Bezetenheid

Op zekere dag was ik met enige jongens naar de Nijl gegaan om te baden.
Wij bleven de gehele middag in het water spelen, totdat de zon onderging.
Toen keerden wij naar huis terug en onderging ik de vele vragen, die mij werden gesteld en gaf mijn ouders antwoord.
Zij gingen na het eten in de tuinen een wandeling maken.
Toen zij terugkeerden, werd ik in bed gestopt, doch op hetzelfde ogenblik voelde ik iets vreemds over mij komen, waarna mij een hevige slaap overviel en ik wist van niets meer af.
Korte tijd daarna, toen alles rustig was, aanvaardde ik mijn reis naar die andere wereld.
Al spoedig was ik ver van mijn stoffelijk lichaam verwijderd en zweefde ik weer in die machtige ruimte.
Het in diepe slaap neerliggende lichaam rustte, doch ikzelf leefde in vol bewustzijn in een andere wereld.
Vele andere mensen kwam ik tegen, die als ik vleugelen hadden.
Ik hoorde hen spreken en zij glimlachten mij zelfs toe, wat mij goed deed en gelukkig stemde, doch zij volgden een eigen weg.
Wanneer ik uit mijn stoffelijk lichaam ging en reizen maakte, dan voelde ik mij als een volwassen mens, doordat er een hoger bewustzijn in mij kwam en kon ik denken en voelen als volwassen mensen.
Mijn kinderlijke leeftijd loste geheel op.
De natuurlijkheid hiervan begreep ik volkomen, maar ook van de mogelijkheid was ik overtuigd; het was wonderbaarlijk.
Doch waarom ik plotseling die volwassen toestand aanvaardde of ontving, wist ik nog niet.
Ook in mijn aardse lichaam, waarin ik nog een kind was, overviel mij soms die kracht, die zich als ouderdom en volwassen-bewustzijn aan mij opdrong; die kracht leerde ik kennen en betekende een persoonlijkheid.
Toen ik zo voortzweefde, voelde ik onverwachts van achteren iets vreselijks tot mij komen en mij omdraaiende, zag ik een mens, die tot mij sprak: „Dag, Venry!”
Onmiddellijk vroeg ik: „Kent u mij en wie bent u?”
„Ik ben je vriend, Venry, en ik ken je reeds lang.”
„Vanwaar kent u mij?”
„Uit deze wereld, uit die, waar je leeft en van vroeger.”
Ik keek naar hem, doch voelde, dat hij mij bedroog en antwoordde: „Ik haat u, want u liegt.
U en uw gedachten haat ik!
U maakt van mij een onnatuurlijk kind.”
Het vreemde verschijnsel, dat ik nu beleefde, begreep ik niet dadelijk, maar ik las dit weten uit zijn ziel en wezen af.
Hij was echter daardoor niet het minst gestoord.
„Vind je het niet heerlijk, Venry, om als een volwassen mens te kunnen denken en voelen?
Kom, Venry, je moet niet boos op mij zijn, want ik geef je kracht om heel veel dingen te begrijpen, wat je zelf niet kunt.
Je moet op deze wijze niet tot mij spreken, het is heel ondankbaar van je.”
Toen hij tot mij sprak, zag ik de betekenis van zijn gehele wezen en het doel van zijn komst.
Aan mij trok het ene na het andere tafereel voorbij en ik zag, wat hij van mij wilde.
Op dit ogenblik zag ik, wie hij was; ik zag, dat hij een priester was geweest en mijn Moeder lief had, maar dat hij die liefde vanuit zijn wereld wilde bezitten, door geweld desnoods; doch door mij trachtte hij het te bereiken.
Nog meer voelde ik in hem, maar dat bleef voor mij onzichtbaar.
Toen zag ik mijn ouders.
Mijn Moeder was een priesteres geweest.
Door hem kwam ik tot mijn ouders, maar om hen allen lag een dicht waas.
Dit verborg een groot geheim, dat ik duidelijk voelde.
Ik kon er echter niet doorheen zien.
In dit dichte waas zag ik drie mensen.
Hij voelde dit blijkbaar en glimlachte.
Hij, die tot mij gekomen was, had met mijn ouders te maken.
Als priester had hij mijn ouders gekend, had mijn Moeder lief gehad, doch die liefde werd niet beantwoord.
Mijn Moeder minachtte hem.
In mijn Vader had zij een goed en eerlijk echtgenoot gevonden en ontvangen.
Maar deze vreselijke mens, die mij tegemoet getreden was, onder wiens invloed en wil ik reeds geruime tijd stond, die van mij maakte die ik thans op aarde was, wilde het geluk van mijn ouders van deze wereld uit vernietigen.
Dit alles zag ik en zelfs heel duidelijk, doch ik verafschuwde en haatte deze mens en wilde, dat hij heenging.
Zijn hoongelach klonk mij tegemoet.
„Je ziet, Venry, dat ik goed vind, dat je alles van mij weet.
