De geheime krachten van Isis

„Kom, wij gaan wandelen, ik heb je nu heel veel te zeggen.
Denk er om, Venry, duizenden gedachten stormen daar op je af.
In vele werelden zal je komen, waarvan zij het bestaan kennen, maar soms geen besef hebben en dan weer ben je met de werkelijkheid verbonden.
Daarom zo afschuwelijk.
Maar je gaat nergens op in, de werkelijkheid zal je spoedig kunnen voelen en dan doe je of je heel moe bent.”
„Je bent een Vader voor mij, Dectar.
Hoe kan ik alles goedmaken?”
„Je bent mijn broeder, Venry, en ik ken je Vader en Moeder en heb beiden heel lief.
Maar je zal ook mij helpen, geef mij mijn krachten terug, ik ben lam.
Als ik voel, wat zij willen, Venry, zal ik je waarschuwen.
Voor mij geschieden deze dingen te vroeg.
Doch ik zei je reeds, zij staan op een dood punt, kunnen niet verder en weten thans geen raad meer.
Maar de Farao vraagt steeds, steeds naar nieuwe wijsheid.
Ga terug naar je cel, straks kom ik je halen, want je moet heel rustig zijn en je daarop voorbereiden.”
Deze afgrijselijke werkelijkheid maakte mij angstig.
Ik knielde neer en bad tot mijn Moeder en Ardaty.
Ik zou hem als mijn Vader blijven liefhebben en zond al mijn liefde tot hen.
Nadien voelde ik mij weer wat rustiger.
Ik begreep nu, waarom Dectar mij naar mijn cel terugzond.
In mij was angst.
Nu begreep ik tevens mijn Moeder en waarom zij zich aan mij vertoonde, maar vooral mijn haat, waarvan zij sprak en vele andere dingen meer.
Wat voor monsters leefden er hier om mij heen.
Ik leefde in een misdadige omgeving, van reine liefde voelde en zag ik niets.
Beleefden de priesters en priesteressen al deze afschuwelijkheden?
Doch ik wilde gereed zijn, wellicht was het goed voor mijn ontwikkeling.
Weldra keerde Dectar terug en hij zei: „Ben je wat rustiger, Venry?”
„Ja, Dectar, ik ben weer gereed.”
„Kom, wij gaan opnieuw wandelen, maar nu goed luisteren en vergeet niet aan ons eigen wapen te denken.
Je moet weten, Venry, dat dit een zeer zware proef is.
Je kunt reeds buiten je lichaam gaan en je concentratie is duidelijk.
Zij slaan nu vele jaren over.
Ik beleefde in de duisternis, dat onreine dieren van mijn lichaam vraten, totdat ik buiten bewustzijn was en toen natuurlijk niets meer voelde.
Doch daarna werd ik weer wakker en opnieuw beleefde ik verschrikkelijke dingen.
Mijn cel, de kamer waarin deze dingen geschiedden, stond in brand en ik riep om hulp.
Doch niemand die mij hoorde.
Toen ik om hulp riep, was ik reeds vernietigd.
Daarna beleefde ik weer andere dingen.
Ik was op een grote rivier in een klein bootje.
Alles was rustig, geen wind en ook het water was heel kalm.
Doch weldra kwamen er een donkere lucht en wind opzetten, die in een orkaan overging.
Natuurlijk ging ik ten onder, Venry, de golven sloegen over mij heen en ik verdween in de diepte.
Toch werd ik weer wakker en leefde.
Zo beleefde ik verschillende gebeurtenissen, doch verloor telkens mijn bewustzijn en dat was niet goed en heel verkeerd.”
„Wat is hiervan de bedoeling, Dectar?”
„De priesters of priesteressen moeten door concentratie dit alles voorkomen en zichzelf blijven.
Want er zijn daar geen slangen en vreselijke andere verschijnselen meer, geen stormen, geen vuur waardoor je verbrandt, dat zijn gedachten, Venry, alléén gedachten van de meesters, door hun concentratie opgebouwd, maar die je als de werkelijkheid beleeft.
Wanneer je nog niet gereed bent, Venry, is dat juist de ontwikkeling die onfeilbaar is, om je wil te versterken en krachtig te maken.
Wij moeten dus dat vuur kunnen tegenhouden, een storm bedwingen; geen slang heeft kracht genoeg om ons te bereiken.
