Aan het hof van de Farao

Toen ik de volgende morgen ontwaakte, voelde ik mij geheel uitgerust.
Dectar zou mij komen halen.
Wijd in de omtrek was het reeds bekend, dat er op Isis een groot wonder was geschied en dat dit wonder een nog zeer jonge priester toebehoorde.
Deze gedachten zond Dectar tot mij en ik was hem zeer dankbaar.
Ons één-zijn was weer normaal, geen grotere vreugde had hij mij kunnen schenken.
Na korte tijd trad hij binnen.
„Is mijn broeder gereed, en goed uitgerust, Venry?
Wij worden verwacht en moeten heengaan.”
„Zal je mij in alles volgen, Dectar?
Je zal Myra zien, ik breng haar tot je.
Ik krijg een bericht, Dectar, en dat zal je verheugen.
Ik mag voor Myra een bloem plukken, het is de wens van ons beider meester.
Daarvoor moet je gereed zijn, Dectar.”
„Je maakt mij zo gelukkig, Venry, en dank hem voor mij, want hij gaf mij het grote licht.
En nu moeten wij gaan; wij worden verwacht.”
De dragers stonden gereed.
Ik zou naast de Vader van Isis plaats nemen, de anderen zouden ons volgen.
Ik keek naar Dectar, maar door hem heen en hij voelde en begreep mij.
Een heilige band was ons bezit; tussen „leven” en „dood” waren wij geheel één.
Weldra hadden wij het paleis bereikt.
De dienaren van de Farao traden de meesters tegemoet en geleidden ons allen naar de Vorst.
Ik ging naast de Vader van Isis, doch veroorloofde mij niet ook maar aan iets te denken, dat mijzelf, Dectar of Isis gold.
Blindelings volgde ik hem en wij betraden de ontvangstzaal, waar de Farao en zijn gemalin ons opwachtten.
Het hoofd van Egypte trad ons tegemoet en verwelkomde ons allen.
Twee luipaarden begeleidden hem, het waren prachtige dieren en zij volgden hem waarheen hij ook ging.
Van Dectar wist ik, dat zij door de priesters van Isis waren opgevoed, zodat zij, zoals alle andere dieren in de Tempel hadden geleerd, een strenge en krachtige wil, door concentratie ingesteld, konden opvolgen.
„Ik heet u allen welkom.
Beste Iseués, ik ben u zeer dankbaar voor de grote wonderen, waarvan gij de schepper zijt.
Als ik iets voor u kan doen, ben ik daartoe gaarne bereid.”
Ik had alleen de luipaarden gevolgd en de dieren bewonderd.
Een gevoel, dat onverwachts in mij op kwam, dwong mij de dieren te volgen.
De Farao keek naar mij, maar de opperpriester zond mij zijn gif, dat ik opving en voelde.
De Farao zei tot de Vader van Isis: „Naar het mij schijnt, schenken de Goden van Isis aan hen die wonderen kunnen doen ook andere gaven, die hen buiten al het leven en de wetten stellen en waarvan wij kennis zullen nemen.”
Tot mij zei hij: „Ik groet u, priester van Isis, gij zijt welkom in mijn huis.
Ik zie, dat mijn dieren uw vrienden zijn en gij moet dit op hoge prijs stellen; hun opvoeding heeft hun geleerd, zulks niet te doen, doch ik zie in u andere krachten, waarmee men u gezegend heeft.
Zoals ik hoor, bent u een bijzonder begaafd priester.”
De dieren liefkoosden mij en toen de Farao dit zag, wendde hij zich naar zijn gevolg en zei tot zijn gemalin en zijn zuster: „Ziehier, een groot wonder, een jongeling en reeds priester van Isis.
De Goden schonken hem de grote vleugelen en een machtig vergezicht en toch is hij nog als een kind.
Gij ziet het, de dieren schenken hem hun vriendschap en gij allen weet, wat dit betekent.
Ze begroeten hem heel innig.”
Dan zei de Farao tot mij: „Gij kunt tot ons komen, priester van Isis, wanneer u wenst, mijn huis is het uwe.”
Nu namen allen plaats, een diepzinnig gesprek volgde.
De Farao en zijn gemalin dankten mij voor de geestelijke bloem, die ik hun had geschonken.
Op tijd was deze opgelost, waarvan zij het wonder hadden beleefd.
