In de duisternis

Dectar bracht mij naar het gebouw, waar ik zou worden opgesloten.
Hij keek mij aan en ging heen.
Een priester in een donker gewaad gekleed, trad mij tegemoet, maar sprak geen woord tot mij.
Hij bracht mij naar de duisternis, maakte mij duidelijk hoe en waar ik mijn eenvoudig maal zou ontvangen en verdween.
In gedachten ving ik zijn onuitgesproken woorden op, want hij was als de dood en een bewaker van de stilte.
Het spreken was hem verboden.
Ik was alleen.
Nu zou mijn ontwikkeling eerst goed beginnen.
Ik bevond mij thans in die verschrikkelijke ruimte, waar velen krankzinnig uit waren gekomen en weer anderen de dood hadden gevonden.
Deze cel was rond.
Behoudens een rustbed en mijn persoon was zij geheel leeg.
Ik legde mij neer, want ik had heel veel te denken.
Toen ik met mijn eigen belevenissen gereed was, stelde ik mij op de duisternis in.
Mijn rustbed stond naar het Westen gekeerd.
Dit had een betekenis.
„Dat bed is niet te verwijderen, het moet daar blijven.
Maar blijf zoveel mogelijk in het Oosten.”
Deze gedachten waren niet van mijzelf, mijn leider was op zijn post.
Ik ben u heel dankbaar.
Ik probeerde toch om het bed te verplaatsen, maar het was niet mogelijk.
Op deze plaats was ik gemakkelijker te bereiken en behoefden zij zich niet met geweld in te spannen.
Lag mijn organisme met het hoofd naar het Westen, dan was mijn concentratie reeds voor de helft gebroken.
De natuurlijke wetten zou ik opvolgen, thans echter leefde ik in een disharmonische toestand.
Ik vond dit niet eerlijk, doch ik gaf mij gewonnen.
Maar mijn ziel vroeg naar afstemming, mijn eigen leven en denken was op het Oosten gericht, niet op het Westen.
Dit was geen natuurlijke harmonie, maar het breken van mijn persoonlijkheid.
Nog was er enig licht waar te nemen, aanstonds werd het heel duister.
In deze hel zou ik zeven dagen en nachten moeten blijven.
Gaarne zou ik al mijn krachten willen verbruiken, doch een andere macht wilde dat niet.
Ik voelde mij heel krachtig en dacht, dat ik gereed was.
Het gevoel van slaap overviel mij.
Ook hier zag ik een astrale muur.
De duisternis kwam nader en nader, ik kon bijna geen hand meer voor mijn ogen zien.
Ik begreep ook, dat ik mijzelf moest trachten te redden; in alles werd ik niet geholpen, want dan leerde ik niets.
Nu zou ik mij verschillende krachten eigen moeten maken.
De werking en de gevaren van „leven en dood” drongen zich reeds aan mij op, omdat mij een dodelijke moeheid overviel.
Ik liet mij gaan en sliep in, maar bleef geestelijk wakker.
Mijn organisme was nu in slaap, ikzelf leefde er in en was wakker.
Dit wonder had ik mij toch eigen weten te maken.
Door mijn natuurlijke begaafdheid was mijn wakker-zijn volmaakt.
Ik wachtte nu op de eerste verschijnselen en doorboorde de duisternis.
Mijn slaap, als het allereerste verschijnsel, werd steeds heviger, een dodelijke moeheid overheerste mijzelf en mijn stofkleed.
De meesters hadden hun concentratie ingesteld.
Moe, doodmoe was ik.
Als een zieke hing ik in mijn eigen lichaam.
Ik gleed er vanzelf uit, doch ik wilde erin blijven.
Ik stelde daarom mijn concentratie als tegenwerking in, zodat ik hun denken en voelen kon volgen.
In de slaap wilden zij mij bereiken; als ik doodop was konden zij met mij doen wat zij zelf wilden.
De moeheid, die ik thans voelde, was verschrikkelijk.
Ik dacht nu reeds te zullen bezwijken en toch was ik nog maar kort hier en moest het nog beginnen.
Hoe heviger mijn moeheid werd, des te krachtiger werden mijn eigen verlangens om wakker te blijven.
Dit spel van wakker zijn en in slaap vallen hield ik vol.
Hoelang ik reeds bezig was, daarvan had ik nu reeds geen begrip meer.
Ondertussen gebruikte ik wat vruchtensap en stelde mij daarna op de natuur in, want ik wilde weten, hoelang ik hier was.
Doch de natuur was voor mij afgesloten, voor mij bestond er dag noch nacht, tijd noch zon, niets, alleen duisternis.
Ik leefde nu in hun wereld, hun concentratie en afsluiten was vernietigend.
Aan niets kon ik denken.
Mijn eigen voelen en denken werd gesmoord.
Ik mocht alleen hen voelen en was hun geestelijke gevangene.
De verschrikkelijke gedachten, die zij mij toezonden, moest ik trachten te verwerken.
„Gij zijt onfeilbaar, heren van Isis, uw concentratie is heel duidelijk, doch afschuwelijk.”
Ik leerde een wereld van macht en kracht kennen; vanuit hun wereld speelden zij een spel van leven en dood, want hun gedachten gingen nu vormen aannemen.
Toen ik dit had verwerkt, kwamen er andere gedachten tot mij.
Ik voelde weer de warmte en ik begreep de betekenis ervan.
Van tijd en ruimte, dag of nacht, had ik geen begrip meer, doch de warmte liet mij voelen wat ik moest doen.
Het was mijn enige mogelijkheid om toch buiten hen om te kunnen denken.
