Mijn verlangen naar het onzichtbare leven

Wij begrepen elkaar niet.
Hoe ouder ik werd, des te groter de kloof tussen ons beiden.
Haar geloof zei mij niets, tot haar grote ergernis.
Ik kon er echter niets aan veranderen, hoe gaarne ik ook wilde.
Toen ik mijn meerderjarige leeftijd had bereikt, zocht ik mij een eigen weg.
Op een dag zei ze tot mij: „Je zakt terug, Alonzo.
Je leeft het leven van een zigeuner.”
Nog nimmer had zij iets dergelijks tegen mij gezegd.
Ik keek haar aan en antwoordde: „Onze gehele familie is ...” doch ik kwam niet verder, want zij ontnam mij het woord en riep mij toe: „Alonzo!, je vergeet je!”
„Het spijt mij, Moeder, ik ben er mij niet van bewust.”
Zij negeerde mijn antwoord, maar ging verder: „Je moet je van je vriend losmaken en andere vrienden zoeken.
Je bent heel veel veranderd, Alonzo.
O, als je Vader alles wist.”
„U dwaalt, Moeder, want ik ben niet veranderd.
Mijn Vader zou mij ook hierin begrijpen.
En mijn vriend Juan heeft hiermee niets uit te staan.”
„Hij is geen vriend voor je en je gaat niet meer naar de kerk, je hebt niet eens een geloof meer en dat komt door dat duivelse gezoek van je.
Het doet mij heel veel verdriet.”
„Wat zou ik dan moeten doen, Moeder?
Mij kan die kerk niet bevredigen.
Steeds hoor je hetzelfde, tot vervelens toe, altijd en eeuwig hetzelfde.”
„Je bent een heiden, maar ik zal over je geloof waken.”
„Beter een goed heiden, dan een slecht christen-mens.”
„Alonzo!”
„Als ik u was, Moeder, dan deed ik niets.
U maakt het voor uzelf en voor mij maar moeilijker.
Ik laat het toch niet, ik zal zoeken en blijven zoeken, niets houdt mij tegen.
„Onderzoekt de dingen en behoudt het goede” is er gezegd.
Ik zoek en zal zoeken tot mijn einde op aarde.
Wat de kerk zegt, heeft voor mij geen betekenis.
Misschien voor u en anderen, voor mij niet.
Juan is niet slecht.
Mag hij mijn vriend niet zijn, omdat hij arm is?
En wat zegt afkomst, wat zegt geld en bezit?”
„O, als Geraldo maar leefde, hij was zo anders.”
„Zoals u zelf bent, Moeder?
U ziet Geraldo vanuit uw eigen leven, uw denken en voelen.
U wilt mij zien zoals u zelf bent.
Waarom denkt u dat Geraldo anders zou zijn?”
„In onze gehele familie zie ik jouw karakter niet.
Ook je dichterlijke neigingen komen bij ons niet voor.
Al dat gezoek is des duivels.
Maar ik zal mijn priester raadplegen.”
„Doe dat niet, Moeder, het verwijdert ons nog meer van elkaar, want ik praat niet over mijzelf met die mensen.
Zij weten er niets van en voor hen ben ik door de duivel bezeten.
Ik wil niet bekeerd worden, ik ben mij van geen kwaad bewust.
U bent overspannen, Moeder, en moet wat rust nemen.
Is er iets, Moeder?”
Zij gaf mij geen antwoord en verwijderde zich.
Vreemd, heel vreemd was het.
Ik kende haar bijna niet meer, maar ik was voor haar in niets veranderd.
Ik sprak er met Juan over, doch zweeg over dat ene.
„Wat denk jij, Juan?”
„Heeft zij verplichtingen, Alonzo?
Wie behoren de landerijen toe?”
„Die heren ken ik, doch zij wil dat ik mijn leven verander en mij wat meer met de landerijen bemoei.
Maar ik werk niet op eigen grond voor anderen.
Als hier geen verandering in komt, dan ga ik het land uit.
Vertel mij toch, Juan, waarom zijn de mensen zo verschillend?
Waarom schiep God al die soorten van mensen?
Geen één mens is gelijk de andere, niemand begrijpt je.”
„En je Vader, Alonzo?”
„Waarachtig, Juan, hij begreep mij volkomen.
En juist deze mensen moet je verliezen.
Mijn Moeder is hoogmoedig, zij is altijd zo geweest.
Ik ga haar nu echter eerst duidelijk zien.
Zij wil dat ik leef zoals zij het leven ziet.
Maar dat kan ik niet, Juan.
Ik wil niet geleefd worden.
En toch vraag ik mij af, waarom zijn die verlangens in mij, Juan.
Waarom dat zoeken naar de werkelijkheid?
Waarom wil ik dat de dieren naar mij luisteren?
Waarom wil jij dichten en het leven in je verzen bezingen?
