Mijn Vader en Moeder

Het licht, dat gevoel betekende en in mij lag, wees mij nu de weg.
Zo ging ik verder, naderde Isis en betrad ik de tuinen van Ardaty.
Het gevoel om af te dalen overheerste al mijn andere gevoelens.
Er waren tuinen, die daar beneden waren aangelegd en tot het geheimzinnige Isis behoorden.
Dectar had ze mij getoond.
Daarin stond een klein huisje, waarin Ardaty zijn kruiden kweekte.
Lang bedacht ik mij niet en daalde in deze mystieke tuinen af.
Dectar had mij hiervan verteld.
In deze tuinen leefden de natuurschatten van Isis.
De wonderbaarlijkste kruiden waren hier aanwezig, maar alleen de Hogepriesters vertoefden in dit natuurlijke, doch vergiftigde paradijs.
Ardaty kende al die kruiden, zijn meesterschap was in de gehele omtrek bekend.
Aan de plant, de geur en de soort, stelde hij de kracht van het natuurgif vast en daarin was hij onfeilbaar.
Voor Ardaty was dit een natuurlijke begaafdheid.
Zijn reukorganen waren in hoogste graad ontwikkeld.
Op mijn tocht ontmoette ik schimmen en deze wezens behoorden tot Isis.
Het waren zielen, menselijke wezens, die hier eens hadden geleefd en wellicht op de een of andere wijze waren vernietigd.
In hun voortzweven lag iets akeligs.
Al deze zielen beleefden opnieuw het aardse leven, doch van die wereld uit.
Ik zag oude en nog jonge mensen, waaraan ik hun leeftijd vaststelde.
Zij volgden echter een eigen weg en waren geestelijk bewust.
Hoe dichter ik dat gebouw naderde, des te duidelijker ging ik voelen.
Een smal pad bracht mij naar de ingang en ik trad binnen.
Het gebouw was leeg.
Men had blijkbaar nog geen andere meester kunnen vinden.
Ogenblikkelijk ging ik zien.
Het was avond en de zon was reeds lang onder.
Ik zag Ardaty en hij was bezig kruiden te mengen.
Waarom nog zo laat aan het werk, Ardaty?
Heb je nieuwe kruiden ontdekt?
Toen ik tot mijzelf deze vragen stelde, trad er een priester binnen en hij zei tot Ardaty: „En, Ardaty, zijt gij gereed?”
Ik schrok vreselijk, want ik kende deze priester.
Maar waar had ik hem reeds ontmoet?
Ardaty gaf hem kruiden, doch sprak geen woord tot hem, maar hij dacht, en die gedachten kon ik volgen.
De priester ging onmiddellijk weg, maar ik met hem.
Het was merkwaardig, hoe duidelijk dit verleden voor mij bewust was, ik kon alles heel nauwkeurig waarnemen.
Natuurlijk, dacht ik, hij gaat naar dat gebouw.
Waar zou hij anders moeten heengaan?
Wij betraden het gebouw waar de priesteressen leefden.
Hier was ik reeds geweest.
Ik bleef hem volgen.
Dan trad hij een cel binnen.
Op een rustbank lag een priesteres.
De priester trad tot haar en drukte haar aan zijn borst.
De priesteres verzette zich met al haar krachten, die in haar waren en was van zijn liefde niet gediend.
Maar wat ik zag en duidelijk voelde, vond ik verschrikkelijk.
Deze priesteres bevond zich in het halfwakend bewustzijn, zij was zich eigenlijk niet eens bewust van hetgeen er met haar geschiedde.
Ik leerde nu de onbewuste krachten kennen, die toch weer tot een bewustzijn behoorden.
Want in dit halfwakend bewustzijn trachtte zij zichzelf toch nog te beschermen.
Haar gehele wezen kwam in opstand en dit was haar onderbewustzijn, dat de persoonlijkheid uitmaakte.
