Ontstaan van het Hiernamaals

Tekst Voice-over

Op aarde ontwikkelt ons gevoelsleven zich tot een stadium dat we het ‘dierlijk bewustzijn’ kunnen noemen.
Wanneer we dit stadium met geestelijke ogen zouden kunnen bekijken, dan zouden we zien hoe de ziel haar verkregen bewustzijn uitstraalt als aura.
Na vele levens verdicht deze aura zich tot een astrale wereld.
Doordat miljoenen zielen verspreid over de hele aarde deze aura uitstralen, creëert deze uitstraling een astrale sfeer, een geestelijke wereld, die we het land van haat, hartstocht en geweld kunnen noemen.
Wanneer de eerste zielen hun laatste leven op aarde beëindigen, worden ze als geest vanzelf aangetrokken door de sfeer die ze ongeweten zelf hebben opgebouwd.
Wanneer ze in die sfeer wakker worden beseffen ze niet dat ze op aarde gestorven zijn.
Ze hebben nog niet het bewustzijn om kritisch naar hun nieuwe omgeving te kijken.
Ze worden nog geleefd door hun dierlijk gevoelsleven.
Elke seconde komen er nu nieuwe zielen van de aarde aan in deze geestelijke sfeer.
De eerste zielen krijgen na tientallen jaren het gevoel dat er iets niet klopt.
Ze gaan zich afvragen waar de zon is gebleven, en de bomen en de dieren.
Omdat ze aan aardse zaken denken, worden ze aangetrokken door de aardse werkelijkheid.
Hier willen ze hun gewone leventje weer oppakken, maar hun geestelijke handen krijgen geen vat op de stoffelijke wereld.
Ze begrijpen er niets van, want innerlijk zijn ze in niets veranderd.
Ze voelen nog precies hetzelfde als hun aardse broeders, ze zijn geestelijk één.
Hierdoor komt er een natuurlijke bezetenheid tot stand.
Geestelijk één met de aardse mens kunnen ze eindelijk opnieuw de aarde beleven.
Ze blijven één tot die mens op aarde sterft.
Op dat moment moeten ze het gastlichaam prijsgeven.
Groot is hun verwondering dat uit dit lichaam nog een andere geest verschijnt.
Ze begrijpen dat deze geest al die tijd in dat lichaam heeft gewoond, en dat zijzelf geen aards lichaam meer hebben.
Hierdoor gaan ze beseffen dat zijzelf al eerder gestorven zijn en nu als geest verder leven.
Om het gastlichaam zolang mogelijk te kunnen bewonen en niet telkens op zoek te hoeven gaan naar een nieuw stoffelijk lichaam, gaan ze hun aardse mens beschermen en helpen.
Als geest zijn ze niet aan tijd gebonden en beleven ze achtereenvolgens vele gastlichamen.
Op deze manier doen ze veel ervaring en kennis op waardoor ze het gastlichaam kunnen helpen.
Zo komen de eerste uitvindingen tot stand.
Wanneer ze de mens op aarde helpen doen ze een merkwaardige ontdekking.
Het helpen geeft hun een aangenaam prettig gevoel.
Om dat heerlijke gevoel vaker te beleven, leggen ze zich toe op het helpen.
Hierdoor leggen ze de dierlijke graad van gevoel af en maken ze zich een hogere gevoelsgraad eigen.
Zoals ze innerlijk voelen, stralen ze ook uit.
Hun uitstraling laat nu zien dat ze het gevoel van haat, hartstocht en geweld hebben afgelegd.
De rustige uitstraling van de eerste zielen gaat zich na geruime tijd verdichten tot een nieuwe geestelijke sfeer, het schemerland.
Doordat de eerste zielen zich blijven toeleggen op het helpen, gaat hun gevoelsleven licht uitstralen.
Zo wordt de eerste sfeer van licht geboren.
Wanneer ze leven en dood verder onderzoeken, merken ze dat de meeste zielen bij het sterven niet naar een geestelijke sfeer in het hiernamaals gaan.
Ze zien hoe die zielen zich onmiddellijk na het sterven terugtrekken in een diepe duisternis, waar het onmetelijk stil is.
De onderzoekers zijn heel verbaasd, omdat ze deze wereld nog niet kennen.
Het lijkt een wereld van het onbewuste, omdat ze geen bewuste activiteit waarnemen.
Totdat de ziel opnieuw in beweging komt.
Gaat de ziel nu eindelijk naar het hiernamaals?
Nee, de ziel gaat terug naar de aarde, naar een vrouw en een man.
De ziel verbindt zich met een eicel op het moment van bevruchting door een zaadcel.
Op deze wijze leren de onderzoekers de reïncarnatie kennen.
Maar wanneer is de ziel dan voor de eerste maal gereïncarneerd?
Wanneer de onderzoekers zich op deze vraag instellen merken ze tot hun verbazing dat ze zich aangetrokken voelen door een andere planeet.
Hier zien ze waar en hoe de ziel haar kosmische reis is begonnen.
Ze voelen dat zijzelf hier geleefd hebben, dat ook zij ooit dit zeeleeuwachtige organisme bewoond hebben.
Maar waar komt de ziel dan uiteindelijk vandaan?
Het antwoord op deze vraag ligt diep verscholen in het hart van deze planeet.
De onderzoekers zien nu hoe de ziel haar eerste leven beleeft, en hoe zij bij de eerste dood haar cellichaampje loslaat en als ziel verder gaat.
Wanneer de onderzoekers stil blijven staan bij het afsterven van het eerste cellichaampje merken ze tot hun verbazing dat uit deze rotting een andere cel gevormd wordt.
Ze lijkt op een menselijke cel, maar ze is kleiner, minder bewust.
Wanneer deze cel opgeleefd is, komt ook hier een ziel uit.
Maar wanneer de onderzoekers deze ziel volgen in haar evolutieproces, moeten ze aanvaarden dat ze bij het dierenrijk uitkomen.
Het dier dat uit de mens geboren is?
De onderzoekers vallen van de ene verbazing in de andere.
Het volgen van de kosmische levensweg van de ziel geeft hun een diep inzicht in de oorsprong en de evolutie van al het leven, weerspiegeld in de groei van het embryo in de moederschoot.
Door al deze ervaringen verruimen de onderzoekers hun bewustzijn.
Ze worden kosmisch bewust.
Ze gaan andere bewoners van het hiernamaals onderwijzen en helpen in hun geestelijke ontwikkeling.
Door de groei van hun liefde en bewustzijn bouwen ze lichtsfeer na lichtsfeer op.
Wanneer het gouden licht van hun bewustzijn de zevende sfeer heeft opgebouwd, kennen ze elke levenswet van de eerste drie kosmische levensgraden.
Dan beginnen ze te voelen dat het hiernamaals geen eindpunt is.
Dat het hiernamaals alleen bedoeld is om ons klaar te maken voor de volgende kosmische levensgraad.
Ze voelen dat deze nieuwe evolutie niet te beleven is in het heelal zoals ze dat tot nu toe hebben leren kennen.
Het leven waar ze naar toe gaan is ijler, het zal een andere verdichtinggraad bezitten.
De eerste zielen voelen dat ze dit heelal verlaten en dat ze aangetrokken worden door een hogere kosmische levensgraad.

