Mijn vorige leven; Lyra en Lécca.

Er was een kracht tot mij gekomen, die mij dwong het land te verlaten.
Ik was op weg naar China.
Onderweg daarheen keerde ik bewust in mijn vorig leven terug, dat ik reeds bij Dectar had gevoeld.
Het leven waarin ik Venry was, zonk nu in mij weg en maakte plaats voor dat van Vader Taiti.
In snelle vaart verliet ik mijn eigen land.
Jaar na jaar ging ik nu terug en naderde mijn vorig leven.
Hoe dichter ik het land naderde, waar ik had geleefd, des te duidelijker werd ook dit bewustzijn, want ik kon weer denken en voelen als voorheen.
Het was mij nu reeds mogelijk de taal te spreken, die ik in dat land had geleerd, want alles, wat tot dit bewustzijn behoorde, keerde nu in mij terug.
„Ja, Dectar, Vader Taiti is teruggekeerd en heeft nu een heel andere taak te volbrengen dan voorheen.”
Onder mijn voortzweven veranderde mijn gewaad.
Wat ik vroeger gedragen had en bij dat leven behoorde, was ook nu in mijn bezit.
Daardoor leefde ik in de werkelijkheid, omdat alle gebeurtenissen, gevoelens en eigenschappen, die geleerd zijn, in ons blijven en van de ziel deel blijven uitmaken.
In al die eeuwen was er niets veranderd, alléén in mijzelf, dat nu het gevoel, mijn streven voor het goede betekende.
In dat leven ging ik ten onder.
Hetgeen ik nu beleefde, vond ik wonderbaarlijk.
Op deze wijze was het voor mij mogelijk, om vele levens terug te zien.
Al die levens waren nodig geweest om te ontwaken.
Opnieuw droeg ik het gewaad van een opperpriester.
Al spoedig bereikte ik de voor mij zo bekende omgeving.
Op een hoge berg zag ik mijn tempel.
Ik bevond mij in een prachtige omgeving en door bergen omringd.
Als Vader Taiti stond ik aan het hoofd en mijn macht was enorm.
Nu echter was ik de leerling van Isis, doch ik leefde in beide levens, waarvan dit leven overheerste.
Onmiddellijk bij aankomst daalde ik in de onderaardse gewelven en gangen af en bezocht de plaatsen, waar gekastijd, gemarteld en gehangen werd en waar ik mijn vijand door de brandstapel had vernietigd.
Ik zag opnieuw al die gebeurtenissen voor mij en waar zij ten onder gingen, die hun leven en het priesterschap hadden vervloekt.
Op mijn bevel geschiedde dat alles.
Al die verschrikkelijke gebeurtenissen leefden opnieuw voor mij en ik zag de priesters en priesteressen van voorheen.
Allen waren hier gestorven en nu ergens op aarde, of aan deze zijde, om toch op aarde te moeten terugkeren en goed te maken wat zij misdeden.
Mijn vijand was een hogepriester en hij wilde mijn macht bezitten.
Maar zijn allerlaatste daad bracht hem op de brandstapel.
Hij ontstal mij mijn liefde en trachtte dit door moord te bereiken, doch door mijn gaven en kennis van de magische wetten bleef ik zijn meester.
Naast mij zag ik Lyra, haar had ik reeds weer op aarde ontmoet.
Maar waar leefde Lyra?
Waar was zij op dit ogenblik?
Zij zou immers priesteres worden.
Op de brandstapel zag ik een mens, die de dood inging.
Lyra en ik volgden dit afschuwelijke proces en verlustigden ons aan dit wrede spel van leven en dood.
Hij, die de dood inging, had ontvangen, wat door hem vele anderen hadden beleefd.
Wij hoorden hem jammeren en zijn smartkreten uitstoten.
Zelfs mijn eigen woorden, die ik tot Lyra had gesproken, galmden mij tegemoet.
Ook al mijn haat en de daarbij oprechte gevoelens keerden in mij terug.
Onze harten klopten van vreugde, toen hij zijn laatste ademtocht uitblies.
De danseressen in priesterlijke gewaden gekleed, vertolkten een levensdans.
Wij beleefden het feest van vernietiging en de afstotende uitstraling van menselijke gevoelens, zo ook het sterven op aarde en het binnentreden in het volgende leven.
In het leven waarin ik nu leefde, ging de ziel verder en zij zou zich voor een nieuw leven gereed maken.
