Tweelingzielen

Wie of wat is onze tweelingziel?
Dit intrigerende thema komt veelvuldig voor in de boeken die via Jozef Rulof op aarde zijn gekomen.
We halen hier alleen enkele passages aan uit de voorgaande boeken, als inleiding.
De oorsprong en de toekomst van onze eenheid met onze tweelingziel wordt dieper geanalyseerd in de ‘Boeken Evolutie’.
We beginnen met een passage uit ‘De Kringloop der Ziel’.
Meester Emschor legt aan Lantos uit waarom Lantos een ongekende aantrekkingskracht voelde tot Marianne, zijn jeugdvriendin.
„U kent Marianne?”
„Ja, ik ken haar.
Hier hebt gij met haar gespeeld, ik volgde u in alles.”
„Weet u hoe zij is overgegaan?
Kunt u mij daarvan vertellen?”
„Ja, doch later, wanneer wij zover zijn gekomen, hebt dus nog wat geduld.”
„Waarom, als ik u deze vraag mag stellen, deed zij zo vreemd?
Ik bedoel, in mijn jeugd.”
„In haar lagen dezelfde gevoelens als in u en wel de verbinding met u, doch ook zij was zich daarvan niet bewust.
Ook niet wanneer zij opnieuw geboren zal worden.
Maar eens is het zo ver, dan weet zij dat zij de uwe is.
Gij weet het nu reeds, maar zij zal in dit gevoel overgaan.
Gij beiden hebt eerst nog goed te maken, zij op aarde, gij aan deze zijde.
Daarom handelde ook zij naar een innerlijke drang.
Toch zal zij haar eigen leven moeten beleven, net als gij.
Het zal u dus duidelijk zijn, dat dát tot het verleden behoort, wat de mens in zijn aardse leven niet begrijpt en toch voelt.
Eens echter wordt het bewust en wel aan deze zijde.
Dáár, op aarde dus, is dit niet mogelijk.
Gij ziet niet achter de sluier, voelt de diepte niet van uw eigen leven, kunt niet door al die eeuwen heen zien.
Dit, ik zei het u reeds, kunnen alleen zij, die de krachten daarvoor bezitten en die de kosmisch ontwaakten zijn, de meesters, die de hoogste sferen hebben bereikt, die mij en u helpen om de mensheid op aarde van hun eeuwig voortgaan en van de kringloop der ziel te overtuigen.
Tevens, dat zij dáár zijn om goed te maken en te leren liefhebben, wat Gods leven is.
Dat is de weg die zij bewandeld hebben en gij en ik en miljoenen bewandelen zullen.
Zij, Marianne, handelde dus naar haar innerlijk gevoel, dat diep in haar verborgen lag.
Gij beiden zijt tweelingzielen, zijt één in alles, in gevoel, in begrijpen en in liefde.
Doch deze verbinding zult gij eerst aan deze zijde ontvangen.
Eerst later, mijn Lantos, want gij zijt bezig dit te verdienen, hoort ge, te verdienen.
Gij kunt nu geen ander meer liefhebben.
Die eenheid van gevoel gaat in u beiden over.
Daarin voelt gij uzelf, kent gij uzelf, daarin voelt gij Gods heilige Liefde.
Deze Liefde is machtig en omdat zij machtig is, zult gij die grote kracht, die geluk en zaligheid betekent, moeten verdienen.
Gij aan deze zijde, Marianne op aarde.
Zij zal nu moeten goedmaken, wat zij eens aan uw vriend Roni misdeed.
Ook dat zal ik u tonen, doch straks.”
„Heb ik dan goed gevoeld, toen ik hier rond wandelde en haar beeld in mijn armen droeg?”
„Ja, doch het waren mijn gevoelens.
Ik legde deze waarheid in u, die u voelde, doch niet begreep.
Thans is u alles duidelijk en ik raad u aan dit te aanvaarden.”
„Heb ik haar reeds op aarde ontmoet?”
„Ja, gij kende haar en zij kende u reeds vele eeuwen terug, doch gij beiden hebt uw geluk vernietigd.
De mens zal vernietigen wat hij niet kent en toch behoort het bij hem, bij zijn innerlijk leven.
Doch gij waart nog niet zover.
