Mijn leider

Weldra genoot ik de eer, dat er andere krachten in mij kwamen, die ik thans duidelijker voelde dan ooit te voren.
Waren deze krachten van de meesters?
Deze krachtige inwerking volgde ik en voelde mij heel rustig.
Daarna zag ik weer ogen, doch van een geheel andere kracht en zij waren heel duidelijk waar te nemen.
Een onwaarschijnlijk gevoel daalde er in mij af, wat ik bijna niet kon aanvaarden.
Want deze ogen lieten mij namelijk voelen, dat ik rustig moest blijven en dat er geen gevaar was.
Een tijdlang zag ik nu niets, doch toen de nacht naderde, keerden ze tot mij terug.
Dicht in mijn directe omgeving waren ze en het gelaat waartoe ze behoorden, ging zelfs vormen aannemen, doch het bleef doorschijnend.
Ik zag het zeer strakke, het vol van levenskracht sprekende gelaat en de zeer fijne trekken voor mij, toen er een stem tot mij sprak en ik hoorde: „Heb geen angst, priester van Isis.
Mijn maatregelen heb ik getroffen, niets kan u geschieden.
Weet nu, dat ik uw vriend ben, ik was reeds bij u.
Mijn krachten hebt u kunnen voelen.
Eens, lang gelegen, leefde ik in deze cel.
Op jeugdige leeftijd zou ik, als u beleven zult, de duisternis ontvangen.
Ook ik maakte mij gereed, lieve vriend, en gaf mij geheel over.
Doch hoe werd mijn ziel gefolterd.
Naar het mij schijnt, bent u gereed naar mij te luisteren, of ik zou u hiervan niets vertellen, want ik wil u niet angstig maken.
Er zijn heel veel mensen, die de waarheid niet willen weten, doch zij komen niet verder.
Deze waarheid kan u versterken.
Als een dode bracht men mij naar het licht terug.
U voelt het zeker reeds, ik was niet gereed.
Mijn hebzucht, evenals mijn voortvarendheid, ijdelheid en jeugdig enthousiasme, vernietigden mijn eigen leven.
Tot bloedens toe werd ik gewond.
Ik bezweek.
En bent u niet, zoals ik ben geweest?
Ik begrijp en ken daarom uw doel en kan u thans helpen.
O, mijn vriend, heb geen angst, want zei ik niet, dat ik mijn maatregelen heb getroffen?
Daarbij komt, dat ik de wetten ken en bovendien behoor ik tot deze wereld en ik leef in het licht.
De duisternis waarin zij leven, die eens daar de meesters waren, en thans vanuit deze wereld voor Isis werk verrichten, ook hen zie ik, zo ook hun leven, doch mijn innerlijk leven overheerst hen allen.
De goden willen, dat ik uw leider ben.
Mijn werk is uw werk, wij beiden hebben dus één taak te volbrengen.
U moet mij dus aanvaarden, lieve vriend, en weet nu, dat ik reeds lang op u wacht.
Van uw jeugd af ben ik al bij u.
Straks, wanneer u gereed bent, zullen wij Isis groot maken.
Weldra zal men u komen halen, doch even zo snel zult u in uw cel terugkeren.
Ik liet het u voelen, ook, dat u nog niet gereed bent.
Wij hebben tijd nodig, want u zult niet hen, maar de Goden dienen.
Die wetten zult u opvolgen, niet die, welke Isis bezit en Isis uitmaakt.
Aan mijn licht hebt u mij leren kennen, doch zoek mij nu niet, want u kunt mij niet vinden, noch waarnemen.
Het is wel voor mij mogelijk om tot u te komen, gij kunt echter niet tot mij komen.
Vergeet dit nooit.
Als gij denkt, dat er geen verbinding mogelijk is, dan ben ik juist bij u.
U moet weten, dat u in mijn uitstraling leeft, die eens anderen geheel afsloot en hen voor veel gevaren, leed en smart heeft beschermd.
Dat hebt u kunnen waarnemen, doch door mij.
Als u daarin leeft, dan bent u zeker van u zelf, want mijn krachten gaan in u over.
Ben ik duidelijk?
De geestelijke muren van Isis betekenen voor mij geen belemmering, maar zij houden u gevangen.
Wilt u mijn krachten aanvaarden, dan is dat niet meer mogelijk, maar u gaat dan in een andere persoonlijkheid over.