Dan leerde de ziel andere ouders kennen en zij beleefde opnieuw het geboren worden en sterven op aarde.
Ook ik was teruggekeerd, doch met mij al mijn haat en de sluipmoordenaar in een geestelijk kleed, de kenner van de magische wetten.
In mij leefde het waarachtige bewustzijn, doch het waren gevoelens van wellust, macht en dierlijk beleven.
In dit bewustzijn had ik hem de dood in gejaagd, doch daardoor ontwaakte mijn ziel.
Uit dat onmenselijke proces ontwaakte de dienende liefde, een liefde die eeuwigdurend is en die nimmer aan kracht verliest, doch alleen sterker en nog groter wordt.
Nu beleefde ik, dat iedere verkeerde daad toch het hogere gevoel in zich heeft en de ziel daardoor naar het hogere opvoert.
Nu ik dit alles waarnam, dacht ik aan de woorden, die mijn Moeder tot mij had gesproken.
„Als de stem van je hart zegt, te dalen, daal dan, doch moet je opwaarts gaan in de liefde, ga opwaarts en moet je de liefde leren kennen, ga in.”
Hier had ik dat alles reeds beleefd en haar woorden waren mij duidelijk.
In het leven daar voor mij, een leven van macht, opwaarts gaan en dalen, was mijn ziel tot bewustzijn gekomen.
Hier had ik de liefde leren kennen, was Lyra’s innerlijke leven tot volle ontplooiing gekomen en de zekerheid in ons, van een groot geluk op aarde en aan deze zijde.
In een dierlijk bewustzijn was deze liefde ontwaakt, een liefde die wellust heette, maar die in onze zielen ontbrandde en ze in vuur en vlam zette.
Dan ging ik verder en ik betrad de kerkers, waar de priesters en priesteressen leefden.
In één van deze cellen leefde Dectar.
Als leerling was hij tot mij gekomen, doch als meester eindigde zijn aardse leven.
Een afgrijselijk einde had hij beleefd.
Nu leerde ik zijn diepe innerlijk kennen.
In Dectar waren thans vele levens bewust, doch van dit leven voelde hij eigenlijk niets.
De zonden en fouten in dit leven begaan, had hij op latere leeftijd weer goed gemaakt.
Daardoor begreep ik nu, dat hij die rekening had vereffend.
Doch die andere levens kwamen één voor één bewust in hem terug en al die gebeurtenissen stoorden hem en moest hij overwinnen.
Een ontzettende kastijding had hij op zichzelf toegepast, ook hiervan had hij mij nog niets verteld.
Uit dit leven voelde hij alléén de liefde en het gevoel van angst, een einde aan zijn leven te maken.
Het gevoel, dat de ziel voortstuwde om hoger te gaan en de liefde was, dat gevoel bleef en werd door al die levens veel krachtiger.
Als dit gevoel in slaap viel, dat zich als verlangen liet voelen, maar de liefde betekende, zonk de ziel tot het allereerste stadium terug, om dan nooit weer bewust te worden.
Doch het was niet mogelijk, want daarvoor leefde men op aarde en maakte men deel uit van het oneindige.
Al die levens dienden om een hoger bewustzijn te bereiken, om eens dat te beleven, dat in harmonie zou zijn met de natuur en met dat, waaruit wij waren.
In deze cel leefde Dectar.
Nu ik aan hem dacht, ving ik andere gevoelens op.
Ik mocht zijn naam, die hij in dit leven had gedragen, niet uitspreken.
En daarvoor schrok ik terug, want ik zou Dectars vorige leven in hem wakker kunnen maken en hij ging opnieuw in al die ellende over.
In zijn leven op Isis zou dit voor hem noodlottig zijn.
„De klank van zijn naam,” zo hoorde ik tot mij zeggen, waardoor ik begreep, dat men mij ook hier volgde, „vernietigt zijn rust.”
Ik aanvaardde dit onmiddellijk.
Wat ik zag en ook Dectar in dit leven had beleefd, was het leed en smart van vele mensen; dat had hij hier alléén te dragen gekregen.
Zijn gehele persoonlijkheid en zijn priesterlijke naam was met hem de dood ingegaan.
„Laat dat met rust, Venry, maak dat niet wakker, blijf af, waarvoor geleden is, waarvoor hij martelingen onderging en waarvoor harten zijn gebroken.