Vlaamse commentaarstem bij filmpje:

Het ontstaan van ons hiernamaals

Leven na leven maakt de ziel haar karma goed.
Tussen twee levens in komt zij tot rust in de 'wereld van het onbewuste'.
Wanneer er geen mensen meer op aarde of in de wereld van het onbewuste leven aan wie de ziel heeft goed te maken, komt de ziel vrij van de aardse reïncarnaties.
Zij heeft dan haar aardse kringloop beëindigd, en kan niet meer aangetrokken worden door aardse ouders.
Zij wordt dan aangetrokken door de astraal-geestelijke wereld, die zij inmiddels zelf heeft opgebouwd door de uitstraling van haar gevoelens.
Meester Alcar kijkt in de geest terug naar de allereerste zielen die hun aardse kringloop gingen voltooien:
Ik keer nu tot die eerste mensen terug die de begaanbare planeet hebben bereikt, want deze wezens zouden sterven.
Wij volgen hen thans als geestelijke wezens, met andere woorden: ik ga tot de psychische wereld over.
De planeet aarde was gereed, doch wat geschiedde er in de astrale wereld?
Ook voor het innerlijke leven was er een wereld en die wereld werd als het evenbeeld van de aarde, doch in een geestelijke toestand.
Ik ga je daarmee verbinden.”
André voelde zich wegzinken en ging waarnemen.
„Je ziet, André, er heerst daar duisternis.
De lichtende sferen waarin wij thans leven, waren er nog niet, want de mens bezat nog geen innerlijk licht, de innerlijk geestelijke mens moest nog worden geboren.
Maar nu moet je eens goed opletten.
De eerste mensen, wanneer zij op aarde gingen sterven, keerden naar de astrale wereld terug en wachtten daar af om opnieuw te worden aangetrokken.
In die tijd gebeurde er niets anders dan geboren worden en sterven, terugkeren naar de aarde, om op aarde in een ander stofkleed over te gaan.
Want al die wezens, het bezielende leven dus, moesten die weg volgen om de volmaakte stoffelijke toestand te bereiken en zij zouden zo vaak terugkeren tot die afstemming was bereikt.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
„Dan ga ik nu eeuwen verder.
Toch was er werking, gebeurde er iets in de astrale wereld, waarvan niemand iets wist.
In de astrale wereld ontstond een andere wereld.
Die wereld werd uit de mens geboren.
Ik zal je dit proces duidelijk maken en dan leren wij de hel kennen.
Ik heb je duidelijk gemaakt, dat de mens in zijn stoffelijke toestand op aarde verderging en ontwaakte en dat ontwaken betekende haat, hartstocht en verdierlijking.
Iedere zonde die zij deden, iedere fout die de mens beging, door anderen het leven te ontnemen, door al die verschrikkingen dus, verdichtte zich de astrale wereld en dit werd de hel.
In die wereld bouwde zich door haat, hartstocht en geweld een tweede wereld op en die wereld werd de bestaanswereld voor hen, die hun kringloop der aarde hadden volbracht.
Ik ga nu enige duizenden eeuwen verder en toon je dan wat in die tijd geschiedde.
Zie en neem waar, André.”
„Mijn God, wat is dat, Alcar?”
„De hel, André, de hel in het leven na de dood.
De mens is bezig zich een hel te scheppen en in die eeuwen heeft zich de astrale wereld verdicht.”
André zag een andere wereld in deze duisternis.
Hoe is het mogelijk dacht hij.
„Was dit niet te voorkomen, Alcar?”
„Neen, mijn jongen.”
„Leven hier reeds mensen?”
„Neen, nog niet, die komen straks, wanneer dus de mensen de hoogste stoffelijke graad hebben bereikt.”
Mijn God, wat verschrikkelijk, dacht André.
„U zegt, dat de astrale wereld, de hel dus, op de mens wacht?”
„Ja, André, dit was niet te voorkomen.
Helaas, de duisternis wacht.
Dit zou de hel worden in het leven na de dood en die bouwde zich de mensen zelf op.
Want de mens is in een bewustzijnstoestand overgegaan, het innerlijke leven heeft zich dat eigen gemaakt.
De hel werd dus uit de mens geboren, maar God wilde dit niet.
God gaf de mens alles, Zijn eigen leven, doch de mens is het die dit tot stand bracht.
Ik zei reeds, op aarde werd het bewuste kwaad geboren en de mens schiep dit.
Voel je dit alles, André?”
„Wanneer ik u duidelijk heb begrepen, Alcar, dan voel ik beide werelden.
De eerste astrale wereld is de natuurlijke wereld, als ik het zo mag zeggen, maar onbewust, die andere wereld is bewust.”
„Inderdaad, zo is het.
Want de mens moet verder en hoger en al is dit de hel, toch is deze wereld een hoger stadium dan de wereld van het onbewuste.
Eens zou het aardse einde komen.
Het innerlijke leven werd bewust, heeft een dierlijk bewustzijn bereikt en stemt zich af op iets, wat na de aardse dood de geestelijke bestaanswereld zou zijn.
Wij hebben deze duistere sfeer als de hel leren kennen, een wereld dus van bewustzijn.
Toch waren beide werelden één, doch de ene voor de andere onzichtbaar.
Nu ga ik weer enige eeuwen verder en zul je zien hoe de hel zich verdichtte.”
André ging dat volgende stadium waarnemen.
Hoe kan het, dacht hij.
Hij zag een bergachtig landschap.
Dit was de hel, de schaduw van de werkelijkheid.
Dit was de bewuste geestelijke wereld, doch de hel in het leven na de dood, de duisternis aan Gene Zijde.
„Leven hier nog steeds geen mensen, Alcar?”
„Neen, nog niet, eerst duizenden jaren later.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Dan kwam hun einde op aarde en traden zij een andere wereld binnen.
Je voelt zeker wel, André, dat dit de eerste mensen van de hel waren, mensen die niet meer tot de aarde konden terugkeren, omdat zij hun stoffelijke kringloop hadden volbracht en zij door die andere wereld werden aangetrokken.
In dit geval de duistere sferen, de astrale wereld, of de hel in het leven na de dood.
Nu hadden deze wezens zich van de wereld van het onbewuste bevrijd en traden een bestaanswereld binnen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Toen de eerste zielen hun aardse kringloop gingen beëindigen, hadden ze door hun levenswijze en gevoelens zonder het te weten al een volledige astraal-geestelijke sfeer opgebouwd.
Hun haat en hun hartstocht werden immers steeds bewuster, zodat de aura die ze uitstraalden deze afstemming van bewust geweld met zich meedroeg.
Eerst verijlde deze uitstraling, net als de eerste kosmische nevelslierten van de Albron verijlden.
Na miljoenen jaren kreeg nu ook de menselijke uitstraling meer verdichting.
Net zoals de eerste nevelslierten van de Alziel na biljoenen tijdperken bleven hangen en een kosmisch geestelijk gewaad weefden, kreeg ook het geestelijke gewaad van de menselijke ziel vorm en verdichting door de geestelijke uitstraling van haar gevoelsleven.
En ook de astrale sfeer bouwde zich zo op, tot wat later op aarde ‘de hel’ genoemd zou worden. Deze astrale substantie kreeg vormen kleur in overeenstemming met de gevoelsgraad van diegenen die het uitgezonden en opgebouwd hadden.
Toen de eerste zielen hun kringloop der aarde hadden volbracht, werden zij dan ook aangetrokken door hun eigen gevoelsenergie,door de sfeer die ze zonder het te weten zelf hadden opgebouwd.
In die astralesfeer van haat, hartstocht en geweldbegonnen zij hetzelfde soort leven als datwat zij op aarde gekend hadden, want ingevoel waren ze in niets veranderd.