Geen wezens moeten je kunnen bedwelmen, niets, Venry, kan er geschieden, indien je gereed bent en het priesterschap wilt behalen.
Maar ik en vele anderen kwamen er gebroken uit; onze krachten waren geheel uitgeput, wij waren geestelijk afgemat, zodat er maanden voorbijgingen, voordat wij opnieuw aan ons werk konden beginnen.”
„Ben je daar later weer opnieuw ingegaan, Dectar?”
„Jazeker, want ik wilde immers het priesterschap behalen.
Maar twee jaar later, Venry, was ik gereed.
Anderen echter probeerden het telkens weer opnieuw en kwamen er nooit.”
„Wat geschiedt er dan, Dectar?”
„Na drie proeven kunnen zij heengaan, maar hun leven is dan vernietigd.
Zij hebben alles verloren, alles ineens gegeven en hebben niets meer te geven.
Hun ziel is in korte tijd geheel versleten, Venry.
Zij beleefden tal van jaren ineens en zijn ingestort.
Zij beleefden alles of niets.
Welnu, zij waren leeg, er was niets, niets meer in hen, dat hun de kracht gaf om nog verder te kunnen leven.
Zij beleefden een wet, Venry, het is vallen, diep vallen, of een Koning zijn in gedachten.
Maar wanneer zij het bereiken, bezitten zij heel veel wijsheid en kracht en dat maakt hen groot.
Daarvoor zetten zij hun eigen leven in.”
„Is dat eveneens in andere Tempels, Dectar?”
„Ja, Venry, maar deze is daarin volmaakt, geheel af en wie hier het priesterschap ontvangt, is priester.
Doch Isis sterft, leeft tussen goed en kwaad en gaat door het kwaad ten onder.
Isis breekt zichzelf af, het allerheiligste is reeds jaren zoek.
Wil je nu even niets zeggen, noch denken, Venry?”
Wij gingen een tijdlang voort en toen zei Dectar: „Steeds is er gevaar, Venry, vooral nu volgt men ons.”
„Heb je verscheidene leerlingen voorbereid, Dectar?”
„Ja, maar velen kwamen er krankzinnig uit, Venry.
Anderen zijn priester geworden en zijn nu meesters in andere Tempels, om ook daar te leren.”
„Weten de Hogepriesters dan niet, dat men bezwijkt, Dectar?”
„Natuurlijk, zij weten alles en kunnen alles weten.
Voor de eerste maal houden zij op en na enige dagen komen zij er weer uit.
Later echter, voor de tweede of derde maal, alles of niets.
Dan geschieden er afschuwelijke dingen, Venry, waarvan ik sprak.
Dan is er geen leven of dood meer in hen, zij zijn geheel op, lichamelijk en geestelijk kapot.
Maar het is hun eigen wil.”
„Heb je met al die anderen op deze wijze kunnen spreken, Dectar, en hen kunnen voorbereiden?”
„Jazeker, maar dat helpt niets, allen vallen en bezwijken, of worden priester.
Je verliest jezelf en weet dan van niets meer af, niet meer, dat je leeft, of reeds in dat andere leven bent.
Je weet niets meer, van dag noch nacht, niets, niets, alles is uit je weg en daarin moet je toch jezelf blijven.
Dan al die andere dingen nog, waardoor je bezwijkt.”
„Maar dat is niet te bereiken, Dectar?”
„Ben ik priester geworden, Venry?
Als je jezelf blijft, kan er niets geschieden.
Je tart hen allen, in jou zijn gaven, je tart al die heren meesters, Venry, want je bent zelf een meester.
Ook ik ben gevallen en bezweken en vele malen daarna in mijn cel, maar dan, Venry, werd ik een meester, want toen bleef ik mijzelf.
En waardoor, mijn vriend?
Neen, je kunt het niet weten.
Ik werd een klein kind, Venry, een heel klein kind, zonder gedachten en toch heel sterk en groot, ja volwassen.
Maar toen was er geen vuur, geen ongedierte, geen liefde, want daarvan had ik toen geen begrip, niets kon mij toen bereiken en toch was ik alles, zoals je reeds hebt beleefd.
En daarin, beste Venry, moet je een eigen weg trachten te vinden, omdat ik nu nog niet weet welke wijze zij toepassen.