Laat dat onherroepelijk slapen.”
Het is toch prachtig, zo dacht ik, dat ik ook hier zo duidelijk de stem in mij hoor spreken en dat Dectars leven aan anderen bekend is.
Opnieuw hoorde ik tot mij spreken: „Als alles sterft, oplost en vergeten raakt, dan toch niet een naam, waar vele diepe gebeurtenissen aan vastliggen.
Daarnaar heeft de ziel geluisterd.
Zij behoudt eeuwenlang haar kracht en eens tot bewustzijn gekomen, trekt zij, althans voor de begaafden, alle gebeurtenissen weer tot zich terug, zodat zelfs de gehele persoonlijkheid weer bewust wordt.
Die klank blijft in leven en als iets de ziel wakker maakt, dan is het de naam, die het leven en de persoonlijkheid vertegenwoordigt.”
Nu volgden andere gedachten, waarop ik mij instelde.
Dectar had lief en zijn liefde was in dit leven Lécca.
Hij voelde ook nu die liefde.
Maar waar is Lécca?
Waar ben je, priesteres, die mijn vriend kent en zijn liefde voelt?
De liefde die tot hem komt is wakker, leeft en wordt tot hem gezonden en behoort tot het bewuste verlangen.
Dectar is op aarde, hier was hij één met je.
Lécca, waar ben je?
Ook jij moet in leven zijn, onder al die miljoenen mensen is er slechts één, die zijn tweelingziel raakt.
Dectar zegt, dat je leeft; hij ziet je op aarde en in hem komt je liefde.
Die liefde is van zijn ziel.
De magische wetten zullen je tot mij brengen en ik zal weten, waar je nu leeft.
Niets, hoor je, Lécca, niets zal je kunnen tegenhouden, je zult tot mij komen!
Ik had mij reeds op de ziel van Lécca ingesteld en al mijn gaven uit dit leven traden in werking.
Opnieuw riep ik haar.
Lécca, ik roep je.
Mijn eerste pogingen treden in werking, ik roep je, Lécca, doch aanstonds roep ik je opnieuw en je zult tot mij komen.
Nu reeds wist ik, dat Lécca op aarde leefde.
Dectar had goed gevoeld.
Zij beiden waren één, één in geestes- en stofleven.
Lécca kende de wetten, de krachten waren in haar aanwezig en zouden wakker worden.
Niets kon haar tegenhouden, ook al was zij in een diepe slaap, zij zou en moest uittreden en tot mij komen.
Vader Taiti riep haar.
Toen ging ik verder en naar mijn eigen vertrek.
Ik wilde in mijn eigen leven terugzien en de liefde van Lyra en ons einde op aarde nogmaals beleven.
In mijn kamer gekomen, zag ik Lyra en mijzelf.
Mijn innerlijk werd door liefde verteerd en ik was de slaaf van mijn verlangens, doch ik vond het wonderbaarlijk.
In knielende houding lag ik voor haar en sprak tot haar.
Ik luisterde nu naar mijn eigen verleden en ik hoorde mij zeggen: „Jeugd en ouderdom zijn in mij, Lyra, en je weet hoe dat mogelijk is.
Wij beiden zijn wakker en bewust en hebben de waarachtige liefde leren kennen.
Uit al dat demonische is onze reine liefde geboren, ook al leven wij nog steeds in onze eigen duisternis.
Je weet, dat wij uiteengaan, maar dat wij elkander op aarde zullen terugzien, omdat wij tweelingzielen zijn.
Wat wij hier deden was verschrikkelijk, het was moord na moord beleven en niemand mag doden.
Wij hebben gedood, Lyra, voor onze liefde gedood en de dans van vernietiging beleefd.
Om onze verlangens te bevredigen gingen anderen ten onder.
De meesters zeggen mij, dat je mijn tweelingziel bent, dat je dus tot mij behoort, doch dat wij alles moeten goedmaken.
Eens beleven wij een tijd en dan ben je eeuwigdurend bij mij.
Maar je volgt nu je eigen weg en ik de mijne.
Toch zien wij elkander terug.
Het hogere bewustzijn, dat nu in mij is, zal mijn taak in dat andere leven zijn.
Nu reeds, lieve Lyra, ga ik in die wetten over en dat zullen wij beiden beleven.
Je keert gelijk met mij weer op aarde terug en in dat leven zullen wij elkander reeds mogen zien.