De Koningin vroeg om nog meer te mogen zien, waarop de Farao ons allen uitnodigde voor het grote oogstfeest, dat spoedig zou worden gevierd, zodat ik hun nog meer wonderen zou kunnen tonen, als de Goden met hen waren.
Dan werden aan mij vragen gesteld en de eerste van de Koning luidde:
„Volgens de meesters, priester van Isis, bent u bewust van de wonderen, die door uw gaven geschieden?”
Ik stelde mij op mijn leider in en antwoordde: „Indien ik de wetten niet kende, grote Farao, lag er geestelijke blindheid in mij en zal het wonder mijn vernietiging betekenen, of mijn gewaad in duisternis hullen, maar er is licht en de bezieling is machtig.”
Diepe stilte trad er in.
De Koningin had mij kunnen volgen en vroeg: „Gij spreekt van geluk en wijsheid, priester van Isis, doch is het nacht wanneer gij al die wonderen ziet, waarvan de wetten heel diep zijn en waarvoor wij de Goden moeten danken?”
Ik was gereed en antwoordde: „Dag en nacht zijn één, wijze Koningin, zo ook „de dood” en „het leven”, die in die andere werelden worden gezien en wat het groeien en bloeien, het voelen en denken van al het leven is.”
„Heeft u de wonderen in vol bewustzijn kunnen waarnemen?”
„In mij kwam licht en duisternis en „de dood” zei, dat het goed was, doch „het leven” volgde ons beiden en overheerste.”
Een tijd lang werden mij geen vragen gesteld.
De Farao sprak tot de opperpriester en vroeg: „Beste Iseués, is deze taal nieuw voor Isis?”
Mijn Vader redde zich door te zeggen: „Wij denken, grote Farao, dat de Goden ons nieuwe wetten schenken, want deze taal is nieuw voor Isis.”
De prinsen, prinsessen en de zuster van de Farao kwamen dichterbij en luisterden belangstellend, doch de opperpriester zond mij zijn haat toe.
Ik was echter geheel mijzelf, mijn leider was aanwezig.
Nu vroeg de Koningin: „Priester van Isis, hoe zijn uw gevoelens, wanneer u deze wonderen door de Goden beleeft?”
„Het gevoel, dat in mij is, wijze Koningin, is het voelen en denken van het kind, dat nog niet geboren is.
Er komt stilte en rust in mij.
Wanneer mijn één-zijn volkomen is beleef ik de wonderen.”
Allen verloren de vaste grond onder hun voeten en zweefden met mij in de ruimte.
Mijn Vader dacht het licht in mij te moeten verduisteren en zei: „Kunt gij uw gevoelens verklaren, zodat wij de aarde voelen en hetgeen ons toebehoort, maar toch daar zijn en de Goden kunnen volgen?”
Allen keken naar mij, mijn Vader scheen zeer verheugd over zijn vraag te zijn en zijn gedachten waren „geef antwoord, jongeling.”
Dectar beefde, doch ik stelde hem gerust, toen ik antwoordde: „Grote meester, Vader van Isis, indien ik u zeg, dat er hier duisternis heerst, terwijl toch de zon schijnt, dat hier de Goden leven en mij met de wetten verbinden, kunt u dit dan aanvaarden?”
Hij dacht na en zei: „Is dat de verklaring van hetgeen ik vroeg?”
Ik was gereed en antwoordde: „Is het voor u mogelijk, uw gevoelens en concentratie in te stellen?
Weet u dan, dat het „veraf”-zijn, het „dichtbij”-zijn is?
Dat gij uzelf moet verliezen, wilt u de wetten leren kennen en beleven?
Was het u mogelijk, toen u in uw moeder sliep en het groeiingsproces zich voltrok, haar voor ongeluk te waarschuwen?
Wanneer in ons het gevoel is, wat zeggen dan woorden, wat zijn zinnen en wat is een taal?
Waarom te vragen, als het antwoord uw eigen leven uitmaakt?
Waarom te zoeken naar warmte en naar wijsheid, als het eeuwige leven u gegeven is?”
Een ijzige stilte trad in en de Farao zei: „De Goden willen, beste Iseués, dat wij ons gereed maken, om hetgeen zij te zeggen hebben te verstaan en te voelen.
Denkt gij niet, dat mijn gedachten verklaren, hetgeen gezegd is?”