Niet allen beleven hetzelfde.
En dat is voor jou, om in die andere wereld sterk te zijn.”
„Is het daar dan zo gevaarlijk, Dectar?”
„Heb je die krachten in je jeugd niet gevoeld?
Dat wezen was nog maar een klein kind, in vergelijking met anderen.
Ze zijn monsterachtig.”
„Moet ik mij daarvoor gereed maken, Dectar?”
„Ja, Venry, en denk hier niet te gemakkelijk over.
Want wat hebben de meesters aan een gevleugelde, die daar bezwijkt?
Die men maanden lang, zelfs jaren achtereen krankzinnig maakt?
Die krankzinnigheid, Venry, dat is zo erg niet, want wij kunnen genezen, maar de persoonlijkheid is vernietigd, hij heeft alles verloren en dat op één reis.
Even maar buiten zijn stoflichaam is reeds voldoende.
Dan staan ook wij machteloos, kunnen niets voor dit leven doen, omdat deze ziel voor dit leven is vernietigd.
Als zij dan eens sterven, leven zij daar verder en wachten op een nieuwe geboorte.
Maar dat kan eeuwen lang duren, Venry, voordat zij terugkeren.
Doch die eeuwen zijn nodig, zodat de ziel zich kan herstellen.”
„Wat weet men hier van al deze wetten af, Dectar?”
„Wij weten heel veel, Venry, en dat andere moet ik leren kennen.
Als je voor de grote proeven gereed wilt zijn, moet ik je daarvan alles zeggen, doch dat komt later.
Er waren priesters, die de duisternis beleefden, Venry, maar toen zij in de ruimte waren, bezweken zij.
Ook waren er, die niet weer konden terugkeren en toen trad onmiddellijk de dood in.”
„Tijdens het onderzoek, Dectar?”
„Ja, Venry, waar anders?
Juist tijdens het onderzoek zijn zij bezweken.”
„En konden de meesters hen dan niet terugtrekken, naar de aarde, bedoel ik?”
„Je behoeft niet zo duidelijk te zijn, Venry, één woord en ik begrijp je.
Neen, dat is dan niet meer mogelijk.
Aan die zijde waren er duizenden demonen en die hielden die priester daar vast en zij sloten op die wijze het aardse leven af.
In korte tijd dood en niets kunnen wij voor hen doen.
Daartegen staan ook de meesters machteloos.”
„Ik begrijp nu het gevaar, Dectar, maar wij hebben hulp en onze hulp zal toch wel weten wat mogelijk is.
En ik ben gereed.”
„Zie je, Venry, daar vertrouw ik op, maar we moeten goed en duidelijk weten, wat wij zelf kunnen.
Ik zou je anders willen smeken, doe niets, je bent dan moe en je laat alles over je heengaan, zodat je de duisternis nu nog niet overwint.
En dat is juist de bedoeling en wij gaan enige jaren verder om ons gereed te maken.
Dan moeten ook zij wachten en met hen de Farao.
Maar er is nog meer, Venry.
Om deze Tempel ligt een astrale muur, maar ook om iedere cel ligt een muur van kracht.”
„Wat is dat nu weer, Dectar?”
„Dat alles is je nog niet bekend, Venry, en je mag het eerst nu weten.
Om je eigen cel is een astrale muur.
Ik weet, dat je er reeds buiten was.
Je hebt mij immers bezocht, Venry, doch toen had je hulp, of wij hadden onze kastijding reeds ontvangen, of werden in stilte gevolgd.
Doch daardoor begreep ik, dat wij werden geholpen en kreeg ik de zekerheid van een grote kracht, waardoor ik heel veel begreep.
De meesters zijn er toen niet geweest, maar er moet iemand anders in je cel zijn gebleven, want dat voelen zij onmiddellijk.
Dat geeft mij dus groot vertrouwen, Venry.”
„Je denkt, Dectar, dat er iemand waakte?”
„Natuurlijk, Venry.
En wanneer je die hulp in de duisternis ontvangt, dan kunnen wij rustig afwachten.
Maar vergeet niet, dat je moet leren, op andere krachten kun je in de ruimte niet leven, dan was het veel eenvoudiger, doch dat is nu niet mogelijk.
