Een leider

Enige dagen later kreeg ik opnieuw met mijn Vader verbinding.
Lang behoefde ik niet te wachten en ik vroeg: „Bent u hier, Vader?”
„Ja, mijn jongen, maar ik ben niet alleen.”
„Wie is er bij u?”
„Er is iemand bij mij, Alonzo, die heel veel te vertellen heeft.
Hij zal mijn taak overnemen.
Hij zal je heel mooie gedachten brengen.
Wees gelukkig, Alonzo, deze geest is „Liefde”.”
„Hoe moet ik u danken, Vader.
U weet niet, hoe dankbaar ik u ben.”
„Je moet nu even naar mij luisteren, Alonzo.
Daarna ga ik heen.
Er komen moeilijke tijden voor je, maar je weet nu dat ik leef en dat ik je eens aan deze zijde zal opwachten.
Je moet krachtig en flink zijn, mijn jongen, want ik ben erg trots op je.
Dit is jouw geloof, Alonzo, niets, niets anders.
Ik breng je de groeten van Geraldo, je andere broer kan ik niet zien, omdat hij naar de aarde terugkeert.”
„Meent u dat, Vader?”
„Heb ik je niet gezegd, Alonzo, dat wij meermalen op aarde leven?”
„Het is zo ongelooflijk, Vader.”
„En toch, mijn jongen, de waarachtige werkelijkheid.
De Schepper van hemel en aarde heeft het zo gewild.
Wij moeten dit aanvaarden.”
„Wie zal dit aanvaarden, Vader?”
„Jij, mijn jongen, en allen die voelen, die bewust zijn.
Ik moet nu plaats maken voor een meester en ik vraag je, geef hem al je liefde die in je is.
Hij is zeer groot en machtig.
Wil je, mijn jongen?”
„Niets liever dan dat, Vader.”
„Ons samenzijn was slechts kort, mijn kind, maar het is Gods wil.”
„Ik wil u niet tegenhouden, Vader, en ik zal mijn best doen.
Nog één vraag.
U vindt dus goed, dat ik verder ga?”
„Ik zou niets liever willen, mijn jongen.”
„Ik bedoel, Vader, dat ik mij hiervoor geheel geef?”
„Luister, Alonzo, naar hetgeen de meester tegen mij zegt, ik zal zijn gedachten aan je doorgeven.
Gaan de dingen van uw Vader niet boven alles, wat er op aarde is?”
„Hoe verheven, Vader, ik heb hier geen woorden voor en verheug mij nu reeds om mijn meester te ontvangen.”
„Wil je nogmaals luisteren, Alonzo?”
„Gaarne, Vader.”
„Als de stilte om en in je is, de dag in de nacht overgaat en de slapenden dromen van schone dingen, die zij niet zien, maar toch voelen, als uw ziel geopend is en gij mijn stilte voelt, dan zal ik tot u komen en de nacht lost voor u op en uw gebed zal zijn de liefde, die van ver tot en in u komt.”
„Prachtig, Vader, o, laat mij schrijven, laat mij deze vreemdeling ontvangen.
Ik ben gereed, ik wil alles doen en mijn hart voor hem openen.”
„Je zal hem ontvangen, Alonzo.
Ik ga nu heen.
Dag, mijn jongen?”
„Dag Vader, ik dank u.”
Mijn hand hield met schrijven op.
Toen kwam er stilte in mij en opnieuw schreef mijn hand: „Goedenavond, kind der aarde.
Ik kom tot u en breng u een boodschap; het is een boodschap van geluk, van vrede en bewustzijn.
Ik vraag u, om alleen in de nacht te schrijven en slechts driemaal in de tijd, dat men bij u een week noemt.
Verdeel dus deze tijden en ik kom tot u.
U kunt mij vragen stellen.”
„Wie bent u, geestelijke meester, bent u een vlinder en zijn uw kleuren te zien?”
„Waarlijk, mijn vriend, ik heb vleugels en mijn kleuren zijn die van een regenboog bij volle zonneschijn.
Deze kleuren kent u niet en uw ogen zouden mijn licht niet kunnen verdragen, omdat uw ziel niet geopend is.”
„Ik wens u goedenavond.
Kom in mijn nederig huis, vreemdeling, en zet u neer.
Ik dank u hartelijk.
Naar het mij schijnt bent u gereed, uw welsprekendheid is volkomen.”
„Ik dank u, aardse vriend, voor deze hartelijke ontvangst, die mij streelt als de zachte hand van het kind de moeder, van wie het geluk heel groot is.”
„Bent u een dichter?”
„Hoe kunt u mij deze vraag stellen.
Is eenieder niet een dichter, die het leven voelt en kent?
Kunt gij „ingaan” in dat, wat God geschapen heeft, zonder uw hoofd te buigen?
Kunnen er dan andere gedachten in u zijn, als gij voelt rust, vrede en geluk?
Er is dan liefde in u en wie liefde voelt is een dichter des levens.
De taal, die u dan neerschrijft komt uit dat wat de ziel voelt, die heel diep is en het eeuwigdurende raakt.
Is de boer op het land niet een dichter van het veld?
Wat hij plant, groeit en bloeit.
Volg dat, mijn vriend, en gij ziet „Hem”, die dichtte in de stilte en die stilte noemt men werking.”
Ik dacht aan mijn vrienden, wat zij hiervan zouden zeggen, maar de vreemdeling schreef: „Verheug u niet over hen die blind zijn en toch ogen bezitten om te zien.
Deze werkelijkheid kunnen zij niet aanvaarden, want zij zijn onbewust.