Deze persoonlijkheid werd nu door angst wakker geschud.
Ik kon de stoornis in het zenuwstelsel duidelijk waarnemen, zodat ik begreep, dat dit leven moest bezwijken.
Een ontzettende kracht dwong haar in dit bewustzijn te blijven, zodat zij geen weerstand kon bieden.
Ik stelde mij op de priester in en voelde, dat hij zijn krachten ging gebruiken.
Hij maakte haar gedeeltelijk wakker, toch zou zij haar volbewustzijn niet mogen bezitten.
Als de priesteres het halfwakend bewustzijn zou overschrijden, zou zij zeer zeker om hulp roepen en dat trachtte hij te voorkomen.
Ik hoorde hem zeggen: „Neem dit in, schone prinses, en gij zult gaven bezitten, gij zult zien en horen en de grote vleugelen ontvangen.”
Maar zij had niets te willen, hij diende haar zijn medicijn toe en dit geschiedde door geweld.
In mij kwam haat, een afschuwelijk gevoel, zodat ik hem kon vernietigen.
Dit was wellust en geweld.
De priesteres sliep in, het gif had haar in slaap gebracht.
Als toeschouwer had ik dit waargenomen.
Nu stelde ik mij op het innerlijke leven van de priesteres in.
Ik dacht te bezwijken.
„Moeder, mijn Moeder, mijn lieve Moeder.”
Zij was mijn lieve Moeder.
Een andere kracht bracht mij tot rust, want ik kende mijzelf niet meer.
Hevig was de smart, die ik voelde.
O, mijn Moeder, hebt u dit moeten beleven?
Nu ken ik uw geheim.
De kracht, die in mij kwam, wilde, dat ik verder ging en ik volgde de priester.
Plotseling drong het tot mij door wie hij was en ik herkende hem.
„Gij satan, demon, gij hier bij mijn Moeder?”
Ik vergat mijzelf voor een kort ogenblik, doch kreeg mijn zelfbeheersing terug.
Deze priester had mijn jeugd vernietigd en mij tegen mijn ouders opgehitst.
Nu beleefde ik, wat mijn Moeder op Isis had doorstaan en herinnerde ik mij haar woorden, die zij tot mij had gesproken: „Er zal nieuwe haat in je komen, Venry, sta niet toe, dat je haat overvalt.”
„Ach, mijn lieve Moeder, ik zal u wreken.
Hoe hebt u zich uit dit vreselijke hol kunnen bevrijden?
Hoe was uw einde?
Wie mismaakte u?
Wie voerde u van hier weg?
Wie gaf u nieuwe kracht?
Was het Ardaty?”
Ik ben geboren, maar waar?
De priester ging heen.
Ik volgde hem.
Toen ik zijn gedachtenleven waarnam, zag ik mijn eigen Vader.
Hij dacht aan dit gebeuren.
Deze priester had mijn Moeder lief, doch de opperpriester van Isis was mijn Vader.
In halfwakend bewustzijn was mijn Moeder overvallen.
Men had mijn Moeder en mij willen doden.
Hij, die daar voor mij uitging, zou het vonnis voltrekken.
Doch de Goden wilden niet, dat wij zouden sterven.
Ik keerde tot mijn Moeder terug, iets dwong mij tot haar terug te keren.
Toen ik opnieuw ging waarnemen, zag ik, dat ik zuiver had gevoeld.
Het ene tafereel verbond mij met een ander.
Op haar hoofd zag ik haar ster, het symbool van haar huis en geboorte.
Ook daarvan had zij gesproken.
Mijn Moeder was een geboren prinses en wilde het priesterschap behalen.
Meer behoefde ik eigenlijk niet te weten.
Maar in mijn lichaam stroomde gemengd bloed, mijn Vader was een Hogepriester en de Vader van de Tempel van Isis.
Mijn ene ontroering volgde op de andere.