Het is nog voor niemand mogelijk geweest, buiten Isis en buiten de meesters om de astrale muren te doorbreken.
Dit is het machtige geheim van de meesters.
Géén van ons kon gaan waarheen hij zelf wilde, wij zijn en blijven in onze cellen afgesloten.
Om buiten de meesters om dingen te beleven, is niet mogelijk.
Wij kunnen alleen dan uittreden, wanneer zij ons controleren, maar dan kun je aan niets anders denken.”
„Als ik daar ben, Dectar, en mijn Moeder zou ontmoeten, kan ik haar dan niets zeggen?”
„Neen, Venry, uitgesloten, zij zijn het, niet jij, die reizen maakt, ze dwingen je te luisteren.”
„Wat verschrikkelijk.”
„Dat is het, Venry.
Maar nu komt er een mogelijkheid, mijn vriend.
Ik heb alle hoop, dat jij dit alles zal afbreken, of wij beiden gaan ten onder.
En daarom moeten wij ons niet haasten.
Die weerstand moeten wij heel voorzichtig opbouwen, er ieder uur aan werken, maar bewust verder, dieper en dieper, of het gaat te snel, Venry, en dat is verkeerd.
Zij willen wijsheid, maar door jou en daarom die haast.”
„Waarom is die muur om Isis en onze cellen, Dectar?”
„Omdat de meesters alle geheimen en krachten in handen houden.
Niet één priester bezit kracht.
Niet één is in staat buiten Isis over de wetten aan anderen te vertellen.
Als wij geen verbinding hadden, geloof mij, geen woord, geen gedachte mocht er in mij zijn, of in mijn ziel komt het astrale gif en doodt mij.
Voor alles, wat ik gesproken heb, zullen de dieren mij eten, maar indien een ander besluit, ga ik blind, mijn leven lang blind, of zij verlammen mijn gehele organisme.
Isis, mijn vriend, blijft Isis, wie hier binnengaat zal de wetten moeten opvolgen of sterven.
Een langzame ondergang is mogelijk, door overheersende krachten gaan wij dan te gronde.”
„Maar als je vlucht, Dectar?”
„Neen, Venry, dat is niet mogelijk.
Waar je ook bent, nergens ben je veilig.
Zelfs in het andere leven kunnen zij je bereiken.
Want daar leven demonen, die voor de meesters werken en voor Isis iets doen.
Zij dienen Isis.
Maar zij allen vertegenwoordigen het kwaad of de duisternis, doch zij zijn er nu eenmaal.
Dit zijn de geheime wetten van Isis, maar er zijn er nog meer, Venry.
En wie in opstand is gaat ten onder.
Hij echter, mijn vriend, die al deze krachten vernietigt, is een groot meester, die er slechts ééns kan zijn.
De meesters zijn hier oppermachtig, Venry.
Daarom is onze taak ook niet zo nietig.
Als wij bereiken, dat dit, al dit gevaar oplost, zullen de Goden ons heel dankbaar zijn.
Als een priester een ander leven kan beginnen, Venry, is Isis waard een plaats te blijven innemen.
Maar allen, die niet bereikten, wat zij zich als doel hadden gesteld, breekt men.
Daarom de astrale muur, een geestelijk, maar machtig bouwwerk in hun eigen handen.
Daar, beste Venry, liepen honderden zich tegen te pletter.
Vele priesteressen zijn lichamelijk en geestelijk bezweken, zij en hun kleintjes.
Zij gingen te vroeg over, hun jonge leven werd besmet en hun harten braken.
Zie je, beste Venry, alléén daarvoor wil ik blijven leven.
Hierin ken ik nu geen gevaar, maar ik moet en zal waken.
Wij moeten het bereiken, Venry.
Ik wil mij zelf offeren, mijn vriend, maar Isis moet van alle kwaad gezuiverd worden.
Jij bent daarvoor op aarde en de Goden zullen ons helpen, omdat wij beiden willen dienen.
Je vroeg mij zoëven, of er ook buiten Isis gevaar is.
Wel, mijn vriend, als je naar het andere einde van de aarde wilt gaan en Isis ontvlucht, neem dit van mij aan, beste Venry, de dood komt je achterna en is sneller dan je denkt.
Hij komt tot je en breekt je hart.
Ik ken al deze wetten, heb gebeden om ze te mogen leren kennen.