Een warm gevoel

Het belangrijkste verschil met hun leven op aarde was echter de duisternis die in hun nieuwe geestelijke bestaan altijd overheerste.
Zij vroegen zich af waar dat stoffelijk licht was gebleven dat hen voordien elke dag had beschenen.
Meester Zelanus:
Zij gingen vragen en zoeken – zei ik – zij hadden geen zon meer.
Lezingen Deel 2, 1951
Ze gingen zoeken, naar wat?
Naar de zon.
En waartoe behoort de zon?
Tot de aarde.
En toen kwamen zij vanzelf, door hun zoeken waaiden zij in die richting.
Lezingen Deel 2, 1951
Maar die mensen gingen zoeken, ze gingen zich afvragen: ‘Waar is de zon?
Waar is het licht?
Wat is er gebeurd?’
Ja, ik was niet goed; dat besef hadden ze niet eens.
Ik was ziek; dat voelden ze niet eens.
Er is iets veranderd, het licht is weg.
En omdat ze gingen zoeken, kwamen ze weer op aarde en toen zagen ze de mens, ze leefden in die aura.
Lezingen Deel 2, 1951
Door aan stoffelijke toestanden te denken werden zij teruggetrokken naar de aarde.
Hier wilden ze opnieuw eten en hun dierlijke graad van liefde beleven, maar ze merkten dat hun lichaam veranderd was, dat hun geestelijke lichaam geen vat had op de aardse materie.
Totdat ze ontdekten dat ze het lichaam van de aardse mensen konden gebruiken om hun hartstochten te beleven.
Zo ontstond de eerste bezetenheid.
Doordat de astrale geest en de mens op aarde dezelfde gevoelens deelden, kwamen beide gevoelslevens tot eenheid.
Steeds meer mensen werden bezeten.
Zelfs in onze huidige tijd komt dit nog voor, ook al noemt de psychiatrie dit nu psychotisch en meervoudige persoonlijkheid.
Aan deze eerste bezetenheid kwam pas een einde als het lichaam van de aardse mens geveld werd.
Dan moest de astrale geest zijn prooi loslaten, en een ander mens zoeken om tot bezetenheid te voeren.
Om te vermijden dat dit lichaam in andere handen zou overgaan, gingen de eerste zielen hun aardse mens beschermen.
Door deze handelingen kregen de zielen een warm gevoel.
Zij begrepen eerst niet waar die aangename warmte in hun gevoelsleven vandaan kwam, maar het was een verademing temidden van de kilte en duisternis waar ze geestelijk in leefden.
Wanneer het dan daarna in hen stil werd, het vuur van hartstocht was gedoofd en zij waren verzadigd, dan stonden zij voor andere dingen open en hielpen de mensen op aarde voor het één of ander.
En zie, hoe verbaasd waren zij, dat hetgeen zij de mens hadden ingeblazen, de mens deed en daar naar handelde.
Dit was nu niet het kwaad, maar het was iets wat in hun leven waarde had.
Wanneer zich dus deze mensen hadden uitgeleefd, dan gingen zij die mensen beschermen, beangst als zij waren, dat zij in andere handen zouden overgaan.
Doch uit dit alles, je voelt het zeker, uit al die ellende en verdierlijking, al die haat en hartstocht, werd het goede geboren.
Langzaam maar zeker groeide er iets in hen en zij zagen en beleefden, dat, wanneer zij voor het geluk van de mensen op aarde gingen zorgen, hen voor vele andere dingen gingen beschermen, want ook dit was mogelijk, er meer licht was.
Dan was er iets dat hen niet zo koud en droevig deed stemmen.
Er was iets dat hen verwarmde, hen opbeurde en hen verlichtte.
Van dat ogenblik af ontwaakte in deze wezens de innerlijke mens.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939