Onze zielen zijn één en hebben met de wetten verbinding.
Door de wroeging die in mij is, lieve Lyra, zal ik leven en mijn haat overwinnen.
Deze smart is echt, is heel natuurlijk en oprecht.
In mij is leed en oprechte spijt van hetgeen ik heb gedaan.
Mijn hart breekt, maar mijn Moeder zal mij helpen, ik voel haar gebed, zij wil, dat ik hierin voortleef en het is tevens onze band voor het volgende leven.
Ik zal mijzelf vernietigen, Lyra, ook al mijn fouten die mij tegenhouden.
Wij moeten dienen, Lyra.
Aan mij is gegeven, om alle tempels, waarin het licht verduisterd is, te vernietigen.
Mijn vijand zal ik opnieuw ontmoeten, omdat hij nieuw leed en smart sticht, harten breekt, doch door de macht van zijn gaven.
Ik zegen nu reeds het ogenblik van mijn bewustwording.
Kan je voelen, dat er nu heilige ernst in mij is?
Dat ik zal trachten om bewust te blijven?
Dat wij tot één ziel zijn geschapen?
Je ziel is één met mijn leven, Lyra, in alles zijn wij één.
De meesters willen dat ik hen volg.
In het volgende leven zal mijn taak groot zijn, zoals mijn liefde voor jou.
Nu zijn wij één, Lyra, in andere levens zullen anderen je toebehoren, doch ik leef in je, maar aan hen heb je goed te maken.
Ben je gereed voor het gif, Lyra?
Wat ons wacht, zal een kastijding zijn, doch het beleven daarvan is onze ontwikkeling voor dat andere leven.
Weet, lieve Lyra, dat het allerlaatste en diepste leed in je komt.
Doch daarvoor ontvangen wij het hogere bewustzijn.
Het allerdiepste leed leggen wij ons zelf op, maar het zal onze zielen doen ontwaken en ons één-zijn bevorderen.
Ook Dectar is daar ingegaan en met hem Lécca.
Zij waren één, ook in de dood.
Voel je deze stilte?
Kun je mij volgen, nu het leven een einde neemt?
Heb je mij zo lief, dat je gereed bent?
Is het „ja” bewust, Lyra?
Wat zeg je?
Hoor je Dectar schreien?
Hoor je de zwakke stem van je zuster?
Ze zijn in leven, natuurlijk, lieve Lyra, ze leven en moeten leven, maar door dat zal hun bewustzijn veranderen, het bewustzijn dat inniger is dan hun één-zijn op aarde en het zal het dagbewustzijn omstralen.
Lieve Lyra, het dierlijke leven vreet ons hart stuk en wij blijven zolang bewust en één, totdat onze beenderen tevoorschijn komen, totdat we de naakte werkelijkheid ontvangen.
En daarin zijn nog meer pijnen, Lyra, weet dus, wat je doet.
Ben je gereed?”
* *
*
Een gif maakte een einde aan ons aardse leven.
Rustig namen wij het gif in.
Dan zag ik, dat wij naar ons eigen graf gingen en legden ons daar neer.
Hand in hand, onze zielen één en verbonden.
Zo gingen wij de dood in.
Onze lichamen beleefden hetzelfde proces en toch waren wij nog zo ver van elkander verwijderd.
Langzaam naderde het ogenblik van sterven, doch het bewuste binnentreden in die andere wereld.
Lyra sprak niet meer, haar ogen verduisterden, doch gingen opnieuw weer open en wij leefden nu in het andere leven.
Een dood door zelfmoord, rustig en bewust, om geestelijk hoger en hoger te kunnen gaan, om verlangens te stillen, zielebrand te blussen en om de mystieke en magische wetten te leren kennen, doch vooral om goed te maken.
De gevolgen daarvan waren afgrijselijk.
Dectar hoorde een stem in zich spreken, wanneer hij een einde aan zijn aardse leven wilde maken.
Nu begreep en kende ik die stem en de gevoelens van mijn beste vriend.
„Ja, Dectar, de wormen hebben eens je lichaam opgevreten, doch jij zelf beleefde dat afschuwelijke proces, dat alléén onbewustzijn is en armoede betekende.
Ook wij, Dectar, wij beiden hebben het beleefd.
Met ons duizenden, en allen hebben daardoor niets bereikt, wij deden alléén die kennis op, meer niet.