De gaven die je bezit, had ik op aarde moeten hebben, dan, geloof mij, was alles anders geweest.
Zij waren mij dan niet voor geweest en ik zou daar nog leven.
Wellicht had ik haar, die je Moeder is, aan mijn hart mogen drukken, waardoor ik de liefkozingen onderging, die je Vader ontvangt.”
Toen hij over mijn Vader sprak, stiet hij een satanisch gelach uit, dat mij pijn deed.
„Waarom bespot gij mijn Vader?”
Hij negeerde mijn vraag en ging verder:
„Maar die harten zal ik breken; ik zal je Vader leren mij te bedriegen, want ik ben hier zo vrij als een vogel in de lucht.
En je ziet het, Venry, dat ik je kan vinden en zelfs bereiken, dat ik bovendien kan doen wat ik wil.”
Ik vervloekte hem en keek naar deze afschuwelijke mens.
Zijn blik tartte ik en voelde, dat hij mij niets kon doen; er was een andere kracht in deze ruimte, die over mij waakte, die sterker was dan hij, ofschoon hij mij thans kon bereiken.
Ik moest dit alles beleven.
Dit gebeuren had misschien een grote betekenis.
In stilte bad en hoopte ik op hulp en riep om mijn Vader.
Dit voelde hij en wat er toen met mij geschiedde was zo ontzettend en afschuwelijk, dat het mij als de bliksem zo snel naar mijn stoffelijk lichaam zond.
Met een vaart, als een ster door het luchtruim vliegt, plofte ik in mijn lichaam en werd wakker.
Toen ik mijn ogen opsloeg, stonden mijn ouders naast mijn bed.
Mijn hart klopte in mijn keel en mijn gehele lichaam rilde en beefde van ontzetting.
Voor mijn ouders voelde ik een diep medelijden, doch even daarna was dit medelijden alweer uit mij weg.
Ik was nu mijzelf en niet mijzelf; voelde mij buiten en toch weer in mijn eigen lichaam.
Iets dergelijks had ik nog niet beleefd.
Toch kon ik alles waarnemen en keek naar mijn eigen lichaam en ik zag, dat mijn ogen die van mijn Vader zochten en naar het scheen, kon hij de mijne niet weerstaan.
In een onverklaarbare toestand leefde ik thans.
Wij bleven elkaar aankijken, maar mijn Moeder volgde hetgeen er geschiedde.
Ik zag, dat mijn gelaat als een masker was.
Mijn eigen gelaat scheen gedeeltelijk te zijn opgelost.
Nu onderging ik een andere en vreemde wil en die bezat een ontzettende kracht.
Deze kracht wilde, dat ik mijn Vader haatte en hem onder mijn wil bracht.
Indien ik mij gewillig overgaf, want ik verzette mij hevig, dan deed deze kracht met mij, wat hij wilde en kon mijn Vader bereiken.
Ik was mij dus bewust van al deze krachten en voelde toch nog mijzelf.
Mijn Moeder voelde dit vreselijke gevecht en bezweek.
Mijn Vader droeg haar weg en keerde daarna weer tot mij terug.
Hij pakte een doek, maakte die nat en wikkelde mij daarin.
Waarom hij dat deed, begreep ik niet, maar ik voelde, dat hij zich op deze gebeurtenis voorbereid had en door de priester was gewaarschuwd.
Ik hoorde hem spreken, maar tot die andere mens, die in mij was:
„Gij schavuit, steler van het geluk, dief van levenskrachten, bezoedelaar van het priesterschap, gij donkere ziel, demon, ga uit dit kind, ga er uit, of ik roep God!”
Ik, die alles meebeleefde, onderging zijn verwensingen en vervloekingen, maar gedeeltelijk.
Ik was erbij tegenwoordig en toch weer zo heel ver weg en toch hoorde ik mijn Vader dicht in mijn nabijheid spreken.
De persoon, die ik in de ruimte gesproken had en wiens leven ik had leren kennen, hij, die krachten scheen te bezitten, die mijn ouders niet kenden, hem zag ik nu niet en toch was hij hier aanwezig.
De dag op aarde ging voorbij; het was intussen weer nacht geworden.
Terwijl mijn Vader opnieuw vervloekingen uitsprak, waardoor ik de bevestiging kreeg van mijn eigen weten, dat hij deze mens kende, ging ik door de muren heen en naar de kamer van mijn ouders.
Mijn Moeder had blijkbaar al die tijd gerust.
Ik zag, dat zij tot bewustzijn kwam, van haar bed opstond en ging bidden.
Vanuit die andere wereld zag ik op haar neer en voelde hoe gevoelig zij was.
Daarna verwijderde zij zich en ging naar mijn Vader.
Inmiddels had mijn Vader zijn verwensingen gestaakt en ik naderde hen beiden.
Ik daalde in mijn Moeder af, maar zij voelde haar hart hevig kloppen en haar overviel een rillen en beven, zodat zij om hulp riep en opnieuw bezweek.