De mens als schepper van licht

Verrukt over deze warmte gingen zij de aardse mens nog meer helpen, en ze gaven hem door inspiratie nuttige werktuigen die het leven veraangenaamden en de weerbaarheid verhoogden.
De innerlijke gevoelswarmte was het eerste resultaat van hun harmonisch handelen.
Door de mens op aarde te helpen, kon hun 'Albron' beter stromen, en een hogere graad van gevoel ontwikkelen.
Hierdoor kreeg het gevoelsleven van de eerste zielen meer licht en warmte, en begonnen zij als geest dat licht ook uit te stralen.
Net zoals de eerste kosmische nevelen lichtend werden, straalde ook hun geestelijke gewaad licht uit als vertolking van hun verhoogd bewustzijn en liefde.
Nadat ze de mens op aarde duizenden tijdperken lang geholpen hadden, kreeg ook die geestelijke uitstraling verdichting en zelfstandigheid, en zo kwam de eerste astrale lichtsfeer tot stand.
„Door iedere goede daad dus, die de mens op aarde en in de sferen deed, veranderde toen zijn innerlijke leven, de omgeving en zijn eigen bezit.
In hem kwam licht, in hem ontwaakte de geestelijke mens.
Daaraan werkten zij voort.
Zo groeide dit licht en in en om zich namen zij dit waar.
De innerlijke mens ging licht uitstralen, ging ontwaken en ging liefde voelen voor al het leven.
Hoe meer goede daden zij deden, des te sterker werd dit licht en omstraalde het hun omgeving.
Het heerlijke gevoel om voor anderen iets te kunnen doen stemde hen gelukkig.
Nu waren zij waardig de naam mens te dragen.
Nu waren zij kinderen van God en voelden allen hoeveel zij hadden goed te maken.
Doch zij gaven zich geheel en offerden zich voor de lijdende mensheid op.
De mens keerde naar het gouden licht terug, maakte zich dat gouden licht eigen, wat wij in de tempel der ziel hebben waargenomen.
Je voelt en je ziet, André, uit dat gouden licht zijn wij gekomen en zouden daarin terugkeren.
Dat licht zouden wij ons eigen moeten maken, Gods eigen liefdevolle uitstraling ging de mens verdienen.
De openbaring Gods nam nu in de mens een aanvang, want deze mensen begrepen nu dat zij verder en hoger konden gaan.
Daarvoor zouden zij zich inspannen, zij begrepen nu hoe zij moesten leven en de dienende mens werd geboren.
Toen de eerste lichtflitsen doorbraken, openbaarde God zich en het scheppingsplan, waarvan ik je heb verteld, nam een aanvang.
Voor hen, voor al deze mensen betekende dit, dat zij zich van de duisternis hadden bevrijd en deze lange weg hadden afgelegd.
Toen dan ook de eerste lichtflitsen doorbraken, veranderde het aspect van de aarde.
Zij, deze mensen, die in die duisternis hadden geleefd, zagen nu door hun eigen licht hoe ver de aarde was gevorderd.
In al die miljoenen jaren waren zij geestelijk blind, nu begrepen zij het stervensproces en het geboren worden op aarde en duizenden wetten in het leven van de geest.
Zij die reeds zover waren gekomen, onderwezen hen die deze hoogte nog niet hadden bereikt.
Zij behoorden reeds tot de geestelijke zusters en broeders van de sferen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De geestelijke wereld werd echter geboren.
Rondom hen kwam gewas, de geestelijke sferen gingen zich verdichten, want ook de sferen moesten eenzelfde weg volgen, zoals alles de natuurlijke groei had beleefd.
Alweer zien wij duidelijk, André, dat het één zich door het ander openbaarde en alles, in de gehele schepping, één weg te volgen had en dat daarin geen verandering is gekomen, ook nu niet, nu de mens bewust is.
En wanneer ik nu weer enige eeuwen verder ga, dan zien wij dat de eerste sfeer tot stand is gekomen.
Je weet, deze sfeer is het evenbeeld van de aarde.
Hier aan onze zijde werd deze wereld uit de innerlijke mens geboren en dit werd, zoals je reeds weet, het Hiernamaals.
Nu ga ik opnieuw enige eeuwen verder.
Wat wij nu zien is wonderbaarlijk.
De eerste sfeer kwam tot stand en ging reeds in een andere toestand over, dat de tweede sfeer zou worden.
In het leven na de dood bezat eenieder die deze hoogte had bereikt een geestelijke woning en naarmate zij vorderingen maakten, zagen zij dat het uiterlijk in gelijke tred ook verder ging zich te verfraaien.
Niet alleen dus hun eigen geestelijke organisme, doch tevens alles wat om hen leefde werd schoner en reiner.
In alles kwam leven en zo leerden zij de geestelijke wetten kennen.
Zij volgden de ontwikkeling van de natuur en leerden daardoor.
Nu ontwaakte het kunstgevoel en bouwde men tempels en gebouwen.
Deze hoog afgestemde wezens, die in de geest bewust waren geworden, werden zich tevens bewust van de hogere krachten in de mens en de ene kunst na de andere werd geboren.
In de sferen, in de verschillende tempels en gebouwen die men hier nog bezit, kunnen wij het beginstadium van de mens, het binnentreden in de geestelijke wereld en hoe dit alles geschiedde, volgen.
Niets is er verloren gegaan, ook hier ligt alles vast.
Het aardse en geestelijke leven ging verder en naarmate de tijd verstreek, zien wij alles, op aarde en in het leven van de geest, veranderen.
Miljoenen wezens, allen van de aarde, die daar hun stoffelijk kleed hadden afgelegd, hielpen mee en bouwden voor zich een eigen woning en eigen sfeer, doordat zij voor anderen iets deden.
Ik zal je thans, voordat ik verder ga, een ander wonder vertellen.
Zij, die in de sferen van licht waren en zich gereed maakten om hun zusters en broeders, die zouden komen, te kunnen ontvangen, beleefden een wonderbaarlijk iets.
In de sferen was er iets, dat voelden zij duidelijk, dat niet volmaakt was.
In hun volle concentratie letten zij daar niet zo op, doch toen het sferenbeeld veranderde, de mensen ook daar een taak te volbrengen hadden, al waren de meesten van hen in de sfeer der aarde werkzaam, zagen zij een zeer schoon tafereel, een wonder van God.
Van het begin van de schepping af bleven de dieren het begaafde kosmische en goddelijke wezen volgen, waren beide wezens steeds bijeen.
Zij, die dit beleefden, vielen neer en schreiden van ontroering.
Rondom hen, mijn zoon, waren vogels en zij zongen hun lied van blijdschap en geluk.
Het dier had zijn duizenden stadia afgelegd en had, evenals de mens, de geestelijke sferen bereikt.
Hoe ontzaglijk was dit beeld!
Hoe groot de genade voor mens en dier, want beide waren zover gekomen.
Het dier kende geen haat meer, had al die organismen beleefd en de hoogste diersoort had de geestelijke afstemming bereikt.
Zij daalden neer en zetten zich op de handen van hun hogere zusters en broeders.
Mijn God, welk een geluk, welk een wonder en genade!
Nu voelden zij eerst wat er op aarde was geschied.
Een goddelijk probleem was opgelost.
Ook het dier ging verder en hoger en zou met hen gaan om de goddelijke weg te volgen.
Hoe was het echter op aarde?
Op aarde was er niet veel veranderd.
Daar werd nog steeds gevochten en leefden de mensen zich uit.
Ik ga evenwel in de geest verder en dan zien wij hoe de mens de goddelijke sferen bereikte.
De mens, die eenmaal zover was gekomen, bleef doorgaan te dienen en door te dienen veranderden de sferen en hun eigen verkregen geestelijk bezit.
Na de eerste kwam de tweede sfeer tot stand en in die sferen groeiden en bloeiden bomen en bloemen, maar hoe hoger de mensen kwamen, des te schoner werden de sferen en alles wat in en om hen leefde.
Het innerlijke licht, dat de mens zich had eigen gemaakt, overstraalde anderen, de geestelijke woningen straalden het innerlijke bezit van de mens uit en tempels en gebouwen kwamen tot stand.
Velen brachten hun kennis en geluk op aarde en daar kwam de ene uitvinding na de andere tot stand.
Het leven op aarde had een aanvang genomen en de intellecte wereld ontwaakte.
Doch wij volgen de geestelijke mens en zo zien wij hoe sfeer na sfeer werd geboren en veroverd.
Miljoenen, zoals ik reeds zei, bouwden daaraan mee, allen droegen bij aan hun eigen bezit en dit bezit werden de bestaanstoestanden, sferen dus die eenieder toebehoorde.
Langzaamaan zien wij sfeer na sfeer tot stand komen.
Steeds verder ging de mens, steeds hoger en mooier werd het sferenbeeld.
De ene sfeer ontstond door de andere en ook in het leven van de geest kwam dus het ene uit het andere voort.
Het universum zien wij nu ook veranderen, in wezen dan het heelal van de geest.
Was de geestelijke hemel in de eerste sfeer zoals op de aarde, de tweede sfeer was de eerste ver vooruit en de derde sfeer was alweer schoner, doch de vierde kon men niet vergelijken met de eerste drie sferen, zo schoon en verheven was deze.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Wanneer in de huidige tijd een ziel aan het einde van haar karmalevens is gekomen en de aardse levenscyclus verlaat, reist ook zij naar de astrale sfeer die ze zelf zonder het te weten mee heeft opgebouwd.
Ze gaat dan over naar de sfeer waarop ze op dat moment innerlijk afstemming heeft.
Voor een aantal zielen betekent dit, dat ze ook nog in deze tijd naar het land van haat, hartstocht en geweld gaan, omdat ze innerlijk nog steeds een dierlijke graad van gevoelsleven hebben.
Andere zielen hebben zich hiervan tijdens hun aardse levens al losgemaakt.
Zij kunnen na hun aardse levenscyclus het geluk en de warmte van de sferen van licht binnentreden, omdat zij op aarde reeds het leven lief kregen.