Mijn stoflichaam was een natuurproduct.
Mijn eigen lichaam kon mij nu, als denkend en voelend wezen, met de natuur verbinden.
Als ik goed dacht en mij buiten hen om toch kon instellen, dan was het ook voor mij mogelijk buiten hen om te denken en mijzelf te blijven.
Het organisme bezat een natuurlijke afstemming, uit het niets was het ontstaan, maar leefde nu op volle kracht en was volmaakt.
Indien ik nu die werking volgde en daarbij werd ik geholpen, dan was het voor mij mogelijk buiten hen om toch te kunnen denken en mij voor hun aanval gereed te maken.
Het volgen van deze werking, dat het groeiingsproces betekende, vergde van mij alles.
Geruime tijd was ik daarmee bezig, toen ik mij één voelde.
Nu eerst begreep ik dit wonder.
Vanuit mijn stoffelijk lichaam kwam nu slaap tot mij, het gevoel, dat ieder levend wezen beleeft.
Dit gevoel behoorde bij mijn eigen organisme en dat dwong mij tot inslapen.
Doch aan de slaap stelde ik nu tijd en uur vast.
Dit is merkwaardig, zo dacht ik, ik zie en voel, dat de zon is ondergegaan.
Een volle dag was ik reeds in de duisternis en nog steeds bewust.
Nu ik deze natuurlijke moeheid bleef volgen, kon ik zien, dat de nacht naderde.
Door dit instellen was het mij toch mogelijk te zien, ook al hadden de meesters mij in hun eigen wereld opgetrokken.
Maar hun inwerking bleef ik voelen.
De moeheid van mijn stofkleed en die van de meesters kon ik duidelijk onderscheiden.
Die van hen was grof en strafte mij af, die andere moeheid betekende voor mij weldadige rust.
Nu ik deze verschillende soorten moeheid kon controleren, voelde ik mij gelukkig.
Naar mijn meester zond ik mijn dank voor hetgeen ik had geleerd.
Tot nu toe was ik eigenlijk onbereikbaar.
Het ging precies als toen zij mij voor het eerst peilden en mij toch niet konden vinden.
Ik was er en ik was er niet.
Ik leefde hier en onderging hun concentratie, toch was er al een dag voorbij en ik was nog bewust.
Een prachtig resultaat was het en mijn eerste kennis na een dag beleven in de duisternis.
Doch hiervan had Dectar mij niets verteld.
Mijn lichaam was in slaap, doch ik moest het wakker maken.
Plotseling kreeg ik het gevoel van een hevige dorst.
Dit gevoel vond ik zeer merkwaardig, want ik leefde eigenlijk toch buiten mijn stoflichaam.
Maar het koord, dat beide lichamen verbond, bracht die dorst tot mij, mijn lichaam had vocht nodig.
Mijn eigen organisme dwong mij om het wakker te maken en aan zijn verlangen te voldoen.
Daarvoor daalde ik in mijn lichaam af.
Toen ik één was en het organisme in werking bracht, overviel mij een afschuwelijke moeheid.
Hun voortdurend concentreren had het zo vermoeid, dat ik het bijna niet in beweging kon brengen.
Ik sleepte mij naar de plaats waar het vruchtensap stond en keerde daarna terug.
Ik was meer dood dan levend.
Toch had ik mij een dag lang weten te beschermen en het verdichten van de duisternis weten te voorkomen.
Ieder ogenblik dacht ik reeds schimmen te zien.
Ik kon thans mijn lichaam niet meer wakker houden, zo hevig waren de gedachten van de meesters.
Hun gif daalde in mij af.
Mijn stoffelijk lichaam hadden zij nu overwonnen, dit was mij duidelijk.
Angst kwam tot mij.
Wanneer ik bezweek, konden zij beginnen en het ongedierte op mij afzenden.
Zouden er schimmen, waarvan Dectar had gesproken, tot mij komen?
Een dag lang beukten zij op mijn stoffelijk kleed in en het lag daar als dood neer.
Mijn ondergang was op komst.
Angst trad mijn ziel binnen en het gevoel van onmacht.
De moeheid kwam al nader en nader; nu ik zelf nog, eerst dan zou het beginnen.
Daarom zocht ik naar een middel om mijzelf hiertegen te beschermen.
Diep in mij lag reeds hun gif, omdat een lomerig gevoel mij dwong tot inslapen.
Als dit mogelijk was, werd deze lege ruimte bevolkt en ontwaakten zeker de schijngestalten, waaronder demonen waren, die in de werkelijkheid leefden.
Het was mij nu bijna niet meer mogelijk te denken.
Toen ik Dectars naam uitsprak, had deze geen betekenis meer voor mij.
Ik herhaalde het enige malen.
Dectar?
Wie is Dectar?
Ik voelde mij ver weg, in een wereld waar ik niemand kende, waar alles vreemd voor mij was.
Maar door een weldadig gevoel, dat tot mij kwam, ontwaakte mijn ziel.
Dit gevoel hielp mij denken.
Maar ik bevond mij op de drempel van het onbewustzijn, doch een helpende hand werd mij toegestoken en trok mij tot het dagbewustzijn omhoog.
Ik was bijna verloren geweest en een speelbal voor de meesters.
Mijn beste vriend kende ik niet eens meer.
Ik smeekte om hulp, om mijn lieve Moeder en Ardaty, allen die mij lief waren moesten mij helpen.
Het begin van onbewustzijn heb ik zoëven gevoeld, want ik was mijzelf niet meer.
De naam Dectar zei mij niets.
In mij lag bewusteloosheid.
