De astrale muren van Isis; ik kreeg mijn wapen.

Voor mij was dit een openbaring.
Een groot geluk had ik zoëven ontvangen.
Ik legde mij neer en viel weldra in slaap.
Onmiddellijk begon ik te voelen en te denken en trad ik buiten mijn lichaam.
Het allereerste wat ik waarnam, was de muur, het giftige wapen van de meesters.
Hoe is het mogelijk, dacht ik, om mijn cel ligt een dicht waas.
Het verschrikkelijke wapen.
In welk gevaar leefde ik eigenlijk?
Mijn hart klopte hevig van al die geheimzinnigheid.
En toch was ik reeds buiten mijn cel geweest.
Mijn gaven hadden tevens mijn eigen ongeluk kunnen betekenen.
Een geest van het licht waakte over mij en Dectar.
Hoe zou ik daar nu doorheen kunnen komen?
Moest ik mij splitsen?
Natuurlijk zou ik hem aanvaarden, voor mij was hij een vriend, doch vooral mijn meester.
Hier, in mijn cel, was alles aanwezig, zei hij tot mij.
In deze kleine ruimte lag het begin, maar ook het einde van menselijk voelen en denken.
Maar waar ligt het?
Waar ligt en leeft dit diepe raadsel?
Onverwachts dacht ik het te voelen.
Even hierna hoorde ik de stem tot mij zeggen: „Concentratie, niets dan concentratie, niets en niets anders.”
Die woorden brachten mij geluk.
Nog hoorde ik: „Denk nu alles uit u weg, het leven op aarde, maar ook mijn wereld en daarachter ligt het.
Dan kunt u gaan waarheen u wilt en met u Dectar.”
Heerlijk, dacht ik, ook aan Dectar wordt gedacht.
Toen stelde ik mij op het „niets” in.
Geheel leeg moest ik zijn.
Al spoedig was ik verbonden.
Allereerst ging ik uit mijn eigen wereld, doch dan trad ik het leven na de dood binnen.
Ik zag voor mij huizen en gebouwen, mensen en dieren en prachtig was het licht, dat al dit leven overstraalde.
Ik ging verder.
Toen kwam er licht en duisternis.
Dit waren twee werelden en deze werelden smolten ineen.
Opnieuw ging ik verder en ik voelde, dat ik werd geleid.
En toch leefde ik nog steeds in mijn eigen cel, maar ik beleefde iets wonderbaarlijks.
Na korte tijd werd alles wazig voor mij, al die werelden losten nu op, maar ikzelf bleef bewust.
„Ga verder,” hoorde ik nu in mij zeggen, „nog iets verder en u bent er.
Ik breng u daarheen, straks moet u het op eigen krachten kunnen doen.
Dit bewustzijn moet u bezitten; het is het bewustzijn van al deze werelden en de geheime en astrale muren van Isis hebben geen betekenis meer voor u.”
Opnieuw ging ik verder en beleefde een groot wonder.
Achter het waas en al die werelden zag ik nu diepe duisternis.
Een overgelukkig gevoel in mij gaf mij de zekerheid, dat ik het einde had bereikt.
Mijn eigen astraal lichaam was nu zo ijl, dat ik mijzelf bijna niet meer kon zien.
Doch stelde ik mijn concentratie op mijzelf in, dan was ik mij van alles volkomen bewust, maar die ijlheid bleef.
Mijn geesteslichaam was nu veel ijler dan de astrale muren van Isis.
Deze giftige muren had ik nu reeds overwonnen.
Hierin leefden de allereerste wetten, maar ook ik leefde daarin.
De meesters waren nog niet zover en dit was mijn wapen, een machtig wapen in mijn eigen handen.
Uit dankbaarheid knielde ik neer en dankte de Goden voor deze grote genade en beloofde, dat ik mijn best zou doen.
Het is niet te geloven, zo dacht ik, maar ik ben er, doch op eigen krachten had ik dit nimmer kunnen bereiken.
Maar nu verder.
Nu stond ik echter voor een nieuw probleem.