Wij wilden geestelijk bezit, geestelijke ontwikkeling en het verlangen om goed te willen maken.
Doch op die wijze is het goed-maken niet mogelijk.
Wij hebben het verrottingsproces beleefd en toch heel veel geleerd, beste Dectar, want voor een tweede maal weigert je ziel, je kan het niet weer beleven.”
Toen ik dit had gevolgd, keerde ik naar Dectars cel terug.
De gedachten die thans tot mij kwamen, spoorden mij aan om geen tijd te verliezen.
Opnieuw stelde ik mij op Lécca in.
„Lécca, je bent op aarde.
Waar je ook bent, je zult tot mij komen.”
Ik bleef haar een tijdlang roepen en ik ging zien.
Het was mij nu reeds mogelijk, haar ziel te volgen.
Ik wachtte nu een poos af en voelde mij heel rustig.
„Waarachtig, beste Dectar, zij is op aarde,” riep ik tot hem, „zij leeft in een nieuw organisme en zelfs dicht in je eigen omgeving.
Je gevoelens zijn zuiver en natuurlijk, beste Dectar, je liefde is echt en zij zal tot mij komen.”
In zijn cel trok ik een magische cirkel om mij heen.
Hierin moest ik nu blijven, omdat ik hel en duivel thans wakker maakte.
Toch zou Lécca tot mij komen, want ook in haar leefden deze krachten, want eens was zij een priesteres.
In die tijd gebruikte ik mijn gaven voor allerlei kwaad en vele duistere zaken meer, nu echter voor het geluk van twee zielen.
Mijn concentratie was volkomen, ik bleef op haar ziel ingesteld en ik trok deze zo gevaarlijke wetten en krachten tot mij.
De magische cirkel was nu mijn eigen bescherming, of men sleurde mij door de duisternis en ik was het speeltuig van de demonen.
De zwarte krachten lagen hieraan vast, zo ook de hogere, die tot heil van de mensheid konden worden gebruikt.
In mij was, hoe mij met hen te moeten verbinden.
In die krachten leefden al die wezens, doch ik zelf ging erin over.
In dit leven was ik daarin een meester, voor Dectar en anderen Vader Taiti, die over al zijn kinderen waakte.
De duistere krachten drongen zich nu reeds aan mij op.
Daardoor zou de ziel, die hier Lécca heette en deze naam droeg, tot mij terugkeren.
Dan riep ik haar opnieuw: „Lécca, je komt!
Vader Taiti roept, waar je ook bent, je komt!
Treed uit, Lécca, treed uit!
Dectar is op aarde, hij is je trouw en heeft je innig lief.
Dectar wacht.
Treed uit, Lécca!
Gebruik je vleugelen en kom tot mij!”
Intussen legde ik een wolk van kracht om mij heen.
Uit ervaring wist ik, dat mijn voortdurende opmerkzaamheid werd geëist.
Als mijn persoonlijkheid in deze krachten overging, was ik verloren.
Hierdoor hadden velen de dood gevonden, want ik raakte de wetten van de duisternis.
Opnieuw riep ik Lécca en herhaalde mijn roepen geruime tijd, ik volgde mijn concentratie en dwong haar uit te treden.
Lécca was een priesteres en de zuster van Lyra.
Beiden kenden de wetten en geen macht was er, die haar nu kon tegenhouden.
Wanneer haar ziel niet op aarde leefde, stond ook ik machteloos.
Doch leefde de ziel in een nieuw organisme en behoorde zij tot de bewuste wereld, dan kwam zij tot mij en werd dit leven plotseling in haar bewust.
Alléén de wereld, waarin de ziel moest wachten om geboren te worden, kon mijn concentreren en verbinding onmogelijk maken.
Doch Lécca leefde op aarde.
Deze gedachten kwamen weer tot mij en werden mij toegezonden.
Wat volgde, begreep ik zoals het vorige: „Wat is magisch en wat zijn de magische wetten?
Het is de kennis van vorige levens, het één-zijn daarin en het bewuste ondergaan en het beleven daarvan.
Hoe is de werking?
Daarop volgt het ontwaken van het verleden.
De ziel, als mens, draagt al die krachten in zich, want er is niets verloren gegaan.