Ik werd bezwangerd van hun gif, het kwam nader en nader en het zou mij vernietigen.
Het gevaar was reeds in aantocht.
Dan kwam de warmte tot mij.
Op het allerlaatste ogenblik greep men in, maar mijn les en de hevigheid van hun concentratie had ik beleefd.
„Splits u op vijfentwintig procent na, weerstand blijven bieden maakt u krankzinnig,” hoorde ik tot mij zeggen.
„Kunt gij u indenken,” zo zond ik terug, „dat gij mij gelukkig maakt?
Ik zal uw hulp in dankbaarheid aanvaarden en mijn best doen, meer is er thans niet in mij.”
Nadat ik mijn dankbaarheid had opgezonden, toog ik aan het werk.
Ik zou mij splitsen en ik begreep wat men bedoelde.
Daarvoor moest ik in het lichaam afdalen en hun werking aanvaarden.
Maar die vijfentwintig procent zou mijn eigen wapen zijn, de vijfenzeventig moest beleven wat zij mij toezonden.
Het was mij heel duidelijk en ik daalde in mijn stofkleed af.
Onmiddellijk voelde ik de dodelijke vermoeidheid van mijn lichaam; door hun voortdurende concentratie hadden zij het bijna vermoord.
Ik had te lang weerstand geboden en kon er toch niet aan ontkomen.
Nu was het geweld in aantocht.
Te denken en te voelen was mij thans niet meer mogelijk.
Weldra zonk ik weg en verwaasde mijn blik.
De meesters hadden mij overmeesterd.
Ik wist van niets meer af.
* *
*
Ik was buiten.
Voor mij zag ik een prachtig landschap.
De natuur was heel mooi en ik was op weg om vruchten te zoeken, die in de nacht groeiden en tot ontwikkeling kwamen.
De omgeving was eenzaam en verlaten, geen sterveling kwam ik tegen.
Mijn weg voerde mij naar een dal.
Een vreemde kracht joeg mij voort, steeds sneller, zodat ik bijna geen adem meer kon halen.
Toch bezat ik nog een weinig kracht, om dit snelle voortgaan te remmen.
Toen ik het dal had bereikt, ging ik wat rustiger voort.
Om nu weer vlugger te gaan, was niet mogelijk.
Ik was als ’t ware een willoos instrument en moest het beleven.
Ik stelde mij op de vruchten in en hoopte er heel veel te vinden.
Daarmee zou ik de Farao gelukkig maken.
Hiervoor kreeg men een beloning, omdat er heel veel gevaar aan verbonden was.
Plotseling kon ik voor natuurlijke gebeurtenissen komen te staan en dat waren de wilde dieren, die hier in groot getal leefden.
Voor mij zag ik een grot en daarin zou ik ze zeer zeker vinden.
Aan gevaar dacht ik niet.
Aan de ingang kwam mij een koude luchtstroom tegemoet.
Toen ik er aan gewend was, ging ik verder de grot in.
Ik zocht links en rechts, in spleten en op vooruitstekende rotsblokken, doch ik zag geen vruchten.
Al dieper dwaalde ik van gang tot gang en voelde mij angstig worden.
Ik rende nu de ene gang in en de andere weer uit en was mijn weg kwijt.
In een doolhof van spleten en gangen was ik verdwaald.
Het angstzweet brak mij uit en ik voelde mij radeloos.
Ik bleef zoeken, doch overal vond ik mijn weg versperd.
Angst en verschrikking kwam op mij af.
Het licht dat ik zoëven nog waarnam, verduisterde, al tastende zocht ik naar de uitgang.
Plotseling hoorde ik een vreselijk gesis, in mijn directe omgeving kroop iets over de grond.
Twee vurige ogen keken mij aan en kwamen op mij af.
Het dier straalde licht uit; ik kon het duidelijk zien.
Het was een slang van ongelooflijke grootte.
Toen ze mij naderde schreeuwde ik om hulp.
De ogen dwongen mij te blijven waar ik was, maar ik bleef om hulp roepen.
Het gesis kwam naar mij toe, zijn gespleten tong schoot in mijn richting, aanstonds zou ze bij mij zijn.
Door mijn angst voelde ik mij duizelig worden.
Al dieper en dieper zonk ik weg en verwaasde mijn gehele omgeving.
Toch bleef ik bewust denken.
Doch dit denken was als een herinnering aan eeuwen terug.
Ik voelde mijzelf en ook weer niet.
En toch kon ik mij herinneren, dat ik het zelf was, de persoon die iets moest beleven; dat ik een lichaam bezat als alle mensen en dat ik op aarde leefde.
Ik voelde mij als een deeltje van mijzelf, de andere hoeveelheid was uit mij weg en kon ik thans niet tot mij trekken.
Ik was één blaadje van een bloem en had toch met het geheel te maken en maakte daarvan deel uit.
Mijn angst en de duizeligheid, mijn zoeken en tasten en het gesis van dit vreselijke dier drong nu niet tot mij door.
Rustig begon ik te denken.
De slang was mij nu genaderd en kronkelde zich om mijn lichaam.
Het dier zou mij dooddrukken, doch in mij waren geen krachten meer om weerstand te bieden.
Ik liet komen wat komen zou.
Ik was verlamd, voor tegenconcentratie bezat ik geen krachten meer.
Nu drukte de slang mijn borstkas kapot.
Een hevige pijn voelde ik in mij komen, maar de kracht om hulp te roepen bezat ik niet meer.
De pijn sneed mij de adem af.
De bewusteloosheid was in aantocht.
Toch kon ik nog denken.
Was ik al doodgedrukt?