Als ik nu heenging, dan was mijn cel leeg en daarover had mijn leider niet gesproken.
Lang dacht ik er over na, doch kwam er niet achter.
Ik zou nu kunnen heengaan en toch mocht ik geen voet verzetten.
Om mij hierin te splitsen was niet eens mogelijk.
De meesters zouden het onmiddellijk voelen en kunnen zien.
Een diepe droefheid was het enige resultaat van dit grote wonder.
Wat mij zoëven nog ontzaglijk toescheen, bleek thans geen waarde te bezitten.
Doch ik hoorde in mij zeggen: „Als u wilt, dat ik u helpen zal, vraag dan nooit wie ik ben.
Luister, mijn vriend.
Ga gerust van hier, ik blijf en zal over uw lichaam waken.
Mocht het nodig zijn, dan daal ik er in af, totdat alle gevaar voorbij is.
U behoeft zich in niets angstig te maken en kunt nu op volle krachten uw werk verrichten.
Mijn gelaat ziet u niet meer, ook mijn stem zult u voorlopig niet meer horen en toch volg ik u in alles en zal van tijd tot tijd tot u spreken.
Gij voelt mij onmiddellijk.
Dit is, om alle gevaar uit te sluiten.
Het licht is in u.
Ga nu, Venry.
U hoort dat ik u ken.
Ik zal hier blijven, totdat u terugkeert.
Eerst dan ga ik heen.
De meesters zullen nu tot ons komen, Venry, doch zie toe, hoe ik mijn best doe.”
Nu was ik weer alleen, doch hetgeen nu zou geschieden wilde ik volgen.
Een Hogepriester trad mijn cel binnen, doch even daarna nog twee anderen.
Zij waren op weg om de bewoners van Isis te controleren.
De meesters hadden hun stoffelijke lichamen verlaten en ik beleefde het doorzoeken van mijn geestelijk en stoflichaam.
Doch dicht in hun nabijheid en toch onzichtbaar, stond ik toe te zien en beleefde dit ongelooflijke.
Hoe groot waren de gaven van al deze mensen.
Doch zij volgden het kwaad en behoorden tot de demonen.
Doch aan deze mogelijkheid had ik nimmer gedacht, want ik kon hen in alles volgen.
De meesters van Isis waren op het pad; ik was naast hen en onbereikbaar.
„Mijn wapen is machtig, beste Dectar, machtig, heel machtig.”
Nu eerst kon mijn werk een aanvang nemen.
Eén van hen daalde in mij af en doorzocht mijn zieleleven.
Toch huiverde ik, toen dit geschiedde.
Spoedig keerde hij tot de anderen terug.
Allen doorboorden mijn slapend organisme en zij vonden mij daarin.
Mijn leider vertegenwoordigde mijn persoonlijkheid; in niets was mijn innerlijk leven veranderd, een meester in concentratie was daarin de levende vitaliteit.
Grootser en eenvoudiger had ik het mij niet kunnen indenken.
Hoe natuurlijk was het eigenlijk, en toch hadden allen hiervan geen begrip.
De meesters gingen heen, maar ik met hen.
Deze monsters wilde ik volgen en wandelde voor en achter hen aan, doch zij zagen mij niet.
Als ik in deze wereld bleef, was er voor mij geen gevaar.
Daarenboven begreep ik thans hun zwakte en hoever zij waren.
Deze mogelijkheid van splitsen en geestelijke hulp was hun niet bekend.
Nimmer zouden zij deze krachten leren kennen, want zij zouden deze hulp niet ontvangen.
Voor hen was dit het dode punt, waarvan Dectar had gesproken.
Wat zij tot nu toe hadden ontvangen, was slechts een kleinigheid van wat al die macht en de ruimte omvatte.
In de toestand waarin ik nu leefde, waren vele mogelijkheden van splitsen, doch dit waren de werelden, die ik had leren kennen.
En daarvan had Dectar verteld en dat wilde hij zich eigen maken.
Mijn leider had mij met de allerlaatste mogelijkheid én wereld verbonden.
En daaruit zouden zij wijsheid ontvangen, doch door mij, maar niet eerder dan ik gereed was.