En nu wij weten, dat alles in leven blijft, ook de onuitgesproken gedachten en gevoelens werking betekenen, kan de ziel zich daarmee verbinden en dit één-zijn is het beleven van de werkelijkheid, van gevoelens, die eens zijn beleefd.
Als u weet, dat al uw handelingen en gevoelens het bezit zijn uit het verleden en u daardoor in het dagbewustzijn leeft en beleeft, én schept, én ontvangt, én handelt, ziet en hoort en dat die gevoelens uw gehele persoonlijkheid uitmaken, dan kunt gij aanvaarden, dat de ziel ook in het dagbewustzijn in het verleden leeft.
Is het u duidelijk, dat uw ziel in dit leven zich nog niets eigen maakte?
Dat gij bezig zijt te bouwen, te scheppen en te dienen en dat gij daarin nog niets hebt verdiend?
Welke zijn de nieuwe eigenschappen, die u zich in dit leven eigen maakte?
Zoek in uzelf, daal in uzelf af, of „ga in” en zie goed en duidelijk, of dit zo is en u zult aanvaarden, dat u en allen die op aarde zijn, in hun eigen verleden leven en uit dat verleden putten.
Is dit onnatuurlijk?
Ga allereerst na, wie u bent en wat u thans bent geworden.
Is daarin verandering gekomen?
Wie gaf u als kind een volwassen bewustzijn?
Kunt gij dat ontvangen?
Vanwaar komt het jong aan de eigenschappen, die toch het volwassen wezen toebehoren?
Is het leven zo eenvoudig?
Gij kent de wetten, leg nu om u heen bescherming.
Zijt gij u bewust, dat ook dit nodig is?
Is het volle bewustzijn wakker, dan voelt u, dat dit u al deze kennis bracht, doch het is het verleden, het is dat, wat gij u in andere levens hebt eigen gemaakt.
Voelt u, dat dit leven waarin gij nu zijt, u het weten gaf?
Lécca komt, omdat ook zij in haar eigen verleden leeft en omdat dit haar dagbewustzijn is.
Want gij praat en denkt en voelt in en uit het verleden.
Er is dus alléén het „nu”, dat is en dat blijft, er is geen verleden, „het leven” is er en daarin zijt gij thans bewust.
Maar alleen van dat, wat uw eigen leven uitmaakt.”
Al deze woorden waren volstrekt niet van mijzelf, ze werden mij gegeven.
Doch ik vond het wonderlijk.
Mij was alles duidelijk.
Tot mij kwamen nu de gevoelens van slaap en die slaap behoorde bij Lécca.
Haar ziel maakte zich van het stoffelijk organisme los en zij zou tot mij komen.
Door hetgeen ik zoëven hoorde, was mijn verbinding veel eenvoudiger geworden.
Reeds van verre zond zij mij haar gedachten.
Lécca was onderweg.
Nog een kort ogenblik en zij zou hier zijn.
Door een licht en dicht waas omhuld naderde mij een verschijning.
„Lécca?
Ben jij het Lécca?
Dectars tweelingziel?”
„Vader Taiti, hebt u mij geroepen?”
„Herken je mij, Lécca?”
„In mijn dromen zie ik u steeds voor mij.
O, Vader Taiti, mijn meester, waarom hebt u mij geroepen?
Weet u, waar ik leef en waar ik nu ben?”
„Het verheugt mij, Lécca, dat je mij herkent, dat het verleden bewust in je is en dat je de liefde voelt, die je ook hier bezat.”
„O, Vader Taiti, hebt u mij daarvoor geroepen.
Kunt u mij gelukkig maken?
Ik heb hem zo lief, in mij is alles bewust en ik leef daarin.
Ik heb gebeden, heel veel offers gebracht en nu zal ik ontvangen?
Weet u waar mijn ziel leeft?
Waar is hij, die mij door de Goden is gegeven?
Is mij toegestaan hem te mogen zien?
O, ik weet het, Vader, ik zal zijn naam niet uitspreken, ook de mijne is dood.
Als ik aan hem denk, dan komt de stilte in mij terug.
Maar ook het verdriet en al zijn leed, dat ook in mij is.
O, zeg mij zijn naam, mag ik het weten?”
„Dectar is zijn naam, en de uwe?”
„Mijn Moeder noemde mij Myra.
Als kind was mijn vorige naam in mij aanwezig en ik vroeg mijn Moeder mij die naam te geven.
Doch later kwam er steeds verdriet in mij en noemde zij mij Myra.
