Mijn fysische gaven (2)

Om mij voor de allergrootste proeven gereed te maken, wilde mijn leider dat mijn fysische gaven werden getoetst.
Het uur van samenzijn stelde ik zelf vast.
De meesters waren reeds aanwezig en met hen verschillende schrijvers die in beeldschrift hetgeen zij beleefden zouden vastleggen.
Ieder woord dat gesproken werd, ook de vragen en antwoorden, werden vastgelegd en bewaard.
Onder een zwak licht en de geuren van krachtige kruiden, de genezers in mijn bereik, legde ik mij neer en viel weldra in diepe trance.
Rondom mij werd een magische cirkel getrokken.
Toen de meesters zagen dat ik in diepe slaap was en daar als een schijndode neerlag, volgden zij mij in die andere wereld.
Toen ik werd waargenomen, stelde de opperpriester zijn eerste vraag en die luidde:
„Waar bent u, priester van Isis?”
Mijn antwoord uit mijn wereld luidde en mijn stoffelijke mond sprak: „Ik spreek tot u uit een andere wereld.”
„Bent u bewust van hetgeen u daar ziet en van wat gij zegt?”
„Voor de Goden van Isis buig ik mijn hoofd en ik zweer u, dat ik zie en weet waar ik ben; ik kan u allen waarnemen.
De meesters kunnen mij zien, gij allen bezit de grote vleugelen.”
Ik zag, dat de schrijvers, hetgeen gezegd was opschreven.
De opperpriester zei: „Als u bewust bent van uw krachten, toon ons dan waartoe gij in staat zijt.”
Ik wachtte op mijn leider, doch de Vader van Isis vroeg reeds opnieuw: „Hoort u, wat de meesters vragen?”
Doch ik voelde mijn leider nog niet en kon niets zeggen, in alles werd ik geleid.
Ik antwoordde: „Mag een leerling-priester van Isis een zitting openen als de meesters nog niet aanwezig zijn?”
„Op wie wacht gij, priester van Isis?”
„Op de Goden, op wie anders?”
Hij begreep dat ik tijd nodig had, doch vroeg: „Als het leven in die wereld is zoals wij het hier kennen, hoe zal dan het licht zijn dat ons allen overstralen zal en wijsheid betekent?”
Hij was reeds bezig disharmonie te veroorzaken, doch ik begreep hem en antwoordde: „De heilige ernst van dit leven dwingt mij om een kind te zijn, wil ik voor u wijsheid ontvangen die Isis groot maakt; ik moet de wetten opvolgen en wachten, totdat de Goden tot mij komen.
Is er geen geduld in mij, zo kan ik terugkeren, maar dan gaan wij allen blind.”
Onder het spreken voelde ik mijn leider tot mij komen, nu was ik gereed en zei tot hem: „Gij kunt vragen stellen.”
Maar mijn Vader had ik reeds geraakt en hij vroeg: „Indien men wil, dat wij kinderen zijn, waar is dan de volwassen groei en bloei voor nodig?”
Ik was gereed en antwoordde: „Als gij vragen stelt, die uw diepe innerlijk verkleinen, zoek het dan in uzelf en niet hier, waar ik nu leef, of gij zijt een speelbal voor anderen.”
Hij zweeg nu en begreep, dat ik hem op al zijn vragen zou antwoorden.
Hij vroeg: „Zijn er fysische gaven in u?”
„Als een leerling-priester nog niet gereed is, kan hij van u dan het priesterschap ontvangen?
Indien ik niet gereed was en die gaven niet had, zou ik u en de meesters niet hebben laten komen.”
„Dan verzoek ik u tot mij te brengen de bloemen, die gij daar voor u ziet, maar die tot onze wereld behoren.”
Ik begreep wat hij bedoelde.
Dicht in zijn nabijheid stond een kleine vaas en daarin waren kruiden-bloemen, die men voor deze zittingen gebruikte.
Ik zou van deze wereld uit de vaas met bloemen tot hem moeten brengen en dan zweefde voor een kort ogenblik het stoffelijke voorwerp in de ruimte, zoals ik reeds met de vrucht had beleefd.