Doordat ik mij op hen instelde, daalde ik in hen af en nam ik hun gedachten en gevoelens over.
Ik was hun allereerste slachtoffer, nu gingen wij echter naar Dectar.
Wij beiden stoorden hun rust, want zij schonken ons hun volle aandacht.
Ook zij waren op hun post en in alles gereed.
De stilte waarin zij leefden en hun onverschillig-zijn, het doen alsof zij ons niet volgden, was slechts schijn.
In werkelijkheid volgden zij ons dag en nacht, hun concentratie was op ons beiden gericht en dat zou blijven.
Op Isis zouden echter grote dingen geschieden.
Hun afschuwwekkend voortgaan maakte mij huiverig, maar ik bleef toch mijzelf.
Spoedig waren wij in Dectars cel en ik zou zien, hoe mijn vriend mismaakt was.
Dectar was in diepe slaap verzonken.
Eén van hen boog zich over hem heen, wat geruime tijd duurde.
De meester stelde zich op zijn innerlijk leven in, doch de beide anderen volgden dit afdalen.
Ook ik volgde de meesters en kon hun denken en concentreren duidelijk voelen.
Zij zorgden er wel voor, dat zij Dectar niet wakker maakten.
Hun gezamenlijke krachten dwongen hem te blijven slapen.
Nu ik beide organismen kende, begreep ik dat doorzoeken van zijn ziel, anders had ik het thans niet kunnen volgen.
De meester, die in Dectar afdaalde, volgde zijn ziel, de anderen droegen zorg, dat beide lichamen één bleven, zodat hij bleef slapen.
Door mijn hoger bewustzijn kon ik nu zien, waardoor Dectar in dagbewustzijn mank ging.
Het rechtergedeelte van zijn stoflichaam bezat nu een geheel andere uitstraling dan het linkergedeelte.
En daarop concentreerden zij zich en kon Dectar niet uittreden.
Hij was links vleugellam en in zijn stoflichaam mismaakt.
Waarom men hem had mismaakt, kon ik niet zien, doch ook dat zou ik leren kennen.
De meesters waren zeer tevreden en gingen heen.
Doch ik volgde hen, waarheen zij ook zouden gaan.
Bij Dectar zou ik terugkeren, het was nu echter noodzakelijker met hen te gaan, wellicht leerde ik nog meer geheimen kennen.
Wij bezochten vele andere cellen, doch vertoefden daar slechts kort.
Ik begreep, dat ik duidelijk had gevoeld.
Op Isis waren slechts twee mensen, eigenlijk maar één, en die ene was ik.
Mij schonken zij hun bijzondere aandacht.
Buiten de Hogepriesters waren er veertig priesters, waaronder leerling-priesters en zelfs kinderen, die als ik, het priesterschap wilden behalen.
Wij gingen nu naar een ander gebouw, waar de meesters bijeen kwamen.
Toen wij daar binnentraden zag ik, dat er astrale deuren open gingen; eerst toen waren wij in de eigenlijke ruimte.
Deze afsluiting vond ik afschuwelijk.
In deze kamer werd over leven en dood beslist.
Er waren hier twee andere priesters, doch in hun stoffelijk leven en dagbewustzijn, dus wakker.
Toch werden de drie meesters onmiddellijk waargenomen.
Vanuit deze wereld kregen de anderen een bericht, dat zij geestelijk ontvingen.
Ik voelde waarom zij dit deden.
Dit was noodzakelijk en was om hun eigen verbinding en één-zijn te controleren.
Wel zeker, zo dacht ik, Isis is machtig en die macht leerde ik nu kennen.
Géén priester zou deze macht op eigen krachten kunnen vernietigen.
Hun macht lag hieraan vast, zij waren in voelen en denken, horen en zien één.
Allen hadden slechts één doel, dát van hun leven te maken, waardoor zij wijsheid, eer, roem en de vreugden des levens konden genieten.
Maar voor hen allen waren de Goden het middel, de wijsheid, hun macht en grootheid, doch de leerlingen van Isis de slachtoffers, die hun dierlijk vergif moesten aanvaarden.
