die kinderen op hun beurt iets van hunzelf ter beschikking stellen aan de ouderzielen om in te reïncarneren.
Zo hebben de ouderzielen zelf voor hun verdergaan gezorgd door hun ouderschap, zodat ze niet vast kwamen te zitten in de wereld van het onbewuste zonder nieuw cellichaampje om zich in te incarneren.
Hadden de eerste zielen immers geen kinderen voortgebracht, dan was er geen nieuw lichaampje voor hun beschikbaar gekomen.
Doordat de ervaringen van de eerste zielen uit hun eerste leven tijdens hun verblijf in de wereld van het onbewuste teruggezonken zijn naar hun onderbewustzijn en de zielen tot hun Albronnelijke rust zijn teruggekeerd, kunnen ze nu indalen in de nieuwe cel en hiermee een perfecte eenheid beleven.
Waren ze echter ingedaald met het volwassen bewustzijn dat ze op het einde van hun eerste leven hadden - dus met de ervaringen van hun eerste leven nog bewust in zich - dan zouden ze nu reeds het nieuwe cellichaampje dooddrukken, omdat ze dan teveel bezielend gevoel bij zich zouden hebben voor het eenworden met het eerste stadium van het nieuwe cellichaampje waar ze in reïncarneren.
Dat eerste stadium van het nieuwe cellichaampje is immers heel broos en teer, en kan niet méér bezieling verdragen dan wat het zelf aan kracht en werking heeft.
De kracht en werking van ziel en cellichaampje moet bij het eenworden van ziel en lichaam perfect op elkaar afgestemd zijn.
Dit is de reden waarom de menselijke ziel ook op aarde bij elke incarnatie weer opnieuw als embryo begint, ook al heeft zij al vele volwassen levens achter zich.
Om te kunnen indalen in het embryo in de moederschoot, moet de ziel eerst terugkeren tot het Albronnelijke stadium van stilte en rust, zodat zij bij de eenwording met de bevruchte eicel op het moment van de conceptie de werking en de groei van dit cellichaampje niet zal storen.
Wanneer de ziel op dat moment de volwassen ervaringen van het vorige leven nog zou herinneren, zouden deze gevoelens te veel stuwing en werking betekenen voor de tere cel, waardoor de cel uit elkaar gerukt zou worden.
Op de eerste planeet hebben nu ook de nieuwe ouders hun leven beleefd, en ze verlaten als ziel hun eerste cellichaampje om zich voor te bereiden op hun nieuwe levens.
De cyclus van reïncarnaties vangt nu aan voor alle zielen en zal hun na biljoenen tijdperken op aarde brengen om ook daar hun evolutie door het beleven van volgende levens voort te zetten.

Onze levens op de eerste planeet

De eerste zielen beginnen nu aan hun tweede leven.
De levensduur is nu al wat langer, en ze kunnen dit nieuwe cellichaampje al wat sterker uitbouwen, omdat ze nu al kunnen voortbouwen op de ervaring van hun vorig leven.
De zielen evolueren als paar, daarom sprekende meesters over tweelingzielen.
Op deze planeet zijn ze in elk leven samen met hun tweelingziel.
Tezamen beleven ze het stoffelijke leven, tezamen gaan ze daarna naar de wereld van het onbewuste, en daarna reïncarneren ze op hetzelfde moment in de onmiddellijke omgeving van elkaar.
Want ze horen voor eeuwig tezamen.
Leven na leven bouwt de ziel nu aan de groei van haar lichaam.
Elke incarnatie gaat ze een stapje verder.
De ziel heeft een ingeschapen blauwdruk van wat haar lichaam ooit zal worden.
We kennen die blauwdruk, dat is het menselijk lichaam zoals we dat nu op de aarde bewonen.
Vanaf haar eerste leven als cel is de ziel bezig die menselijke gestalte op te bouwen.
Zij exploreert geen verschillende evolutierichtingen zoals we in het dierenrijk zullen zien.
Zij heeft slechts één doel voor ogen: de menselijke gestalte creëren.
