Les in concentratie

Buitengekomen voelde ik, dat Dectar zich geheel had afgesloten.
Naast mij ging mijn meester en met hem zijn leerling.
Dectar bracht mij naar een vogelkooi, waarin verschillende soorten van vogels waren opgesloten.
Toen wij er binnentraden zei hij tot mij: „Je moet nu trachten, Venry, om één van de vogels tot je te roepen.
Zie, ik zal het je voordoen.”
Dectar stelde zijn concentratie op een klein vogeltje in en onmiddellijk vloog het diertje naar zijn vooruitgestoken hand en nam rustig daarop plaats.
„Zie je, Venry, het diertje luistert naar mij.”
„Waarvoor is dit nodig, Dectar?”
„In concentratie moet je heel sterk zijn, Venry.
Wanneer je straks tussen leven en dood leeft, moet je gereed zijn.
Je moet je op verschillende wijzen kunnen concentreren, maar ook op deze wijze moet je heel sterk zijn.
Probeer het eens, ik zal je helpen.”
Ik voelde, dat Dectar het diertje vrij liet en het vloog dan ook dadelijk weg.
Dan stelde ik mijn concentratie op het diertje in, doch het wilde niet tot mij komen en bleef waar het was.
„Je denkt niet duidelijk genoeg, Venry.
Je moet het innerlijke leven volgen, niet het diertje, dat je kunt zien, maar het innerlijke leven.
Als je dat leven in je voelt, ga je denken en voel je jezelf als een vogel, maar dan ben je ook geheel één.
Dan zou je willen vliegen, want dat gevoel is in je en dan ben je ook als dat diertje.
Maar dan ga je denken, eerst heel rustig sterker en bewuster, steeds krachtiger denken, waarna je plotseling je wil instelt en dan zal het doen wat je zelf wilt.
Ook nu volg je het, spring je van tak tot tak, maar breng je het dier naar de plaats, die je van te voren hebt vastgesteld.
Dus eerst éénmaken, geheel éénzijn en daarna, je instellen op wat je wenst.
Je kunt het heel rustig doen, maar ook in korte tijd, plotseling dus, en dan wil je alles ineens beleven en komt het diertje tot je.
Kun je mij voelen, Venry?”
„Ja, Dectar, ik zal mijn best doen.”
„Je kunt het, Venry, in jou is die kracht, ik weet het.”
Dan stelde ik mij opnieuw in, maakte mij voorzichtig één en verscherpte mijn concentratie.
Ik wilde, dat het diertje rondvloog en daarna op mijn rechter schouder plaats zou nemen.
Toen ik het diertje dwong dit te doen, vloog het met een ruk van de plaats waar het zat op en in het rond.
Dectar, die mij volgde, zei: „Prachtig, je ziet het, het diertje luistert.
Het zal tot je komen.”
Waarachtig, het vogeltje nam op mijn schouder plaats.
Toen het diertje tot mij kwam, zag ik een ander gekleurd vogeltje en ik volgde dat diertje.
Onmiddellijk voelde ik, dat het contact verbroken was en het diertje keerde naar zijn plaats terug.
„Niet goed, Venry, je moet maar aan één iets denken, er mogen geen andere gedachten in je zijn.
Je hebt het gezien, nu nog eens en beter opletten.”
Ik voelde mij doodmoe van dat concentreren en vroeg: „Waarom word je daar zo moe van, Dectar?”
„Je bent niet gewend op volle krachten te denken.
Mensen die op volle krachten denken en voelen, zijn heel spoedig uitgeput.
Al die andere mensen leven op halve krachten, dat het halfwakend bewustzijn is en waarvan ik je vertelde.
Nu leef je op volle kracht en is je wil op één doel ingesteld en daarvan ben je heel moe.
Voor heden reeds voldoende, Venry, en nu voel je meteen hoe moeilijk het is, je met de natuur één te maken, één te voelen.
Kom, wij gaan hier vandaan.”
„Is de ingestelde wil zó krachtig, Dectar?”
„Indien ik de kracht bezat, maar dan ten volle bewust, en ik wilde, dat dit gebouw zou instorten, dan stortte deze Tempel ook in, hoe machtig en sterk ook de fundamenten zijn en dit gebouw is.
Maar ook ik kan nog niet denken, ik ben daarin nog heel nietig.”
Wij wandelden door de tuinen en volgden het planten- en bloemenleven en Dectar vertelde mij over de Tempel en de Hogepriesters.
Daarmee ging de dag voorbij.
Zo volgden er weken en maanden.
Ik had reeds grote vorderingen gemaakt.
Toen naderde het ogenblik, dat mij de eerste proeven zouden worden afgenomen.