Ik kon het niet eens meer volgen.
Waarachtig, nog leefde ik, maar langzaam werd ik doodgedrukt.
Mijn ademhaling werd steeds moeilijker, hiertegen kon ik niets doen, ik gaf mij geheel over en aanvaardde hetgeen ik zou beleven.
Om dood te gaan was ik niet beangst, want er was geen dood.
Het dier had blijkbaar geen honger, of ik was reeds vermorzeld.
Het stervensproces moest ik aanvaarden en zou ik nu beleven.
En het was, alsof ik in slaap viel.
De pijnen minderden, mijn ademhaling stond stil.
Ik was dood, op aarde gestorven, doodgedrukt door een reptiel, maar de dood was niets anders dan inslapen.
Mijn aards bewustzijn had ik afgelegd, nu zou mijn geestelijk bewustzijn in mij komen.
Het stervensproces had ik beleefd en het binnentreden in die andere wereld en wachtte af, totdat er nieuwe krachten tot mij zouden komen.
Nu bevond ik mij in het leven na de dood, langzaam keerde mijn eigen leven in mij terug en ik begreep, wat er met mij was gebeurd.
Bliksemsnel overdacht ik hetgeen ik had moeten beleven en vond het wonderbaarlijk.
Hun concentratie was echter verschrikkelijk.
Maar waar was ik eigenlijk?
Deze ruimte was mij bekend.
Was mijn leider mij gevolgd?
En had ik in die toestand weerstand geboden?
Waren er ogenblikken geweest, dat ik mij had vergeten?
Hadden de meesters mijn denken en voelen kunnen volgen?
Toen ik al deze vragen stelde, zag ik in mijn omgeving een afschuwelijk monster.
Dit monster was als een aards mens, maar het had groene ogen en een walgelijke stank snoof ik op.
Het was als een wild dier en het stootte een satanisch geschreeuw uit.
Het beestmens stormde op mij af, doch voordat het menselijke dier bij mij was, zonk ik ineen en verloor het bewustzijn.
In mij was geen weerstand meer, al mijn krachten had ik verbruikt.
Dan werd ik wakker en zag duisternis om mij heen.
Voorzichtig begon ik te denken en mij af te vragen waar of ik leefde.
Ik betastte mijn lichaam en voelde het.
Ja, ik leefde nog, maar waar leefde ik.
Had het beestmens mij niet vermorzeld?
Rondom mij heerste er duisternis, ik had geen begrip van leven, noch van dood, er was geen normaal bewustzijn meer in mij.
Ik bezat nu niets meer waaraan ik mij kon oriënteren.
Wat is er eigenlijk met mij geschied?
Leefde ik tussen „leven en dood”?
Behoorde ik nog op aarde?
Kon ik op aarde behoren?
Waar was ik toch?
Waar ben ik, waar leef ik?
Ik was mijn verstand kwijt.
Normaal te denken was mij niet meer mogelijk.
Ik ben gek, de krankzinnigheid is in mij gekomen.
Ik bevond mij op de drempel van krankzinnigheid.
In mij was geen leven meer, zoiets vreselijks had ik nog niet beleefd.
Was ik reeds krankzinnig?
Hoe voelden mensen zich, die hun verstand hadden verloren?
Konden zij ook daarin voelen en denken?
Was er van hun eigen bewustzijn nog iets in hen over, of was dan de gehele persoonlijkheid opgelost?
Ik ben gek, mijn lieve Moeder, ik ben gek, Ardaty, ik ben krankzinnig en heb mijn verstand verloren.
Help, help, ik ben gek!
Plotseling hoorde ik dicht naast mij zeggen: „Je bent niet gek.
Je bent niet krankzinnig.
Je kunt denken en voelen.
Je gevoel is normaal.
Je vraagt immers om je Moeder?”
„Ja,” riep ik, „ja, ik roep om mijn Moeder en ik weet wie mijn Moeder is.”
Mijn brein was verward en ik doodmoe; daarna bezweek ik opnieuw.
Zoals de nacht plaats maakt voor de dag, keerde ik tot het leven terug.
Ik was weer wakker, maar mijn toestand was nog precies dezelfde.
Opnieuw ging ik vragen stellen, voelen en denken en werd ik wat rustiger.
Dat ik nog steeds normaal was begreep ik nu, want ik kon denken.
Mijn eigen wezen keerde in mij terug.
Ik dacht aan mijn Moeder, aan Ardaty en Dectar.
Voorzichtig ging ik nu verder en overdacht alles en het was mij duidelijk, wat ik had beleefd.
Ik was in de duisternis, had het stervensproces ondergaan en was enige malen bezweken.
Nu was ik weer mijzelf, en de warmte zweefde boven mijn hoofd.
Mijn meester had mij dus niet alleen gelaten.
Mijn leider wees mij nu de weg, ik moest thans trachten mijzelf te blijven.
Ik volgde opnieuw alles en wachtte daarna af.
Of ik weer in mijn cel leefde, dat kon ik nog niet vaststellen.
En op aarde taferelen te zien, of aan aardse dingen te denken, was nog niet mogelijk.
Ik leefde in een geestelijke chaos, verschillende werelden drongen zich aan mij op, doch in geen van hen was ik eigenlijk bewust.
Nu wist ik van geen voor- en achteruit meer af en toch moest ik mijzelf blijven.
Was ik nog in de duisternis?
Om mij nu op iets in te stellen durfde ik niet eens.
Maar ik moest denken en begon toch weer opnieuw alles wat ik beleefd had te volgen.
Nu naderde het sterven op aarde, het reptiel drukte mij dood.