De geestelijk-wetenschappelijke universiteit

De eerste zielen bouwden lichtsfeer na lichtsfeer op door de astrale uitstraling van hun geestelijk handelen.
In de vierde sfeer begonnen deze zielen als geestelijke persoonlijkheden pas echt aan een geestelijk-wetenschappelijk onderzoek.
Ze wilden meer te weten komen over zichzelf.
Wat is eigenlijk een ziel, een geest, een mens?
Ze volgen de mens op aarde om de wetten die het leven bepalen te doorgronden.
Ze waren verbaasd te zien dat vele mensen die stierven helemaal niet naar het hiernamaals overgingen.
Ze zagen dat de geestelijke gestalte van deze mensen oploste bij het overgaan, en dat hun ziel zich terugtrok in de wereld van het onbewuste.
Ze volgden die zielen in die stille wereld, omdat ze wilden weten waar die zielen naar toe zouden gaan.
Sommige onderzoekers moesten honderden jaren wachten voordat de ziel die ze volgden weer in een nieuw lichaam reïncarneerde.
Maar uiteindelijk zagen ze allemaal hetzelfde gebeuren: de ziel werd aangetrokken door twee aardse mensen, en daalde in in het eicelletje van de moeder op het moment van bevruchting.
Telkens opnieuw volgden de eerste onderzoekers andere zielen, omdat ze wilden weten of deze reïncarnatie een wet was die voor iedereen gold.
Door het volgen van duizenden zielen in hun aardse kringloop kwamen ze op het spoor van de wet van oorzaak en gevolg.
Eén van de eerste onderzoekers verwoordde later deze wet als: 'Wat ge zaait zult ge oogsten.'
Na duizenden jaren van onderzoek kwamen de eerste zielen opnieuw samen, en legden hun bevindingen bijeen.
Ze wilden meer te weten komen over die wonderlijke wet van de reïncarnatie.
Ze wilden weten waar alles begonnen was, waar de ziel haar eerste leven beleefd had.
Ze stelden zich in op hun eigen verleden.
Groot was hun verbazing toen ze merkten dat ze van de aarde wegzweefden.
Hadden ze zich verkeerd ingesteld?
Nogmaals concentreerden ze zich, dachten ze alleen nog maar aan het verleden van de ziel.
En opnieuw zweefden ze van de aarde weg, de ruimte in.
Na enige tijd bereikten ze de eerste kosmische levensgraad.
Daar waren ze getuige van de laatste zielen die op dat moment de eerste moederplaneet verlieten.
De onderzoekers voelden zich aangetrokken tot deze zeeleeuwachtige organismen, en ze voelden dat hier ook hun eigen verleden lag.
Ook zij hadden hier eens geleefd en op deze manier dit organisme achtergelaten om op volgende planeten verder te groeien.
De onderzoekers begrepen nu waarom zij reeds de sferen van licht hadden bereikt, en andere mensen nog in het oerwoud rondliepen.
Zijzelf waren eerder geboren op de eerste planeet!
Niet alle zielen werden daar op hetzelfde moment geboren, dit geboren-worden vond plaats in 'golven'.
Op de eerste planeet was het verschil slechts een fractie van een seconde:
Wellicht een tiende of miljoenste seconde op de Maan eerder uw graad van het leven kreeg.
Nu gij op Aarde zijt, zijn die seconden door levens veranderd.
Maskers en Mensen, 1948
Ze begrepen dat de zielen die op dat moment de eerste kosmische levensgraad verlieten pas over miljoenen tijdperken aan hun aardse evolutie zouden beginnen.
Want het gevoelsleven van deze zielen kon nog niet onmiddellijk in een menselijk lichaam van de eerste stoffelijke graad op aarde incarneren, die overgang van het gevoelsleven van de ziel in dit zeeleeuwachtige organisme naar het gevoelsleven van de aardse oerwoudbewoner vereiste nog vele tussenstapjes.
Die tussenstapjes waren het volgende punt van onderzoek.
De onderzoekers volgden de zielen die op dat moment de eerste moederplaneet verlieten.
Ze volgden hen naar de eerste overgangsplaneet van de tweede kosmische levensgraad.
Zo bezochten de onderzoekers planeet na planeet, waardoor ze hun eigen kosmische levensweg leerden kennen.
Na de overgangsplaneten kwamen ze uiteindelijk op Mars aan en volgden het leven op deze moederplaneet.
Daarna volgden ze de overgangsplaneten van de derde kosmische levensgraad, en kwamen ten slotte aan op de Aarde, de moederplaneet en eindstadium van de derde kosmische levensgraad.
Ze voelden dat deze drie kosmische levensgraden in hetzelfde heelal lagen, en eigenlijk één ontwakingsruimte betekenden.
Hun leven was ontwaakt, zij waren zich nu bewust geworden van hun eeuwige voortgang.
Eigenlijk begonnen ze nu pas echt te leven.
Op dat moment begrepen ze waar de ziel vandaan komt die in het oerwoud aan haar eerste aardse leven begint.
Ze begrepen tevens dat die eerste stoffelijke graad op aarde nog zolang zou blijven bestaan, totdat de laatste ziel van de overgangsplaneten van de derde kosmische levensgraad op aarde is aangekomen, en naar een lichaam van de tweede stoffelijke graad op aarde is overgegaan.
Alcar legt uit aan André dat op deze manier ook de prehistorische diersoorten uitgestorven zijn, toen hun ziel in een verder geëvolueerd dierlijk lichaam overging:
Een voordierlijk monster heeft dus die lange stoffelijke en geestelijke weg afgelegd en ging in een hogere soort over, om, zoals wij, tot God terug te keren.”
„En dit is voor mens en dier, Alcar?”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
„Zeer goed, André, ook die menselijke graden, zoals ik al zei, zullen en moeten oplossen.
Het verheugt mij, dat je dit alles hebt begrepen.
Er zullen wel rassen aanwezig zijn, maar de eerste zes graden zullen in de zevende graad oplossen, omdat de ziel dit beleven moet.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De eerste menselijk-stoffelijke graden zullen dus nog lang nodig zijn om de zielen die naar de aarde komen op te vangen.
Toch kunnen ook deze stammen in hun eigen stoffelijke graad innerlijk evolueren.
Gij ziet, deze mensen voelen zich nog dierlijk bewust.
Doch dat heeft voor de eigenlijke levensgraad niets te betekenen, de volgende, de tweede graad voor het menselijke organisme, schenkt de ziel meer verruiming, hogere bewustwording.
De eerste drie levensgraden leven hier als stammen.
Elke graad zorgt voor afscheiding.
De eerste graden kent men niet eens, zo diep leeft die levensgraad in het oerwoud, doch straks, wanneer de geleerde zijn onderzoekingen voortzet, treden ook die naar voren.
Alléén de laatste jaren, mijn broeder André, heeft de geleerde zich open gesteld voor de vele rassoorten op Aarde, ik bedoel, dat men alles tracht te doen om deze mensen te leren kennen.
Het spreekt van zelf, dat deze eerste drie levensgraden eerst nú, voor het huidige stadium, belangstelling genieten, zodat ook het oerwoudkind evolueert.
Dus niet alleen lichamelijk, doch bovendien geestelijk.