Dit doet zij niet bewust, het is een onbewuste stuwing, een verstoffelijking van wat in haar Albronnelijke stilte aanwezig is.
Alle eigenschappen die in de Albron aanwezig zijn zullen zich veruiterlijken door het creëren van organen, lichaamsstelsels, lichamen.
Door de stuwing van de ziel ontwikkelt het lichaam orgaan na orgaan, weefsel na weefsel, zintuig na zintuig.
De onbewuste stuwing van de ziel bouwt het lichaam stap voor stap op, graad na graad.
Begonnen als enkelvoudige cel ontwikkelt het lichaam zich in het water van de eerstemoederplaneet tot een visachtig stadium.
Het lichaam komt tot deze stoffelijke vorm omdat de ziel zich wil voortbewegen, zich wil verruimen, haar wereld wil leren kennen.
Daarom ontwikkelt het lichaam een staart en vinnen, middelen om zich voort te bewegen, en de zintuigen als middelen om haar wereld te leren kennen.
Ook op aarde zal de ziel biljoenen jaren later dat visachtig stadium moeten opbouwen in haar evolutie naar lichamelijke of stoffelijke vervolmaking.
De meesters geven aan hoe we die fase in onze stoffelijke evolutie in ons huidige lichaam nog steeds kunnen terugvinden:
De hoogste toestand die de ziel op de eerste planeet kon bereiken was het waterachtig bewustzijn van een organisme dat doet denken aan de aardse zeeleeuw.
Uiteraard hebben we hier nog geen menselijk bewustzijn.
We beleven hier alleen dat wat ons lichaam ons te ervaren geeft: het voortbewegen, eten, slapen en paren.
Toch hebben we al wat gevoel opgebouwd, bijvoorbeeld door het eten.
De noodzaak om te eten komt uit ons organisme dat energie verbruikt en dus voedsel nodig heeft.
Wanneer het eten niet voorradig is, krijgen we naast de ervaring van honger ook de ervaring dat we kunnen sterven van honger, sterven bij gebrek aan eten.
Hierdoor krijgen we angst om geen voedsel te vinden.
Angst als een van onze eerste gevoelens dus.
Hierdoor voelen we het verschil tussen de harmonie waarin we normaal leven, een harmonisch rustig gevoel, en het afwezig zijn van die harmonie wanneer we honger krijgen, een gevoel van onrust en angst.
Hierdoor komt er enige beweging en werking in ons gevoelsleven.
Dit verschil tussen harmonie en disharmonie zal één van de belangrijkste bouwstenen worden van ons bewustzijn.
Tot op aarde zal het wegvallen van een harmonische toestand, dus de aanwezigheid van ellende en lijden, ons motiveren om die ellende te vermijden en de rust en het harmonische evenwicht te herstellen.
Op de eerste planeet is hier nog niet veel van te merken.
De ziel blijft in harmonie met het lichaam, en met haar soortgenoten.
Er is meestal voldoende voedsel aanwezig, dat drijft gewoon voorbij in het water.
Alles wat we hier hebben te doen is te bewegen, eten, slapen en paren.
Rustige levens zonder ‘tijdsdruk’, slechts rustig voortbewegen in het water ...
We blijven tevens in harmonie met onze tweelingziel, die elk leven aan onze zijde vertoeft.
Met haar groeien we leven na leven in kracht en omvang.
Elk nieuw leven geeft de ziel meer ervaringen, die tot instinctieve gevoelens groeien.
Het innerlijke leven houdt gelijke tred met de groeiende complexiteit van de organismen.
De ziel als Albronnelijke kracht is de stuwing om het stoffelijke lichaam op te voeren en te laten evolueren.
Dit is de onbewuste stuwing door de ziel.
Door het beleven van die stoffelijke lichamen doet de ziel als gevoelsleven ervaringen op, zoals honger en angst.
Die ervaringen zullen later het instinct opbouwen, en biljoenen jaren later de persoonlijkheid van de mens, wat dan de graad van bewustzijn van de ziel zal worden.
Door het beleven van biljoenen levens zal de ziel evolueren van onbewuste stuwing naar een bewuste persoonlijkheid.