Ik kon geen adem meer halen, de dood naderde en ik zonk weer ineen.
Mijn weerstand was gebroken, mijn eigen „ik” had men van alles beroofd.
Ik was een speelbal, een mens zonder gevoel.
Zouden de meesters dit alles weten?
Ik vroeg om tijd, tijd om te ontwaken, tijd om tot mijzelf te komen.
Ik had tijd nodig om mij te herstellen.
Kwam er bewustzijn in mij?
Zoëven dacht ik de warmte te voelen en dat betekende hulp.
Mijn bewustzijn werd krachtiger, er kwamen nieuwe gedachten tot mij en die gedachten brachten mij tot mijzelf terug.
Mijn voelen en denken was verkeerd geweest, want mijn gaven had ik niet gebruikt, zodat de meesters met mij konden doen wat zij wilden.
Het begin was prachtig, mijn splitsing heel goed, toch had ik mij vergeten en mijn eigen krachten buiten werking gesteld.
Wie had mij weer wakker gemaakt?
Wie liet mij thans denken?
Ik was weer aan het denken, maar door wie?
De bedoeling was heel goed, doch had ik niets geleerd?
Als een leeg wezen had ik alles ondergaan?
Wat ik door Dectar had geleerd, had ik niet toegepast?
Al deze vragen kwamen in mij op en ik begreep er niets van.
Ik moest dus opnieuw beginnen en mij gereed maken, ik moest in mijn cel zijn en buiten mijn cel, op aarde, of in deze wereld, waarin ik dacht te zijn.
Zeker was ik daarvan nog niet, doch ik hoopte het aanstonds te mogen weten, dan kon ik verdergaan.
Ik herinnerde mij, dat ik alles nabeleefde en ineen zonk, toen ik tot dat reptiel gekomen was.
Maar nu wilde ik eerst weten waar ik eigenlijk was.
Ik betastte mijzelf, kneep mij in het lichaam en voelde, dat ik in mijn stoffelijk organisme leefde.
Waarachtig, ik ben in mijn cel, in de duisternis.
Toen ik mijn hoofd voelde werd ik heel gelukkig.
Ook mijn armen en benen waren in mijn bezit, ik was dus niet verongelukt, ook niet gestorven, dat had ik door de meesters beleefd.
Dat ondier was een schijngestalte, doch de werkelijkheid daarvan had ik gevoeld.
Nu hoorde ik mijn eigen hart kloppen en voelde mijn bewustzijn terugkeren.
Van blijdschap rolden mij de tranen over de wangen.
Hoe gelukkig was ik, dat het normale bewustzijn nog in mij was.
Door mijn blijdschap en tranen ontspande mijn lichaam en ik kon weer wat ruimer ademhalen.
Toen wilde ik weten, of ik nog steeds op mijn rustbed lag.
Neen, mijn rustbed voelde ik niet, mijn handen betastten de grond.
Was ik wel in mijn cel?
Dit moest ik weten, of ik kreeg geen rust.
Hierop volgde een rondgang door deze duisternis.
Ik kroop van links naar rechts, naar het midden en ging ook daar weer uit.
Ik zag alleen in een diepe duisternis, nog steeds had ik mijn rustbed niet gevonden.
Doch iets was mij duidelijk, ik was bezig te zoeken en mijn denken was normaal.
Het gevoel dat in mij was, behoorde tot het normale bewustzijn.
Ik rustte wat uit en begon daarna opnieuw te zoeken.
Mijn lichaam was door dat rondkruipen hevig vermoeid, toch hield ik vol, ik moest weten waar ik was.
Na lang heen en weer, links en rechts, voor en achteruit gekropen te hebben, vond ik eindelijk mijn rustbed terug.
Met al mijn krachten, die nog in mij waren hees ik mij omhoog en zonk ineen.
Daarna trad ik tegelijk buiten mijn organisme en leefde nu in die andere wereld.
Een waarschuwend gevoel zei mij, dat ik de werkelijkheid zou beleven.
Ik bevond mij in een machtige ruimte, maar ik was weer heel alleen.
Toch was er enig licht, doch dat licht verduisterde.
In deze lege ruimte ging het leven vormen aannemen en zich verdichten.
Naarmate het zich verdichtte, trad tevens de duisternis in.
Toen het heel duister was, zag ik gestalten en zelfs holen en krotten, waarin mensen leefden.
Deze mensen hadden op aarde geleefd en waren astrale demonen, waarvan Dectar mij had verteld.
Toch voelde ik mij heel rustig en trad wat naderbij, want ik wilde er meer van weten.
Hoe is het mogelijk, dacht ik, het zijn mensen, doch afschuwelijke monsters.
Toen ik mij op die lichamen instelde, zag ik hun bloed en kon ook het innerlijke leven volgen.
Deze mensen waren als duivels en als dieren niet konden zijn.
Tot mij kwam: „Hun leven is onbewust, zij weten van hun eigen bestaan niets af en zijn gereed je te bespringen.”
Deze verklaring was weer van mijn leider en daarvoor was ik heel dankbaar.
Ik leefde dus in de werkelijkheid.
Toen ik naar hun doen en laten stond te kijken, begreep ik het ellendige van hun duister leven.
Wat zij deden was niet menselijk, een dier leefde anders.
Doch dat onmenselijke hield mij gevangen en op dit ogenblik had ik mijzelf al weer vergeten.
Zij voelden dat ik hen gadesloeg en stormden op mij af.
Nu had ik mijn concentratie moeten instellen en mijn kennis van de magische wetten moeten gebruiken.