Zij zijn voor deze wonderen niet gereed, mijn vriend, doch zij, die innerlijk voelen, zijn u zeer dankbaar en zij lezen gretig hetgeen wij door u neerschrijven.
Zij zijn als kinderen, vriend der aarde, want de ouderen zijn niet bewust.”
„Waarom is er zoveel onrechtvaardigheid?”
„In uw ogen zijn al die gebeurtenissen onrechtvaardig.
In mijn ogen alleen werking en het tot God terugkeren.”
„U wilt toch niet zeggen, dat het goed is en liefde betekent?”
„Het verheugt mij in u werking te zien en te voelen, dat eigenlijk opstandigheid is en het „niet” begrijpen van de wonderen, of ik zou heengaan, want met levende doden valt niet te spreken.
Al die mensen moeten opnieuw geboren worden en daarop te moeten wachten, dat is niet mogelijk.
Maar ik vraag u, waarde vriend, wie sprak er van „liefde”?”
„Ik heb u begrepen, ik dank u.”
„Ik sprak van werking, want er is alléén werking, onrechtvaardigheid is er nimmer geweest.”
„Maar ik zie toch overal onrechtvaardigheid en de mensen gaan te gronde, is dat de bedoeling?”
„Wij kennen alléén werking, er is geen kwaad op aarde, ook geen onrechtvaardigheid, alles is „oorzaak en gevolg”, dat wil zeggen werking én goedmaken.”
„Niemand zal dit kunnen aanvaarden.”
„Weet u, dat de straf die u ontvangt, het vereffenen is van een bedreven daad?”
„U gaat heel diep, vreemdeling.”
„Als men u straft en gij weet dat u hebt goed te maken, wat zijn dan uw gevoelens?”
„Ik zou dankbaar zijn en gelukkig, eerst dan ga ik immers verder?”
„Kijk, mijn vriend, de wonderen die door mijn Vader geschieden hebben een diepere betekenis, die gij mensen voelt en ziet als onrechtvaardigheid.”
„Nu begrijp ik u, maar al die ellende dan op aarde?”
„Als gij een bedelaar een aalmoes geeft, vraagt gij dan wat hij er mee doet, wanneer u afstand doet van uw gaven?”
„Gij zijt zeer diep, meester, maar wat betekent dit?”
„God gaf u „Zijn Eigen Leven”, gaf u en mij alles en vroeg „Hij” wat doet gij met uw eigen leven, dat toch „Mijn Leven” is?”
„Wat wilt u hiermee zeggen?”
„Dat God geen onrechtvaardigheid duldt, armoede, noch leed, noch smart, God gaf alles, God gaf „Zijn Eigen Leven”.
Maar mijn vriend, hoe is ons leven geweest?”
„U maakt mij beangst, meester, uw woorden zijn als van een heiden, en voor hen die zich priester noemen bent u des duivels.”
„Bent u zich bewust van vorige levens?”
„Ik weet niet eens, dat dit mogelijk is.”
„Hebt u de natuur in alle stadia kunnen volgen?”
„Ja, want ik houd veel van dieren.”
„Zeer juist, maar alleen om hun uw wil op te leggen, meer ook niet.”
„U weet hiervan?”
„Toen u nog niet geboren was, waarde vriend, kende ik u reeds.”
„Wat zegt u?”
„Ik zie in uw innerlijk leven.
Honderden jaren terug kende ik u.”
„Maar dat is toch niet te aanvaarden?”
„U twijfelt, en dat is heel duidelijk, want u bent niet bewust.
Uw vraag is van hen die wanhopen, die aan zichzelf twijfelen en aan al de wonderen, omdat uw ziel niet geopend is.
Ik herhaal, gij kent de natuur niet, in het aardse leven bent u onbewust.
U kent het leven niét.
Gaf God niet aan de vogels, wat des vogels is?
Waarom is er nacht op aarde?
Waarom licht en duisternis in onze wereld?
Waarom bent u daar en leef ik in mijn eigen hemel?
Weet nu, dat ik God heb mogen leren kennen.
Weet tevens, dat, hoe ik ook zal spreken, mij alles heilige ernst is.”
„Ik schaam mij, meester, mijn ongeloof is afschuwelijk.”
„Als deze gevoelens niet in u waren, waart gij levend dood, het goede en het kwade is in ons.
Hij, mijn vriend, die beide erkent, is waard te leven, is machtig en diep en zal „ingaan” in het huis mijns Vaders.”
„Dat zei Christus!”
„Weet u, waarde vriend, dat ik zijn zoon ben en dat uw dieren zijn kinderen zijn?”
Ik dacht aan profanatie en onmiddellijk werd er geschreven: „Uw gedachten zijn van hem of haar, die God niet kennen en toch over Hem spreken.”
„Machtig is alles wat u zegt, vreemdeling, ik ben u dankbaar.”
„Als die machten in u waren, had u mij niet nodig, maar de deuren van uw ziel zijn gesloten, doch u bent gereed om mij te volgen.”
„Bent u overtuigd, dat ik ernstig wil?”
„Bent u ervan overtuigd, vriend der aarde, dat als uw hart breekt, gij toch voor uw God zult glimlachen?
Ook dan, wanneer u levend verbrand wordt?”
Ik schrok, daarvan had mijn Moeder gesproken, en was het gevaar voor de kerk.
Ik vroeg: „Is dat glimlachen dan zo moeilijk?”
„Ik vraag u, kent u de duivel en zijn streken?”
„Heeft dat met mijn voelen te maken?”
„Is in u, mijn vriend, algehele overgave en wilt u de wonderen beleven?”