Noem mij Myra, Vader Taiti, en waar is Dectar?
Waar is mijn ziel en weet hij, dat ik naar hem verlang?
Dat ik mijn liefde tot hem zend?
Is het bewustzijn in hem?
In mij is de liefde en daarin zal ik blijven voortleven.”
„Hij zal tot je komen, Myra.
Dectar komt, hij leeft en is bewust, maar alleen in de liefde, al dat andere moet blijven slapen.
Ik zie, dat je Moeder bent, Myra, maar je bent niet gelukkig.
Je bent de zuster van de Farao.
Is mijn zien duidelijk, Myra?
Heeft men je moederschap bezoedeld?
De Goden willen, dat je Dectar ziet en ook Dectars voelen en zien is duidelijk.
Hij zegt, dat je rijk bent en van hoge geboorte en hij is een nederig en arm man, Myra.”
„Heeft dat betekenis, Vader?”
„Waarnaar je verlangt, Myra, zal je gegeven worden.”
„Hoe zal ik u danken, Vader.
Kunnen wij weer opnieuw één zijn, Vader?”
„Ja, zeker, mijn kind.
Je liefde verteert Dectar.
Je leeft in hem, Myra, en in de omgeving, waar hij nu is.
Ik zie ook, hoe je leven is en dat er geen geluk tot je kan komen, omdat Dectar je ziel is.
Je zal hem zien, Myra, maar je moet nog wachten.
Waar wij zijn, mag je nu nog niet weten, of je verlangens worden je te machtig.
Toch zal je mij en Dectar herkennen.
Luister, lieve Myra, naar hetgeen ik thans mag zien, ik zal het je meedelen.
Wij beiden komen tot je.
Ik pluk dan een witte bloem voor je uit de ruimte, Myra, en dan eerst zal je mij herkennen als die andere persoon.
Ik leef in een ander gewaad, doch dan weet je, dat Vader Taiti aanwezig is en in dat lichaam leeft.
De bloem is van Dectar, van je tweelingziel en dan zal je je ziel herkennen aan de persoon, die ik tot je breng.
Is hetgeen ik zag en je zei duidelijk, Myra?”
„Ja, Vader.”
„Tussen dit leven en dat waarin je nu bent, liggen eeuwen.
En toch is er geen verleden, Myra, ook mij werd het duidelijk.
Je bent nu wakker en bewust, doch de liefde stoort zich niet aan eeuwen.
Is de liefde niet in je aanwezig?
Deze droom zal de werkelijkheid tot je brengen, Myra.
Wacht af, ik zal je aan het hof herkennen als de zuster van de Farao.
Hoe vreemd dit ook is, wij zullen de werkelijkheid ontvangen.
Straks zal je wakker worden, Myra, en je zal weten, waar je bent geweest en dan toch denken, dat het slechts een droom is.
Doch ik vraag je, Myra, alles te vergeten en af te wachten.
Ons leven, dat van Dectar en mij, loopt gevaar.
Daarna zal je de „weide” zien.
Dectar verlangt naar de „weide” en je zal de „weide” herkennen.
Dan weet je, mijn kind, dat een kroon geen geluk betekent.
Goud en macht hebben geen betekenis.
Dat is in geen vergelijking met deze liefde, dit geluk, dat eeuwigdurend is.
De Goden willen echter, dat wij dienen, doch te dienen is alleen mogelijk, wanneer wij kunnen liefhebben die ziel, die tot ons behoort.
Dectar gaf zichzelf.
Hier leefde hij om te ontwaken en jij bent hem trouw geweest en volgde hem.
De wormen vraten je hart stuk, de ontwikkeling als gevoel is je bezit, nu kan je alleen liefhebben.
En daarin te mogen leven, te zien en te mogen voelen en één-zijn, lieve Myra, is het allerhoogste geluk, dat wij als mensen op aarde kunnen ontvangen.
In Dectars zieleleven leef je, in zijn hart groeit en bloeit je éénzijn.
Als dat in je bewust is, Myra, hoever ben je dan anderen niet vooruit?
Heeft goud dan betekenis?
Als bewust in ons is het verlangen en de kennis van deze eeuwige ruimte, wanneer het verleden het dagbewustzijn vult en het kloppen van je hart opvoert, als de uitstraling van hem je geluk brengt en de „Lotus” haar reine kracht tot je zendt, kan alléén het volmaakte worden gevoeld, Myra, dat het „ingaan” in de liefde betekent.