Doch de opperpriester was zichzelf en antwoordde: „Mochten de Goden wat dichterbij komen, grote Farao, dan verandert alles en raakt hetgeen zij zeggen de aarde, waarop wij leven en dan zal ons verstand het begrijpen en de gevleugelde zal verwazen.”
De Farao begreep hem en trachtte een glimlach te onderdrukken.
„Is er ontevredenheid in u, beste Iseués, dat gij de Goden dwingt wat dichterbij en tot ons te komen?
Lijkt u het middel, waardoor zij spreken, te ver weg?”
Er was opstand in mijn Vader, die de Farao vermaakte en met hem allen die aanwezig waren.
Onze strijd, van bloed tegen bloed, jeugd tegen ouderdom, had nu een aanvang genomen.
Doch hij was zichzelf en antwoordde:
„Tussen leven en dood liggen vele werelden, grote Farao, waarvan wij allen nog niets weten, doch die wij wellicht mogen waarnemen.”
Zijn antwoord begreep ik, ook de Farao aanvaardde het, maar zijn gevoelens en gedachten waren anders.
Ik boog diep voor de Koningin en zei: „De Goden zeggen mij, wijze Koningin, dat ik u de krachten en machten moet tonen, die tussen leven en dood als wetten worden beleefd.
Gij allen kent de wetten niet en gij zult ze van de Goden aanvaarden, omdat ze u worden getoond.”
Ik stond in hun midden en zij luisterden gespannen naar de woorden, die ik nu tot hen allen sprak.
„U ziet het, mijn handen zijn leeg.
Hier in deze ruimte zie ik prachtige vruchten, maar ze zijn voor u onzichtbaar.
Ik zie dus in een andere wereld, waarin de Goden leven.
De Goden willen nu, dat ik enige vruchten voor u pluk, zodat het wonder voor uw ogen zal geschieden.”
Mij tot de opperpriester wendend zei ik: „Ziet u, Vader van Isis, dat ik met de Goden één ben?
Kunt u al dit prachtige leven zien?
Ziet u daar voor u die mooie bloemen?”
De Farao vroeg aan de opperpriester: „Is hetgeen hij zegt waarheid?”
Mijn Vader zag niets en antwoordde: „Wij hebben in de Tempel priesters leren kennen, die dachten te zien.
Ik zie die wereld niet, grote Farao.”
Ik keek naar de Koningin, strekte mijn handen uit, trad naar haar toe en voelde een enorme kracht in mij komen; ik werd met het wonder verbonden.
Ik zag de vruchten voor mij en plukte ze, bracht ze tegelijk naar de aarde en allen zagen het wonder gebeuren.
In mijn handen lagen de geestelijke vruchten, vol van heerlijk sap en ik bood ze de Koningin aan, met de woorden, die ik van mijn leider moest zeggen: „De Goden vragen u dit wonder te aanvaarden en de vruchten voor hun ogen te proeven.
De Goden vragen u, of ze echt, of ze natuurlijk zijn.
Het eeuwige leven is in rijkdom niet te overtreffen en uw ontroering voelen de Goden, want het wonder is machtig.
Als er innige liefde in u is, grote Koningin, dan verwachten de Goden dat u allen ontwaakt en dan zal uw vergezicht zijn, dat u het wonder aanschouwt en deze vruchten, die hier leven en waarvan de ruimte is gevuld, proeft.
Als het kinderlijke bewustzijn in u is, kunt u al deze wonderen waarnemen, zodat het geluk over uw huis kome.
Wij leven daarin, wijze Koningin, ook al denken wij dat het slechts gedachten zijn, want ook dat bewustzijn is daaruit ontstaan.
Mijn concentratie zijn gedachten, gericht op dit wonder, van één-zijn en voelen, doch door mijn gaven, door de Goden aan mij geschonken, geschieden al deze wonderen.”
De Koningin was diep ontroerd, een hemelse stilte trad er in.
Ook de Farao aanvaardde een vrucht, die ik hem aanbood en zijn zuster eveneens, de prinsen en prinsessen hielden hun handen op, ook zij ontvingen.
Maar de priesters van Isis en de opperpriester voelden zich verslagen.
Dectars ogen straalden van geluk en vreugde.
Onmiddellijk stelde ik mij op een ander wonder in.
Ik zei tot allen die aanwezig waren: „De Goden willen, dat er nog een wonder geschieden zal.”