Afschuw en diepe ontroering trad mijn ziel binnen.
Ik zou hier nog meer geheimen kunnen beleven, doch ik stelde dat uit tot later, want wij gingen verder.
Thans naar een ander gebouw.
Ook om dat gebouw zag ik een dichte muur van astrale kracht.
Wat nu, dacht ik, want er waren geen deuren aanwezig; ook dit gebouw was geestelijk geheel afgesloten.
Zou ik soms nieuwe geheimen leren kennen?
Het eerste geheim en wonder was, dat de meesters door deze muur heen wandelden.
Dan traden zij het stoffelijke gebouw binnen.
Aan hun eigen uitstraling herkende ik weer deze afsluiting, want zij gingen door hun eigen kracht, zodat ik ook dit raadsel begreep.
Het was heel natuurlijk, maar dodelijk gevaarlijk voor hen, die in dit gebouw waren ondergebracht.
O, welk een macht bezit Isis, hoe machtig, zei ik telkens tot mij zelf, hoe verschrikkelijk is alles, is Isis met haar geheimen.
„Dectar, mijn vriend, ik ken thans de liefde van Isis, maar ik vraag mij af, hoe jij je al die jaren hebt kunnen beschermen.”
Wij traden het gebouw binnen waar de priesteressen leefden.
Een ontzettende invloed kwam tot mij.
Wij gingen door enige gangen en traden een cel binnen.
Ik stelde mij op de meesters in.
De invloed, die tot mij kwam, was des duivels, ik voelde wellust, moord, hartstocht en de vernietiging van een jong leven.
De dood trad mijn ziel binnen, gevolgd door diepe droefheid, zodat ik dacht, dat mijn hart brak.
Na hevig inspannen gelukte het mij bewust te blijven, want hetgeen in mij kwam was ontzettend.
Ik moest en zou mijzelf blijven, ook al leefde ik in het kwaad.
Iets dergelijks zou ik niet spoedig kunnen beleven en mijn inzinken kon de vernietiging van ons beider leven betekenen.
Wat nu tot mij kwam, was niets dan ellende.
Op een rustbank lag naakt een priesteres, doch zij was dood.
Haar stoffelijk lichaam was zo te zien leeg, de ziel leefde nu wellicht ergens en was eruit geslingerd.
Door geweld was zij de dood ingegaan.
De meesters staarden naar het jeugdige organisme en zogen zich vol.
Nog konden zij van dit jonge lijk geen afstand doen.
Nu begreep ik Dectars gezegde: Het dier, dat in hen leeft, geven zij voedsel
Allen hadden hieraan schuld, doch één van hen was de moordenaar.
Ze hadden zich volgezogen en haar geestelijk en stoffelijk lichaam bezoedeld.
Ik voelde mij stil, heel stil worden.
Deze dodelijke atmosfeer vergiftigde deze kleine ruimte, doch hun aanwezigheid hier besmette haar allerlaatste ademtocht, die nog in het lijk was achtergebleven.
Hier zag ik één vloek van de vele duizenden, waardoor Isis werd vervloekt, één vloek van de vele, waardoor de Goden werden vervloekt evenals de wijsheid en de heiligheid van het priesterschap.
Deze geestelijke hyena’s keken naar het jonge lichaam, dat nog kort geleden tot dit leven behoorde.
En daarin leefde de ziel, om op Isis het priesterschap te behalen.
Doch deze ziel was ruw uit het lichaam geslingerd en met haar, het jonge leven, dat nu in haar lichaam was gestorven.
Eén van hen had zijn eigen kind gedood en was de Vader, doch tevens het dodelijke gif voor dit jonge leven.
Zij was beeldschoon, deze priesteres en nog geen twintig jaren oud, maar zij was door een ondier besmet, door een geestelijk monster in het priesterlijke gewaad van een meester.
Toen ik in het lichaam afdaalde, sprongen mij de tranen in de ogen.