Na miljoenen levens op deze eerste planeet kan het leven in het water ons niet langer boeien.
We hebben immers alles beleefd wat er voor de ziel te beleven valt in deze wateren.
We hebben het waterlijk bewustzijn volkomen uitgebouwd en doorleefd.
Om ons een hoger bewustzijn te kunnen eigenmaken, moeten we nu het land op.
Op het vasteland zullen we ons immers kunnen oprichten, en een landelijk bewustzijn kunnen opbouwen, dat zich boven de waterspiegel verheft en veel rijker zal worden aan afwisseling en uitdagingen.
Maar op deze planeet is er weinig ‘land’ te beleven.
De zon geeft hier te weinig licht en warmte om het land en het stoffelijke lichaam van de ziel te verdichten, te verharden.
Al het leven blijft hier waterachtig.
En deze eerste planeet moet zo blijven, omdat er diep in haar hart nog steeds zielen geboren worden als enkelvoudige cellen die aan hun eerste levens beginnen.
De drang van de ziel om te evolueren is echter zo groot dat ze zich op de oevers van dit moeras neerlegt.
Ze wil niet terug naar het water, dat leven is beleefd.
Het organisme stikt omdat het nog geen ademhalingsorganen heeft ontwikkeld om buiten het water te leven.
Maar toch gaat dit wezen niet terug naar het water, de ziel wil immers verder en legt haar wil op aan het lichaam.
Tenslotte laat de ziel ook dit lichaam los en zweeft haar toekomst tegemoet.
De ziel zal nu deze planeet verlaten en een andere planeet opzoeken die haar een vastere lichaamsvorm kan schenken. Een planeet die meer warmte van een zon ontvangt, zodat de materie meer verdicht kan worden.
Daarom verlaat de ziel de eerste planeet.
De meesters spreken over de eerste kosmische levensgraad.
Dit is de eerste graad van leven in de kosmos voor al het leven.
Op het moment dat de eerste zielen de eerste kosmische levensgraad verlaten, worden nog steeds andere zielen geboren in het hart van de eerste planeet.
Die nieuwe zielen beginnen dan pas aan hun lange evolutieweg.
Niet alle zielen zijn dus tezamen geboren.
De afsplitsingen vonden plaats in ‘golven’.
Doordat de ene ziel eerder geboren is dan de andere, zal de eerste ziel eerder haar levens beleefd hebben op deze planeet, en dus eerder een ‘bewustzijn’ hebben opgebouwd dan haar soortgenoten.
Wat bij de afsplitsing slechts een verschil uitmaakte van luttele seconden, was op het einde van de evolutie op deze planeet al gegroeid tot vele levens.
Dit verschil in ontwikkeling en bewustzijn kon door de latere zielen nooit meer ingehaald worden. Tegen de tijd dat deze zielen de aarde bereiken, is dit verschil in bewustzijn gegroeid tot biljoenen jaren.
Daarom is de ene menselijke ziel op aarde al verder geëvolueerd dan de andere, een verschil dat niet bij te benen is in een kleine periode van honderd jaar, zelfs niet in een periode van duizenden jaren. Al de zielen die nu op aarde vertoeven, wij dus, zijn veel later geboren dan de eerste zielen die de eerste planeet verlieten.
De eerste zielen hebben in het huidige tijdperk de aarde al lang achter zich gelaten en zijn reeds op andere planeten overgegaan.
De eerste zielen zijn ons dus biljoenen eeuwen vóór.
Anderzijds zijn er nog zielen geboren die ons biljoenen tijdperken achter zijn, omdat ze veel later op de eerste planeet geboren zijn.
Wij zitten dus vanaf onze geboorte als ziel in de ‘middengroep’.

Tweede kosmische levensgraad

Op de volgende planeet zal de ziel in staat zijn om haar lichaam te verdichten, doordat de materie van deze planeet meer verstoffelijkt is.
De zon geeft hier meer warmte en licht, waardoor de materie zich kan verdichten.
De harmonie tussen ziel en lichaam is nog onaangetast op deze planeten, ziekten bestaan nog niet.