Daarom zijn alle mensen nog niet bewust, nog niet zover om deze grote en heilige liefde te ontvangen.
Zij denken dat zij die liefde bezitten, doch dat zijn eigen gedachten en verlangens, die geen geestelijke waarheid bevatten.
Zij hebben geen begrip van geestelijke liefde, noch van geestelijke eenheid en begrijpen.
Wat zij voelen behoort tot het stoffelijke leven en zijn aardse, dus stoffelijke gevoelens.
Ver van het geestelijk geluk ligt dit gevoel verwijderd.
Allen, wie dan ook, zullen zich moeten ontwikkelen.
Maar dat kost strijd, leed en smart; doch alleen daardoor kan men dat grote en machtige geluk bemachtigen.
In dit, in het leven van de geest, zullen alle mensen verbonden worden.”
„Dus op aarde ontvangt niemand deze liefde?”
„Jazeker.
Op aarde leven mensen tezamen, die reeds zover zijn, doch al die wezens behoren tot de begenadigden, want zij zijn één in alles.
Maar wanneer er ook maar één gedachte is die de één naar de ander zendt en die niet begrepen wordt, heeft die verbinding geen geestelijke betekenis en is het een aardse verbinding.
Eerst dán zal deze verbinding geestelijk zijn, wanneer de mensen, dus man en vrouw, deze liefde bezitten en innerlijk dragen.
Maar dan behoren zij tot onze wereld en zijn kinderen in de geest; hoort ge: kinderen.
Tweelingliefde waarop gij wacht en die gij bezig zijt te verdienen, is de heiligste verbinding die wij aan deze zijde kennen, is het hoogste geluk dat God aan Zijn kinderen kan schenken.
Deze liefde geeft, zij dient; zij gaat over in hem en hij in haar, zij leven door hun gevoel, in gebed en in geloof en werken voor één doel, om de mens en al het andere leven dat God heeft geschapen, gelukkig te maken.”
„Dan behoeft u mij niets meer te zeggen.
Ik ben dan nog niet zo ver.”
„Dank u; heerlijk is het dat ge mij gaat begrijpen.
Ga zo verder, vele wonderen zal en kan ik u dan duidelijk maken.”
„Door haar telkens en telkens weer te ontmoeten ben ik dus bewust geworden in haar liefde?”
„Ja, zo is het.”
„Wij moesten dus uiteen gaan?”
„Dit was noodzakelijk en ook weer niet.
Gij had dit door strijd kunnen overwinnen, door een leven als een hel te aanvaarden, waardoor gij ging leren liefhebben.
Wie wil dat op aarde?
Toch is dit de weg.
Het wezen dus, de ziel, zal dat wezen ontmoeten, die kosmisch bij hem behoort.
Alweer Gods wil en een wet, waaraan geen mens iets veranderen kan.
Doch de mens aanvaardt niet, hij gaat heen en zoekt en zoekt zo lang, tot hij denkt het beoogde doel te hebben bereikt en ziet daarin zijn liefde.
Daarom zal de mens, zal de ziel op aarde terugkeren, zullen mensen elkander ontmoeten, steeds opnieuw ontmoeten, omdat zij één zijn, één leven beleven, wat hun kringloop der aarde in het zieleleven betekent.
Daarvoor, mijn Lantos, is de aarde, de planeet waar wij bij behoren.
De aarde en ons leven dient als de louteringssferen.
Wanneer die eenmaal zijn afgelegd, gaat de ziel zich gereed maken, om de vierde graad van universele afstemming binnen te gaan.
Er zijn zeven graden en u voelt wel, dat er duizenden jaren zullen voorbijgaan, voordat wij zover zijn.”
De Kringloop der Ziel, 1938
Meester Emschor leeft reeds in de eeuwige tweelingzielenliefde:
„Heeft u dit grote reeds ontvangen?”
„Ja, Lantos, mij is dit grote gegeven.”
„En u bent alleen?
„Neen, nooit zal ik meer alleen kunnen zijn, omdat dit bezit in mij ligt.
Voelt ge de diepe betekenis hiervan?”
„Ja, ik voel het, want gij zijt in dit bezit overgegaan.”
„Zo is het.
Er is geen scheiding meer mogelijk, omdat ik in die afstemming leef.
Het is mijn bezit.”