Alleen door krachtige concentratie zou ik mijzelf kunnen blijven.
Hoe moest ik dit verwerken?
En toch zou ik mijzelf moeten blijven.
Als het niet indroevig was, zou ik tot een zenuwlach zijn uitgebarsten.
Met al mijn krachten onderdrukte ik deze onnatuurlijke gevoelens.
„Mijn lieve Moeder, ik zal u wreken, ook Ardaty, die als een Vader voor mij is geweest.
U beiden heb ik lief en ik zal dit nooit vergeten.”
Plotseling overviel mij angst.
Werd ik gevolgd?
Had ik mij vergeten?
Ik snelde naar mijn eigen cel terug, doch nam waar dat er geen gevaar was.
Toch kreeg ik van mijn leider een boodschap.
Ik moest voortmaken en mijn tijd niet verknoeien.
Zo spoedig mogelijk keerde ik naar het huis van Ardaty terug, want ook daar moest ik nog iets beleven.
Toen de priester met de kruiden was heengegaan, bleef Ardaty alleen achter.
Dat ogenblik zag ik voor mij.
Ardaty was in gedachten en hij sprak tot zichzelf: „Men wil u doden, schone prinses.
Waarom zond de Farao u naar deze Tempel?
Maar mijn gif werkt anders, dan zij denken.
O, neen, schone prinses, gij zult nog niet sterven.
De Goden willen dat gij leeft.
Ik ben een arm man, een kruidenkenner, maar mijn gebed is heel krachtig.
Er zijn gedachten tot mij gekomen, lieve prinses.
Als ik goed en duidelijk voel, lijkt het mij toe, dat ze van de Goden tot mij komen.
Dit zijn de gevoelens van hogere machten.
Want het is groots, wat nu in mij is.
Iedere verlegenheid, elke weigering is mij nu ontnomen, zodat ik weet en zeker ben, hoe te moeten handelen.
Schone prinses, kent u deze krachten?
Alléén bij grote gebeurtenissen dalen de Goden in ons mensen af en leggen in ons het ontwaken, dat het bewuste weten is, zodat ik mij geheel overgeef.
Er is mij maar één mogelijkheid over.
Gij zult mismaakt zijn, uw jeugd is veranderd in ouderdom, maar gij zult leven.
In reine en hemelse rust zult gij leven.
Uw hart zal jong blijven en men zal u niet herkennen.
Kom tot mij, Ardaty zal een Vader voor u zijn.
In mijn tuinen kan ik uw geheim verbergen, wanneer uw hart zegt: ik kom, en gij mijn omgeving wilt aanvaarden.
Ik wil slechts voor u zorgen, zodat uw kind kan geboren worden.
Mijn lange hier-zijn is niet voor niets geweest, doch ik vond het uitstralende licht van de Lotus verdacht, toen ik haar oplettend gadesloeg.
Zonden de Goden tot haar uw geheim?
Het zal wel zo zijn, want ik ben niet gewend mij daarop in te stellen, doch ik verzeker u, dat mijn voelen en zien de waarachtige werkelijkheid raakt, ook al denkt men, dat ik slechts een kruidenkenner ben.”
Ardaty had opgehouden met denken en ik wachtte af, wat er nu zou geschieden.
Na een kort ogenblik keerde de priester tot Ardaty terug en zei: „Zijt gij er zeker van, Ardaty, dat het de goede kruiden zijn?”
Ardaty dacht geruime tijd na en antwoordde: „Als gij wilt, meester van Isis, en u staat het mij toe, zal ik haar andere kruiden toedienen.
Mocht uw meester dit goed vinden, welnu, ik ben gereed, doch breng haar tot mij.”
De priester haatte Ardaty, doch Ardaty doorzag hem.
Ook de priester dacht lang na en zijn gedachtengang volgende, voerde hij mij naar het hoofd van Isis en naar het hof van de Farao.
Dan keerde hij in gedachten tot de Vader van de Tempel terug.
