Ontstaan van het Heelal

tekst Voice-Over

Voordat ons leven op aarde een aanvang nam, voordat de maan haar baan rond de aarde beschreef, voordat ons zonnestelsel geboren werd, voordat tijd en ruimte geschapen werden, voordat het Leven een vorm had gebaard, heerste er een ontzagwekkende stilte en een volslagen duisternis.
In deze duisternis leeft een kracht, een energie, een Bron waar al het leven uit voortgekomen is.
Deze Albron kunnen we ook God noemen, of het Leven, of Wayti.
Wanneer de Albron haar energie de ruimte inzendt om zichzelf een vorm te geven, brengt dat trillingen voort.
Die trillingen brengen de ruimte in beweging, en na miljoenen jaren kunnen deze trillingen zich verdichten tot ijle nevelen ...
De eerste nevelen verspreiden zich in de ruimte, maar ze verijlen ook weer vrij snel.
Ze hebben nog niet voldoende kracht om zich als een zelfstandige vorm te handhaven.
Toch vullen ze de ruimte met verdichte energie, zodat de tweede reeks nevelen al meer vorm kan krijgen, meer omvang, meer uitdijing.
Zo kan een derde reeks nevelen ontstaan, omdat de Albron blijft stuwen, blijft bezielen, blijft baren, blijft scheppen.
Dit scheppingsproces kent zeven tijdperken, zeven graden, en aan het einde van het derde tijdperk zien we dat de nevelen al even oplichten.
Het licht in de ruimte is er niet ineens.
Er is nog geen zon die constant licht uitstraalt.
Licht kunnen we zien als een uiting, een uitstraling van kracht, van verdichting, van bewustzijn.
Deze nevelen stralen meer licht uit naarmate ze krachtiger worden, meer verdichting bereiken.
Vergeleken met ons huidige zonnestelsel is het licht van onze zon miljarden malen sterker, meer verstoffelijkt.
Later zal ook de geestelijke mens licht uitstralen naarmate er in zijn innerlijk meer kracht is, meer bewustzijn en liefde.
Eerst zijn de nevelen diepblauw van kleur.
Op het einde van het vijfde tijdperk bereiken de nevelen een dermate sterke kracht dat ze een gouden gloed uitstralen.
Wanneer het gouden licht verijlt krijgen de overgangen van blauw naar goud de kans om zich als zelfstandige kleuren te verdichten; zoals lichtblauw en zachtgroen.
Ook de kleuren zijn er niet ineens.
Zij zijn gevormd in een kosmisch scheppingsproces.
De zeven graden van dit proces kunnen we vergelijken met de zeven kleuren van de regenboog.
Wanneer de nevelen zich gaan verbinden, zich gaan vermengen met elkaar, ontstaan er meer kleurtinten, meer nuances, meer karaktereigenschappen, meer bewustzijn.
Ook de mens zal later zijn karakter en zijn graad van evolutie uitstralen als de kleuren van zijn aura.
En dan begint het zevende en laatste tijdperk van dit kosmische evolutieproces.
Tot nu toe is al het leven in het heelal één geheel, maar daar gaat nu verandering in komen.
In deze zevende graad van verdichting bereiken de nevelen hun uiterste kracht en dichtheid.
De Albron zal nu de opgebouwde druk en spanning in deze ruimte gaan ontladen door zich te splitsen en te verdelen.
Zoals de ontlading van aardse onweerswolken gepaard gaat met donder en bliksem, en de wolken uiteenvloeien en zich splitsen in miljoenen regendruppels, zo verdeelt de Albron zich in biljoenen deeltjes.
Met deze afzonderlijke deeltjes kan nu iets nieuws opgebouwd worden.
Door het inzuigen van de omgevende energie naar een centraal punt - te vergelijken met de hedendaagse tornado op aarde - vormen zich in deze ruimte de eerste afzonderlijke hemellichamen, een zon en een planeet.
Dankzij de warmte van de zon kan de eerste planeet haar energie verder verdichten tot nevelen.