Maar nu kan ik je ook helpen.
Wij wandelen hier nu en je voelt niets.
Maar wanneer ik je zeg, dat hier, waar wij nu zijn, in de ruimte een astraal vergif leeft, dat ons kan bereiken, dan kan je het aanvaarden.
De meesters bouwen een onzichtbare, maar giftige muur op en wij wandelen er doorheen en zijn ons van niets bewust.
Natuurlijk bouwen zij die muur alleen dan, wanneer zij iets van ons weten.
Maar wie daar doorheen gaat, stoffelijk of geestelijk, sterft en wel heel spoedig.
Deze aura is dodelijk.
Mocht het niet nodig zijn, dat de dodelijke werking ingesteld is, maar krankzinnigheid bijvoorbeeld, dan zal je een vreemde krankzinnigheid overvallen.
Doch er zijn vele andere mogelijkheden om mensen te vernietigen.
Komen zij tot het besluit om hen te mismaken, geen kracht op aarde die dit kan tegengaan.
Moet je ten onder door een vreselijke ziekte, je zult die ziekte ontvangen en wel heel spoedig.
Men snijdt je de adem af en men maakt je blind in slechts weinige seconden.
Is het je duidelijk, Venry, dat al die machten dodelijk zijn?
Wie denkt deze wetten te weerstaan, is een kind des doods, of moet hen ten onder kunnen brengen, doch zij zijn met hun zevenen.
Maar dat zou nog mogelijk kunnen zijn, doch dan is die mens een wonder, één uit miljoenen priesters.
Dan zijn er nog astrale priesters, zij dus, die hier of elders eenzelfde leven hebben geleefd en thans hun helpers zijn.”
„Wanneer ik je goed heb begrepen, Dectar, dan komen wij er nooit.”
„Als je mij goed had begrepen, beste Venry, zou je nimmer zulke woorden kunnen spreken.
Wie voor een dergelijk gebeuren staat, mijn broeder, en op deze wijze spreekt, is reeds verloren.
Je bent nu reeds de slaaf van je zelf.
Dacht je, beste Venry, dat Dectar met zijn eigen leven speelt?
Dat hij zijn kostbaar leven in jouw handen neerlegt en er niets, niets voor terug ontvangt?
Zou je denken, dat ik op deze wijze kon spreken?
Er is hulp en wel machtige hulp, beste Venry.
Jij zult een wapen ontvangen, alléén jij Venry, omdat al die krachten in je leven.
Indien de Goden willen, dat dit geschiedt, kan niets ons tegenhouden, of ook wij worden vernietigd.
Mijn gebeden en mijn denken, mijn voelen en alles wat ik aan de Goden vroeg, zie ik hierin verhoord.
Ik wil dienen en als ik wil dienen, mijn vriend, zal er hulp komen en ik zal die krachten ontvangen.
Hoe deze hulp ook is, zij komt en móet komen.
De Goden laten niet met zich spotten, eens grijpen zij in en dat ingrijpen is wonderbaarlijk, maar heel anders dan wij denken.
Een kind kan dan wonderen doen en verbreekt de wetten van Isis.
Als het geschieden moet, ontvang ik die krachten.
Mocht het in dit leven niet nodig zijn, dan in het volgende leven.
Maar ik dien en blijf dienen.
Eens echter voelen de Goden wat ik wil en zij zenden mij hun hulp.
Van je jeugd af heb ik je kunnen volgen.
Toen reeds wist ik, alléén ik, Venry, dat mij hulp gegeven zou worden.
Hoe verlangde ik, om die hulp te mogen kennen.
Toen zag ik jou en ik heb mij niet meer kunnen beheersen.
Ik vroeg aan de Goden vergiffenis en zij hebben mijn gebed verhoord.
Neen, beste Venry, duizend maal neen, jij bent het, jij zult alles kunnen bereiken, omdat je het instrument bent van hogere machten.
Die macht heeft mij, je ouders en jezelf in je jeugd reeds beschermd en dat was een groot wonder.
Die hulp, beste jongen, komt regelrecht uit die wereld en raakt één wet, de wet die „Liefde” heet.
Die wet is oppermachtig, al dat andere is slechts schijn, is het gevoel van vele boosdoeners.
Maar die gaan zelf eens ten onder.