In mijn wereld schrok ik van dit gebeuren en een diep medelijden trok mij nu in mijn eigen lichaam.
Mijn Vader bracht haar opnieuw weg.
Nu hoorde ik een afschuwelijk gelach en een demonische stem sprak vervloekingen uit, hetgeen ik alleen kon horen, doch wat voor mijn Vader was bedoeld.
Maar hij hoorde het niet.
Toen hoorde ik zeggen, en die stem drong tot diep in mijn zieleleven door, „ik kom terug; ik zal terugkeren, want ik geef het niet op.
Zij behoort mij toe, Ardaty, alleen mij.”
Zijn demonisch gelach hoorde ik opnieuw, doch daarna vervaagde ook dit geluid en viel ik in een diepe en natuurlijke slaap.
Kort daarna echter, maakte mijn ziel zich opnieuw vrij van het aardse kleed, en verplaatste ik mij.
Ik hoorde, dat mijn Vader zei:
„Venry slaapt nu rustig.
Heden ga ik naar Dectar en zal hem alles zeggen.
Ga jij nu rustig slapen; ik blijf nog bij onze Venry.
Bid voor hem, Moeder, je krachtig gebed heeft hem nu bevrijd.”
Mijn Moeder was weer bewust, maar ik verliet mijn lichaam en deze omgeving en zweefde een voor mij bekende omgeving tegemoet.
Het was, alsof men mij riep.
Ik zag mij verplaatst in de stilte en op een mooi groen grasveld, in een prachtige omgeving ontmoette ik Lyra.
Waarachtig, dacht ik, Lyra heeft mij geroepen.
Toen zij mij zag, sprong zij op en begroette mij.
Van verre riep zij mij toe, „dag, mijn lieve Venry, je ziet het, als wij in nood verkeren, brengt een andere macht ons tezamen.
Gij waart zoëven in duivelshanden.”
„Van wie weet je dat?”
„Ik weet het van „hem”, Venry, die mij helpt en ook jou helpen zal.
Een geestelijke band verbindt ons en zal ons nog geruime tijd verbonden houden; maar dan gaan onze wegen uiteen, zegt hij, en ik zie en weet nu, wat wij eens deden.”
„Van wie krijg je deze waarheid en wie is hij?”
„Zoals jij ze ontvangt.”
„En ziet gij die mens, Lyra?”
„Neen, zien kan ik hem niet; maar ik heb slechts te smeken en hem te roepen en hij komt tot mij.”
„Is hij een man?”
„Ik geloof het wel, Venry, en een goed mens en hij zegt, dat hij mijn leider is.”
„Kunt gij daarvan op aan?”
„Ja, zeker, want in mijn dromen komt hij mij halen.
Ik ga dan uit mijn lichaam, zoals jij beleeft en door deze ruimte.
Op deze plaats leerde hij mij de bloemen, de kleuren en deze omgeving kennen.
Door hem leerde ik, dat er een andere wereld is, waarin mensen leven en al die mensen zijn op aarde gestorven.
Waar al die mensen zijn, dat weet ik niet, want ik heb nog niemand ontmoet.
En toch zijn hier heel veel mensen.
Misschien mag ik hen nog niet zien.”
„O,” zei ik, „ik heb heel veel mensen gezien.
Maar vertel mij, Lyra, hoe ken je mij zo goed?”
„Door „hem” weet ik, dat je eens mijn meester bent geweest, doch tevens mijn geliefde.
Je bent van mij en behoort mij eeuwig toe.
Ik weet, beste Venry, dat wij elkaar eens toebehoorden.”
„Weet je dat allemaal van hem?”
„Als ik buiten mijn lichaam ben, komt het vanzelf in mij.”
„Ben je dan oud of jong?”
„Heel oud, Venry.
In ons lichaam zijn wij beiden heel jong; maar die wijsheid komt uit ons diepe innerlijk en toch zijn wij nog kinderen.
Wie dit niet beleven kan, Venry, gelooft het niet eens.
Wanneer ik deze gevoelens volg, dan ben ik eens je vrouw geweest.
Wij werden toen uiteen gerukt, gemarteld en vervloekt, doch ook wij hebben anderen omgebracht.
Of het zijn wens is, dat wij elkaar nu weer zien, kan ik niet zeggen en is mij niet duidelijk.
Of wij deze liefde terugontvangen, evenmin.
Eén gevoel is er echter in mij, beste Venry, dat mij zegt, dat wij elkander terugzien.
De allergrootste liefde zullen wij ontvangen, waarnaar onze harten verlangen.
Het zal zo groots zijn, als de diepte van de ruimte waarin wij nu zijn.”
„Heb je nog meer vragen kunnen stellen, Lyra?”
„Ja, Venry.
Ik vroeg hem waarom hij mij tot je bracht.”
„En wat was zijn antwoord?”
„Hij zei: „Ik ben je geleider en zal dit voorlopig blijven.
Je moet weten, Lyra, dat ik je beiden ken.
Ik waak en zal blijven waken.