Ik stelde mij op de vaas in, mijn leider liet mij voelen, dat hij gereed was en ik bracht het aardse voorwerp tot hem.
Ik boog mij diep en mijn mond sprak: „Is de opperpriester van Isis overtuigd, dat de Goden hier aanwezig zijn?”
De verbazing was groot, allen huiverden bij het zien van dit wonder.
De schrijvers legden het vast en toen zij gereed waren vroeg hij mij: „Breng ze terug, als gij wilt.”
Ik keerde met de vaas terug, waarna de verklaring van dit wonder volgde en werd vastgelegd.
Zoals mijn leider mij het wonder van de vrucht had duidelijk gemaakt, zo kregen zij ook nu de verklaring en toen zij zover waren, vroeg hij: „Is het mogelijk, dat gij een van de priesters van zijn zwaartekracht ontdoet?”
„Wie zal het zijn?”
„Uw meester.”
Een groot geluk straalde mij uit Dectar tegemoet.
Toen ik mij op Dectar instelde, zag ik enige wezens tot mij komen, die mij hielpen dragen, maar die voor de meesters onzichtbaar bleven.
Dectar ging nu in een dicht waas gehuld en wij droegen hem door de ruimte en naar zijn plaats terug.
Ik wachtte af en hoorde: „Dat is een wonder, priester van Isis, doch deze wonderen zijn ons bekend, wij kunnen ze tevens verklaren.”
Nu voelde ik mij geraakt en vroeg: „Verklaar ze mij dan, opperpriester, voor mij zijn al deze wonderen nieuw en het zijn wonderen, waarvan gij nog niets weet.”
Hij moest antwoorden en zei: „Wij allen luisteren en geven ons geheel, maar vertel ons wat gij daar ziet en verklaar ons de wetten.”
Hij verhoogde de disharmonie en wilde niet erkennen, dat hij er niets van begreep.
Daarbij vroeg hij om antwoord.
Ik antwoordde: „Gij kent de wetten en deze wonderen, toch vraagt gij om ze u te verklaren?”
Stilte rondom, mijn antwoord werd gewogen, doch zijn vraag en antwoord luidden:
„Als ik mij niet vergis, priester van Isis, is men ook daar geraakt en kent men gevoelens, die de wijsheid verduisteren?”
Ik begreep hem en gaf hem antwoord: „In de wereld waarin ik nu leef, vraagt men niet om antwoord, wanneer zij, die hier leven, dat antwoord kennen en die wijsheid in hen is.
Dat is kracht verspelen en verloren tijd.
Het is het gepraat van een onbewuste.
Hier gaat men verder, steeds verder en dieper, zodat zij nieuw voedsel ontvangen, nimmer keren zij terug naar wat zij in het verleden hebben leren kennen en allen zijn dankbaar en voelen zich als kinderen.”
Hij gaf zich echter nog niet gewonnen en zei: „Als de wonderen zo groot en diep zijn en wij de leerschool des levens moeten volgen, hoe willen wij dan kunnen gehoorzamen en de wonderen volgen, als de aardse tijd te kort is?”
Zijn gehuichel en het gepraat langs de wetten heen maakte mij onwel.
Ik was echter gereed en antwoordde: „Gij zijt in het bezit van uw meesterschap en het hoofd van Isis.
Verklaar mij al deze wetten, want uw wijsheid is machtig.”
Alle meesters voelden dit vreselijke gevecht, doch daarvoor waren deze zittingen niet; tevens begrepen zij, dat ook hij dacht ze te kennen, maar dat hij mij wilde vernietigen.
Tot verklaren kwam hij niet, omdat het hem onmogelijk was.
De allereerste steek, die zijn hoogmoed en ijdelheid, zijn persoonlijkheid had geraakt en gekwetst en zijn voetstuk deed trillen, had hij van mij ontvangen.
Dan vroeg hij op strenge en snauwende wijze: „Zijt gij in het bezit van andere wonderen, die wij niet kennen?”
Mijn leider verscherpte mijn wapen en ik zei tot hem: „Het zijn de wetten van de Tempel, die voorschrijven hetgeen ontvangen is op te tekenen en vast te leggen, zodat daar geen stoornissen in kunnen zijn, voordat wij verdergaan.