Eerst dan leert u de wetten van Isis kennen en begrijpen, die u reeds hebt overschreden.
Had ik niet gewaakt, dan was u reeds een kind des doods geweest, evenals uw vriend Dectar, die mij zeer lief is.
U kunt hem uit naam van mij groeten.
Wilt u deze boodschap van mij overbrengen?
U kunt het nog niet aanvaarden, uw gevoelens komen tot mij en dat is heel natuurlijk.
Laat ik u dan zeggen, dat ik in uw cel aanwezig was, toen u uw vriend ging bezoeken en u een hevige angst overviel.
Mocht er nog twijfel in u zijn, dan zeg ik het volgende: „Stelt u zich voor, dat de meesters tijdens uw heengaan hier waren?”
Er kwamen gevoelens als vragen in u op, doch ze waren van mij.
Is het u duidelijk?
Ik was dus in uw cel, ook al dacht gij, dat de meesters er niet waren geweest.
Ik hield het echter voor mij, want gij bezit de krachten nog niet om u te verbergen.
Thans bent u zover.
Maar in uw denken en voelen bent u nog niet bewust, doch ik waakte en zal blijven waken, en vraag uw volle overgave.
U weet nu, dat ik er altijd ben, maar u moet niet aan mij denken.
Dat dit nodig is, behoef ik u niet te verklaren.
Vele anderen vroegen het u reeds en dat deden zij voor mij en door mij.
Gij leeft uw eigen leven en laat mij rustig begaan en denkt aan niets, „nimmer” denkt u aan mij, hoort u?
Nimmer, gij volgt uw eigen weg, maar ik de mijne.
En toch zijn wij één.
Wanneer u mij tot u trekt, volgen de meesters u en kan ik mijn taak niet afmaken.
U ziet het, het is heel duidelijk.
Blijf toch rustig, mijn vriend.
Waarom angst?
U twijfelt nog steeds aan mij.
Moet ik u dan alles van uw jeugd vertellen?
Nogmaals, ik ken de wetten, die duisternis en licht betekenen, ze zijn in mij, in mij is alles, wat u nodig hebt, om te dienen.
De Goden zenden mij tot u.
Heel gaarne zou ik willen, dat gij uw eigen leven volgt en de tijd in de duisternis gebruikt, om u te leren splitsen.
Ook die gevoelens kwamen tot u, doch ze waren van mij.
Splits u dus in vele persoonlijkheden, maar blijf toch u zelf.
Leer vooral de krachten van uw diepe zieleleven kennen en gij kunt gaan, waarheen u zelf wilt.
Géén van ons heeft dit gekund, want het is ook nu buiten mijn hulp niet mogelijk.
Maar gij moet mij aanvaarden.
Al deze krachten zult u leren kennen.
In de ruimte kunnen de meesters u niet volgen en u heeft het reeds beleefd.
U leefde toen in mij en heeft men u gevoeld?
U leefde onder hen en toch was u daar niet, maar in mijn wereld, dus ver weg en toch dicht bij hen, u was hier en nergens.
En daarvan hebben zij nog geen begrip, mijn vriend, ook al noemen zij zichzelf meesters.
Is het u thans duidelijk, dat ik uw vriend ben?
Wanneer de zon opkomt, moet gij gereed zijn.
Doch ik bedoel heel iets anders.
Doe het dus in de duisternis, niet in het licht, omdat de krachten des hemels uw denken en voelen overheersen en u dan niets bereikt.
Wij allen zijn in de duisternis geboren, niet toen er reeds licht was en juist daarin ligt uw kracht.
Keer dus terug tot het niets en u bent onvindbaar.
Om harten te breken verlangt men hier naar wijsheid, doch blindheid komt over hen allen.
Zij denken zichzelf te kennen en voelen zich oppermachtig, doch hun allereerste ontroering trad reeds hun ziel binnen.
En zulke gevoelens, mijn vriend, betekenen zwakte en wij zien daar doorheen.
Om hun eigen „ik” te ondermijnen, daarvoor ben ik gereed en dat is mijn taak.
Ook gij moet u gereed maken, doch daarvoor hebt u een wapen nodig.
Daarvan sprak uw lieve Moeder.
Het zal u kracht geven, indien ik u zeg, dat ik haar ken.
Rustig blijven, mijn vriend, laat er thans geen geluk, noch droefheid in u zijn.
Ik vertelde u van uw wapen.