Ik volgde dit wonderbaarlijke gesprek, dat zij in hun één-zijn en van gevoel tot gevoel voerden.
Mijn Moeder moest weg van hier, een ernstige en besmettelijke ziekte had haar overvallen.
Hij had zijn orders ontvangen en zei tot Ardaty: „Zijt gij zeker van u zelf?”
„Breng mij haar, meester van Isis, hier in mijn kamer, ik zal het lichaam in slechts korte tijd tot stof doen terugkeren.
Maar gij moet mij toestaan, dit te kunnen doen.
Kan Ardaty de meesters dienen?
Ik ben bereid en gereed.”
De priester was reeds tot een besluit gekomen en zei: „Beste Ardaty, spoedig kom ik tot u terug en gij ontvangt alle macht, zo ook het zegel.”
„Breng mij die toestemming, Hogepriester, want gij weet, dat ook ik de wetten moet opvolgen.
Gij zult mijn kennis leren kennen en mijn meesterschap zal ik u tonen.”
De priester ging heen en Ardaty wachtte af.
Na korte tijd trad hij opnieuw binnen, in zijn armen droeg hij mijn Moeder en legde haar op een rustbank neer.
Hij haatte Ardaty, doch deze was als een klein kind en wilde dat de priester heenging.
De priester weigerde en bleef.
Wat nu?
Dan zei Ardaty tot hem: „Gij kent de wetten, meester van Isis?
Gij hebt het recht mij uit uw heiligdom te verwijderen, doch de Goden gaven mij macht en kennis en het recht van deze plaats.
Als gij de Godin dient, zo ga, of ik ga heen.”
De meester van Isis zond hem zijn haat toe, maar verwijderde zich.
Dan toog Ardaty aan het werk.
Onder zijn machtig werk sprak hij tot de Goden en ik hoorde hem zeggen: „Als gij wilt, o, grote God van al het leven, laat mij haar dan verzorgen en laat haar kind in leven.
Ik zal de machtigste kruiden mengen, waarvan het geheim alleen aan U bekend is en dat zoëven in mij kwam.
Of was het van de Lotus?
Is de Godin van Isis met mij?
Ik zal dit lichaam oliën en zalven, haar toedienen wat zij nodig heeft.
Maar ik zal zijn, zoals de wateren voortvloeien, snel en krachtig, wanneer een vloedgolf op komst is.
Onder dit bruisende geweld zal ik mij beheersen en is de kracht, die nu tot mij komt.
Gij moet mijn meesterschap nog groter maken, omdat dit mijn allereerste proef is.
Help mij, God van al het leven, geef mij die kennis, om het gif in haar te kunnen doden, haar kind moet in leven blijven.
Is dit niet ontzaglijk?
Gij, God van al het leven, kunt mij helpen en ik ben gereed.
In haar gelaat zie ik de sporen reeds van het gif en het zal haar mismaken, doch zij zal leven.
Haar leven zal een lichtend pad zijn voor mij en anderen, die tot ons komen.
Allereerst voor haar kind.
Men zal haar dood in gouden letters optekenen en in geschriften vastleggen en haar ziekte beschrijven.
Haar lichaam zal men balsemen, doch de waarheid zal men nimmer kennen.
Help mij, o, grote God, als ik waardig ben te mogen dienen, help mij, om haar naar mijn nederige woning te brengen, mijn woning achter de heuvelen en niemand zal haar herkennen, noch weten, wie zij eens was.
Ook de Farao zal niets weten.
En over de hoofden van de Hogepriesters zweeft uw zegen en de wetten van Isis geven hun de volmacht, ook daar is dus geen gevaar, want zij dienen, allen dienen de Goden.
O, zie, hoe haar gelaat reeds misvormd is.
Maar zij leeft en ook haar kind is in leven.
Ik heb haar lief, grote God van ons allen en zal een vader voor haar zijn.