„Ja, gaarne, heel gaarne.”
„Zou u voor uw God alles kunnen geven en bent u gereed lief te hebben, hoe het leven ook is?
Ook dan, mijn vriend, als de duisternis over u komt?
Wel, stel mij dan vragen en al uw vragen zal ik beantwoorden.
Denk over dit alles na en ik kom tot u terug.
Ik groet u.”
Ik las alles na en vond het wonderbaarlijk.
Verheven was alles, maar diep.
In de middag bezocht ik mijn vrienden en las hun alles voor.
Hun antwoord vond ik verschrikkelijk.
Juan zei: „Je moet hem vragen, Alonzo, of hij God zelf is.”
Ik werd driftig.
„Jullie zijn blind, geestelijk onbewust.”
„Wees maar voorzichtig, Alonzo, of je wordt nog krankzinnig.
Dat is duivels gedoe.”
„Ik had gedacht, Carlo, dat je dit zou voelen.”
„Dat is een heiden, Alonzo, en voor ons te gevaarlijk.”
„Meen je dat, Juan?”
„Ik hoef niet te menen, Alonzo, je las het ons zelf voor.”
Ik ging heen, dieper hadden zij mij niet kunnen beledigen.
Ze waren niet te bereiken.
De dagen gingen voorbij, maar ik was zeer droevig.
Ik verlangde echter hevig om de vreemdeling te mogen ontvangen.
Op het afgesproken uur zette ik mij neer en wachtte af.
Dan begon mijn hand te schrijven.
„Goedenavond, mijn vriend, u ziet het, ik kom tot u terug.
Hebt u vragen te stellen?
Waarom bent u zo somber, zo onder invloed?
Van uw vrienden?”
„Weet u dit?”
„Ik was bij u en hoorde u tot hen spreken.”
„Dat doet mij goed en het stemt mij gelukkig, nu ben ik ineens genezen.
Het zegt mij, dat u mij helpen wilt.
Ik ben gereed.”
„Heb ik u niet gewaarschuwd?
Zij zijn blind.
Is mijn taal zo onwaarschijnlijk?
Laat het u niet storen, Alonzo.
Zij allen zijn levend dood.
Ik kom tot u om u te openen.
U kunt vragen stellen.”
„Vertel mij, wat ik moet doen.”
„Zijn mijn woorden u niet duidelijk genoeg?
Ga uw eigen weg, Alonzo, en u zal er geen spijt van hebben.
Zij zijn nog niet te helpen.
Ik ben geen God, Alonzo, ik doe mijn best om een kind van God te zijn, maar hun raad heb ik niet nodig.
Hun leven gaat in onbewustzijn voorbij.
Wilt gij hen volgen?
Goed, mijn vriend, dan ga ik heen.”
„Blijf in vredesnaam.”
„Wat u moet doen, Alonzo?
Gij kunt u nuttig maken in zeer veel dingen.
Open u zelf, als gij wilt en ik kom tot u.
Verheug u over uw eigen leven en dat van anderen en maak u gereed, zodat het leven tot u kan komen.
Grijp niet naar dingen, die boven uw eigen vermogen en voelen liggen, of gij bezwijkt, mijn vriend, en met u alle anderen.
Op welke wijze denkt gij uw God te leren kennen?
U ziet het, ook ik kan vragen stellen en u moet trachten ze te beantwoorden.”
„Is er een voortgaan, meester?”
„Hoe naïef is uw vraag, mijn vriend.
Uw denken en voelen is niet duidelijk.
U valt terug, gij zijt geraakt en wel door uw vrienden.
Ik schrijf immers door u.”
„Ik behoor dus tot de levend doden?”
„Dergelijke vragen kunnen alleen levend doden stellen, Alonzo, doch in u is gevoel, of ik ging heen.”
„Kunt u mij vergeven?”
„Er is niets te vergeven, Alonzo.
Natuurlijk is er een voortgaan.
Ziet u de wonderen van God zó nietig?
Alleen voor hen, die denken kunst te bezitten en toch leeg zijn in gevoel.
Hun kunst is zonder bezieling, zij weten niet wat bezieling is.
Als gij uw eigen leven inzet, Alonzo, kunt gij dat alleen lichamelijk doen, geestelijk is niet eens mogelijk, want gij zijt niets.
Ook ik ben niets en God kent ons allen.”
„Wat bedoelt u met inzetten?”
„Christus gaf Zijn Eigen Leven voor iedere ziel en ook wij, die in het licht leven, zijn gereed, doch wij zijn tevens beangst dat zij ons stoffelijk denken lief te hebben en dat is de bedoeling niet.”
„Wat u thans zegt is zeer leerzaam, meester.”
„Dat zou ik denken, Alonzo, doch diep, het raakt het eeuwigdurende leven.
Wij allen zijn gereed ons eigen leven in te zetten, Alonzo, voor iedereen, iedere ziel, man of vrouw, wij zijn gereed.
Op aarde is dat heel moeilijk, omdat deze liefde niet wordt begrepen.
Zij denken aan een stoffelijk wezen en het is de ziel, zij geeft, zij dient, zij gaat „in”, Alonzo, in alles, omdat wij Christus volgen.
Als God in u ontwaakt, Alonzo, volgt gij de Christus.
Dan bent u gereed u zelf geheel te geven en dan eerst is er bezieling in u.
Maar pas op, mijn vriend, het is heilig vuur en dat vuur voelt en begrijpt men niet, omdat het zeldzaam is.
In en om u leeft dit vuur, het is het gebed van het dier, dat zijn kinderen lief heeft en het aanvaarden van het werkelijke leven.