In het bewustzijn van al deze krachten, had ik hen allen kunnen weerstaan en een open strijd aanvaarden.
Doch een plotseling opkomend gevoel deed mij anders besluiten en ik nam de vlucht.
Door al die holen en krotten zocht ik mij een weg, doch ik voelde, dat zij mij zouden insluiten.
Ondertussen botste ik ergens tegenop, zodat mijn hoofd pijn deed.
Onder mijn vlucht stelde ik mij weer op hen in, want ik wilde weten of zij mij volgden.
Zij hadden mij geheel ingesloten, een nieuwe en weer andere angst overrompelde mij en ik zonk bewusteloos ineen.
Toen ik wakker werd en wilde weten waar zij waren, zag ik, dat de duisternis om mij heen was, doch een andere dan die, waarin ik was geweest.
Hadden de demonen mij niet vernietigd?
Waar was ik?
Ik leefde weer in een duisternis.
Was ik nog in die wereld?
Toen ik mijn rustbed voelde, was het mij duidelijk, dat ik weer een nieuw wonder had beleefd.
Wie had mij naar mijn cel gebracht?
Een schrijnende pijn voelde ik in mijn hoofd.
Wat ik daar had beleefd, moest tevens mijn organisme beleven.
In die bewusteloosheid was ik weggebracht, het kon niet anders.
Nu kreeg ik antwoord, naast mij sprak een stem en ik hoorde: „De meesters hebben u kunnen bevrijden, in hun handen loste u op, of die demonen hadden u gedood, wat het breken van het koord betekent.”
Mijn leider had mij gevolgd en ik was heel gelukkig.
Nu begreep ik heel veel, ook al waren er krachten, die ik nog niet kende.
In mijn hoofd was nu een leegte gekomen en mijn pijnen minderden.
Een weldadige kracht ging nu door mij heen en dit waren de krachten van het hogere bewustzijn.
Ook daarvoor dankte ik mijn leider.
Hij gaf mij nu te kennen, dat Dectar mij spoedig zou komen halen en dat hij zeer tevreden was.
Toen legde ik mij neer en sliep in.
* *
*
Hoelang ik had geslapen, wist ik niet, maar die vreselijke moeheid voelde ik niet meer.
Eén gevoel overheerste thans alle andere.
Ik begreep nu, dat men met mij nog niets kon beginnen, dat ineenzinken deugde niet, voor al die moeilijkheden was ik niet voorbereid.
Met dit resultaat kon ik tevreden zijn en toch had ik heel veel geleerd.
De duisternis loste langzaam op.
Was mijn tijd reeds voorbij?
Het kwam mij voor, dat ik hier eeuwen was geweest.
Zou Dectar spoedig komen?
Doch ik viel weer in slaap.
Dan sloeg ik mijn ogen op en was er licht om mij heen.
De priester trad binnen en bracht mij naar Dectar.
„Dectar, o, mijn beste vriend, hoelang was ik daar?”
„Je moet nog even geduld hebben, Venry, aanstonds kunnen wij spreken.”
Ik volgde Dectar naar buiten en toen hij dacht te kunnen spreken, zei hij: „Het is prachtig, Venry, het kon niet beter.
Je bent nog niets waard, zo kunnen de meesters je niet gebruiken, de duisternis breekt je.”
„Heb je alles kunnen volgen, Dectar?”
„Ja, Venry.”
„Buiten de meesters om, Dectar?”
„Ja, maar door hulp.”
„Weet je alles, Dectar?”
„Onze verbinding hebben wij mogen behouden, Venry, daardoor kon ik je volgen.”
Ik trad mijn cel binnen en moest rusten.
Dectar liet mij slapen en toen hij weer bij mij kwam, voelde ik mij uitgerust.
Enige dagen achtereen had ik gerust.
Dadelijk begon ik vragen te stellen.
„Weet je, Dectar, dat ik bijna krankzinnig was?
Wat zal er met mij geschieden, wanneer dit zeven dagen en nachten duren zal?”
„Dan is alles weer anders, Venry, je hebt dan een ander bewustzijn en bent gereed.
Heb je niet gevoeld, dat je krachtiger werd?”
„Maar ik ben toch opnieuw bezweken, Dectar?”
„Dat is heel goed, Venry.
Toch begreep je, dat je hen allen had kunnen tegenhouden, of, zoals het behoort, andere maatregelen had kunnen treffen.
Heb je die inwerking duidelijk gevoeld?”
„Bedoel je die kracht, waardoor ik bewusteloos werd?”
„Neen, dat niet, maar de kracht waardoor je vluchtte, Venry.
Die kracht wilde, dat je je geheel overgaf, of de meesters hadden nog meer proeven genomen.
Heb je alles goed begrepen, Venry?”
„Wat bedoel je, Dectar.”
„Je voelde niets meer van je vijfentwintig procent.
Door diep weg te zinken losten die krachten op, maar toch werd je daardoor steeds weer wakker.
Daarvan voelde je niets meer.
Toch leefde je daarin en die werking was heel merkwaardig en had je van je leider ontvangen.
Die krachten brachten steeds weer je eigen bewustzijn terug, of je was in die toestand gebleven en dan hadden zij moeten ophouden.
Voor sommige priesters is dat reeds het einde en het zal je nu wel duidelijk zijn, waarom zij er krankzinnig uit komen.
De meesters echter, vragen zich thans af, waarvandaan die weerstand gekomen is, in jou hebben zij die krachten niet kunnen vaststellen.
En dat is ook niet mogelijk, want ze komen uit de ruimte en zij zijn van je leider.