Wilt u eerst al deze wonderen verklaren, dan kunnen wij verdergaan, de Goden wachten op u.
Ook de schrijvers wachten.”
Ik hoorde hem tot de schrijvers zeggen: „Schrijf op.”
Er volgde nu het verhaal, dat een priester van Isis wonderen had verricht en dat deze wonderen uit een andere wereld tot stand waren gebracht.
Maar hij begreep er niets van en gaf dan ook een verkeerde verklaring.
Ik vroeg: „Is de opperpriester van Isis gereed?”
„Wij zijn gereed,” zei hij tot mij, en voelde zich weer de opperpriester.
Maar mijn leider antwoordde hem: „Uw verklaring is onjuist, want er zijn andere wetten, waardoor deze wonderen geschieden en daarvan zegt u niets.”
Opnieuw stilte en verwondering, maar hij antwoordde: „Sinds eeuwen is bekend, dat al deze wonderen op deze wijze geschieden.
Wij gaan verder.”
„Wij gaan niet verder,” zei ik, „want gij zijt verkeerd en uw verklaring is niet af.”
Zijn voetstuk trilde en zijn haat maakte hem onzeker en hij snauwde mij toe: „Keer terug, priester van Isis, gij zult het ons in deze wereld verklaren, dus in uw eigen lichaam.
Ik ga niet verder.”
Mijn leider vond het nu voldoende en liet mij antwoorden: „Luistert, gij allen, meesters van Isis.
Ik alleen kon meester Dectar niet dragen, ik kan niet hoger gaan dan mijn eigen krachten zijn, maar ik kreeg hulp van anderen.
Het zijn mensen, die op aarde hebben geleefd en wij samen droegen meester Dectar door deze ruimte.”
Maar nog scherper dan daarvoor schreeuwde hij mij toe: „Gij wilt hiermee zeggen, dat gij buiten ons om al deze wonderen kunt verrichten?”
Ik was gereed en antwoordde: „Juist, opperpriester, daarmee wil ik zeggen dat gij niets, gij allen niets hebt gezien, dat uw zien niet dieper kan gaan dan gij aan gaven en krachten en innerlijk bewustzijn bezit.”
Hij dacht na, maar ik volgde Dectar, doch mijn vriend voelde zich heel rustig, hoewel zijn hart klopte van geluk en spanning.
Een gevecht op leven en dood had een aanvang genomen.
Mijn meester wilde, dat ik mij op Dectar instelde en ik vroeg hem: „Wel, meester Dectar, leeft u thans in de werkelijkheid?”
Dectar voelde mij buiten hen om en zei: „Kunt gij u indenken, dat ik thans al mijn leed heb vergeten en gelukkig ben?”
Het korte gesprek met mijn vriend maakte mij heel krachtig en versterkte mijn innerlijke leven.
Toen zei de opperpriester; „Kunt gij opnieuw dit wonder tot stand brengen?”
Mijn meester liet mij voelen, dat hij dat niet deed en ik zei: „De Goden zeggen mij, dat dit voldoende is, gij vergeet dat gij met de Goden zijt verbonden.
Wij gaan dus verder, maar de schrijvers moeten dit vastleggen.”
Toch wilde hij, dat dit wonder bewezen moest worden, of hij zou deze zitting sluiten.
Doch ik antwoordde hem: „De Goden willen, dat gij dit aanvaardt en wij gaan verder.”
Hij vond dit blijkbaar toch de juiste oplossing en vroeg voor de tweede maal: „Zijt gij in het bezit van andere wonderen, die wij niet kennen?”
Ik zei: „Wilt gij, dat mijn stoffelijk lichaam voor uw ogen verdwijnt?
Wees er dan van overtuigd, dat ik niet terugkeer en voor heden zal ophouden.”
Waarop hij vroeg: „Is u ook dat door de Goden gezegd?”
„Ja, meester van Isis, want ik volg de wetten op.”
„Indien ook dat mogelijk is, dan straks, als wij heengaan.
Kunt gij wonderen doen, andere dus?”
Ik zei: „Als de Goden het wensen, dan daal ik in het luipaard daar voor u af en niemand van u die mij tegenhoudt, omdat uw concentratie niet bewust is.”