Laat mij dienen, ik wil U en haar dienen.
Hoor ik goed?
Haar hart klopt als voorheen, alle gevaar is voorbij.
Ardaty beleeft een wonder, door uw concentratie is dat mogelijk.
Waarachtig, grote God, het kind is in leven.
Voor alles dank ik U.
Als een zieke zal ik haar verzorgen.
Men weet, dat Ardaty een meester is en heel veel arme mensen ontvangt.
Niemand zal ons geheim kennen.
Ik zweer het U.
Kom tot mij, God van alle Goden, en help mij, zodat ik haar kan beschermen.”
Ik zag, dat Ardaty neerknielde en ging bidden.
Hij scheen nieuwe krachten te hebben ontvangen en was gereed.
Hij wikkelde haar in een kleed en droeg haar weg, in de richting van zijn woning.
Nu wist ik alles, toch bleef ik hem volgen.
Dan droeg hij haar zijn woning binnen.
Op deze plaats was ik geboren, ook dat had hij geheim kunnen houden.
Op de plaats waar ik mij thans bevond dankte ik de Goden voor alles, wat ik van hen beiden had ontvangen.
Mijn gehele jeugd ging nu aan mij voorbij.
Mijn lieve Moeder en Ardaty begreep ik.
Uit Ardaty straalde het geluk en de liefde van een groot mens, zijn natuurlijke eenvoudigheid verbond hen beiden met „leven en dood”.
Zij waren als twee gelukkige kinderen, twee kinderen van God.
Ik had ons geheim leren kennen, maar ook mijn eigen wapen.
Ik stond voor een strijd van bloed tegen bloed; een strijd van het kind tegenover zijn Vader, van haat tegen haat, ouderdom tegen jeugd.
Zijn vleugelen wilde ik verlammen en zijn bloed vergiftigen en mijn lieve Moeder wreken.
Thans keerde ik naar mijn cel terug.
Mijn leider was nog niet heengegaan, zijn enorme kracht kwam mij tegemoet.
„Ik weet niet, wie u bent.
Uw gehele wezen waarnemen is niet mogelijk en toch leeft gij hier en ziet gij mij; voelt gij mijn dankbaarheid, maar ook mijn haat?
Uw macht en wijsheid is groot.
Zeer zeker, ik kan slechts mijn hoofd buigen, doch haat is in mij.
Ik ben verbitterd, want ik vond het verschrikkelijk, wat gij mij liet waarnemen.
Is het leed van mijn Moeder u bekend?
En kent gij Ardaty?
Is het niet waard, dat u hem daar ontmoet?
Zijn afgelegd kleed straalt over ons allen, want in hem leefden de Goden; en de Lotus bracht hem de stilte.
Wellicht denkt u, dat ik dankbaar ben, doch dat gevoel ken ik nu niet, ook al zond ik het tot u.
Is het mijn jeugd, dat opstandige gevoelens tot mij komen?
Kan het zijn, dat het verleden voor mij te machtig is?
Mijn ouders zijn „ingegaan”, grote meester, en hun liefde is nog bij mij en zal mij rust geven.
Dat er nog haat in mij is, doet het natuurlijke in mijn ziel verwazen; het zal tevens mijn strijd zijn tegen hem, mijn vijand, die haar jeugd bezoedelde.
Mijn bloed is besmet, raak mij niet aan.
Ik vraag mij dan ook af, wat gij in mijn omgeving tracht te vinden.
Is mijn leven en is mijn persoon waard, dat gij mij volgt?
Kunt gij uw tijd en uw krachten niet nuttiger besteden?
Gij waakt hier als een slaaf over zijn meester en wij allen spelen het spel van „leven en dood”.
Is uw ruimte zo nietig?”
Ik zette mij neer, doch hoorde: „Vader Taiti, bent u tevreden?
Hebt gij Lécca gezien?
Zijn uw krachten uit het verleden nog in u?