Vlaamse commentaarstem bij filmpje:

De splitsing van het heel-al

De meesters laten André in de tempel der ziel voelen en zien hoe de Albron zich splitst:
André voelde, dat thans het ogenblik was gekomen.
Het gouden licht werd zó krachtig, dat het universum in een vuurbol veranderde.
Dit was reeds enige malen geschied, doch thans was de uiterste graad bereikt.
In dit licht kwam nu leven en dat leven trilde in het heelal voort; hij voelde wat zou geschieden.
Plotseling voer een ontzaglijke stroom door hem heen.
Hij zag, dat het universum vaneen scheurde en dat was het wat hij reeds geruime tijd had verwacht.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Het Al dat tot dan toe ‘heel’ was gebleven verdeelt zich, zoals nu nog op aarde een wolk uiteenvloeit en gaat regenen.
Dit scheurt vaneen, deze ruimte splitste zich in myriaden vonken.
En na deze gebeurtenis ... het vloeide zo uit elkaar, zoals de wolk in de ruimte nu nog uiteenvloeit en zich mengt.
Wanneer de zon, wanneer het klimaat, wanneer het timbre, wanneer de krachten van de kosmos milder worden en de spanning ontlaadt, dan krijgt u het losscheuren van een wolk.
Dan krijgt u opnieuw een compacte zelfstandigheid, waarin geen trilling, geen scheuring meer aanwezig is, die spanning is ontladen.
Lezingen Deel 1, 1950
Door de splitsing kunnen zich nu in deze ruimte de eerste afzonderlijke hemellichamen vormen.
Door het inzuigen van de omgevende energie naar één centraal punt, kan de eerste planeet zich opbouwen als astrale energiebol (onderaan in het beeld).
De meesters vergelijken dit proces met de werking van de hedendaagse tornado op aarde.
Op deze wijze kan ook de eerste zon zich vormen (bovenaan).
Ondanks de geweldige kracht is het in het midden van een tornado windstil en rustig.
Zo heerst er ook in het hart van de eerste planeet een harmonie waar nieuwe nevelen zich beginnen te vormen.
Na miljoenen jaren zijn ook deze nevelen zo sterk verdicht dat ze zich kunnen verdelen.
Maar wat wil dit zeggen, André?”
„Dat wij, wat ik nu voel en zie, dat moeten beleven als de Goddelijke vonk en wil betekenen, dat élke vonk tóch álles bezit, wat wij door deze openbaringen mochten zien.”
„Ook juist en zegt, dat al het leven als vonk van God tóch Goddelijke afstemming bezit, maar dat dit dóór de Goddelijke splitsing tot stand is gekomen.
En toen, meester Zelanus?”
„Scheurde deze ruimte vaneen en splitste God zich in myriaden deeltjes, op dat ogenblik kreeg élke vonk van God de eigen zelfstandigheid.
Ik zie dat wonder voor mij, mijn meester.
God heeft zich gesplitst, zoals dat ook door de „Albron” is gebeurd.
Wij zien thans, dat hierdoor het universum moet verduisteren.
Uit dit gouden licht ontstaan er dus andere werelden, die vonken zijn van God, maar dé Godsvonk ís!
Met ál de karaktereigenschappen ván God, omdat ook de „Albron” zichzelf gaf.
En die Moeder hebben wij leren kennen.”
„Zo zou het geschieden, mijn broeders.
Dat stadium zien wij thans.
Dit is dus de macrokosmos en die machtige ruimte heeft zich gesplitst, omdat het leven moet evolueren.
Dit is God als vonken gezien.
Gij kunt u ook nu niet vergissen, omdat wij die vonken straks als stoffelijke lichamen terugzien en begint het stoffelijke macro-kosmische en microkosmische bestaan.
Is dat niet duidelijk?
En dan zult gij uzelf als mens leren kennen, maar tevens het dier én daarna ... Blavatsky – eerst Moeder Natuur!
Dat kunt gij thans de theosofen zeggen, mijn broeder André, omdat wij die werkelijkheid beleven en zien!
Ook de macrokosmos zal zich dan verdelen.
Maar dan gaan wij verder!”
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 1, 1944
Stel thans vast, dat de „Almoeder” zeven tijden nodig heeft gehad om zichzelf te baren.
Dat is de „God” van al het leven geworden.
Toen is het Universum vaneen gescheurd.
Weer komt er duisternis, omdat biljoenen vonken door die splitsing de duisternis hadden te aanvaarden.
In deze ruimte was er weer duisternis, maar door de schepping tot stand gekomen.
Dat is te vergelijken met het zaadje dat men op Aarde in de grond stopt.
Het is zichtbaar en verdwijnt, maar het splitst zich opnieuw en zie, nieuw leven is er geboren.
Dat wil dus zeggen, dat door deze splitsing nieuw leven tevoorschijn zóú treden, want achter dit alles leeft de „Almoeder”.
De Aarde nu, als stof is voor ál het leven de „Albron”, als moeder stuwt zij en bezielt zij haar leven, doch ook nu zien wij zeven tijdperken terug, voordat dit zaadje zichzelf heeft verstoffelijkt.
Die wetten worden door de mens, het dier, bloem en plant, water en levensadem beleefd, maar door de ruimte kregen al die levensgraden de eigen bewustwording.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 1, 1944