En om daaruit te mogen putten, Venry, daarvoor te mogen dienen, geloof mij, is reeds een grote genade, kan alléén genade zijn en betekenen.
Nu ben ik weer mijzelf, Venry, straks zal je weten, wat het zeggen wil.
Je zal mij in verschillende gedaanten zien, maar weet dan, dat ik daardoor mijn eigen leven redde.
Voel dan goed en tracht mij ook daarin te begrijpen.
Mijn eigen leven legde ik in jouw handen, maar ik wist, dat ik je moet helpen; eens echter zal ik ontvangen.
Isis is machtig, ook buiten Isis leeft macht.
In latere eeuwen, beste vriend, zullen de mensen op aarde beleven hoe machtig astrale wetten zijn.
Wie na ons dit uit nieuwsgierigheid volgt, is een kind des doods en wie deze wetten niet kent, sterft, vroeg of laat, maar hij sterft.
Door wat, Venry?
Alléén door de magische wetten, want ze zijn dodelijk.
Op verre afstand zuigt men je leeg, doorsteekt men je hart, doch het wapen is hun concentratie en sterke wil.
Ik kan een zieke op afstand genezen, doch tevens doden, onfeilbaar is mijn concentratie.
Wanneer een priester een opdracht ontvangt om te doden, daar is geen gif, noch grof geweld, of enig ander wapen voor nodig.
Alléén gedachten, het geestelijke wapen, dat wij bezitten, Venry, en dat wij ons in de duisternis eigen hebben gemaakt.
Het is daar alles of niets, welnu, wij willen álles, álles.”
„Je bent een wonder, Dectar.”
„Ik ben slechts een klein kind in gedachten, of de astrale muren hielden ook mij niet gevangen.
Doch wij zullen er komen, Venry, ik vertrouw op je hulp.
Als je wilt aanschouwen een onmetelijke ruimte en de wijsheid van daar ontvangen en een Koning zijn in gedachten, zodat je deze Tempel een nieuw gewaad geeft, dan, beste Venry, moet je volkomen van jezelf bewust zijn, moet je weten, wat je zelf kunt en wat niet mogelijk is.
Ook de meesters zijn niet volmaakt, want in hun één-zijn is een zwakte, die wij reeds hebben leren kennen.
Zij denken niet aan ons, voor hen is alles eer en roem, goud en zilver en vele heerlijke dingen meer.
Maar door jou, alleen door de natuurbegaafden.
Als een hemelse kracht in mijn bezit was en als ik de winden in stormen kon veranderen, geloof mij, beste Venry, geen steen bleef meer op zijn plaats.
Ik zou hen allen willen verpletteren.
Doch de Goden willen dat niet, omdat zij dergelijke krachten in eigen handen houden, omdat wij er geen raad mee weten.”
„Ik denk, Dectar, dat je mij weldra zal komen halen.”
„Komen deze gevoelens in je, Venry?
Voel je deze buiten jezelf om?”
„Ja, Dectar.”
„Laat dan komen, wat komen moet.
Dan zal je weten, hoe te moeten handelen en is er in mij geen angst.”
„De meesters zullen mij dus geestelijk openen, Dectar?”
„Ja, Venry, maar er zijn nog andere gaven in je.
Die zijn nog onaangeroerd, waartoe je sprong over de afgrond behoort.
Dat zijn stoffelijke gaven, doch ik weet nog niet of zij deze ontwikkelen.
Maar indien zij ertoe overgaan, dan zal je wonderen zien.
Het is tevens mogelijk, dat ze vanzelf tot bewustzijn komen.
Doch dat komt later.
De geestelijke gaven zijn de voornaamste, door die krachten kunnen er wonderen geschieden, als zij niet zouden liegen en bedriegen en aan zichzelf denken.
Alleen de werkelijkheid kan deze Tempel groot maken, doch nu kunnen zij niet verder.”
Wij wandelden voort, toen wij plotseling een vreselijk gebrul hoorden.
Dectar vloog naar een van de hokken waar twee leeuwen waren opgesloten.
De dieren vielen elkander aan en zouden elkaar verscheuren.
Ze rolden over de grond, beten elkaar, zodat er bloed vloeide.
Dectar bedacht zich geen seconde, opende de deur van de kooi en stond in hun midden.