Hij, die je zult ontmoeten, wordt priester en gij een priesteres.
Gij beiden zijt één en zult één blijven.
Meer kan ik je nog niet zeggen.
Er kan je geen kwaad geschieden, ook hem niet, lieve Lyra; vergeet dit nooit.”
Dit alles kwam ik te weten, Venry.
Nu weet ik, dat je spoedig priester wordt, maar ook ik volg het priesterschap en zal hem vragen, of wij elkander mogen weerzien.
Hij zegt uitdrukkelijk, dat wij dit zonder zijn hulp niet kunnen, maar dat de Goden ons gewillig zijn.”
„Zouden andere mensen deze gaven bezitten, Lyra?”
„Dat weet ik niet, Venry.
Doch ik voel thans, dat wij spoedig naar onze lichamen moeten terugkeren.
Ik leef in een andere omgeving.
Ook zei hij nog, dat wij beiden op één dag geboren zijn, dat wij dezelfde gaven bezitten en dat onze zielen in alles hetzelfde kunnen voelen.
Wellicht komen wij te weten, wat er in vroegere eeuwen met ons geschiedde.
Nu, beste Venry, ben ik gekomen om je te helpen en je dit alles te zeggen.
Ik hoor hem nu zeggen: „Heb je niets vergeten, Lyra?”
Kun je dat ook horen, Venry?”
Ik luisterde en hoorde een zachte stem zeggen: „Neemt alles goed in je op, eens zult gij hier terugkeren en moet gij deze plaats herkennen.”
„Heb je geluisterd, Lyra?”
„Ja, Venry, maar ik heb niets kunnen horen.”
Ik vertelde haar wat ik gehoord had.
„Ik weet niet, wanneer wij elkander terugzien, Venry.
In tijden van nood moet je echter naar mij verlangen.
Leg die verlangens heel innig in je hart, zodat je ze voelt.
Je bent op aarde jong en je bezit deze wijsheid niet.
Je zal de grote vleugelen ontvangen, Venry.
Wat dat betekent, voel ik; alles weet ik nog niet, doch het is groots, wat je zal doen.
Ook nu hebben wij vleugelen, kunnen in de ruimte zweven, ver van onze stoffelijke lichamen gaan, maar die andere vleugelen, beste Venry, zullen je heel groot maken.
Ik zie mooie dingen, ver, heel ver vooruit, zodat het mij stil maakt.
In liefde zal ik geduldig wachten.”
Wij liepen toen hand in hand in deze zo fraaie omgeving.
Geen woord spraken wij, doch zagen, dat het spoedig dag zou worden.
Wij begrepen dat dit het ontwaken betekende op de wereld, waarin onze stoffelijke lichamen waren.
Ik zag naar Lyra op.
„Wat ben je mooi, Lyra.
Hoe mooi is je gelaat en zijn je ogen.
Een beeld uit de Tempel van Isis kan niet mooier zijn, want ik heb ze daar eens mogen zien.”
„Ga nu heen, lieve Venry.
Wij zijn bijeen gebracht, nu moeten wij echter afscheid nemen.
Wij moeten terugkeren en gaan naar de Tempel van onze ziel, het lichaam, waarin wij leven.
Zie, daarginds achter dat blauwachtige waas, daar is hij, die mij hier en tot je bracht, want ik zie hem reeds.
Kijk, mijn beste Venry, hij wenkt mij tot hem te komen.
Het is tijd, dat ik ga.
Voordat de zon opkomt, moet ik in mijn lichaam zijn.
Heb je hem kunnen horen?”
„Neen, Lyra, ik heb niets gehoord, misschien is dit alleen voor jou, zoals hij zoëven mij zei, wat voor mij was.
Zou dit kunnen?”
Zij knikte mij toe, dat zij met mijn gevoelens instemde.
„Ik groet je, mijn lieve vriend, ik groet je.”
Ik zag haar heengaan en zij loste voor mij op.
De tranen rolden mij over de wangen.
Toen zij in dat schemerlicht oploste, spoedde ook ik mij naar mijn aardse woning, waarin ik leefde en daalde er in af.
Ik had Lyra vergeten te vragen, waar zij leefde.
Dit speet mij heel erg.
Maar hetgeen ik beleefd had, was ik mij bewust en ik sloeg mijn ogen op.
Mijn Moeder zat naast mijn bed en liefkoosde mij.
„Hoe is het, mijn lieve jongen, wat beter?”
Zij weende.
„Ween niet, lieve Moeder, maar luister naar mij.
Wanneer de krachten van uw God hierboven, u niet duidelijk zijn, dan kan ik ze u verklaren.
Het is in een andere wereld, tussen licht en duisternis, waaruit al het leven geboren is, waardoor wij zijn en de dieren, de bomen en planten, en waardoor de vogels zingen.
Wie daarin is, kan gedwongen worden iets te doen, wat hij niet eens wil.
Maar tussen licht en duisternis is er nog een ander licht, lieve Moeder, en dat licht kan u helpen.