„Ook het hare?”
„Wij zijn één, Lantos, zullen één blijven, ook op afstand.
In ons leven is er geen afstand meer wanneer zielen één zijn, één liefde voelen.
Wat ik beleef en voel, beleeft zij.
Begrijpt u hoe diep, maar hoe heilig deze verbinding is?”
„Ver ligt het nog van mij verwijderd.”
„Neen, wanneer gij het goede blijft zoeken, zult gij dit machtige in enige eeuwen ontvangen.”
„Eeuwen, zegt u?”
„Eeuwen, Lantos.
Maar wat zegt dat, gij leeft immers in de eeuwigheid?
Wat is een eeuw?
Wat is een aardse leeftijd?
Niets immers.
Gij zult u waardig maken om die geestelijke schatten te ontvangen.
Eens zult gij tot God bidden om nog wat te mogen wachten.
Gij zult Hem toeroepen, dat ge nog niet zover zijt en beangst bent, dat gij nogmaals deze liefde niet zult begrijpen.
Voelt ge, hoe machtig dat bezit, de kracht en het geluk is, deze liefde te voelen?
In een ander wezen eenzelfde liefde te mogen voelen, als gijzelf zijt en bezit?
Nogmaals, wat zijn eeuwen?
De Kringloop der Ziel, 1938
Wanneer Lantos na zijn aards leven naar het leven van zijn tweelingziel Marianne kijkt, is hij blij dat hij haar niet in die toestand ontmoet heeft:
Ik keerde terug tot haar eigen leven en zag dat zij was als al die andere vrouwen die ik op aarde had leren kennen.
Wanneer ik haar in deze toestand had ontmoet, had ik mij dadelijk van haar afgekeerd en was heen gegaan.
Ik dankte God dat mij dat bespaard was gebleven.
Het zou mijn liefde voor haar hebben vernietigd.
Was dit Marianne?
Nu begreep ik tevens haar smeken niet naar haar leven te vragen, omdat zij daar grondige reden voor had.
Toch had ik haar lief, want zij was de mijne.
Eens zouden wij verbonden worden.
Mijn kringloop der aarde liep ten einde en ook de hare zou eindigen.
Vroeg of laat was het zover en waren wij voor eeuwig één.
Alles kon ik haar vergeven, nu ik wist hoe mijn eigen leven was geweest.
Iets hield mij met haar verbonden en dat was het verleden.
In het oude Egypte werd het mij getoond en thans was ik daar zeer dankbaar voor.
Hoe schoon was mijn Marianne!
Haar goudblonde krullen, haar gezonde gelaatskleur en stralende ogen gaven haar deze schoonheid.
Maar wat is de mens die zichzelf niet kent en zich vergeet?
Wat is aardse schoonheid, wanneer de innerlijke gevoelens in het stoffelijke leven overgaan?
Zij vergat zichzelf, omdat zij zichzelf niet kende.
Eerst in een ander leven zou zij zichzelf leren kennen.
Nu vond ik het nodig dat zij zou terugkeren, want in dat leven zou zij ontwaken.
Maar hoe diep was alles nu ik dit wist en het volkomen begreep.
Wat is de mens wanneer hij deze natuurkrachten bezoedelt en zijn schoon lichaam onteert?
Ik voelde het niet alleen als een vloek, doch de mens tartte Hem, zijn God, die hem dit schone lichaam had geschonken.
Hoe groot was reeds deze genade dit te bezitten, want velen waren mismaakt en gebrekkig.
Mijn vriend Roni haatte ik omdat hij zijn schoon lichaam bezoedelde.
Hij was als een adonis, doch innerlijk een dier.
Marianne had zich aan hem overgegeven, zij werd verwend, doch tevens gehoond en bespot.
Anderen bezoedelden haar schoonheid die voor mij heilig was geweest.
Neen, in die tijd behoorden wij niet bij elkander, wij zouden elkaar niet hebben begrepen.
Zij kon de grootheid van mijn liefde niet voelen, alleen God wist dat het de tijd nog niet was en zo geschiedde wat noodzakelijk bleek.
Marianne zou mij, dat zag en voelde ik eerst nu, de hoogste inspiratie niet hebben kunnen geven en het zou een schok voor mij zijn geweest, wanneer ik dat had beleefd.