Dan zag ik, dat zijn ogen die van het dier zochten en onmiddellijk kroop het dier weg.
In slechts enkele seconden bracht hij de dieren tot rust en zei:
„Toen wij hier waren, Venry, voelde ik reeds, dat dit zou geschieden.
Zij mogen het niet meer doen, want beiden zijn mij zeer lief, of ik moet andere maatregelen treffen.
Doch dan gaan zij uiteen en dat is heel erg.”
Dectar sprak tot de dieren en zij kwamen tot hem.
„Hoe kun je zo boos zijn, Wolta.
Jij bent de sterkste en hebt veel, heel veel verstand.
Hoe kun je je zo vergeten?
Moet ik boos worden?
Maar je hebt er al spijt van, is ’t niet?
Moet je in het duister?
Zie je, Venry, nu kan ik hem niet meer volgen.
Het dier sluit zich voor mij af.
En dan ben ik verdrietig.
Het is mij mogelijk, de padden in hun trage gang te voelen en ik ken die traagheid, Venry, maar deze zijn zo vlug in denken en voelen.
Diep in hen leven andere dieren en die kan ik niet zien.
Kun jij ze zien, Venry?
Zie eens en tracht dat te volgen.
Wanneer ik dat waarneem, zullen zij mij in alles gehoorzamen.
Ook de Farao wil dat weten en dat wil men door jou bereiken.
Hier zijn geen priesters, die dat kunnen zien en het is ook heel moeilijk.
Wolta is heel lief, maar die andere dieren komen in hem wakker en dan is hij zichzelf niet meer.”
Wat Dectar mij vroeg, begreep ik, vroeger had ik het reeds waargenomen.
Ik stelde mij op het dier in en ik zag verschillende soorten van dieren in dit dier en zei: „Ik zie die dieren, Dectar.
Heeft Wolta al die dieren opgegeten?”
Dectar glimlachte mij toe en antwoordde: „Neen, dat niet, Venry, dat heeft geen betekenis, maar je ziet, ga verder en houd al die dieren in je vast, houd ze, Venry, dat is het, het is een groot wonder.
Het maakt mij heel gelukkig, Venry, ik verzoek je, ga verder.”
„In dit dier, Dectar, leven andere diersoorten, want de ziel van Wolta leefde in andere lichamen.
Ik zie vele eeuwen terug en kom in andere landen.
Als ik ver terug ga, kom ik in het water en in dat water leefde Wolta, maar als een ander soort.
De ziel ging verder, Dectar, steeds verder en ontving telkens nieuwe lichamen en dat zijn er zoveel, dat ik ze niet kan tellen.
Ik kan ze nu niet volgen, maar wellicht dan, wanneer ik buiten mijn lichaam ben.
Mijn eigen lichaam stoort, want ik kan mij niet bewegen, de ruimte is te eng, daarvoor moet ik uittreden.
Hetgeen ik zag, verdwijnt nu voor mijn ogen en lost op.”
„Prachtig, Venry, nu zal ik Wolta leren kennen en al die andere dieren.
Dat is het, daarin te zien is machtig.”
De dieren waren weer rustig en wij gingen verder.
„Wanneer je zo kunt zien, Venry, dan ontvangen wij nieuwe wijsheid.
Niemand van ons ziet daarin, want het is diep.
Hoeveel is er tussen leven en dood, waarvan wij niets weten?
Daarin ligt het machtige geheim van ons leven op aarde en dat willen de Hogepriesters leren kennen.
In welke wereld je ook zult komen, Venry, want er zijn daar vele werelden, dit is het allernoodzakelijkste.
Dan ken ik alle dieren, ook al zijn er duizenden soorten en ik weet waar ze zijn geweest en tot welke familie zij eens behoorden.
Mocht je kunnen zien hoe alles geboren is, Venry, dan wordt onze wijsheid groot en ontvang je nog meer dan ik je voorspelde.
Zeker, beste Venry, wij weten heel veel, maar al dat andere is geweldig.
Al die levens moeten wij mensen overwinnen, ook Wolta.
Wanneer die dieren in hem komen, is er in hem opstand en hij is zich daarvan (in) niets bewust.
Maar dan zie ik in het dier verschillende gedaanten en dat zijn al die dieren, die deel van zijn ziel uitmaken, zoals ook wij mensen het beleven.”