Zou u Lyra niet willen zien?
Ook zij leeft, beste Venry, ik weet waar zij is, eens zult gij haar zien.
Nu nog geduld, wij moeten met ons werk gereed zijn en dan breng ik u tot haar.
Waarom is er haat in u?
Nu gij weet, dat de wetten beleefd moeten worden?
Als gij voelt, dat er geen verleden is?
Waarom is er haat in u?
Wij allen moeten goedmaken, Venry, ook gij, ook uw ouders, eenieder.
Eens zult gij haar mogen zien, want zij leven nu in de wetten
De Goden willen, dat gij dit alles weet, doch uw gevoelens zijn kinderlijk doorschijnend.
Gij praat nu als een onbewuste, als mensen die in hun leed ten onder gaan, die gebukt gaan onder een last, die er niet is, die om hulp roepen en blind gaan.
Denk aan de woorden van uw Moeder en uw vriend Dectar.
Beiden zijn bewust.
Is een slaaf in zijn wachten en dienen een verongelukte?
Kent gij het geluk om te mogen dienen?
In deze kleine ruimte leeft het „Allesomvattende” en dat hebt u leren kennen, doch uw bewustzijn van thans raakt het aardse en menselijke.
Gij ziet in uw eigen leven geen licht, en toch was uw pad lichtend.
Gij moet leren aanvaarden.
Gij zegt dankbaar te zijn, doch uw leegte overheerst uw dankbaarheid, uw verbitterd gevoel kan uw eigen ondergang betekenen.
Dit alles kan u doden, mijn vriend.
Als er licht in u was, bedenk dan, dat het u gegeven is, of gij had het verleden niet kunnen zien.
In haat kunnen al deze wonderen niet geschieden en ik kan mijn taak niet afmaken.
Toen uw Moeder „onderging” lag er haat in haar ziel en toch zag zij het licht, dat de Lotus haar bracht en de Godin van Isis vlocht haar een stralenkrans, die haar lieflijk hoofd in onze wereld versierde.
Al deze gevoelens kunnen uw eigen noodlot betekenen, vergeet dit nooit.
Uw argeloos denken en voelen na al dit weten, zijn duistere gevoelens.
Ik zou hier niet zijn, als mijn zien en denken het aardse niet vernietigde.
Doch gij ziet het noodzakelijke nog niet in, uw jeugd leeft in u en uw ouderdom is onbewust.
Aan mij is gegeven nu reeds te beginnen, doch ik moet wachten.
Uw voelen en denken, dwingt mij andere wetten te volgen.
Gij had u zelf kunnen openen, mijn vriend; in plaats daarvan zoekt gij naar uw haat en geeft het voedsel.
Maar wij zullen afwachten.
Weet echter, dat ik gereed ben, gij kent mijn krachten.
Wilt u mij in al mijn dienen leren kennen?
Zo ben ik ook daarin gereed, om tot u te komen, als in u is te willen dienen.
Maar dan moet er heilige ernst in u zijn.
Ik ga heen, beste Venry.
Wanneer u in de duisternis bent, overdenk dan alles.
Daal thans in uw eigen stofkleed af, daarin is nu rust, tijdens uw tocht was ik een leerling van Isis.
Als gij denkt, dat dit zo eenvoudig is, raad ik u aan mijn concentratie te volgen, gij ziet dan hoeveel er hier waren.
Vergeet niet, dat ook de meesters in hun eigen verleden leven, de angst daarvan hebt u kunnen voelen, zodat uw vlucht naar uw cel terug een kinderlijke angst is.
Toch hebt gij hun leven kunnen zien, doch door mij.
Uw stoflichaam is nu leeg, ik ben er uit gegaan, maar gij hebt mij niet kunnen waarnemen.
Zegt het u niets?
Hoe klein ik ben, met alles wat in mij is?
Wat ik hier doe en of het de moeite waard is Ardaty te zien?