Thans dankte ik God dat ik haar niet eerder had ontmoet.
Roni kon ik nu vergeven, hem haatte ik niet meer en Marianne had ik lief, zij was mijn tweelingziel en hij mijn broeder geworden.
Met Marianne voelde ik mij één, één van ziel en dat zouden wij eeuwig blijven.
Dit was een kosmische wet, God wilde het, in het heelal lag dit vast.
De diepte van dit probleem kon ik nog niet aanvoelen, doch ik aanvaardde, want in mij lag dit hunkerend gevoel.
De Kringloop der Ziel, 1938
De kringloop van aardse incarnaties is voor Lantos voorbij en als geest bestudeert hij het leven op aarde.
Negen eeuwen volgt hij alles van de aardse mens en hierdoor kan hij later de studieboeken van de Universiteit van Christus schrijven, omdat hij al de behandelde onderwerpen zelf heel uitvoerig heeft bestudeerd vanuit een uniek standpunt als geest van het licht.
Al die tijd heeft hij ook moeten wachten om zijn tweelingziel terug te zien, omdat Marianne in de wereld van het onbewuste aan het wachten was op haar nieuwe geboorte.
En dan is eindelijk het moment aangebroken dat Marianne reïncarneert op aarde.
Wanneer ze in dat nieuwe leven zeventien jaren oud is, brengt Emschor Lantos bij Marianne:
Ik wachtte af en na een kort ogenblik trad zij binnen.
Mijn hart klopte van verlangen.
Marianne, mijn tweelingziel, mijn eeuwige liefde!
Negen eeuwen had ik op dit ogenblik moeten wachten.
Mijn meester vatte mijn hand en ik wist wat dit te betekenen had.
Ik werd met haar verbonden.
Duidelijk zag ik haar innerlijk gelaat uit haar vorige leven.
Het was in dit stoflichaam waar te nemen, doch van deze zijde en alleen voor mij had dit betekenis.
Marianne was zeventien jaren oud.
Ik peilde haar innerlijk leven.
Zij bezat alles wat zij in haar vorige leven had geleerd, diep in haar ziel lag haar verlangen, het verlangen om dat éne te ontvangen.
Toch, o, hoe deed het mij pijn, zou zij deze liefde ook in dit leven niet ontvangen.
In dit leven had zij goed te maken en zou zij een loutering ondergaan.
Haar stoflichaam was nu anders dan in haar vorige toestand, maar innerlijk was in haar niets veranderd.
Ik zag in haar en bleef in haar waarnemen en toen ik haar diepe innerlijk geheel kende, keerde ik tot mijzelf terug.
De Kringloop der Ziel, 1938
Tot zover ‘De Kringloop der Ziel’.
Ook Jozef Rulof heeft in zijn vorige levens zijn tweelingziel al ontmoet.
Als Dectar in het Oude Egypte was hij zich bewust van haar bestaan, maar in dat leven kon hij niet met haar samenzijn omdat zij beiden leefden in de wetten van oorzaak en gevolg.
Toch herinnert hij zich een samenzijn op ‘de weide’, een geestelijke sfeer die met de aarde in verbinding staat:
Op de „weide” kun je heerlijk wandelen; dat is als een reis door de ruimte.
De betovering, die daarvan uitgaat, is hemels.
Ik ben daar lang geleden reeds geweest, Venry, maar toen was ik iemand anders en ik had dus een ander lichaam en een andere naam.
Maar dat leven zie ik heel duidelijk voor mij.
Toen ik daar was, kende ik haar en zij was zo lief, o, zo lief, Venry.
Vaak denk ik daaraan en dan zie ik mijzelf en haar en wandelen wij in de stilte.
En naar aanleiding daarvan weet ik, dat zij op aarde is en ik zie haar dan opnieuw.
Dan weet ik, dat ook zij een nieuw lichaam heeft ontvangen.
Maar dan, beste Venry, komen de verlangens in mij wakker, want mijn ziel is met haar één.
Ook denk ik, dat zij een priesteres is, want dan voel ik haar dicht bij mij en zoek ik haar op Isis.
Maar maak ik mij daarentegen geheel leeg, om de gevoelens en mijn zien te volgen, dan zie ik haar in de wereld.