Je kunt niet anders, bent voor niets anders nut, jij moet en je zult dichten.
Maar waarom?
Zou dit een betekenis hebben, Juan?
Waarom wil Carlo het leven uitbeelden en heeft eenieder weer zijn eigen verlangens?
Niet één mens is eigenlijk zichzelf en kent zichzelf, wij allen zijn raadsels.
Wilde mijn Moeder mij maar begrijpen, ik zou dan met mijzelf gereed komen.
Doe ik wat zij wil, dan word ik geleefd, Juan, en dat wil ik niet.
Neen, mijn vriend, ik ga verder, onherroepelijk verder, want ik moet het weten, of ik kom niet tot rust.
Waarom ben ik zoals ik nu ben?
Door God?
Je antwoord is mij bekend, Juan.
Natuurlijk, mijn voorouders, maar ook dat zegt mij niets meer.
De ziel moet een zelfstandigheid zijn.
Iedere ziel is zichzelf, Juan.
Waarom wil mijn Moeder dat ik leef zoals zij het leven ziet?
Zij denkt, dat haar geloof het goede is, het énige goede, maar mij zegt het niets.
Maar waarom?
Zij zegt, dat mijn karakter in onze gehele familie niet is te vinden.
Verklaar mij dit raadsel, Juan.
Je kan het niet?
Je weet het niet en toch ligt hierin die zelfstandigheid.
In mij zijn gevoelens van een zigeuner, niets is er in mij wat haar toebehoort.
Is dit geen raadsel?
Het is onbegrijpelijk en toch hebben al onze gevoelens betekenis.
Het is heel nuttig er veel over na te denken, Juan, of je komt er nooit.
Het is de moeite waard al die raadsels te leren kennen.
Kan je op aarde iets nuttigers doen?
Het leven „zelf”, Juan, is het grote raadsel.
Daarin te zien en te mogen voelen is het allernoodzakelijkste, het énige natuurlijke.
Dan leer je „dag en nacht” kennen en de dieren, kortom alles.
Maar vooral, jezelf.
Dan daal je in al die raadsels af, Juan, en begrijp je wat doodgaan is.
Waarom bezing je al die raadsels niet in je verzen?
Nu zijn ze levend-dood, eerst dan zullen je kunstproducten leven, Juan.
Ach, mijn vriend, voel je niet gegriefd.
Ik meen het waarachtig.
Je voelt de ruimte niet, Juan, en je komt er nooit, wanneer je niet zoekt, niet voelt vanwaar je gekomen bent en waarheen je gaat.”
„Weet je dat niet, Alonzo?”
„Dat geloof ik niet meer, Juan.
Ik kan niet aanvaarden dat met dit kleine leven alles voorbij is en wij gereed zijn om de eeuwige gelukzaligheid te ontvangen.
Zoals men ons leert, is niet natuurlijk, Juan.
Hoe kan een God van liefde zijn kinderen verdoemen?
Eeuwigdurende verdoemenis te beleven?”
„Ga er niet te diep op in, Alonzo.
Deze weg is gevaarlijk, je weet hoe machtig de kerk is.”
„De kerk doet mij niets, Juan.
Mijn Moeder kan raadplegen wie zij wil, ik volg mijn eigen weg.”
„Je bent te gevoelig, Alonzo, te ernstig en te eenzaam, je sluit je teveel op en je komt er toch niet achter, het grote raadsel blijft ook voor jou een raadsel.”
„Er zijn heel veel raadsels en ik moet het weten.
Je denkt niet, Juan.
Bezing al die raadsels in je verzen.
Vraag aan ons mensen om te voelen en te denken.
Vraag naar het leven, zoek het in de natuur, bezing al die onrechtvaardigheid.
Maar je durft het niet, je hebt angst, angst voor de kerk.”
„Mijn verzen zijn leeg, maar is die leegte ook niet in jou?”
„Jij hebt iets in handen, Juan, je bezit kunst, ik ben slechts een zoeker.
Voel je dan niet wat ik bedoel?
Ik bezit niets, ben niet begaafd, maar jij en Carlo kunnen dienen, jezelf en anderen, maar je voelt het niet.
Ach, ik wilde dat ik het bezat, hoe zouden mijn verzen zijn?
Ik had het over de verdoemdheid en al die onrechtvaardigheden.
Je kan ons al die raadsels tonen, je kan dieper en dieper gaan, telkens verder, totdat je leeg bent, niets, niets meer voelt en je leven was nuttig.
Maar ik?
Ik kom tot niets, blijf maar zoeken en vragen, niemand geeft mij antwoord.
Moeten wij tot God terugkeren, Juan?
Maar hoe?
In één kort leven moeten wij de allerhoogste hemelen bereiken?
Geloof jij aan die nonsens?
Zie naar de mensen, Juan, zie hoe zij leven, hoe zij denken en voelen.
Kunnen al die mensen de hoogste hemelen bereiken?