Wel, mijn vriend, hoor wat ik zeg.
Voor mij zie ik een ruimte en ik „ga in”.”
Nog hoorde ik: „Mocht u mijn raad willen opvolgen, zo tracht dan nog wat te slapen.
Geef aan uw stofkleed hetgeen gij nu weet en het zal u verwelkomen, want gij moet één zijn.
De meesters kennen deze wetten.
In de verte zie ik mijn eigen hemel en hen, die om onderwijs vragen en verlangend zijn om de wetten te leren kennen.
Gij zijt dus niet de enige die ontvangt.
Ik trek mij terug, ga in die onmetelijke ruimte en toch ben ik op mijn post.
Dag Venry, gij zijt weer alleen.”
Dat deze persoonlijkheid zich verwijderde, kon ik duidelijk voelen.
Hem te zien was mij niet mogelijk.
Ik daalde in mijn stoflichaam af en viel weldra in diepe slaap.
* *
*
Toen ik weer wakker werd, voelde ik mij uitgerust.
Dectar zou mij spoedig komen halen.
Ik had hem heel veel te vertellen.
Hoe gelukkig zou hij zijn, te mogen weten dat zijn tweelingziel op aarde leefde.
In mijn slaap was er rust in mij gekomen, de krachten van mijn leider waren geweldig.
Hij was een onbegrijpelijk iemand, maar bezat een grote kracht en ik had spijt van mijn gedachten.
Dan trad Dectar mijn cel binnen en zei: „Je bent een wonder, Venry.”
„Hoeveel tijd hebben we nog, Dectar?”
„Wij moeten voortmaken, Venry, heb je mij veel te vertellen?
„Ja, Dectar, heel veel.
Ik heb je ziel ontmoet, zij leeft op aarde.
Je moet rustig blijven, Dectar, ook ik heb mij weer vergeten.
Wij beiden zijn niet bewust, ook al zegt mijn leider dat jij bewust bent.
Ik ken mijn Moeder en mijn Vader, Dectar.
Mijn eigen geheim, alles weet ik nu van jou en mijzelf.
Ken je haar naam, Dectar?
Is haar naam niet in je gekomen?
De liefde die je voelt, komt van haar tot je.
Je gevoelens zijn zuiver, Dectar.”
„Ik ken haar naam, Venry.
Lécca was haar naam, maar nu heet zij Myra.”
„Sinds wanneer weet je dit, Dectar?”
„In de nacht werd ik wakker en mocht ik je volgen.
Maar ik bleef in mijn stoflichaam.
Dan hoorde ik je op verre afstand spreken en Lécca tot je roepen.
Toen, beste Venry, begreep ik alles, werd mijn ziel geheel wakker, doch alléén door je leider, ik zelf zou dat niet kunnen, want je weet hoe mijn toestand is.”
„Je zal haar zien, Dectar, en zij wacht en zal blijven wachten, totdat wij tot haar komen.”
„Ik ben zo gelukkig, Venry, en zal mijn best doen.
Mogen de Goden ons bijstaan, nu hebben wij veel kracht nodig.
Nu moeten wij alles weer vergeten, Venry, alleen aan de duisternis denken.
De meesters kunnen tot ons komen.
Als je weer bij mij bent, praten wij verder.
Is mijn vriend gereed?”
„Is er geen tijd om je alles te vertellen, Dectar?”
„Neen, je moet nu alles vergeten.”
„Ik ben gereed, Dectar, en zal je volgen.”
„Kom dan, Venry, spoedig zal je weer bij mij zijn.
Denk aan alles en vergeet niets van hetgeen ik je vertelde.
Vooral aan de moeheid denken, geef je dan geheel over en laat komen wat komen moet.
Maak je geheel leeg en dan kunnen zij niets bereiken.”
„Ik ben leeg, Dectar.”
„Je bent prachtig, Venry, na zoveel emoties.”