Hij waakte, Venry, en heeft je heel innig geholpen en hij zorgde voor mijn verbinding.
Ik ben heel dankbaar, dat ik dit heb mogen beleven, bij andere leerlingen kon ik niets meer voelen, want dan overheersten de meesters.
Dit is door onze muur, Venry, maar wij zijn één en blijven één, ook in de duisternis.”
„Heb je mij in die grot kunnen volgen, Dectar?”
„Jazeker, Venry, ook ik heb iets dergelijks beleefd, doch ik heb je daarvan nimmer verteld, want zij kunnen verschillende wijzen toepassen.
Ik vond deze wijze heel goed, doch gevaarlijk.
Heb je gevoeld, hoe duidelijk en natuurlijk alles is?”
„Ik vond het verschrikkelijk, Dectar, en ik ben daar gestorven.”
„Juist, dat sterven, Venry, en toch in-leven-zijn, je had het dadelijk kunnen weten, want daarvan heb ik je verteld.
Maar dan is alle bewustzijn uit ons weg en weten wij van geen leven meer af.
Heel veel heb je geleerd, mijn vriend, en straks ben je gereed, geestelijk en lichamelijk.”
„Heb je die moeheid gevoeld, Dectar?”
„Ja, Venry, op heel eenvoudige wijze heeft men je overwonnen.”
„Wat zou er zijn geschied, Dectar, als ik weerstand had blijven bieden?”
„Dan had men je geestelijk en lichamelijk vermoord.
Er zijn hier nog geen priesters geweest, die dat konden verwerken.
Het is heel natuurlijk en daarom zo gevaarlijk, doch je splitsing was prachtig.
Maar niet iedereen heeft hulp.
Deze wijze, Venry, is de eenvoudigste, maar tevens de allergevaarlijkste, die men hier toepast.”
„Waarom zo gevaarlijk, Dectar?”
„Omdat men je lichaam van alle krachten berooft en je ziel eenzelfde lot wacht.
Op deze wijze, wanneer weerstand geboden wordt, beleeft de leerling of de krankzinnigheid of de dood op aarde.
De ziel put zichzelf geheel uit en is dan een speelbal voor demonen en voor de meesters.
Bij jou probeerden zij vele mogelijkheden en zij begrepen, dat je daar niet aan ten onder ging.
Doch bij andere leerlingen kunnen zij het zover niet laten komen, want dan is het reeds te laat.
Toen zij begrepen, dat je door eigen krachten steeds wakker werd, gingen zij verder.
Dit wakker-zijn schrijven zij toe aan krachten, die in je zijn en die straks bewust worden, maar die toch nu reeds omhoog kwamen.
Jij putte daar uit en dat is eigen bescherming, je hebt het of je hebt het niet.
Wanneer de meesters dat voelen, gaan zij steeds dieper.
Wij echter weten, dat die krachten in je zijn en dat zij je leider vormen; zij denken, dat ze deel van je onderbewustzijn uitmaken.
Voel je dit, Venry?”
„Het is mij duidelijk, Dectar, dat men daar krankzinnig uitkomt.
Ik had mijn verstand reeds verloren.”
„Je gedachten heb ik kunnen volgen.
Door te slapen word je weer wakker en bewust.
In de slaap keert het bewustzijn terug als er geen andere krachten op ons blijven inwerken en zolang je niet in handen van demonen valt.
Nog dieper moet je wegzinken, Venry, en eerst daarachter ligt de krankzinnigheid.
Je leider liet het zover niet komen, want dat is ook niet meer te beleven.
Je weet dan van niets meer af, je bent dus geestelijk onbewust en lichamelijk ingestort.”
„Wat zou er gebeurd zijn, Dectar, als die demonen mij hadden overrompeld?”
„Je bent overrompeld, Venry, doch in hun handen loste je op.
Maar laten wij aanvaarden, dat dit geschiedde, dan staan de meesters voor grote problemen en hadden wij zittingen moeten houden, dag en nacht door, om je uit hun handen te bevrijden.
Ze kunnen je niet doden, doch de ellende die je dan beleeft is verschrikkelijk.
Voordat zij tot een besluit waren gekomen, loste je op en je hebt het beleefd.”
„Ik weet er niets van, Dectar.”
„Dat is heel eenvoudig, je was immers bewusteloos.
Toch hebben de meesters je naar je cel teruggebracht.
Dat is een lange weg en toch zo dicht bij.
Waar wij zijn, Venry, daar leven demonen.
Je leefde nog steeds in je eigen cel en toch werd je door astrale wezens overvallen.
Is het je duidelijk, dat de dood tot je kan komen?
Al die wetten moeten we kennen en ze ons eigen maken, willen wij kunnen uittreden en de wijsheid van daar naar hier brengen.
Je voelt wel, hoe machtig alles is.
En wij zullen ons gereed maken, Venry, nu eerst gaan wij daarmee beginnen.”
„Dan is mij alles duidelijk, Dectar.
Ik heb je nog enige vragen te stellen, is dat mogelijk?”
„Vergeet de muur niet, Venry, wat wil je weten?”
„Hoe oud was mijn Moeder, toen zij hier binnentrad?
Weet je daar iets van, Dectar?”
„Zeven jaren, Venry, dus nog heel jong, maar zij was op tijd hier.”
„Ik heb de priester gezien, die mij in mijn jeugd wilde bereiken.
Hoe was zijn einde?”
„Spoorloos verdwenen, Venry, plotseling gestorven.”
„Hoe heeft men dat van mijn Moeder kunnen verbergen, Dectar?”
„Isis is machtig, beste vriend.