Het is niet mogelijk, Juan, maar wat dan?
Kan je mij antwoorden?”
„Neen, Alonzo, ik niet en niemand.
Je vraagt teveel, je gezoek gaat te diep en is niet menselijk meer.
Je leeft niet op aarde, maar je zweeft in de ruimte.”
„Ik zweef en jij loopt op aarde en toch wil je zweven, wil je boven alles uit, maar je komt er niet boven uit, want je wilt het niet.
In mij is er leegte, natuurlijk, ik heb niets en ik ben niets, niets, Juan.
Maar ben jij daarmee tevreden?
Ben je met deze kunst tevreden?
Gaat je bezieling niet dieper?
Noem je dit geluk?
Raakt je kunst het waarachtige?
Is daarin diepte?
Mijn hemel, Juan, zweef toch, durf toch te zweven, voer ons naar die oorden, ver van deze bekrompenheid weg, laat ons voelen dat er meer is dan wij tot nu kennen en begrijpen.”
O, als ik iets in eigen handen had, als God mij gaf wat jij bezit.
Voor niets was ik beangst, mijn eigen leven zette ik daarvoor in, Juan, en dat te kunnen is heerlijk, is het enige waardoor het leven waard is geleefd te worden.”
„Je bent opstandig, Alonzo.”
„Noem je dit opstandig zijn?
Is er in mij ontevredenheid?
Dan voel je mij verkeerd, Juan, je begrijpt mij dan niet, want ik ben niet opstandig.
Ik wil alléén weten, ik voel en ik denk en ik zoek en zal blijven zoeken.
Ik ben niet in opstand met dit alles, maar ik kom tot ontevredenheid, omdat ik niet aanvaard dat God ons kan verdoemen.
Mijn zoeken en voelen is natuurlijk, maar vreemd, omdat ik te diep zoek en mijn gevoelens niet tot bewustzijn komen.
Ik ben anders dan jij, Juan, en toch, ook jij zoekt, je smeekt om te mogen weten.
En je wilt dienen, ons de ogen openen en toch ben je zelf een zoeker.
Wij zullen maar ophouden, want wij komen toch niet verder.”
Ik ging heen en de jaren gingen voorbij en ik werd zesentwintig.
Mijn dieren hadden voor mij het raadsel niet kunnen oplossen, maar mijn verlangens om te mogen weten werden steeds heviger.
Ook de kloof tussen mij en mijn Moeder was niet te overbruggen, die mogelijkheid had ik haar ontnomen, nu ik mijn afkomst negeerde en een eigen weg bewandelde.
Op een goede dag kreeg ik bezoek van een priester, doch hij ging spoedig heen en was van mij niet wijzer geworden.
Mijn voorliefde voor de dieren keerde in mij terug en ik begon opnieuw hun mijn wil op te leggen.
Door concentratie kreeg ik de dieren onder mijn wil en dan kon ik met hen doen wat ik zelf wenste.
Mijn Moeder vond het een zinloos gedoe, maar ik gaf het niet op.
Toen mijn lievelingshond jongen kreeg, was ook dat een groot en diep raadsel voor mij; ik waakte dag en nacht bij het moederdier, want ik vond het wonderbaarlijk.
Zeven jongen werden er geboren.
Zomaar vanzelf.
In haar lijf waren ze gegroeid en tot bewustzijn gekomen.
Ook dit was voor mij een groot raadsel.
O, die natuur, die ondoorgrondelijke natuur.
Tot God bad ik dag en nacht, om te mogen weten en al Zijn Leven te mogen kennen.
Doch God hoorde mij niet, en bleef ver van ons mensen verwijderd.
Maar vanwaar kwam het leven in deze diertjes en in ons mensen?
Vanwaar?
Hoe geschiedde dit wonder?
Hoe natuurlijk kwam dit alles tot stand.
Hoe eenvoudig eigenlijk en toch zo diep, zo ontzaglijk diep, dat ik dacht krankzinnig te worden, alléén door mijn gezoek.
Vroeg ik teveel?
Mocht ik niet zoeken?
Had mijn Moeder de waarheid?
Was haar geloof het énige geloof en voldoende?
Waarvoor was ik eigenlijk op aarde?
Waarom zocht ik, voelde ik al die onrechtvaardigheid en leefde er in mij dit gevoel?
Had deze geboorte een betekenis?
Moesten al die dieren geboren worden?
Kwamen ook zij in de hemel?
Waarvoor waren eigenlijk al die dieren?
Het menselijke leven was niet veel anders dan van het dier.
In de mens lag er bewustzijn, hij kon denken en voelen, ook de dieren voelden en dachten, alleen iets anders.
Toch gingen wij één weg, allen werden geboren en moesten weer sterven.
Al dat leven was slechts éénmaal op aarde?
Dat kon ik niet aanvaarden en ik kwam er niet achter, maar bleef zoeken.