Dat wapen zullen wij aan deze zijde gereed maken.
Hier, in onze wereld, leeft het geheim van uw leven en dat van hen allen.
Maar daarbij zal ik u helpen.
Uw gedachtengang kan ik volgen, ik weet dus, waaraan u denkt, doch zo eenvoudig is het niet, mijn vriend.
En toch, een kind zou hen allen onschadelijk kunnen maken, als de Goden het wensen.
Als de sterren fonkelen en hun licht tot u zenden, dan ziet gij u zelf.
Uit dat zijn wij allen ontstaan en daarin te mogen leven en zien, is het wapen, dat de Goden u zullen schenken.
Allereerst is daarvoor nodig uw volle overgave en het oprechte verlangen te willen dienen.
Eerst dan zullen de deuren van uw ziel opengaan en is uw zien volmaakt.
Wat u dan waarnemen zult, kunt u thans niet omvatten, maar het overstraalt alles, wat tot dusver gegeven en bekend is.
In de ruimte, mijn vriend, leeft de oorsprong van mens en dier en het is in mijn wereld en de uwe, dat het leven op aarde is.
Opnieuw voel ik, dat u verkeerd denkt.
Uw gedachten zijn, dit alles in de ruimte te zien, doch in uw eigen omgeving, in deze kleine cel is het eveneens aanwezig.
U ziet daardoor, dat u geen verre reizen behoeft te maken.
Ook hier is dat wonder te aanschouwen, want hierin leeft het voedsel waarop men wacht.
In deze ruimte leeft uw wapen, dat geestelijk en stoffelijk moet zijn.
En vanuit die wereld spreek ik tot u.
En toch ben ik niet daarin.
Klinkt het niet onwaarschijnlijk?
Ik leef in het „niets”, mijn vriend, en het „niets” is voor aardse ogen niet te zien, noch te voelen, of gij moet tot ons leven behoren.
Mocht gij u daarin kunnen verplaatsen, dan treedt gij het „niets” binnen, doch eerst dan bezit gij alles.
Immers uit dat zijn wij geboren en al het andere leven en dan kunt u de astrale muren van Isis verbreken.
Door uw aandachtig luisteren begrijpt u, dat zij noch het ontstaan van al het leven, noch het einde van ons menselijk voelen en denken kennen.
Alleen de Goden kunnen ons dan ook die wijsheid schenken, doch daarvoor moeten wij dienen en met ons vele anderen.
Op Isis dient men niet.
Op deze wijze bouwen zij aan de duisternis.
Eeuwen is dat voortgegaan, doch thans breekt het licht door die duisternis heen, maar op andere wijze dan zij zich kunnen indenken.
Zij zullen daarom heel veel ontvangen, doch daardoor gaan zij ten onder.
Is ook dat niet vreemd?
Om het gif in honing te veranderen is een kunst, die men u niet moet leren.
Maar om het in het „niets” „alles” te zijn is mijn ervaring en deze zult gij u eigen maken.
Daarvoor aanvaardt gij het kind in u, doch vergeet ook uw ouderdom niet, want beide zijn één.
Wilt gij dat beleven en daarin terugkeren, dan moet gij u zelf kunnen afleggen.
Is dat nu zo moeilijk?
Tussen „leven en dood”, mijn vriend, leeft de werkelijkheid, al dat andere is slechts tijdelijk en sterft.
Afgunst, hartstocht, leugen en bedrog versieren dit gebouw en de reine bezieling ontbreekt, omdat hun harten voor de Goden gesloten blijven.
Als gij de duisternis binnentreedt, dan ben ik bij u en ik zal u helpen denken.
Ga nu echter slapen, doch alleen uw stoffelijk lichaam gaat in rust, want gij zelf zult uittreden, om anderen te helpen, die uw hulp nodig hebben.
Geef hun het leven terug en uw pad zij verlicht, omdat u dient, „Hem” dient, waaruit wij allen zijn.
Het gevoel, dat in u brandt, wijst u de weg, ook al voert het u naar andere landen.
Maar u bent bewust en gereed om alles te ontvangen.
Zij, die bewust zijn, zullen overwinnen en de schatten van de geest beleven.
Gij treedt met mij de Tempel der waarheid binnen en met u vele anderen.
Gij zijt zeer begaafd, mijn vriend, en waard ontwikkeld te worden, doch alleen door mij.
Ik groet u, gij zijt weer alleen.”