Voor het geluk van anderen kunt gij uw eigen leven inzetten en dat is machtig, heel machtig, Alonzo, doch weet, dat gij slechts Christus kunt volgen en alle liefde der aarde u niets zegt, als het eeuwigdurende zoek is.”
„U bedoelt, dat ik mij geheel moet geven?”
„In het leven op aarde is dat slechts ééns mogelijk.
En toch kunt gij u zelf in vele andere toestanden geven, doch God vraagt, vraagt het slechts éénmaal van ons allen en dan is het volmaakt.
Dan leeft u, dan bent u bezield, dan leeft u in de werkelijkheid en gij zijt gereed, alles en alles te aanvaarden.
Op deze wijze leert u het leven kennen en weet u, dat er meer soorten in één dier leven, maar dat dit leven een eigen weg te volgen heeft.
U denkt weer dat ik wartaal spreek, doch mijn ziel is er van vervuld en ik weet wat ik zeg.
Het valt mij moeilijk u al deze gedachten duidelijk te maken, omdat in u ligt boosheid, drift en uw persoonlijkheid is geraakt.
Uw somberheid doet mij denken aan Petrus, toen de haan driemaal kraaide en hij wist, wat zijn meester tot hem had gezegd.
Zijn ongelovigheid was toen ver van hem en Petrus ging „in”.”
„Wat bedoelt u met „ingaan” meester?”
„„Ingaan” betekent alles en alles te geven, te beleven het zuivere en natuurlijke, te zien en horen, zodat gij het ondergaat.
Wie „ingaat” stelt andere vragen en is bewust.
U kunt mij heden geen vragen stellen, gij staart u blind op de ongevoeligheid van uw vrienden en toch vraagt gij om geopend te worden.
U zou mij kunnen zien, doch uw ziel is gesloten en het „ingaan” in de wonderen van God kan aan u niet geschonken worden.”
„Wat bedoelt u met openen, vreemdeling?”
„Heeft Christus de apostelen niet één voor één geopend?
Waren zij voor al de wonderen gereed?
En zijn die wonderen voor uw wereld anders dan voor ons?
Waren wij allen, die nu hier leven, niet op aarde?
Zeker, Alonzo, wij voelen en denken anders dan daar, doch wij zijn gereed alles en alles te geven, want wij willen de waarachtige liefde leren kennen en hebben die liefde ontvangen, want wij gingen „in”.
Christus heeft ons geleerd, het in onszelf te zoeken en dan te dienen, voor anderen te dienen, zodat wij gereed zijn ziel en stoflichaam in te zetten.
Als u mijn licht wilt aanvaarden, Alonzo, zo zeg ik tot u, „ga in” en u leeft.
Allen die hier het licht bezitten zijn wakker en bewust, Alonzo, en begrijpen hun eigen leven en dat van anderen.
Als gij u niet kunt openen, dan acht ik mijn tijd verknoeid.
Het is thans natuurlijker, dat ik heenga en dan kunt u slapen, want gij zijt moe en in u is er leegte.
Voor nu bent u verzadigd, doch door het gif van hen die u kunnen raken.
Ik zoek de wateren des levens op, Alonzo, en vul mij geheel, zodat ik, wanneer ik terugkom, uw dorst lessen kan.
Vergeet niet te gaan slapen?
Op ons vastgesteld uur keer ik tot u terug.
U bent alleen.”
Toen hij was heengegaan en ik alles las, scheurde ik plotseling alles stuk, want ik begreep er niets van.
Het was om gek te worden.
Ik was bezeten en de satan schreef door mij.
Angst kroop mijn ziel binnen, angst voor vele mogelijkheden, die ik voelde.
De volgende dag ging ik aan het werk en wilde mij geheel voor de aardse dingen geven.
Mijn Moeder zei, dat er opnieuw een priester zou komen en ik vond het heel goed.
Voor enige dagen terug had ik hem de deur gewezen, nu echter vond ik alles goed en gehoorzaamde.
De eerwaarde kwam en zei: „Uw Moeder, geachte heer, laat mij roepen en gij weet waarom ik tot u kom.
Wij kunnen dus kort zijn.
Weet u, dat gij voor de kerk strafbaar bent?
Ik vraag u in uw eigen belang daarmee op te houden.
Uw zoeken is absoluut des duivels.
Gij zoekt verbinding met de satan.
Gij bezoedelt uw eigen omgeving en maakt het leven voor uw Moeder ondraaglijk.
Gij dwaalt en zult u zelf eeuwig verdoemen, als gij voortgaat het huis van uw Vader te bezoedelen.
Uw Moeder kan hier niet blijven, gij jaagt haar weg.
Een kind van God en een ketter onder één dak, dat is niet mogelijk.”
Ik keek naar de priester, maar hij ging verder: „Nog is het niet te laat, gij kunt tot ons komen en biechten, al uw zonden worden u nog vergeven.
Laat ons bidden.”
Een langdurig gebed volgde, rozenkrans na rozenkrans bad hij af, doch zijn geprevel maakte mij ineens wakker.
Al die koude nietszeggende gedachten deden mij rillen en beven van drift en ergernis.
Ik zag zijn God en mijn eigen God plotseling voor mij en ik was ineens overtuigd wat hij wilde, wie hij diende en wat zijn geloof was.
Ik luisterde, maar het koude zweet brak mij uit.
Toen hij ophield vroeg ik: „Wat ben ik u schuldig, eerwaarde?
Maar vergeet niet, ik ben slecht bij kas.