Ik concentreerde mij op mijn leider, want hij was het die wilde dat ik Dectar gelukkig maakte en hem met zijn ziel zou verbinden.
Ik werd nu met mijn leider één, zag die andere wereld voor mij, plukte een sneeuwwitte bloem en bracht haar op aarde en zei tot de Farao: „Grote Farao, de Goden willen, dat ik deze bloem aan uw zuster schenk,” en gelijktijdig overhandigde ik Myra de bloem.
Zij boog zich diep voor het wonder, keek mij aan en sprak van gevoel tot gevoel met mij: „Meester, o, Vader Taiti, ik zie Dectar.”
„U ziet daar mijn meester,” antwoordde ik, dat iedereen het kon horen, „door mijn meester heb ik al deze wonderen ontvangen.
Mag ik meester Dectar tot u brengen?”
„Gaarne, priester van Isis, heel gaarne.”
Ik bracht Dectar naar haar toe, twee zielen werden verbonden en tot één leven verenigd.
De Farao en zijn gemalin vonden het wonderbaarlijk.
Dectar sprak met zijn eeuwige liefde.
Rondom mij was er geluk, alleen de opperpriester deed geheimzinnig.
De dieren kwamen aan mijn zijde en ik speelde met hen.
Myra en Dectar waren één en Myra’s droom behoorde tot de werkelijkheid.
Ook Dectars gevoelens en verlangens, het ondergaan van al die krachten als priester, werden nu bewaarheid.
Zijn denken en voelen was het reine en natuurlijke bewustzijn, dat hij zich in al die levens had eigen gemaakt.
De Farao zei tot mij: „Priester van Isis, wij zagen wonderen, die slechts eens worden geschonken.
Wij danken de Goden van Isis, dat wij deze wonderen hebben mogen aanschouwen.
Het afdalen uit hun hemelen hebben wij mogen beleven, aan de wonderen zien wij, dat de Goden in ons midden zijn.
Gij brengt geluk in ons huis, uw bloed is gezegend, op uw hoofd zou ik de ster van ons huis willen zien.
Wij zijn de Goden en u zeer dankbaar.”
En de Koningin zei: „Als gij wilt, priester van Isis, kom dan tot ons en vertel mij en de prinsessen van al deze wonderen.”
Een gevoel van schrik overviel mij, daarvan had mijn leider gesproken, maar ik antwoordde: „Wijze Koningin, als de Goden het wensen, zo kom ik weldra hier terug.”
Daarop mij tot de Farao wendend, vroeg ik: „Is het mij gegund, grote Farao, dat ik mij nu verwijder?”
Hij antwoordde: „Het is nog niet geschied, priester van Isis, dat mijn gasten heengaan, wanneer zij dat wensen, maar de Goden zullen weten, waarom zij op deze wijze beslissen; ik leg mij bij hun besluit neer.
Ik zegen het ogenblik van uw komst en wacht op de gebeurtenissen, die op Isis zullen geschieden.”
Er was grote stilte.
Daarop wendde de Farao zich tot de opperpriester en zei: „Beste Iseués, deze priester verhef ik tot Hogepriester van Isis en ik denk, dat de Goden mij hun gevoelens en wensen toezonden, waarnaar ik zal gehoorzamen.”
Daarop richtte de Koningin het woord tot mij: „Gij zult Isis groot maken en wilt u de Goden mijn dankbaarheid overbrengen, gij zijt zo dicht in hun nabijheid en gij ziet, hoe mijn hart van liefde is vervuld.
Wij allen danken u.”
Voordat wij zouden heengaan, voelde ik de stilte in mij komen en toen ik in de ruimte keek, zag ik mijn lieve Moeder.
Ik hoorde haar tot mij zeggen: „Beste Venry, de Farao zal je in zijn huis opnemen, op je hoofd rust de ster van ons huis, maar wees voorzichtig.
Ga nu heen.”
Ik was heel gelukkig.
Vele geschenken werden mij aangeboden.
Voor Dectar vroeg ik heerlijke oliën en ook die ontvingen wij.
De Farao overhandigde mij de tekens van de Hogepriester.
In slechts korte tijd was ik van de allerlaagste tot de allerhoogste treden opgeklommen.
Met dit resultaat kon ik tevreden zijn.
Nu bezat ik macht en zou ik een ander kleed dragen.
Ik boog voor allen diep mijn hoofd en wij gingen heen.