Voor honderd jaar terug werd de blanke geslacht en opgegeten, ook nu nog, indien hij in handen valt van de eerste levensgraad, doch het huidige bewustzijn voor al deze oerwoudstadia gaat vooruit, ál de levensgraden van Moeder Aarde krijgen contact en zullen elkaar dienen.
Wat thans mogelijk is, u kent dat, de geleerden trachten het oerwoudkind te steunen, was voor slechts honderd jaar terug niet mogelijk, omdat het blanke ras afgemaakt werd.
Aan die ontwikkeling zien wij, dat het kind van het oerwoud ontwaakt, doch door de hogere levensgraden.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
Het bovenstaande citaat komt uit het vierde deel van 'De Kosmologie van Jozef Rulof'. Deze boeken werden geschreven tijdens de Tweede Wereldoorlog. De meesters voorzagen dat na deze oorlog de mensen met een lichaam uit de verschillende stoffelijke graden meer contact met elkaar zouden krijgen, waardoor het verschil in geestelijk bewustzijn van die zielen zou verminderen. 'Al de levensgraden van Moeder Aarde krijgen contact en zullen elkaar dienen'. Dit is reeds een teken dat de mensheid als geheel evolueert en naar een hogere bewustwording op weg is. Een bewustzijn waarin geen plaats meer is voor overheersing van andere volkeren.
In het boek 'De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien' beschrijven de meesters hoe zij zelf de mens op aarde inspireren om dit contact te maken en uit te bouwen, om de wereld aan een te smeden, zodat er geen enkel volk op aarde nog 'achterblijft' bij de evolutie van de mensheid. 'Onbekend maakt onbemind'. Het echt leren kennen van elkaar maakt immers de weg vrij voor het afbreken van vijandbeelden, en geeft de basis voor een duurzame vrede. Zo stuwen de meesters de mensheid vooruit om het dierlijke oorlogszuchtige gevoelsleven van haat en geweld achter zich te laten en een universele verstandhouding en respect op te bouwen. Om uiteindelijk het gevoel 'mens' op te bouwen, ongeacht alle verschillen die de aardse persoonlijkheden bedenken, en waarmee ze zich van hun medezielen kunnen afscheiden:
Toen de eerste geestelijk-wetenschappelijk onderzoekers hun vorsende blik opnieuw naar de planeet van de eerste kosmische levensgraad richtten, aanschouwden ze een ander wonder.
De laatste ziel had het zeeleeuwachtige organisme verlaten en was vertrokken van de eerste moederplaneet, zodat de taak van deze kosmische moeder was afgelopen.
Haar leven liep ten einde, zij kon nu aan haar stervensproces beginnen.
Toen zij langzaam haar levenskracht begon terug te trekken uit dit macrokosmische lichaam, loste enkele lagen van haar atmosfeer op, en...
verdroogde haar oppervlakte.
Net zoals het menselijk lichaam verdroogt wanneer de ziel zich terugtrekt, verhardde ook dit planetair lichaam tot de toestand waarin wij haar vandaag de dag kunnen bewonderen aan een nachtelijke hemel.
Zelfs in onze huidige tijd voelen mensen zich verbonden met dit hemellichaam, niet wetende dat ze daar hun kosmische levensweg begonnen zijn.
Ze zien dan ook alleen een stervende planeet, en kunnen met hun stoffelijke ogen haar machtig verleden niet peilen.
Zelfs al vermoeden sommige aardse geleerden dat er ooit water heeft gestroomd over haar oppervlakte, waarin mogelijk leven was.
Op aarde vonden de geestelijke onderzoekers die hele kosmische evolutieweg terug in de geboorte van een kind.
Ze zagen dat de menselijke moeder elke maand een eicel afsplitst, net zoals de eerste planeet dat in het groot deed als moederplaneet.
Ook op aarde verbindt de reïncarnerende ziel zich bij het indalen met een klein celletje, net als op de eerste planeet.
In de baarmoeder beleeft de ziel het waterlijk bewustzijn.
Ook daar 'zwemt' zij in het vruchtwater, net zoals zij biljoenen tijdperken op de eerste planeet heeft gedaan.
Zelfs de kieuwen worden in het huidige stadium nog even opgebouwd, en zijn het bewijs dat we eens in het water hebben geleefd.
Door hun gedreven onderzoek vonden de eerste geestelijke vorsers elke stoffelijke overgang terug in die negen maanden van een zwangerschap.
Zo getuigt ons staartbeen van ons kruipend leven op de tweede kosmische levensgraad.
Waar de ziel destijds miljarden jaren aan gebouwd heeft, speelt ze nu klaar in negen maanden.
Deze bevindingen waren de eerste fundamenten voor de Universiteit van Christus.
De geestelijke onderzoekers begrepen dat heel de kosmische evolutie van lichaam en ziel gestoeld was op de reïncarnatie.
Meester Alcar verwoordde het als volgt aan André:
Thans, nu men al die mensenrassen op aarde gaat kennen en onderzoeken, gaat men tot die studie over, doch de eigenlijke kern, de diepte van al dat leven en stoffelijk organisme, leert men op aarde niet kennen, omdat zij het scheppingswonder van het begin af niet meer kunnen volgen.
Dit zou nog wel mogelijk zijn en daar kom ik steeds op terug, wanneer de geleerden een eeuwig voortgaan en de wedergeboorte zouden kunnen aanvaarden.
Die wedergeboorte, en daar gaat het mij om, daarom heb je dit alles mogen beleven en heb ik je dat op deze reis aangetoond, is voor het stoffelijke en geestelijke kleed.
Beide organismen zijn één, beide gaan in elkander over.
Wat voor het stoffelijke lichaam mogelijk is, is tevens voor het geestelijke kleed mogelijk.
Was in het eerste stadium het menselijke embryo niet bezield, kon dat leven niet in een ander kleed overgaan, dan reeds, ik heb je dat duidelijk gemaakt, waren wij niet op aarde gekomen en hadden wij tevens dat grootse wonder, de schepping, niet gekend.
Maar God overzag dit, want God gaf de mens een stoffelijk kleed en al was dat kleed een voorwereldlijke diersoort, het zou en het moest veranderen, daarvoor waren al die planeten.
Wat die ontzaglijke lichamen aan kracht bezitten, hoe vreemd dit ook klinkt, bezit het stoffelijke en geestelijke organisme.
Alles harmonieert en in alles vinden wij die samenstelling terug.
Op verschillende wijze heb ik je aangetoond, dat dit zo moet zijn, anders waren wij geen wezens met een goddelijke vonk en zouden nooit het universum kunnen binnengaan en als bezit aanvaarden.
In alles, van het eerste ogenblik af, ligt de wedergeboorte.
In honderden, neen duizenden toestanden kan ik je dat aantonen.
Wie op aarde is, is een incarnatie.
De bomen, bloemen en het gehele dierenrijk zijn op andere toestanden, planeten dus, geweest.
Hadden zij daar moeten blijven, dan waren zij zover niet gekomen.
Als de eerste mens een voordierlijk dier is geweest en het miljoenen jaren duurde voordat het stoffelijk zover was, dan is het de ziel, het geesteslichaam dus, die dat beleefd moet hebben.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939