De dieren, die hier rondlopen, zijn ziek, of ik zou uw voorraadschuren gaarne willen vullen.”
„Bent u krankzinnig?
Hoe durft u?
Ik eis, dat u al deze woorden terugneemt, u bent bezeten, en uw ziekte is besmettelijk.
De satan is in u, de satan leeft hier in dit huis.
Uw Moeder moet weg, weg van hier, ik zal maatregelen treffen, hoort u?
U bent niet te helpen, uw gif is des duivels en gij zult de eeuwige verdoemenis ontvangen.”
Hij vluchtte weg en naar zijn kerk terug.
Mijn Moeder trad binnen en zei, dat zij heenging.
„Luister, Moeder, voor u heengaat, wil ik u het volgende zeggen.
Ik ben niet bezeten, Moeder, noch ziek, als ik ooit weet hoe te moeten handelen, dan weet ik het nu.
Ik doe geen verkeerde dingen en mijn zoeken zal mij niet slecht maken.
Blijf hier, Moeder, laat mij niet alleen.
Wat zal mijn Vader hiervan zeggen?”
„Je bent bezeten, Alonzo, ik blijf bij mijn besluit, de satan leeft hier.”
„Goed, Moeder, ga dan uw eigen weg, ik volg de mijne.
Eens zullen ook uw ogen worden geopend.”
Mijn Moeder ging heen en ik was niet eens droevig.
„Ga, mijn lieve Moeder, ga gerust, maar uw kerk volg ik niet.”
Ik ging naar mijn kamer en zocht het verscheurde papier op, maar ik wist alles, plotseling was het bewustzijn in mij gekomen.
De vreemdeling bedoelde het goed, nu was mij alles duidelijk.
Ineens was dit wonder tot mij en in mij gekomen.
Hoe dankbaar was ik, hoe gelukkig, dat ik mijzelf was gebleven.
Dit is wakker, dit is bewust, dat van hen levend dood, nu volg ik hem en allen die hun leven voor dit alles hebben gegeven.
Mijn hemel, hoe duidelijk is mij nu alles.
Hoe waar en natuurlijk is alles wat vanuit die wereld mij gegeven is.
Diezelfde nacht zette ik mij neer en kreeg het volgende: „Is uw kerk ingestort, Alonzo?
U bent een ketter en men bidt thans voor u.
Hebt gij hem en zijn God leren kennen?
Waarom zeg je zulke vreselijke dingen, Alonzo?
Je moet alles duidelijk trachten te zien en het goede behouden, niet alles vernietigen.
Zij zijn onbewust, Alonzo.”
„Waarom komt u eigenlijk nog tot mij?”
„Zei ik u niet, dat ik u wilde openen?
Maar wanneer u denkt het zelf te kunnen, wel, ik ga onmiddellijk heen en zal niet meer terugkeren.”
„Blijf in vredesnaam, ga niet weg.”
„Het is mijn bedoeling u te openen, meer niet, en dat is heel veel voor u en anderen, want gij ziet dan de dingen zoals ze zijn en kunt dan maatregelen treffen.”
„Had ik op deze wijze niet mogen spreken?”
„Gij kunt spreken zoals gij het verkiest, doch u had het ook anders kunnen zeggen.
Vergeet niet, Alonzo, hij is blind en gevoelloos.”
„Waarom begreep ik ineens alles?”
„Ik wil u immers openen?”
„U?”
„Ik, als gij mij wilt aanvaarden?
De woorden die u sprak waren niet van mij, ik liet u zien, en wel heel plotseling.”
„Dan ben ik u dankbaar.
Waarom haat ik al deze mensen?”
„Omdat gij het priesterschap kent, Alonzo.”
„Ik?
Hoe komt u daarbij.”
„Ziet u, Alonzo, wij zijn nu, waarin ik wil voelen en denken en u tracht te openen.
Gij waart eens een priester en wel een heel groot priester.”
„Meent u dat?”
„In onze wereld spreken wij niet over dingen die met leugen en bedrog te maken hebben, of ik behoor tot hen die geen licht bezitten en om mij is er licht.
Maar wij komen zo niet verder en u moet gereed zijn, voordat de dingen geschieden.
Hoort u mij?”
„U schrijft het, horen kan ik u niet.
Zoëven dacht ik u te voelen.”
„Als ik diep in u afdaal, Alonzo, dan zou ik u kunnen openen en kunt u mij in alles volgen en begrijpen, want er zijn vele wonderen in u, waarvan gij thans niets meer weet.
Wanneer de ziel op aarde terugkeert, vergeet zij alles uit dat vorige leven, want dit leven overheerst en is heel ernstig.
Het is alléén te voelen en dat voelen is machtig.
Uw Moeder ging heen, haar liefde voor de kerk is groter dan voor u en gij zijt Gods eigen leven, haar geloof is slechts kinderlijk bewustzijn.
En toch is ook zij Gods kind, maar zij moet nog ontwaken.
Denk niets kwaads, Alonzo, zij weet niet beter.
Maar wat zal er geschieden, Alonzo, voordat zij haar God voelt en ziet, zoals wij God hebben leren kennen?
Zij ging heen, omdat gij over wonderen spreekt die zij niet voelt, noch kent, toch is zij ook in haar eigen strijd heel krachtig, doch zij kan nimmer „ingaan”.
Haar weg is een doodlopend pad, Alonzo, en zij allen zijn ketters, hoort u mij, ketters, juist omdat zij zoveel bidden.
Blijf haar liefhebben, want hoe leerde ons Gods Zoon?