Het ziet en voelt en weet heel veel van ons mensen af.
Wie dat volgt, kent geen angst, is geen speelbal van zichzelf en die weet wat hij wil.
Het kan u alléén rust brengen en stilte, een stilte die niet van deze aarde is, die is als de zon opkomt en de nacht voor de dag plaats maakt.
Daarin ligt de betekenis waarom een vogel zingt en de Goden dankt, wat hij die dag ontvangen heeft en waarom de slak haar huis draagt.
Dat licht, lieve Moeder, is in ons allen, is hetgeen wij voelen en kunnen zien, indien het in ons wakker wordt.”
Plotseling drong tot mij door, door wie en waarom ik dit alles zei.
Waarvan Lyra gesproken had ging ik nu begrijpen.
De kracht, die haar leider was, gaf mij rust, door hem daalde ik in mijzelf af en daarin, heel diep in mijn innerlijk leven, lag al deze wijsheid.
Daarom vroeg ik aan mijn Moeder te luisteren.
Zij werd evenwel angstig en ging de kamer uit.
Korte tijd daarna keerde zij bij mij terug, knielde neer en bad.
Tot haar God zond zij een vurig gebed op en ik volgde haar.
Wat nu geschiedde, bracht ons innig tezamen.
Toen zag ik – het kwam heel onverwachts tot mij – dat ik haar spoedig zou verliezen.
Ik lag daar in vol bewustzijn en zag visioen na visioen aan mij voorbijgaan; het ene verbond mij met het andere.
In een visioen zag ik mijzelf als een opperpriester, zag het gewaad, dat ik droeg en Lyra, die mijn geliefde was.
Wij beiden hadden lief, doch logen en bedrogen.
Het priesterschap hadden wij bezoedeld.
En deze eigenschappen waren nog steeds in mijn diepe innerlijk aanwezig.
Daarbij waren ook andere eigenschappen en gevoelens en indien deze door hogere krachten wakker werden gemaakt, zouden die hogere krachten mij kunnen bereiken en zou ik tot grote dingen in staat zijn, die echter alléén door het hogere tot ontplooiing konden worden gebracht.
Lyra aanbad ik, maar wij beiden hadden moord op moord begaan.
Het ene na het andere leven hadden wij te vroeg in de ruimte geslingerd.
Daartoe had ik haar gedwongen; Lyra volgde evenwel mijn wil op en wij beleefden beiden al deze gruwelijke dingen.
Afschuw en verschrikking traden mijn ziel binnen.
Mijn Moeder bad nog steeds.
Wanneer ik aan haar dacht, kon ik haar volgen, evenzeer was het voor mij mogelijk in het verleden te zien.
In de stilte waarin ik nu leefde, smeekte ik mijn Moeder, dat zij zou voortgaan om haar Almachtige voor mij kracht en genade af te smeken, mij te willen helpen, te willen wijzen, hoe ik al die vreselijke dingen goed kon maken en bevrijd kon worden.
Toen ging ik opnieuw zien.
Lyra en ik behoorden bij elkaar en wij waren één; doch wij hadden het in die tijd gestolen en hem, die haar toebehoorde, levend verbrand.
Een onmenselijke daad, door hartstocht volbracht, en gedreven door eigen verlangens, om de gulzigheid van ons voelen en denken te bevredigen.
Tal van onzuivere gebeurtenissen nam ik waar en zag, dat ik ook haar bedrogen had en anderen, en mij zelfs aan kinderen had vergrepen.
In en rondom mij leefden al die fouten en zonden, diep in mijn ziel; ook al voelde ik mij thans anders en zocht ik naar het hogere, toch lag daar deze werkelijkheid, die van mijn innerlijk leven deel uitmaakte.
Doordat ik tot het verleden terugkeerde, voelde ik mij heel oud; de daarbij behorende gevoelens drongen zich aan mij op en ik had te aanvaarden.
Lyra zag mij als haar meester, en ik haar weer als mijn vrouw; ook zij leefde dan in haar eigen verleden en nam waar, dat zij soms in dagbewustzijn voelde en zij ontdekte, als ik nu, de vele fouten en zonden, waaraan zij eens ten onder ging.
Mijn eigen verleden had mijn volle belangstelling, want die ouderdom bracht mij dit weten; de taferelen bevestigden, dat dit waarheid bevatte en ik zelf voelde het in mij wakker en bewust worden.
Verrassend snel had ik dit alles gezien en stelde mij nu weer op mijn Moeder in.
Het leven waarin ik nu was, sloot het verleden af en wat ik zoëven had gezien, zonk weer in mij weg.
Mijn Vader trad binnen en met hem dezelfde priester, die mij reeds eerder geholpen had.
Hij keek mij in de ogen en zei tot mijn Vader:
„Haal de blaaspijp, Ardaty, vlug wat en maak het donker.”
Mijn Vader snelde weg, haalde een blaaspijp, waarmee men vuur opwekt, maakte het donker en de priester beval hem zich te verwijderen.