De ziel als ‘stoffelijke persoonlijkheid’ en haar stoffelijk lichaam zijn perfect aangepast aan het klimaat van deze planeet.
De eerste zielen stuwen ook hier de stoffelijke levensvorm van cel tot zeeleeuwachtige, en hierna bereiken zij hun doel om aan het leven op het land te beginnen.
De eerste zielen stuwen het organisme het land op, en uit de wil om zich op het land voort te bewegen vormen zich na vele levens de aanzet van wat later de poten zullen worden.
Zo bouwen de eerste zielen hun eerste landelijke bestaan op.
Op het land moeten ze naar eten zoeken, want dat drijft niet meer voorbij zoals in het water.
Dit zoeken naar eten brengt gevoelens voort, die we ‘het instinct’ kunnen noemen.
Alcar neemt André mee naar de eerste planeet van de tweede kosmische levensgraad om hem duidelijk te maken hoe het instinct ontstaan is door het beleven van het stoffelijke organisme.
Het organisme ontwikkelt longen en een ademhalingsstelsel dat ingesteld staat op het leven op het land.
Bij gevaar vlucht dit wezen terug naar het water, maar daarin kan het door het veranderende ademhalingsstelsel niet lang meer blijven.
De eerste zielen reizen nu van planeet tot planeet en het stoffelijke en innerlijke leven evolueert stap voor stap.
Deze planeten zijn eigenlijk alleen maar overgangsplaneten met verschillende klimatologische condities om de vele lichaamsorganen tot verdichting te brengen.
Al deze overgangsplaneten behoren tot de tweede kosmische levensgraad, die uit zeven evolutiestappen bestaat.
Om het eindstadium te bereiken doorloopt de ziel zes overgangsstadia als planeten.
Zij kan zomaar niet ineens de sprong naar het eindstadium op de moederplaneet, de zevende graad maken.
Hiervoor is opbouw nodig, groei, evolutie, graden, tijdperken. Op de overgangsplaneten ontwikkelt zich het instinct van de ziel in overeenstemming met het evoluerende organisme.
Het lichaam en het gevoel van de ziel groeien in sterkte, en bereiken uiteindelijk het aapachtig stadium op ... de planeet Mars.
De recente foto’s van Mars geven aan dat er vroeger water en wellicht dus leven op Mars is geweest.
De astrale meesters hebben reeds in 1939 in ‘Het Ontstaan van het Heelal’ precies en gedetailleerd beschreven hoe de ziel haar levens op Mars beleefd heeft, toen de planeet nog niet zo verhard en verdroogd was als in de huidige tijd. En die levens waren bepaald niet rustig.

Het voordierlijk bewustzijn

Op Mars evolueert het gevoelsleven van de ziel tot een eerste gevoelsgraad, wat de meesters het voordierlijke bewustzijn noemen.
De ziel als persoonlijkheid wordt zich hier bewust van haar fysieke kracht en gebruikt die kracht om aan voedsel te komen.
Als er geen ander voedsel voorhanden is valt ze gedreven door honger haar soortgenoten aan, en voedt zich met hun lichaam.
Het vechten onder elkaar bereikt op deze planeet een verschrikkelijke omvang.
Het gewelddadige leven op deze planeet duidt op een evolutie in het bewustzijn van de ziel. Toen het wezen op een vorige planeet honger had en er geen ander voedsel voorhanden was, wist het niet hoe te handelen.
Het stierf van de honger, omdat het geen andere mogelijkheden kon bedenken.
Het was zich nog niet bewust van haar fysieke kracht en de mogelijkheid die te gebruiken om haar honger te stillen en zo te overleven. Wanneer zij dit op Mars wel gaat doen, betekent dit een verruiming van haar bewustzijn, zij kan nu meer mogelijkheden overzien en benutten.
Dat zij door het aanvallen van haar soortgenoten een disharmonie creëert, daar is zij zich nog niet van bewust, omdat ze het resultaat hiervan nog niet ervaren heeft.
Zij kent hier nog geen ‘wet van oorzaak en gevolg’, dat bewustzijn kan zij hier nog niet ontwikkelen.