Om dat te kunnen, moet je de dingen zien zoals ze zijn, Alonzo.
Het goede en waarachtige is niet te vernietigen, ook dat van haar niet, en van die priester niet, van niemand.
Voelt u, mijn vriend, dat allen een deeltje van de werkelijkheid bezitten?
Wij allen moeten ontwaken, geestelijk geopend worden, ook zij, die haar God zoekt en denkt te bezitten.
Daarvoor ben ik tot u gekomen en wil u helpen, omdat uw leven het mijne raakt.”
„Wat moet ik met het geschrevene doen?”
„Gij behoeft niets te doen, Alonzo, u hebt alles reeds gedaan.
Er was een tijd dat u bewust was in al de wonderen en wetten van God, nu echter is in u gevoel en dat zullen wij samen openmaken.
In alle bewuste en onbewuste gevoelens moet gij toch kunnen handelen, want gij moet weten wie gij wilt volgen.
U zelf of God, Christus of de duivel.
Gij gaat één weg, Alonzo, gij kunt niet anders, want gij beleeft „oorzaak en gevolg”, zoals iedere ziel beleven moet.
Vanuit uw innerlijke leven kwamen plotseling die gevoelens omhoog en gij wist, wat te moeten zeggen, doch ook zij zijn Gods kinderen.
Is dat nu zo vreemd?”
„Neen, meester, het is mij duidelijk en ik ben u zeer dankbaar.”
„Ik zei u, Alonzo, ik breng u een boodschap.
Zijt gij tevreden?”
„Ja, meester, indien u niets meer te zeggen heeft, nú reeds ben ik heel dankbaar.
Zeg mij, vreemdeling, welk gevaar dreigt mij?”
„In u is droefheid, nietwaar?
Er dreigt niets, maar het leeft in u.
Het behoort u toe, Alonzo.
Het is in uw ziel aanwezig en het maakt deel uit van uw gehele persoonlijkheid.
Kan er droefheid in u zijn, nu u de wonderen leert kennen?
Als uw kist neerdaalt, Alonzo, geloof mij, gij zelf staat toe te zien naar dat wat u heeft gediend.
En God bent u dankbaar voor hetgeen gij dan waarneemt en uw bewustzijn is volkomen.
Zij, die achterblijven en zich leegschreien, Alonzo, zij zijn niet bewust, want de hemelen wachten hen op, omdat zij open-zijn en voelen dat God slechts liefde is.
Tevens is het mogelijk dat gij anderen steunt, die met u sterven en die gij opent, Alonzo, zodat uw liefde hen gelukkig zal maken.
Als gij gereed zijt en God roept u als één van Zijn kinderen, kan het alléén genade betekenen, voor u en allen die dit beleven.”
„U voert mij ergens in, u wilt mij voorbereiden, maar voor wat?”
„Zei ik niet, Alonzo, dat ik u wil openen?
En dat doe ik met hart en ziel, met alles wat in mij is.
Ga niet van mij houden, Alonzo, zoals mensen kunnen, waarvoor men zich opent, doe dat niet, of ik ga heen en keer nimmer bij u terug, gij hebt mij dan niet begrepen.”
„Bent u zo kort, raakt men u zo vlug, meester?”
„Een zeer natuurlijke vraag, Alonzo.
Neen, mijn vriend, dat niet, maar ik verspil mijn krachten niet, Alonzo, uw liefde behoort een ander toe.
U moet mij aanvaarden zoals ik ben.
Mij liefhebben zoals men dat op aarde beleeft, omdat gij van mij iets ontvangt, kennen wij in deze wereld niet.
Dan zou ik moeten heengaan.”
„Wat bent u hard.”
„Noemt gij dit hard zijn?
Ik ben op weg om te dienen, Alonzo.
Niet om liefde te ontvangen, maar om liefde te geven.
Maar o, wee, wanneer u mij niet voelt, zodat uw persoonlijkheid spreekt en gij denkt dat ik u om uw persoon liefheb.
In ons leven zijn wij zo vrij als een vogel in de lucht, maar wij geven ons geheel.
Wilt gij deze liefde aanvaarden, dan ben ik uw meester, ben dan verder dan u, toch ben ik uw dienaar.
De diepte van mijn liefde en allen die hier leven, raakt het geestelijke en is door leed en smart ontwikkeld.
Wij volgen Gods Heilig Kind, wij hebben lief alles wat leeft, Alonzo, omdat wij tot God moeten terugkeren.
Wie is voor ons gereed, deze liefde te ontvangen?
Zij, die begrijpen, die voelen en kunnen aanvaarden, die gereed zijn om te willen leren dat hun ziel geopend wordt.”
„U bent gereed uw leven voor iedereen in te zetten?”
„Ja, zeker, Alonzo, voor iedere ziel, als zij gereed is.”
„Nu zeker, nu gij niets meer te verliezen hebt?”
„Hoe naïef bent u nog.
In dit leven heb ik alles te verliezen.
In mij is licht en geestelijk bewustzijn.
Al mijn bezit zet ik in, wanneer ik mij geheel geef, want ook daarin kan ik mijzelf verliezen.
En dat betekent leed en smart en dan worden wij niet begrepen.
Dat niet begrijpen, Alonzo, breekt ons hart, omdat wij dan beleven dat men ons ziet als stoffelijke wezens en wij dachten toch reeds op weg te zijn, zodat die hogere bewustwording, het énige en allerlaatste in ons eigen leven, als volmaakte eenheid wordt gezien.”
„U bent zeer diep, meester.
Ons leven is anders en wij zullen ons zelf daarin spoedig verliezen.”