In het gelaat, dat zij nu bezit, Venry, zie ik toch het andere en dat, Venry, is mij zo lief, want zij is van mij, alléén van mij, Venry.
Haar ziel en mijn ziel zijn één; de Goden maakten van ons één wezen en dat zal eeuwig zo blijven.
Maar wij moesten weer uiteen, Venry, en dat beleven alle mensen.
Er is maar één ziel, die tot ons behoort en wij kennen die ziel, ook al ben ik thans een priester.
Ik kan niet geloven, dat zij mij vergeten heeft.
Van wie zouden deze gevoelens, die toch in mij komen, kunnen zijn?
Op de gehele aarde is niet één mens, beste Venry, die deze innige gevoelens kan opvangen, want ik ben zoals zij is, géén ander kan zo zijn, wij zijn geheel één.
Voel je, beste Venry, wat dat zeggen wil?
Wij zijn als twee bloemen van één kleur, en zoals het jong op de moeder lijkt.
Als twee sterren.
Wij zijn in voelen en denken één, ook al bezit ik andere eigenschappen.
Voor haar leef ik, zij leeft voor mij en wij beiden dienen.
Door mij zal zij adem halen, Venry, want zij voelt mijn hart, mijn ernstig willen, zodat onze dankbaarheid groot is.
In haar zie ik het leven vertolkt, wij beiden gaan daarin over, doch zijn thans op weg, eeuwen reeds op weg, beste Venry, omdat wij ons hebben vergeten.
De aarde is groot, mijn vriend, de natuur is geweldig, een fonkelende sterrenhemel overweldigt ons, doch deze liefde, mijn vriend, overtreft alles.
Ik ben volstrekt niet ijdel, indien ik zeg, mijn beste, dat wij beiden alles bezitten en dat „alles” wil zeggen, dat ons de gehele ruimte toebehoort.
Maar ik ben nog niet gereed, Venry, ook zij niet en daarom moesten wij uiteen.
Als je denkt, dat dit voor mij straf betekent, ben ik bereid je dat te verklaren.
Want het tegendeel is waar, Venry, Dectar heeft dat in eigen handen.
En toch komt er nog wanhoop in mij.
Als ik haar op aarde zie, dan ben ik angstig, want zij is heel rijk en van hoge afkomst en ik ben maar een arm priester.
Je voelt het zeker, beste Venry, in mij is twijfel en dat is heel erg.
Maar wanneer zij op aarde is en heel rijk en in haar is dit weten niet, dan moet ik wachten, totdat zij ontwaakt.
Want zij moet weten, dat ik het ben en zij moet verlangen om mij te zien.
Tussen Leven en Dood, 1940
Ook Dectars vriend Venry maakt kennis met zijn tweelingziel, die als priesteres in de tempel van Isis dicht in zijn buurt vertoeft.
Venry en zijn tweelingziel Lyra kunnen in dat leven niet volkomen samenzijn, omdat ze beiden een andere taak hebben en leven in hun oorzaak en gevolg.
Maar toch kunnen ze hierdoor elkaar steunen en leven voor het verdienen van hun gezamenlijk geluk:
De priesteressen waren in een zaal bijeen, waarin ik binnentrad.
Eén van hen, die als een stralende zon haar licht over mij uitstortte, keek naar mij.
Ik schrok hevig.
Ben jij het, Lyra?
Jij hier, in de Tempel?
Is het daarvoor dat mijn schreden hier naar toe worden geleid?
Wilde men, dat ik mijn Vader zou ontmoeten?
Wil men ook jou de grote vleugelen schenken?
Ik vroeg mij af of ik droomde.
Het kon niet anders, zij was Lyra.
Hoe moest ik de Goden danken.
Lyra, ik mag je zien?
De andere priesteressen gingen heen en ik trad naar haar toe.
„Ziel van mijn ziel, nu mogen wij elkander ontmoeten, doch alles is mij duidelijk.
Ik ben het, lieve Lyra, als kind waren wij op de „weide”, mijn meester heeft ons ook nu verbonden.
Herinner je je nog de „weide”?”
„Ik weet alles, Venry, en heb lang moeten wachten, toch ben je tot mij gekomen.
Maar mijn zien is waarachtig.
Groot ben je, Venry, je wonderen zijn mij bekend, je zal Isis groot maken.