Dit was hem te machtig.
Zijn haat en angst kwamen tot mij en mijn leider vermaakte zich, want hij liet mij zeggen: „Priesters van Isis, gij zijt angstig voor de dood?
In u allen is angst en gij kent de wetten, leert anderen hoe zich te moeten instellen, doch ik voel bij u angst en onbewustzijn.”
Geen woord werd er gesproken en ik ging verder.
„Luistert, gij allen moet naar mij luisteren, naar hetgeen de Goden mij zeggen: Wanneer uw gevoelens en de taal die gij spreekt niet veranderen, keer ik tot u terug en zal dan andere maatregelen treffen.
In deze wereld hoor ik een andere taal en gij zult die aanvaarden.
Kunt gij dat niet, zo ga ik naar de Farao en ik vraag de Koning tot ons te komen om deze zittingen bij te wonen.
De beelden, die worden getekend, daarvan leest men in latere eeuwen uw haat af; zij zijn voor hen die na ons komen geen wijsheid.”
Mijn woorden brachten verwarring, niet één priester van Isis had ooit op deze wijze tot de opperpriester gesproken.
Hij was diep getroffen; hij antwoordde en zei: „Als de Goden het wensen, dat wij ons openstellen en hen volgen, zo zijn wij gereed.”
Prachtig, zo dacht ik, opnieuw trilde zijn voetstuk en ik had zijn persoonlijkheid geraakt, doch hij vroeg: „Kunt gij ons tonen wat gij zelf kunt?”
Mijn leider werkte nu hevig op mij in en liet mij duidelijk voelen, dat er gevaar dreigde.
Want ik kon niets buiten de Goden doen, dit was een gevaarlijk ogenblik, doch ik antwoordde: „Deze wonderen geschieden door de Goden.”
„Ga dan verder.”
Ik zei: „Deze vaas met bloemen kunt gij buiten dit gebouw terugvinden.
Zij ligt buiten deze ruimte.
Wilt gij u neerbuigen, Vader van Isis, de Goden volbrachten een wonder.”
Op hetzelfde ogenblik daalde ik in de vaas af en bracht haar door de stoffelijke muren naar buiten.
Toen keerde ik terug en zei: „Als mijn meester naar de Goden wil luisteren, zo ga en toon hun allen dit wonder.”
Hij kwam van zijn verhoging af en de schrijvers volgden hem.
Met de vaas en de bloemen keerde hij terug.
Allen waren ten zeerste verwonderd.
Dan zei hij iets, waardoor ik de huichelaar leerde kennen.
„Meesters van Isis, gij allen hebt het kunnen zien, in de Tempel van Isis leven de Goden.”
Tot mij zei hij: „Kunt gij ons dit wonder nogmaals tonen, maar zo, dat wij het kunnen volgen?”
Ik begreep wat hij bedoelde en ik zei: „Er zal een ander wonder geschieden.
Ziet gij in deze wereld al die bloemen?”
„Ja,” zeiden de meesters, „wij zien ze in kleur en ze zijn in leven.”
„Welnu, zie dan goed en volg mij en hetgeen ik zal doen.”
Ik concentreerde mij op de geestelijke bloemen en bracht ze op aarde.
Langzaam voltrok zich dit proces en zij hadden het verdichten van geestelijke bloemen kunnen waarnemen.
Ik zei tot de Vader van Isis: „Als ik u, opperpriester van Isis, deze bloemen mag schenken, is mijn hart van blijdschap vervuld, maar ik zeg u, ze leven niet lang.”
Hij aanvaardde de bloemen en vroeg: „Waarom zijn ze zo kortstondig in mijn bezit?”
Ik had mijn antwoord gereed en zei: „Omdat gij niet weet, hoe ze te voeden, zodat ze in leven kunnen blijven, want aanstonds zullen ze weer in uw handen oplossen en tot dit leven terugkeren.
Ook dat terugkeren is een wonder.”
Zijn antwoord kwam snel, het was kort, krachtig en scherp: „Als gij een bedelaar een aalmoes geeft, waarom er dan zoveel gewag van gemaakt?”