„Wanneer gij uzelf kunt verliezen, Alonzo, dan ligt daarachter, alles te ontvangen.
Het is Gods wil, dat wij telkens weer opnieuw sterven, doch door te sterven treden wij een ander en hoger bewustzijn binnen.”
„Dat is mij heel duidelijk en begrijp ik volkomen.
Maar is dat hier in toepassing te brengen?”
„Juist op aarde, Alonzo.
In onze wereld is dat weer veel moeilijker.
Gij bezit op aarde alles, gij kunt op verschillende wijzen anderen helpen en gij dient niet alleen anderen, doch tevens u zelf.
Niemand doet iets voor anderen, Alonzo, alles doen wij voor onszelf, daardoor gaan wij verder.”
„Maar dat is toch niet duidelijk?”
„U ziet het, hoe moeilijk alles is.
Het zal u thans ook duidelijk zijn, dat wij geen liefde willen ontvangen.
Wij geven niet, wij dienen niet, omdat wij iets terug moeten ontvangen, Alonzo.
Christus gaf zichzelf en wel geheel, ook wij willen Hem volgen.
Wanneer ik toch moet aanvaarden dat u mij lief hebt, is mijn dienen niet volkomen, omdat ik andere gevoelens in u wakker maakte.
Ik moet kunnen dienen in het volle bewustzijn om verder en hoger te kunnen komen, maar dit dienen heeft met mijn eigen persoonlijkheid niets uit te staan.
Allen aan deze zijde willen zichzelf geheel geven, zetten zichzelf in, en doen dat voor eenieder.
Als zij niet worden begrepen, Alonzo, laat men hen die ontvangen aan hun lot over, totdat zij kunnen aanvaarden, alléén dat, wat hen opent en de ziel doet ontwaken.
Meer niet, Alonzo.”
„Het is prachtig, meester, om zo te dienen.”
„Zie naar Gods Kind, Alonzo, steeds, eeuwigdurend, en gij volgt de waarachtige liefde.
Het leven op aarde is om al deze wetten te beleven.
Dat betekent, dat het „oorzaak en gevolg” in iedere ziel aanwezig is en allen moeten aanvaarden wat het aardse leven hun oplegt.
Als het heilige vuur, dat bezieling heet, in u komt, pas dan op, mijn vriend, of men verklaart u voor bezeten.
En dat is verschrikkelijk, want gij staat dan alleen en wordt niet begrepen, maar vergeet nimmer, dat wij alleen moeten zijn, willen wij het volmaakte kunnen bereiken.
Zij, die ontwaken, gaan op weg om anderen te helpen.
Zo zijn wij allen op weg en dienen.
Eens komt hieraan een einde, Alonzo, en dan zijn wij gereed het allerheiligste te ontvangen en begrijpen wij het leven van God.”
„Ik ben u zeer dankbaar.”
„Ook ik, Alonzo, want gij wilt naar mij luisteren en gij begrijpt, dat ik alleen hier ben om u te openen.
Gij voelt het zeker, mijn vriend, het is de leerschool, want wij moeten het zelf weten en die wetenschap moeten wij ons eigen maken, eerst dan kunnen wij anderen helpen.
Als gij denkt alles te kunnen geven wat in u is, zet dan ook alles in en gij ontvangt God en u gaat „in”.
Gij ziet dan het leven van God in ’s mensen ziel ontwaken en dat ontwaken is het wakker worden van de geestelijke persoonlijkheid.
Als die heiligheid in u is, dan brandt in u het heiligste vuur dat bezieling heet en straalt uit u en over hen allen die willen ontvangen.”
„Het is prachtig, meester, doch gij bereidt mij ergens op voor?”
„Zei ik u niet, dat ik u wilde openen?
Daarvoor is heel veel kracht nodig, maar u bent bezig te ontwaken.”
„Is dat ontwaken zo gevaarlijk?”
„Jazeker, omdat gij dan niet wordt begrepen.”
„Is het mogelijk, dat ik u eens zie?”
„Gij zult mij eens zien en herkennen.”
„Merkwaardig is ook dat.
En daarna?”
„Dan bent u bewust van uw eigen levens, als geen sterveling op aarde dat is.
Gij zult eerst dan uw innerlijk geluk begrijpen.
Een ander bewustzijn is er dan in u, zodat gij in vele levens kunt waarnemen.”
„Is dat mogelijk?”
„Voor God is alles mogelijk.
Aan deze zijde leert gij uzelf kennen en ziet gij al uw Vaders en Moeders, uw broeders en zusters.”
„Wat zegt u?”
„Dat wij duizenden ouders bezitten en ook u kinderen baarde.”
„Dat wil zeggen, dat ik man en vrouw ben geweest, of nog moet worden?”
„Hoe onwaarschijnlijk dat ook is, Alonzo, toch spreek ik over heilige wonderen en die wonderen moeten wij mensen als innerlijk leven, als ziel beleven.
God schiep ons mensen en al het andere leven.
Ook het dierenleven moet deze weg volgen.”
„Gij gaat steeds dieper, ik kan u niet meer volgen.”
„En toch is het bewustzijn in u, al deze wonderen zijn in u, gij hebt ze dus reeds ontvangen.”
„Maar ik weet er niets van.”
„Het gevoel dat in u ligt, dat gij zelf zijt, dat de ziel zich eigen maakte en als gevoel wordt gevoeld, raakt dit bewustzijn, dat zich in uw zoeken en verlangen openbaart.
Als u dit duidelijk is, Alonzo, dan voelt gij, dat de ziel zich al deze gevoelens eigen moet maken en daarvoor zijn levens nodig.