Voor haar lijk werd een ander gebalsemd en bijgezet.
De Farao weet niets, maar ik heb veel mogen zien en ik begrijp nu eerst, waarom ik heb mogen zien.
Je weet immers, dat ik mismaakt ben?”
„Heeft dat hiermee te maken, Dectar?”
„Dat is het, beste Venry, zij hebben mij kunnen volgen, doch weten niet alles.
Onze leider heeft mij toen reeds alles laten zien, want het is buiten hem niet mogelijk.”
„Je hebt hem niet meer op Isis ontmoet, Dectar?”
„Ik ontmoette hem soms in het gebouw waar de lijken worden gebalsemd.
Toen hij van Ardaty wegging, Venry, naderde zijn einde.
Die nacht ging ook hij sterven, doch door geweld.
Vergeet niet, je Moeder was een prinses.
Toen je bezeten was, heb ik hem kunnen zien, alles was mij duidelijk en ik herkende hem aan zijn stem en zijn praten.
Wat later zag ik hem heel duidelijk, ook al trachtte hij zich voor mij te verbergen.
Ook hij heeft mij herkend en mij vervloekt, doch dat doet mij geen kwaad.
Hij kon mij niet bereiken.
Maar wij allen zijn toen door je leider beschermd, Venry.
Als de Vader van de Tempel dit had kunnen volgen, wat voor mij nog steeds een groot wonder is, waren wij allen heel snel gestorven.
Je Moeder was mismaakt en jij zijn kind en toch heeft men hem voor al deze geheimen kunnen afsluiten.”
„Men weet dus niets van mijn Moeder en Ardaty af, Dectar?”
„Neen, Venry, niets weet men hier, ook hij niet.”
„Had je al lang dit vermoeden, Dectar?”
„Dectar ziet soms heel goed, beste Venry, en ik ben een vriend van Ardaty.”
„Heb je dan met Ardaty kunnen spreken, Dectar?”
„Neen, geen woord, of ik vroeg om te mogen sterven.
Doch er waren nog andere mogelijkheden.”
„Mag ik het weten, Dectar?”
„Jazeker, Venry, nu is dat mogelijk, zij zijn nu niet meer hier, maar je mag er alleen nu aan denken.
Ik was heel vaak bij Ardaty en toch mocht ik aan niets denken en nimmer vragen stellen omtrent je Moeder.
Zelfs niet in gedachten, op géén wijze ook.
Ardaty werd dag en nacht gevolgd.
Doch ik kreeg een andere wijze om met Ardaty te kunnen spreken.
Ardaty bezat gaven en kon tot zijn kinderen spreken.
In de stilte van zijn eigen innerlijk hoorde ik hem tot al dat leven spreken en dat kon ik volgen.
Daarin was hij zó gevoelig, dat men hem meester noemde.
Maar ook toen geschiedde dit door andere krachten, of de meesters hadden ons toch kunnen volgen.
Ik ging tot hem met een plant en die plant was zeer gevoelig.
Van Ardaty moest ik weten, hoe krachtig het gif was.
Daarvan kreeg ik de verklaring, doch in en om de plant legde ik gedachten en al die gedachten kon Ardaty opvangen.
Voorzichtig heb ik hem duidelijk gemaakt, dat men hem dag en nacht in zijn denken en voelen volgde.
Maar ook Ardaty was gereed en dacht aan een zieke uit andere streken en verzorgde die vrouw.
Toen hij begreep, dat ik had mogen zien en dat hem alles duidelijk was, sloot ik mij weer voor hem af en heb er geen woord meer over gesproken.
Nu vind ik het heerlijk, beste Venry, wij hadden één geheim en dat maakte mij gelukkig.
Alleen daarvoor reeds, was het waard alles te aanvaarden, wat de meesters mij oplegden.
Maar ik weet nu, dat alles door je leider is geleid, ook de mismaking van haar gelaat, alles, Venry.
De meesters hadden het moeten zien, zij allen zijn zeer begaafd.”
„Hoe ben je te weten gekomen, Dectar, dat hij mijn Vader is?”
„Ik ging zien, Venry, op de plaats heb ik alles mogen zien.
Ook dat heb ik ontvangen.”
„Toen reeds, Dectar?”
„Ja, Venry, alleen om mijzelf te wapenen, ik was dus steeds voorbereid.
Wanneer men alles weet, hoe gevaarlijk ook, is beter dan niets te weten en dat is voor hier noodzakelijk.
Men kan je dan niet overrompelen, doch onze zelfbeheersing moet heel krachtig zijn.
Van die tijd af, Venry, werden al die levens in mij bewust en Ardaty begreep mij.”
„Nu heb ik geen vragen meer, Dectar, ik weet alles.”
„Dan moet je ook duidelijk zijn, Venry, dat je jezelf moet zijn en aan niets mag denken, of ook nu zijn wij verloren.
Dat geheim sterft, doch de meesters waken nog steeds, zij vermoeden iets.
Met Ardaty is hun geheim dood, doch jij bent nog in leven.
Wanneer je gereed bent, eerst dan zal ook dit oplossen, maar wij zullen afwachten.
Je hebt geduld, is ’t niet Venry?”
„Ik zal mijn best doen, Dectar.
Wat doen wij thans?”
„Je mag nu met mij meegaan om te genezen.”
„Dat is heerlijk, Dectar, ik ben gereed en uitgerust.”
„Kom, volg mij, Venry, doch bedek je gelaat.
Je let op niets en vergeet niet, dat men ons ook daarin volgt.
Er mogen geen andere gevoelens tot en in je komen, Venry, die wereld is voor ons dood.”