Zij ervaart hier alleen het nut van haar nieuwe gedrag, zo kan zij immers nu haar honger stillen.
Zo kan ze ook haar kinderen en haar partner-tweelingziel voeden, waar ze voordien lijdzaam moest toezien dat ze allen omkwamen van de honger.
De zorg van de moeder voor haar jongen, om haar jongen te verzorgen en te voeden, wijst al in de richting van de hogere gevoelsgraden die de ziel later zal ontwikkelen.
Op Mars komt de ziel echter niet verder dan het voordierlijke bewustzijn.
Wanneer ze zich bewust wordt van de fysieke kracht van het lichaam, ontwikkelt de ziel een gevoel van kracht en ‘macht’, het gevoel anderen te kunnen domineren.
De eerste zielen, die al in een lichaam leven dat meer ontwikkeld is (de ‘zevende levensgraad’), domineren hun soortgenoten die nog niet die graad van stoffelijke ontwikkeling bereikt hebben.
Het ‘recht’van de sterkste wordt hier dus geboren, en wijst al op eengraad van bewustzijn bij deze wezens.
Zo leert het zwakkere wezen om te vluchten uit zelfbehoud,om zich te verbergen en om te proberen uit de handen van de sterkere soorten te blijven.
Zo leert de ziel met een minder ontwikkeld lichaam reeds haar wil in te tomen, omdat het uitvoeren van die wil tot eigen fysieke ondergang zou leiden.
De onbewuste stuwing van de ziel leidt op de tweede kosmische levensgraad tot het ontwikkelen en verfraaien van haar stoffelijke lichaam.
De ontwikkeling van het voordierlijke bewustzijn is een gevolg van het beleven van dit machtige organisme.
Op Mars komt zij echter nog niet tot de menselijke gestalte, het hoogste wat zij hier bereikt is de aapachtige gestalte.
Hoewel dit lichaam een gelijkenis vertoont met de aardse gorilla, heeft het in werkelijkheid niets te maken met de aap.
Waar we hier naar kijken is een stadium van de ontwikkelingsweg van de menselijke ziel.
De dieren hebben echter vanaf het begin een andere lijn gevolgd.
Ze zijn net na de menselijke ziel op de eerste planeet geboren, en ze hebben zich onmiddellijk als een aparte tak van het leven ontwikkeld.
Lichamelijk doorliepen ze veel meer overgangstoestanden en variaties dan het menselijk leven.
De menselijke ziel was vanaf de aanvang immers op de menselijke gestalte ingesteld, en daarom heeft zij alleen de overgangsstadia ontwikkeld die nodig waren om dat menselijk lichaam op te bouwen.
Het dierenrijk exploreert integendeel een veelheid aan levensvormen, net zoals moeder natuur.

Het dierenrijk

Maar waar komt het leven vandaan dat zich tot dier heeft gevormd?
Wat hebben wij eigenlijk met het dier gemeen?
Waarom zijn er dieren die zo erg lijken op menselijke evolutiestadia?
Eenvoudig, omdat het dier uit ons geboren is.
Toen de menselijke ziel op de eerste planeethaar eerste cellichaampje had afgelegd en zich in de wereld van het onbewuste terugtrok, was dat cellichaampje nog niet uitgeleefd.
In dat lichaampje was nog voldoende Albronnelijke levenskracht aanwezig om iets nieuws te scheppen,iets dat essentieel dezelfde kenmerken had maar toch met minder bewustzijn, iets dat wij later ‘het dier’ zouden noemen.
Ook het dierlijk leven begon haar eerste leven als cel, ontstaan uit het overgebleven leven van de menselijke cel.
Doordat het dier uit ons ontstaan is, is het samengesteld uit dezelfde levenskrachten, gehoorzaamt het aan dezelfde levenswetten, en weerspiegelt het ons zowel stoffelijk als innerlijk in veel aspecten.
Ook het dier is ontstaan uit de Albronnelijke verdichtingen, als eenheid van ziel en lichaam.
Na haar eerste leven als cel, begon de dierlijke ziel haar reïncarnatiecyclus; ons op de voet volgend.