Maar ook ik was gereed en antwoordde: „Indien de bedelaar door zijn onbewustzijn, zijn eenvoudige opvoeding en armoede niet in staat is mijn groot geschenk te begrijpen, zo zal ik hem de waarde van mijn geschenk duidelijk maken.”
Hij gaf zich gewonnen, doch ik dankte mijn leider.
Dan zei ik hun: „Voor heden moeten wij ophouden, ik keer tot u terug.”
Doch ook nu was hij gereed om mij te treffen en hij zei: „Wij moeten dus aanvaarden, dat het oplossen van uw lichaam niet mogelijk is en die krachten niet in u zijn?”
„Ondankbare,” zo dacht ik, doch wachtte af wat mijn leider dacht te doen.
Het duurde hem reeds weer te lang en vroeg opnieuw: „Zijn deze wonderen niet in u en uw vleugelen niet zo groot, als gij denkt te bezitten?”
Nog steeds hoorde of voelde ik niets van mijn leider en wachtte geduldig af, alleen kon ik niets tot stand brengen.
Hij dacht reeds, dat hij mij kon vernietigen en vroeg opnieuw, maar op sarcastische wijze: „Hoort gij, priester van Isis, wat de Goden thans tot u zeggen?
Kunt gij hen duidelijk horen?
Is uw gehoor onmetelijk?
Bent u in harmonie, zodat gij weet, wat gij zegt?
Is dat in u, voor de vernietiging van uzelf?”
Toen hij was uitgesproken, beleefde ik iets.
Het was een groot wonder, waarvan hij niets kon waarnemen of voelde, maar dat ik onderging.
Onmiddellijk gaf ik hen bevel de deuren te grendelen.
Een prachtig licht overstraalde mij aan deze zijde.
Ik vroeg: „Zijt gij overtuigd, opperpriester, dat niemand „in” noch „uit” kan gaan?”
„Ja, wij allen zijn daarvan overtuigd.”
Ik loste daar op, mijn stoffelijk lichaam verdween voor hun ogen en ik zei tot hem, doch nu als geest, terwijl mijn stem was verstoffelijkt: „Hoort gij mij kloppen?
Ik vraag om te worden binnen gelaten, ik ben een Hogepriester, de deuren van de Tempel zijn voor mij niet gesloten.”
De plaats waar mijn stoffelijk lichaam lag was leeg.
„Een groot wonder,” hoorde ik Dectar zeggen, „een groot wonder.”
Ik wachtte af.
De opperpriester deed mij open.
Allen waren overtuigd en onmiddellijk zond men een boodschapper naar de Farao.
Ik verlangde echter, dat op de volgende zittingen een hoogwaardigheidsbekleder aanwezig zou zijn.
Daarna ging ik met Dectar heen.
Toen wij alleen waren zei Dectar: „O, beste Venry, als dit je lieve Moeder en Ardaty mochten beleven?”
„Heb je hen dan niet gezien, Dectar?
Beiden waren bij mij in de ruimte.
Al deze wonderen hebben zij kunnen volgen en dat gaf mij die zekerheid.”
„Het is machtig, Venry, heel machtig.
Maar dit gevecht is verschrikkelijk.
Zou je het kunnen volhouden, Venry?”
„Is mijn leider niet machtig, Dectar?”
„In mij is geen angst, Venry, doch zoiets hebben wij in de Tempel nog niet mogen beleven.
Hij stelt vragen, die wij nimmer hebben mogen stellen.”
„Als je rustig blijft, Dectar, zullen wij overwinnen.
Je hoeft alleen maar rustig te zijn, dan reeds help je mij, want wij blijven één.
Van ons gesprek hebben hij en de anderen niets gehoord.
Maar je moet mij waarschuwen, Dectar, ik voel dat hij thans op andere wijze vragen zal stellen.
Hij denkt mij daardoor te vernietigen.
Wanneer je voelt dat hij andere wegen bewandelt, dan moet je het mij laten voelen.
Hetgeen straks geschiedt, mijn vriend, zal zijn ondergang betekenen.
Maar ik ben gereed, Dectar, maak je in niets ongerust.”
„Ik heb wonderen beleefd, Venry, maar zullen anderen het aanvaarden?
Kan je de Farao overtuigen?”
„Ook dat komt, wij zullen afwachten.”