Nieuwe levens

Na mijn allerlaatste leven te hebben beleefd, keerde ik naar het leven na de dood terug en ik zag in al mijn vorige levens.
Ik had levens beleefd, waarin ik kinderen baarde en het „Moederlichaam” bezat, zodat ik de wetten leerde kennen.
In dat leven ontmoette ik een ziel, waaraan ik had goed te maken wat ik met mijn eigen lichaam deed.
Die ziel daalde in mij af en ik moest aanvaarden, dat het machtige wonder in mij bewust werd.
Daarin diende ik, daarin kon ik alléén dienen, daarin gaf ik mijzelf.
In dat leven beleefde ik het machtigste wonder, dat door God is geschapen.
In mij geschiedde dat wonder, mijn ziel ging in dat wonder over, vanuit de duisternis kwam het jonge leven omhoog en werd in mij bewust.
Daarin was ik „Moeder”.
Toen zag ik vele levens, waarin ik de wet van „oorzaak en gevolg” beleefde.
Ik leed honger en gebrek, beleefde ontzettende pijnen, ziekten en verschrikkingen, die men op aarde beleven kan, als dat leven ons tot slavernij voert.
Ik zag mijzelf als een slaaf, werd door anderen omgebracht, om, na mijn leeftijd te hebben bereikt, toch weer opnieuw op aarde te sterven en daar terug te keren.
Steeds weer werd ik door de aarde, door twee zielen aangetrokken, totdat er op aarde geen zielen meer waren waaraan ik had goed te maken.
Zo stond ik voor mijn allerlaatste leven op aarde.
Toch had ik reeds een berg van ellende, van leed en smart, aan anderen misdaan, goedgemaakt.
In ieder leven zocht ik naar die „liefde”, die mij zou begrijpen, toch vond ik haar niet.
Ik leefde in mijn eigen „oorzaak en gevolg” en dat betekende leed en smart en ontwaken.
Ik bleef echter hunkeren naar die liefde, bleef vragen „waarom en waarvoor”.
In mij lag gevoel, heel veel gevoel en ik was gereed goed te maken, maar de middelen daarvoor waren niet in mijn bereik.
Dan weer arm, soms heel rijk, maakte ik een rondreis over de aarde.
Door alle volkeren werd mijn ziel aangetrokken.
Van het ene rassoort keerde ik naar het andere terug, maar waar ik leefde en bij wie ik goed te maken had, één wet bracht dit tot stand, die de wet van „oorzaak en gevolg” is.
Eén iets was er in mij dat in al die levens overheerste, het gevoel van begrijpen en van liefde.
Hoe verlangde ik daarnaar, doch nergens, waar ik ook leefde, vond ik mijn eigen liefde.
Met het onbevredigende gevoel, het vragen „waarom en waarvoor” in mij bewust, en het ontzettende verlangen naar die éne liefde, was ik weer gereed voor mijn allerlaatste leven, om op aarde terug te keren en mijn aardse levens te beëindigen.