De oorzaken van de overbevolking

Toen de eerste zielen aan hun geestelijk onderzoek bezig waren, leefde de aardse mensheid nog steeds in het voordierlijke gevoelsstadium.
Het verscherpt denken van de aardse mens met een lichaam van de latere stoffelijke graden had steeds meer en geraffineerdere wapens uitgevonden, waarmee heel veel mensen tegelijk konden worden gedood, en anderen konden worden overheersd.
Hoe meer moorden, hoe meer karmalevens om dit alles weer goed te maken.
Het aantal levens dat een ziel nodig had om weer in harmonie te komen steeg alarmerend hoog.
Hierdoor werd het algeheel verblijf op deze planeet veel te lang.
De onderzoekers zagen dat dit de belangrijkste oorzaak zou gaan vormen voor de overbevolking op aarde in onze huidige tijd.
Aan de ene kant komen er nog steeds zielen van de overgangsplaneten van de derde kosmische levensgraad naar de aarde om hier hun eerste levens te beginnen in het oerwoud.
Aan de andere kant blijven de zielen van de latere stoffelijke graden, wij dus, veel te lang op aarde, om leven na leven goed te maken.
Bovendien zijn de meeste levens korter dan bedoeld, door vroegtijdig overgaan.
Meester Alcar:
Niet alléén, dat wij als mens onze karmische wetten, dus door moord en vernietiging, de Goddelijke harmonische levenswetten hebben bezoedeld, bovendien zien wij nu reeds, dat de mens voor zíjn kosmische tijd sterft en wél door zijn verzwakking, zijn ziekten.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Zodoende stijgt het aantal reïncarnerende zielen op aarde voortdurend, en dit zal nog een hele tijd doorgaan.