Ik zie in je leven, heb je steeds mogen volgen.
Mijn meester liet mij zien, alsof hij voelde, dat mijn leven gereed is.
O, heb geen angst, Venry, je leider waakt, waakte steeds over mij; die ontwikkeling blijft verre van mij, mijn oorzaak en gevolg is in het wachten overgegaan.
In mijn ziel ligt mijn eigen bescherming, want heel vaak kwamen de demonen tot mij, maar ook een andere kracht, die heel sterk en machtig is, Venry, waardoor jij de wonderen beleeft, legde om mijn ziel het allereerste wonder, zodat zij van angst heengingen.
Ik zal dienen, Venry, en wie dienen wil, ontvangt de bescherming van de Goden, ook al stond ik heel alleen tegenover een overmacht.”
„Lyra, mijn ziel, ik ben hier om de Tempel van Isis groot te maken.
Ik heb in ons vorige leven mogen zien.
Wat wij daar hebben beleefd was hartstocht en geweld.
Wij brachten anderen leed en smart, doch onze zielen ontwaakten en wij verzadigden ons door hen, die op de brandstapel zijn gestorven.
Ben jij ook daarin bewust, Lyra?”
„Ja, Venry, ik weet alles.”
„Als je dit duidelijk is, Lyra, voel je dan, waarom wij hier zijn?
Is het wonder van één-zijn in je bewust?
Je zal mij de kracht geven om mijn taak te volbrengen, omdat de Goden weten, dat ik alleen zal bezwijken.
In andere levens zal je mij toebehoren, want nu zijn wij nog niet gereed, lieve Lyra, om het allerhoogste geluk te ontvangen.
En toch zijn wij één, maar dit één-zijn is een genade en het behoort bij mijn taak.
Wij leven in de wetten, bij dit oorzaak en gevolg, mijn kind, ligt dit één-zijn en het behoort daartoe.
Hoe zou ik kunnen dienen, Lyra, als ik de liefde niet kende?
Wat voel jij?
Kun je mij alles verklaren?”
„Mijn lieve Venry, heerser van Isis, brenger van de liefde, je beleefde reeds wonderen, doch die komen, zullen alle anderen overtreffen.
De Goden willen dat je dient en ook ik moet dienen.
Ons één-zijn deed je gaven ontwaken en je ziel ontwikkelen.
In mij leeft Isis, wij zijn kinderen van God, ons leven zal hierin eindigen, om dan verder te gaan en goed te maken.
Al zal mijn ziel in andere lichamen leven, wij zijn en blijven één, Venry.
Ik zal kinderen baren, door anderen geschapen, toch ben ik van jou, alleen van jou, Venry.
Ik zal wachten, maar eens zal ik groot zijn en tot je terugkeren en indien nodig, mij geheel overgeven, hoe mijn einde op aarde ook zal zijn.
Er zullen tijden komen, Venry, dat ik van al deze wetten niets weet, maar in mij zal het gevoel zijn, dat mij kracht geeft alles te aanvaarden.
Jij brengt nu de liefde, in andere levens ben je onbewust en zal je vragen „waarom en waarvoor”.
Laten wij beginnen, beste Venry, en onze eerste afrekening zullen de Goden aanvaarden, zodat je op dit leven kan terugzien.
Als eens de leegte in ons is en wij het leed moeten ondergaan, dat ons wacht, zijn wij ook daarin gereed.
Dit leven zal overheersen, beste Venry, en ons sterken als onze zielen roepen en zoeken en geen weg vinden, en de duisternis om ons is.
In mijzelf liggen al die fouten en zonden.
Dit leven gaat voorbij, beste Venry, om mij gereed te maken voor al die andere levens, waarin ik zal dienen, zal ondergaan het leed en smart, het onbegrijpen, het alleen staan, het alléén beleven en het zoeken en vragen, waar mijn ziel is.
Waarom ik hier ben, Venry?
Is mijn ziel thans niet bewust?
Zou ik nu in de duisternis kunnen leven?
Gaan wij beiden niet één weg?
En is het niet om te ontwaken?
Kun jij verder zijn dan ik?
Als jij het licht moet volgen, overstraalt het ook mij, of wij waren niet één.