Ja, mijn lieve Myra, je vraagt je af, waarom moet ik in die leegte mijn leven volbrengen?
Wat heeft het voor zin, als ik mijn volle weten en voelen niet in het één-zijn mag beleven?
Het doet je pijn, Myra, maar ook in mij leven deze gevoelens, doch wij moeten goedmaken.
Iedere seconde is verloren tijd, iedere dag lijkt je een eeuw en zo gaat dit leven voorbij.
En thans, lieve Myra, nu je weet, dat je ziel op aarde is?
Hoe zullen nu je verlangens zijn?
Hoe zal je zijn, als Dectar voor je staat?
Is er dan beheersing in je?
Hoe zal je zijn, lieve Myra, als zijn ogen je aankijken en je voelt, dat hij voor je zal neerknielen?
Er kan niets anders dan dankbaarheid in je zijn, hem te mogen zien.
Zal je niet onder dit geluk bezwijken?
Als je hem ziet, zal je dan je eigen taak op aarde niet vergeten?
Zal je, lieve Myra, wanneer je Dectar ziet en zijn hevig kloppende hart voelt, toch die zelfbeheersing bezitten, zodat je broeder niets voelt?
Vergeet niet, hij is de Farao en wij zijn dienaren.
En het moet in je zijn, Myra, of je vernietigt jezelf en het geluk van je kinderen.
Zal mijn kind gereed zijn?”
„Ja, Vader, ik zal gereed zijn en aanvaarden.
Mag ik nu reeds uw nieuwe naam weten?”
„Neen, Myra, nu nog niet, doch ook dat komt.
Heeft Myra de wetten vergeten?
Niets mag je van ons weten, Myra, want de wonderen, die zullen geschieden, vragen je beheersing.
Ik zal heel jong zijn, heel jong en toch oud.
Ik bezit de grote vleugelen, Myra, en de Farao zal mij ontvangen en je zal een strijd zien op leven en dood, doch wij zullen zegevieren, want er is machtige hulp.
Meer mag ik je niet zeggen.
Maar wij moeten nu heengaan, Myra, voor de zon opkomt moet ik gereed zijn.”
„Moet ik alles vergeten, Vader?”
„Denk aan een droom, Myra, doch zoek mij niet en wacht af.
Ga nu, mijn kind, keer terug naar je stofkleed.”
„Weet u, waar mijn zuster Lyra is?”
„Neen, Myra, ik heb haar echter reeds ontmoet.
Waar zij leeft, zal ik ontvangen en dan is ook mijn geluk volkomen.
Dag, Myra, Dectar komt.”
Als een nevel loste zij voor mij op en ook ik voelde, dat ik moest heengaan.
Hier had ik niets meer te beleven.
Toen ik mij weer op mijn tegenwoordig leven instelde, ging ik waarnemen.
Ik zag, dat slechts de fundamenten van de Tempel waren overgebleven.
Ik stond op een ruïne, in de eeuwen die voorbij waren gegaan, was dit gebouw ingestort.
Hoe en waardoor kon ik duidelijk zien, de Goden wilden, dat het gebouw van de aardbodem verdween.
Een andere kracht wilde nu, dat ik heenging.
Hetgeen ik thans had gezien, behoorde tot mijn taak.
En wanneer ik alles had beleefd, kon ik eerst aan mijn werken en gereedmaken beginnen.
Het gereedkomen en al die gebeurtenissen betekende kracht en het bewustzijn van Vader Taiti.
Nu ik dit alles overdacht, kreeg ik weer nieuwe gedachten, waarbij waren, hoe ik mijn weg moest vervolgen.
Van verre werden mij die gevoelens toegezonden.
Het wonderlijke daarvan was, dat mijn wegen werden geleid.
Men wist van al deze gebeurtenissen af, een onfeilbare werking dreef mij daarheen.
Ik was op weg naar Isis, daar zou ik nieuwe waarheden en geheimen leren kennen.
En daarvan had mijn Moeder gesproken.
Als de Goden met mij waren en het licht in mij was, zou ik alles mogen weten.
En het licht had ik reeds ontvangen.
Daarom versnelde ik mijn vaart door de ruimte en Isis tegemoet.
De kracht van mijn vleugelen en het snelle voortgaan was door de concentratie van mijzelf.