Onze tweelingziel

De meeste geestelijke onderzoekers hadden ondertussen het geluk beleefd herenigd te worden met hun tweelingziel.
Was dat nog niet zo, dan moesten ze nu op hun eeuwige zielsverwant wachten.
Vanaf de vierde sfeer van licht konden ze alleen verder evolueren wanneer ze als tweelingzielen tezamen die ruimte konden dragen en vertegenwoordigen.
Dit zieleleven behoorde tot dezelfde levensgraad als wijzelf en het was geen seconde ouder.
Met dit leven gingen wij op weg, graad in graad uit, zo kwam het ene leven niet verder of hoger dan het andere.
Geen tien seconden van elkaar weg, even oud, gelijk in gevoel, één in werking, kwamen wij tot het hogere bewustzijn.
Nu eens als scheppend, dan weer als barend principe.
Zo beleefden we de Maan, daarna de tweede kosmische graad en kwamen vervolgens naar de Aarde.
In al die stadia volgen de tweelingzielen de goddelijke wetten op en niets verbreekt hun natuurlijk gegroeide band.
Als man en als moeder zullen ze thans op de Aarde de stoffelijke wereld beleven.
Als de Moeder het hoogste in haar eigen graad zal hebben beleefd en de wet voor de geboorte en het Moederschap in haar is ontwaakt, zal zij in het volgende stadium het scheppend organisme ontvangen, terwijl het scheppend organisme – de man – dan het barende leven zal binnengaan.
De tweelingzielen als man en vrouw zullen voortdurend van organisme wisselen en als Moeder ontwaken om zo meer en meer gereed te komen voor elkander en door het Moederschap de wetten te beleven, die hen tot God zullen terugvoeren.
Van de tweede kosmische graad naar de Aarde gekomen beleven de tweelingzielen de zeven lichamelijke graden, die Moeder Aarde schiep.
Beginnend in het oerwoud gaan zij van het ene ras (lichamelijke levensgraad) naar het andere en bereiken via duizenden levens (de zevende stoffelijke levensgraad waaronder) het blanke ras.
Intussen is de ziel voor het bewuste beleven ontwaakt, zij dompelt zich in hartstocht en geweld.
In elk leven worden de wetten van God vernietigd.
De ziel schept nu bewust karma en treedt nu het oorzaak en gevolg binnen, ze moet goedmaken wat ze misdeed.
Dit is het ogenblik, waarop de natuurlijke band verbroken wordt en de tweelingzielen uiteengaan.
Zij worden elk naar andere graden getrokken, al naar de karmische wetten, die elk voor zich schiep.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
En alleen de persoonlijkheid, die de geestelijke graad heeft bereikt en beleefd, ontmoette de eigen soort weer, al de lagere graden zijn nog bezig zich van het eigen karma los te maken en komen met andere graden in contact.
Die zielen ondergaan het bewuste leed en de bewuste smart, de ellende, die zij zichzélf oplegden.
De mens gaat over de Aarde, weet niets van de wetten waarin en waardoor hij leeft, hij weet alleen, dat het leven een hel is.
Het ene huwelijk na het andere verloopt in ellende en onvree en al groter wordt het verlangen naar de eigen levensgraad.
De vrouw zoekt naar de man, de man naar de vrouw, naar de waarachtige liefde, naar het leven dat tot haar en bij hem behoort.
Maar waar leeft deze ziel?
Onder welk volk leeft ze?
Geen mens weet het, maar ergens op Aarde, of, wat ook mogelijk is, in de wereld van het onbewuste, wachtend op een nieuw organisme, toeft het wezen, dat tot zijn leven behoort.
Niemand weet van het bestaan van een tweelingziel af, daar is alleen het onbepaalde verlangen naar een mens, die eender is, op dezelfde manier denkt en voelt, hetzelfde verlangen kent, dezelfde verwachtingen koestert.
Maar waar leeft dat wezen?
U kunt het aan deze Zijde zien, als u de eerste sfeer hebt bereikt.
In de daaronder liggende sferen moet de mens nog voor deze wijsheid ontwaken.
Daar bent u nog onbewust van al deze levenswetten.
Zo zijn man en vrouw bezig zich vrij te maken van het eigen karma, als ze tenminste dit bewustzijn al bezitten en niet nog voortgaan nieuw karma te scheppen.
Ieder wezen in de ruimte schonk God een tweelingziel.
„Ik behoor tot u, ik ben van u, doordat God ons tezamen voegde.
Wij beiden dragen de ruimte, wij tezamen vertegenwoordigen de Goddelijke wetten.”
Zélf echter hebben wij de waarachtige levensafstemming voor de tweelingzielen-liefde verbroken, en dit door eigen verlangens.
Zélf stootten we ons uit het paradijs.
Onze tomeloze begeerten dreven ons naar andere wezens, we leefden ons door hen uit en zagen onze hartstochten alleen nog maar verergeren.
Dit rukte ons uiteen en zette ons in de ellende.
Toch leeft de ziel van uw leven in de ruimte, wellicht heel dicht naast u, wanhoop dus niet als u geslagen en getrapt wordt, doordat het andere leven u niet begrijpt.
Uw eigen graad en soort wacht op u en werkt aan zichzelf.
Maak u gereed voor uw tweelingziel en bedenk, dat u dit wezen dient, als u uw taak ten opzichte van het andere leven geheel afmaakt!
Het is in alle graden mogelijk uw eigen soort te beleven.
Indien u mij begrepen hebt, zult u voelen, dat eenieder deze graden te beleven kreeg of te beleven krijgt.
In alle graden ontmoeten de tweelingzielen elkander om dan weer op gezag van de karmische wetten naar de andere soorten te worden getrokken, waaraan goed te maken is.
In de voordierlijke en dierlijke levensafstemmingen kunt ge uw tweelingziel dus ontmoeten, en daarin nog een zeker geluk beleven ook, omdat ook in die lagere graden het gevoel van eenheid spreekt.
Maar wat heeft een dergelijke, dierlijk afgestemde liefde te betekenen?
Voor dit soort liefde is Christus niet gestorven.
Alléén de geestelijke tweelingliefde heeft betekenis voor ons leven.
Als ziel gaan we door alle lagen van het kwaad, door alle graden van de duisternis naar het licht.
We komen eerst met de hogere graad in verbinding als we in de lagere graad hebben goed-gemaakt.
In het ene leven schept u, in het andere en volgende bent u moeder en baart u.
Zo goedmakend en lerend evolueert u en komt u tot geestelijke ontwaking.
Eindelijk staat u open voor de geestelijke liefde en hebt u afstemming op de eerste sfeer.
En nú eerst zijt ge gereed voor de geestelijke tweelingliefde!
Als ge nu aan uw laatste stoffelijke leven toe bent en ge uw aardse kringloop hebt volbracht, treedt ge ons leven binnen en gaat ge aan deze zijde verder.
Het (is) nu mogelijk, dat de ziel, die tot uw leven behoort, nog op Aarde is.
Het is ook mogelijk, dat zij nog in de wereld van het onbewuste leeft en daar wacht om door Moeder Aarde te worden aangetrokken.
Nu moet u dus geduld hebben, maar dit ene leven heeft geen betekenis.
U beleefde als man en vrouw miljoenen levens!
Er is zoveel in onze wereld, dat u te leren heeft.
En u kunt, als bewuste, de ziel helpen, die nog een aards leven te beleven heeft.
De hereniging verbeidend, maakt u zich gereed om uw tweelingziel in deze wereld te ontvangen.
En als dit gelukzalige ogenblik komt, bent u voor eeuwig met uw tweelingziel verbonden, nimmer zult u meer uiteengaan.
Er zijn zeven sferen om u gereed te maken voor de Vierde Kosmische levensgraad, waar u opnieuw het stoffelijke stadium wacht.
Samen begint u aan het hogere geluk te bouwen, u neemt de eerste sferen in bezit en maakt een reis van enkele eeuwen.
U gaat terug naar de Maan en volgt alle stadia, die u beiden doormaakte op de eerste, de tweede en de derde kosmische graad.
U ziet, hoe u uiteenging en de levens die u vervolgens beleefde.
Door deze reizen en ervaringen verkrijgt u het kosmische bewustzijn.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941