Als jij zoekt, beste Venry, zal ook ik zoeken, is er leegte in jou, zal er ook in mij leegte zijn, want in alles zijn wij één.
O, ik begrijp alles.
Als ik zie in de volgende levens, Venry, schrei ik, niet van angst, niet van leegte, maar om te willen dienen.
Straks ben je heel groot, dan weer heel nietig en weet je van al deze wonderen niets meer, er is dan een ander leven dat overheerst.
Vraag dan niet, waarom je alleen bent, waarom je die eenzaamheid moet beleven, in het oorzaak en gevolg zullen wij dan „ingaan” en ook die Tempel binnentreden en de Goden danken, dat wij mochten dienen en ontwaken.
Ik dank de Goden, beste Venry, dat ik je nu heb mogen zien.
Kunnen wij niet gelukkig zijn?
Is onze strijd niet om te ontwaken?
Hoe was ons einde toen Vader Taiti zijn grote liefde leerde kennen?
Nog voel ik het ongedierte in mijn hart, nog de pijnen en het ontwaken in de geest.
O, mijn ziel, als ik „Moeder” ben en het deeltje van Amon-Ré in mij leeft en groeit en onder mijn hart in slaap valt, dan zijn wij één, omdat het ons doet ontwaken.
Ik ben bewust, beste Venry, als nimmer te voren, omdat ik denk en voel en deze eenzaamheid is slechts een kort ogenblik.
Mijn gereedmaken zal zijn het ontvangen, en het ontvangen betekent dat wij ons aardse leven hebben geleefd en in die andere werelden verdergaan.
Ik zal blijven bidden en aan de Goden vragen of ik ook nu met jou mag sterven, het énige wat ik zal vragen.
Mijn gebed gaat ver, het dringt tot de Goden door, beste Venry.
Aan jou zal de wijsheid gegeven worden en het weten, dat ik op je wacht en dat je mij roept, mij gereed te maken.
Ik weet, dat het een grote genade is, toch kunnen wij die genade ontvangen, als je doet, beste Venry, zoals de wetten het van je vragen en de wonderen geschieden.
Ik smeek niet om mij gelukkig te maken, ik ben alles, ziel van mijn ziel, in mij is het geluk, het geluk om te willen ontwaken en de Goden te volgen.
Ik vraag slechts, om ook nu met jou te mogen sterven, doch dit sterven zal het bewustzijn en het „ingaan” betekenen.”
„Ik dank je, lieve Lyra, voor de kracht die in je is en ben verheugd dat je alles weet.
De macht, die aan mij gegeven is, zal je in de Tempel beschermen, in andere levens zullen de Goden over je waken.
Op de „weide”, lieve Lyra, zullen wij elkander terugzien.
Ik ben gereed, je hebt alles, je bent één met mijn ziel, wij beiden zullen eens „Hem” vertegenwoordigen, ons huis zal zijn als de ruimte is en eenieder, die ontwaken wil, zullen wij in ons midden ontvangen.
Wanneer de duisternis voor het nieuwe licht wijkt, als demonen tot inslapen zijn gedoemd, als mijn bloed tot rust is en Isis ontwaakt, de Godin haar stralenkrans op je liefelijk hoofd neerlegt, dan lieve Lyra, ben ik gereed met mijn werk en zullen wij „ingaan”, dan zal je ontvangen en zijn wij tussen „leven en dood”.
Dan kom ik je halen en ontvang je „Dood en Leven”, omdat je dienen wilt.”
Mijn leider zweefde in ons midden en wilde, dat ik ook haar gelukkig maakte.
Ik zei tot Lyra: „Kom aan mijn hart, Lyra, en zie hoe eens ons leven zal zijn.”
Zij omarmde mij en ik haar, doch tussen ons beider hart leefde en ontwaakte de Lotus.
Haar licht overstraalde onze liefde, en onze harten smolten ineen, de stilte kwam in ons, dieper, inniger dan alle aardse machten en krachten tezamen.
In haar ziel leefde de eeuwige liefde, in haar ogen zag ik het gehele universum vertolkt, haar hart sprak tot mij, en de betovering, het gelukzalige één-zijn met Amon-Ré ontwaakte, want onze zielen aanvaardden deze heilige uitstraling.