In één kort aards leven is dat niet te bereiken.
Wij keren tot God terug, vergeet dit nimmer.”
„Het is niet te aanvaarden en toch lijkt het mij zo natuurlijk.”
„Ziet u, Alonzo, gij wordt wakker en bewust.
Er zijn levens geweest waarin wij allen moeder waren en de wetten en wonderen van God beleefden.
Kunt u dit aanvaarden, Alonzo?”
„U gaat heel ver, mijn brein kan het niet verwerken.”
„Ik zou nog verder kunnen gaan en u zeggen, dat u al deze wonderen hebt gekend, eens in de wetten leefde en al die wonderen hebt ontvangen.
Ik zei immers, eens was u een groot priester.”
„U spreekt als een God.”
„Gij denkt opnieuw aan profanatie, ik verzeker u, dat ik slechts een kind ben en ik bezig ben een goed kind van mijzelf te maken.”
„Loopt u daar zoals wij hier moeten doen?”
„Ook deze vraag is niet duidelijk, Alonzo.
Weet u, hoever mijn hemel van deze plaats verwijderd is?”
„Neen, dat weet ik niet.”
„Als ik spreek van biljoenen dagmarsen, schrikt u.
Als ik zeg, dat mijn hemel hier in deze kleine ruimte ligt, kunt gij mij niet aanvaarden en toch, Alonzo, miljoenen jaren zoudt gij nodig hebben om deze afstand af te leggen en dan nog moet gij aanvaarden, dat gij mijn hemel niet kunt bereiken.
Ik vraag u, kan ik die afstand in slechts één seconde te voet afleggen?”
„Waar voert u mij heen?”
„Ik breng u „tussen leven en dood”, mijn vriend, en gij leert de wetten kennen en daardoor zal ik u openen.
Weet u, Alonzo, dat ik sneller ga dan het licht?
Dat ik zo vlug ga als mijn gedachten zijn?”
„Nu wordt u interessant, vreemdeling.
Hoe kan dat?”
„Ik bezit de snelheid van de gedachte.
Ik wil naar de aarde gaan en u bezoeken, ik stel mij daarop in en als de bliksem zo snel vlieg ik door de ruimte en ben met u één.
Ik kan gaan waarheen ik wil, de ruimte behoort mij toe.”
„Wonderlijk is dat.
Ontvangen ook wij die genade?”
„Als gij u innerlijk wilt openen, ja, Alonzo, eenieder.
Doch daarvoor is heilige ernst nodig en een krachtige persoonlijkheid.
Dan is uw tijd kostbaar en hebt gij geen tijd te verliezen.”
„U maakt mij angstig.”
„Is er in u angst?
Voor wat?
Voor de dood?
Nu gij weet dat er geen dood is?”
„Neen, duizendmaal neen, meester, ik heb geen angst voor de dood.
Die angst heeft u mij ontnomen.
Daarvoor ben ik u innig dankbaar en zal dankbaar blijven, ook al wilt u mijn liefde niet.”
„Ook dat is de bedoeling niet, Alonzo, hoe gaarne ontvang ik uw liefde, doch gij moet mijn persoonlijkheid aanvaarden zoals die is, niet mijn persoon liefhebben.
Gij moet in mij het leven van God zien en voelen en dat lief te hebben zal u openen.
Dan volgt u mijn eigen leven en gij zult dan „ingaan” in dat, wat eeuwigdurend is.”
„Ik ga u begrijpen, meester.
Ik ben gereed u in alles te volgen.”
„Ziet u, Alonzo, dan zou ik gereed kunnen zijn.
Ik zou dan voor korte tijd kunnen heengaan en dan kunt u dit alles verwerken en beleven.
Gij moet nimmer vergeten dat, waar gij ook bent, ik steeds tot u kan komen, ook al waart gij in het binnenste der aarde.
Wanneer gij dan zover zijt gekomen en u denkt mij nog nodig te hebben, zo kunt u mij roepen.
Wat denkt ge, Alonzo?”
„Mij lijkt dat heel goed, want ik moet dit kunnen verwerken en daar heb ik enige tijd voor nodig.
Ik zal nog eens met mijn vrienden praten, wellicht zijn zij thans zover.
Als u daarna tot mij zoudt willen terugkeren?”
„Maar natuurlijk, Alonzo, gij kunt op mij rekenen.
Hoor nu, mijn vriend, ik wil u roepen, uw naam uitspreken.”
Ik hoorde een zachte stem zeggen: „ALONZO ...
A..L..O..N..Z..O.”
„Als gij dit nogmaals hoort, mijn vriend, dan hoort u mij en dan kom ik tot u.
Zijn wij daarin gereed?”
„Ja, meester, ik dank u.”
„Vergeet niets, Alonzo, wees sterk en ik verzeker u, dat gij hemelse liefde zult ontvangen en mijn God en uw God, de God van al het leven leert kennen.”
„Ik zie uw licht, kan dat?”
„Heel goed, Alonzo, ik wilde mij aan u vertonen.”
„Prachtig bent u, o, hoe groot is uw licht.”
„Dit licht, Alonzo, zult gij u eigen maken en heel veel van dit licht is in u.
Ik ga heen en kom tot u terug.
God zegene u, mijn vriend, ik help u in alles.”
De vreemdeling ging heen en ik zonk in mijn stoel ineen.
Angst kwam er in mij, angst, een afschuwelijke angst.
Toch trachtte ik te slapen.
Na korte tijd viel ik dan ook in slaap, doch ik voelde, dat het door andere krachten geschiedde.