Mijn Moeder bad voor mij, haar krachtig gebed zou mij helpen.
De priester blies mij in de neusgaten; keerde mij op mijn rug en beklopte de wervels.
Hij zocht daarna het zenuwstelsel op, bevoelde de spieren, beklopte en betastte verschillende plaatsen op mijn rug en smeerde mij met olijfolie in.
Nu wachtte hij een tijdlang.
Ik sloeg dit alles gade en was volkomen bewust.
Toch waren er nog opstandige gevoelens in mij, die ik duidelijk van mijn andere gevoelens kon onderscheiden.
Ze grijnsden mij tegen, waardoor ik begreep, dat al die invloeden nog niet uit mij weg waren.
Door zijn krachtig ingrijpen, zouden ze nu wel verdwijnen, omdat deze priester als een groot genezer bekend stond.
Toen hij zover gereed gekomen was, blies hij mij zijn genezende adem in.
Dit geschiedde op verschillende plaatsen van mijn lichaam.
Ik voelde, indien hij doorging, dat mijn longen weer zouden gaan werken, daar het mij nog niet mogelijk was, voldoende adem te halen, zo heftig en krachtig was die andere invloed.
Zelfs bleek ik in staat te zijn hem te beïnvloeden en ik zond dan ook mijn verlangens tot hem, want ik wilde gaarne, dat hij zou voortgaan.
En hoe gelukkig was ik, toen de priester mijn gevoelens overnam.
Voor mijn organisme was deze behandeling een weldaad.
Hij wachtte opnieuw een ogenblik af, legde nu zijn linkerhand op mijn voorhoofd, hield met zijn rechter mijn linkerhand vast en viel toen in een diep nadenken.
Ik voelde en zag echter, dat hij nu ging zien; waarschijnlijk vreesde hij een nieuwe aanval.
Hij concentreerde zich geruime tijd, waarna hij mij weer in de ogen keek en hij zei tot mijn Moeder:
„Lieve Moeder, wij hebben Venry terug.
Sta nu op, uw gebed is verhoord.
Venry zal leven, de Goden willen, dat hij leeft.
De gaven die in hem zijn, zonden mij wat ik nodig had; die krachten vulden de mijne aan, of wij hebben op de oplossing hiervan moeten wachten.
De Goden zonden ons hogere hulp en zie, uw kind is gezond.
Ik ben dankbaar voor dit leven, want zijn gaven schenken ons later de allerhoogste wijsheid.”
Ik voelde, dat ik mijn ogen nog niet geheel openen kon, doch door een zwak lichtschijnsel, dat in de kamer viel, zag ik mijn Moeder en de priester.
De priester keek haar nu vreemd en onderzoekend aan.
Mijn Moeder haalde mijn Vader en zij knielden neer.
Intussen kwam ik meer en meer in mijn eigen lichaam en zakte hetgeen ik gezien had, diep in mij weg, alsmede al die andere invloeden.
Hoe ik mij daarop ook instelde, het was als een herinnering aan eeuwen geleden.
Nu sloeg ik mijn ogen geheel op; zoëven waren zij nog als die van een dode, maar door mijn levenskracht straalden ze nu opnieuw het licht van de levende mens uit.
Toen ik mij trachtte te bewegen, was het niet mogelijk, hoewel mijn lichaam zich herstelde.
Plotseling voelde ik die afschuwelijke haat weer in mij komen.
Ik verzette mij hevig, want ik voelde, dat hij wilde spreken.
Toch waren die krachten sterker dan ik en mijn mond sprak:
„Voor uw hulp dank ik u, het zou echter beter geweest zijn, wanneer gij uw kunsten aan anderen had gegeven.
Vervloekt zijt gij, meester Dectar, vervloekt gij allen, die met u zijn.”
De priester concentreerde zich hevig.
Na een poos zei ik tot mijn ouders: „U, mijn Moeder en ook u mijn Vader, moet ik danken.
Volgt uw weg, de dagen zijn ge...,” weer overviel mij die andere kracht en ik zonk in een oneindige diepte weg, waarna de priester mij op dezelfde wijze tot bewustzijn bracht.
Toen ik mijn ogen weer opsloeg, glimlachte hij mij toe.
„Nu is het voorbij, niet waar, Venry?”
Ik knikte slechts, want ik wilde niet weer gaan spreken, omdat ik nu angstig was, dat ik opnieuw in die toestand zou komen en vreselijke woorden zou zeggen, wat ik toch niet wilde.
Na wat verfrissend sap te hebben gedronken, week ook die spanning uit mij weg en was ik weer geheel mijzelf.
Toen vroeg de priester: „Kun je mij antwoorden, Venry?”
Ik zei: „Wat wilt u van mij weten?”
„Ik zal slechts één vraag stellen.
Weet je, Venry, waarin je verkeerde?”
„Ja, ik weet alles.”
„O, hoe mooi, hoe wonderlijk,” zei hij tegen mijn ouders, „en dat op eigen kracht, uit hemzelf, het is niet te geloven.”