In het stoflichaam leefde nog iets, dat de meesters niet konden waarnemen, omdat zij zich op het misdadige en wellustige hadden ingesteld, maar dat voor hen vreugde betekende.
Zij leefden zich op deze wijze uit, ook al waren zij priesters.
Het lichaam was nog niet eens koud en ik zag nu, dat de zielen van beiden, van moeder en kind, aanstonds zouden vertrekken.
Ik beleefde het loskomen van beide geestelijke lichamen en begreep, waarom men mij thans liet uittreden; iets later, en geen sterveling had dit geweten.
Mijn leider wist hier natuurlijk van, want hij zei tot mij, dat ik goed moest waarnemen.
O, meesters van Isis, is dit de Godin dienen?
Is dat uw wijsheid?
Zijt gij verzot op jonge levens?
Is dit het einde van haar studie?
En heeft zij het priesterschap behaald?
Of was zij hier om de meesters te dienen?
Maar dat is niet waar, want ik zie, dat zij in haar slaap is bezoedeld.
Niet één ziel is vernietigd, doch moeder en kind.
In haar hart leeft het gif van Isis en dit doodde het jonge leven.
Het symbool van reinheid maakte plaats voor walging, vernietiging, ontucht, geestelijk en stoffelijk geweld en voor diepe duisternis.
Wat is Isis?
Wat betekent het, als men Isis volgt?
Wat is de betekenis van de Lotus?
„Dectar, o, Dectar, weet je ook dat zulke onmenselijkheden geschieden?
Je weet het, maar ik beleef het waarachtige en misdadige van de heren meesters.”
Een felle haat steeg vanuit mijn innerlijk omhoog, toen ik naar deze drie wellustelingen keek.
Hun astrale lichamen waren donker en demonisch was de uitstraling, die van hen uitging.
Ik was bereid om hen één voor één te doorsteken, doch daarvoor bezat ik helaas geen wapen.
Ik moest toch reeds tevreden zijn met hetgeen ik had beleefd.
De astrale muren van Isis had ik overwonnen.
Een jong leven lag daar, de ziel ging nu weg en zou wellicht haar einde op aarde vervloeken.
In dit stoflichaam leefde het kruidengif uit Ardaty’s tuinen.
Te vroeg waren moeder en kind uit dit leven gerukt.
Zij had veel wijsheid ontvangen, doch haar wijsheid betekende tevens haar dood.
Het astrale kind schreide buiten het stoffelijk lichaam en was nu reeds bewust.
„Moeder, mijn Moeder, wij leven, maar niet daar, wij leven nu in een andere wereld.”
„Ja,” liet ik er op volgen, „niet hier, maar ver weg, heel ver weg van deze duisternis, u leeft daar, waar het hart van „Hem” klopt, die ook hiervan afweet en die zag, hoe men u doodde.”
Ik rende weg van deze plaats, zo snel weg, als toen de aardbeving tot mij kwam, weg van deze verschrikkelijke omgeving, doch terug naar mijn eigen cel.
Onderweg beleefde ik echter een nieuw wonder.
Toen ik zo snel voortging, bemerkte ik plotseling, dat ik zweefde.
Door mijn geweldige concentratie, door al dit leed en smart en diepe ontroering tot grote hoogte opgevoerd, zweefde ik plotseling buiten Isis.
Onder dit zeer snelle voortgaan was ik zonder het te willen door de astrale muren van Isis heengegaan.
Toen ik besefte, wat er met mij was geschied, jubelde ik het uit van geluk, omdat ik begreep, dat ook die muren voor mij geen betekenis meer hadden.
Voor een kort ogenblik was ik echter niet meer mij zelf, want ik wilde naar mijn cel terug en ik had Dectar vergeten.
Nu wilde ik Dectar bezoeken.
In slechts weinige seconden had ik zijn cel bereikt en trad binnen.
Allereerst dwong ik mijzelf tot rust, of ik zou Dectar niet kunnen volgen.
Ik begreep heel goed, dat ik mij reeds had vergeten en dat dit zeer gevaarlijk was.
In alles moest ik mijzelf blijven, zelfs in de allerdiepste ellende.