Dan zei hij tot mij: „Ik kom terug, beste Venry, en nu rustig blijven en heb geen angst, want alles is weg.”
Toen legde hij een muur van kracht om mij heen en daarin zou ik leven.
Daarna ging hij heen en viel ik in een diepe slaap.
Mijn geest bleef nu van alle vreemde krachten vrij.
Toen de zon onderging werd ik wakker, voelde mij opgewekt en uitgerust en mijn ogen openende, zag ik naast mij drie mensen, die ik herkende als mijn ouders en de priester.
„Goed uitgerust, Venry?”
„Ja, maar ik heb nog steeds slaap.
Kunt u mij nog wat laten slapen?”
„Ik zal je iets geven, Venry, dan kun je weer slapen.”
De priester gaf mij iets en ik sliep tot de volgende dag, toen de zon reeds hoog aan de hemel stond.
Ik zag mijn ouders en de priester, maar ook de Hogepriester was aanwezig, die mij toelachte en vroeg: „Uitgerust, Venry?”
„Ja,” knikte ik hem toe.
„Je bent nu geheel vrij, Venry.”
Ik keek naar hem en het scheen, dat ik ook door hem heen kon zien.
In mij kwam, waaraan hij dacht en ik vroeg: „Brengt u mij weer naar die kamer?”
Hij begreep, dat ik zijn gedachten had overgenomen, doch hij knikte mij veelbetekenend toe.
„Neen, voorlopig niet, dat komt later, eerst moet je wat aansterken en dan kom je bij ons.
Meester Dectar zal je opleiden.
Zou je dat willen, Venry?”
„Gaarne.”
Ondertussen zag ik iets heel merkwaardigs.
Toen de Hogepriester mij vragen stelde, zag ik, dat er nog een andere kracht in deze ruimte was, die hem, zoals priester Dectar met mij had gedaan, geheel afsloot.
Door deze kracht, die zich plotseling opbouwde, die als een dicht waas om hem lag, begreep ik, dat het nu voor hem niet mogelijk zou zijn, ook maar iets van mij en de anderen, die hier waren, te kunnen opvangen.
Deze kracht sloot zijn innerlijk leven en de gaven die hij bezat, geheel af.
Daardoor werden mijn ouders en priester Dectar, ook ik, op de achtergrond gedrongen.
Door die onzichtbare afsluiting verwaasde het innerlijke leven van ons allen en het kwam mij voor, alsof men ons wilde beschermen.
Doch waarvoor, was mij niet duidelijk.
De Hogepriester zag en voelde er niets van, blijkbaar ging mij dit alléén aan.
Toen gingen zij heen.
Nadat zij van mijn ouders afscheid hadden genomen, nam ik waar, dat ook mijn ouders in een dicht waas gehuld waren.
En toen mijn ouders elkaar betekenisvol aankeken en mijn Vader zenuwachtig deed, bleef ik dit zeer merkwaardige verschijnsel volgen.
Mijn Vader liep heen en weer en gaf mijn Moeder een verkeerd antwoord, wat ik nog nooit van hem had gehoord.
Maar toen beiden mij gadesloegen en voelden, dat ik hen volgde, zei mijn Moeder tot mij: „Je was bezeten, lieve Venry, nu ben je weer beter.”
„Ja, Moeder, ik ben beter,” maar ik bleef haar aankijken.
„Zal je nog wat rusten, Venry?”
„Ja, Moeder.”
Maar ik bleef het waas, dat om haar heen hing, volgen.
Mijn Moeder ging in een dicht waas gehuld.
Het was nu bezig op te lossen.
Half verstaanbaar en binnensmonds zei ik: „Vreemd, heel vreemd is alles en onduidelijk.
Ik zou het nog eens willen zien, zoëven was het veel duidelijker.”
Blijkbaar had zij mijn prevelen verstaan en vroeg: „Wat is vreemd, Venry, en wat wil je zien?”
„Het waas, Moeder, het lost op.”
„Je moet rusten, Venry.
Ga nu niet weer opnieuw zien, ga slapen, of de priesters komen terug.”
Ik bleef haar aankijken en zag nu, dat het dichte waas geheel oploste.
Mijn Moeder schrok en ik begreep waarom.
„Niet daarom, Moeder, o neen, daarom niet.
Ik zie uw mooie gelaat en u bent niet oud voor mij, Moeder.
Voor mij bent u heel mooi, o, zo mooi.”
Mijn lieve Moeder begon hevig te schreien en ging heen.
Zij had mij echter begrepen.
Haar gelaat was geheel mismaakt, diepe groeven lagen over dit toch jonge gelaat, dat nu heel oud was.
Toch zag ik reeds van kind af door dit masker heen en daarachter zag ik een heel ander wezen.
De mooi gevormde lippen, de prachtige en gave huid, haar hoog opgericht voorhoofd en haar stralende ogen kon ik duidelijk zien.
Voor mij was zij als de Lotus in maannacht.
Om haar hoofd zag ik een stralenkrans van licht en vond ik de stilte terug, welke ik zelf nog zo kort geleden had mogen leren kennen.
Zij leefde in deze stilte en bleef daarin.
Toen ik als kind haar eens vroeg, waarom zij zo lelijk en mismaakt was, barstte zij in tranen uit en bezweek.
Nu ging zij weg en ik viel in een diepe slaap.
Spoedig was ik weer gezond en geheel hersteld.
Al die gebeurtenissen hadden zodanig mijn organisme verzwakt, dat ik tussen leven en dood zweefde, zoals priester Dectar aan mijn ouders vertelde.
Een astraal wezen had niet alleen van mijzelf als innerlijk leven – de ziel – bezit genomen, doch eveneens van het stoffelijk lichaam; dat is de allerdiepste en allerlaatste bezetenheid.
De levenskrachten van de stoffelijke mens werden op deze wijze en slechts in heel korte tijd vernietigd.
Een demon zoog deze krachten in zich op en doordat dit wezen alle vitale organen onder controle had, stortte het organisme geheel in.
Maar de mens, die op deze wijze aangevallen werd, of kon worden aangevallen, moest begaafd zijn; een dergelijke verbinding en in-bezit-nemen, was dan niet mogelijk, omdat men dan het innerlijke leven niet kon bereiken.
De „natuur-begaafden” stonden dan ook steeds aan een groot gevaar bloot, indien men door hen op aarde, maar vanuit die wereld iets wilde beleven.
Was deze verbinding mogelijk, dan volgde daarop onherroepelijk de bezetenheid.
De priesters kenden deze machten en krachten en hadden mij weer vrij kunnen maken.
De bezetenheid loste daardoor op en die andere persoonlijkheid werd uit mijn innerlijk leven verwijderd.
Priester Dectar had mij nu afgesloten en daarin zou ik blijven leven.
Zij hadden echter door al mijn belevenissen en inwerkingen kunnen vaststellen, dat er een grote gevoeligheid in mij was en die gevoeligheid wellicht gaven konden zijn.
Als ik mijn leeftijd bereikt zou hebben, zouden zij deze gaven ontwikkelen.
Tegen mij werd gezegd iedere morgen naar de Tempel van Isis te komen.
Ik mocht daar vrij rondwandelen, doch ik voelde, waarom men dat wilde.
Zij konden dan hun eigen afsluiting controleren en zo nodig ingrijpen, mocht ik opnieuw worden aangevallen.
Priester Dectar stelde mij vragen, die ik naar eigen gevoelens moest beantwoorden.
In het begin begreep ik niet goed, waarom hij mij vragen stelde, maar gaf hem een antwoord, waarover hij zeer tevreden was.
Hij vroeg mij vervolgens: „Kan mijn jonge vriend voelen, waarin hij leeft?”
„In de ruimte.”
„Heel goed, beste Venry, prachtig zelfs.
Maar je moet trachten te voelen waarin je bent, hier dus, om je lichaam heen, in deze kleine kring.”
Hij trok een cirkel om mij heen.
Ik zag echter, dat hij ging zien, omdat het licht uit zijn ogen verdween en zij geheel leeg waren, maar ik zei: „Ik kan niet antwoorden.”
„Ook dat is heel duidelijk, beste Venry, heel goed, ik dank je.”
Hij begreep echter, dat ik hem kon antwoorden, maar het niet wilde.
Hij voelde, hetgeen ik voelde; dat was niet in woorden uit te drukken.
Toch zag, voelde en begreep ik, dat hij daarin keek om mijn antwoord te controleren.
Voor hem was dit heel eenvoudig, omdat deze priester een groot ziener was en de roep ging van hem uit een groot genezer te zijn.
„Je zult spoedig tot het allerhoogste priesterschap worden opgeleid, Venry, en dan zullen wij heel veel samen zijn.
Vind je het heerlijk?”
„Ja.”
„Dit is voor de natuur-begaafden, Venry, en je bent het.”
Dan ging hij heen.
Ik wandelde door de tuinen en keerde in gedachten naar hetgeen ik beleefd had terug en vond de plaats, waar ik Lyra had ontmoet.
Ik vond dit zó natuurlijk, omdat ik in die andere wereld in niets was veranderd.
In het leven, waarin ik nu leefde, moest ik de stoffelijke wetten opvolgen, maar in dat andere leven kon ik door alle stoffelijke dingen heengaan en was ook de stoffelijke wereld vanuit die wereld niets veranderd.
Op deze plaats had ik Lyra ontmoet.
Dit alles betekende voor mij, dat ik mij niets had verbeeld en dat het tot de werkelijkheid behoorde.
Wanneer ik trachtte daarin terug te keren, dan kon ik eensklaps niet meer denken en verwaasde hetgeen ik voelde.
Dit was zeer aannemelijk en ik begreep, dat men mij goed afgesloten had, want ik bleef rustig en kon ook mijn lichaam niet meer verlaten.
Zo gingen er maanden voorbij.