Voor een kort ogenblik leefden wij in de ruimte, en wij zagen Tempels en de engelen die daar leefden.
„Eens, lieve Lyra, zullen wij zijn als de Lotus is.
Ons licht is dan helder, onze gewaden zijn van één maaksel, geweven door onze daden, die alleen daar gedragen worden, waar mijn Moeder leeft.
Bewaar de Lotus, lieve Lyra, als zij oplost dan kom ik je halen en wij zullen sterven.
Hoe dank ik de Goden.
O, mijn ziel, vraag niets, mijn haat zal ik overwinnen en hem op waardige wijze tegemoet treden.
Mijn strijd zal in de liefde gestreden worden, want ik wil dienen en met jou komen tot één leven, één voelen en begrijpen, eerst dan is onze liefde volmaakt.
Ik zal mijzelf overwinnen, Lyra, en mijn gehele wezen in jouw handen neerleggen en je zult over mij waken, zoals de diepte van je „Moederliefde” in je is.
Dan gaan wij „in”, Lyra, en zal ons leven gezegend zijn.
Koningin van mijn hart, ben je overtuigd, dat ik mijzelf overwinnen zal?
Voel je, dat ik eerst nu gereed ben?
Je leeft in en om mij, voor ons geluk zal ik dienen.
Je voelde nu, dat ik zou komen, ook straks zal je het mogen weten.
Ik moet heengaan, Lyra, mijn meester laat het mij voelen.”
„Ga, mijn lieve Venry, ga maar, ik zal wachten.”
* *
*
Ik ging heen, Lyra leefde echter dicht bij mij.
Zij behoorde mij toe en daarvoor dankte ik de Goden.
Onberekenbaar zijn de wegen, die de Goden ons dwingen te bewandelen, het kan in leed en smart zijn, doch tevens in het geluk.
Ik begreep alles, deze genade voelde ik, mijn dienen zou volmaakt zijn.
Ik zou mijn tweelingziel moeten verdienen, alle mensen zouden dit beleven.
Wij waren hierin bewust.
Eenieder beleefde zijn eigen oorzaak en gevolg, zijn verlangens.
Allen waren op weg die ziel te ontmoeten, die één deel, één hemel, één Tempel, één ruimte uitmaakt voor beiden, waarin zij leefden.
Ook wij waren op weg en bezig al dat machtige te verdienen.
Tussen Leven en Dood, 1940
In ‘Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven’ voelt de vader van Theo dat hij ontwaakt is voor de tweelingzielenliefde door het beleven van zijn aards huwelijk dat allesbehalve hemels was:
Zij leeft aan Gene Zijde, in de sferen van licht, ze is heel jong en mooi en vooral heel lief.
Als ik haar zie, voel ik mezelf.
Wat dat zeggen wil, Theo?
Eén te zijn in alles, in je denken en voelen volkomen één te zijn met een ander wezen.
Het is het machtigste, dat God ons schenken kan.
Zij is mijn tweelingziel, Theo.
Ik ben als zij is en voor eeuwig horen we bijeen.
Je zult nu ook kunnen begrijpen, waarom ik nog van moeder houd en echt van haar houd, waarom ik haar dankbaar ben.
Moeder deed me veel kwaad, niets liet ze na om mij pijn te doen, maar nu ben ik daar blij om, want het bracht mij ontwaken.
Door haar heb ik mij voor mijn tweelingziel gereed kunnen maken.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Wanneer hij Theo begeleidt en helpt, blijft hij toch verbonden met Angelica, zijn tweelingziel.
In gevoel kunnen ze elkaar altijd bereiken, spreken met elkaar.
Theo vangt een gesprek op tussen Angelica en haar tweelingziel, zijn vader.
Angelica noemt haar tweelingziel ‘vadertje’:
Die woorden, komen ze uit mij, komen ze uit vader?
„Begrijp je het nu?
Weet je het nu, mijn alles?
Weet je het nu heel zeker?
Dat ik van je houd, dat ik je liefheb met alles wat in mij is.
Mijn ziel, die ik tussen hemel en aarde van God gekregen heb, weet je het nu?”
Vader – ik voel hem.
Ik mag in zijn diepste innerlijk lezen nu.
Ik voel, ik weet, ik onderga.
Het is Angelica, die tot hem spreekt.
Gescheiden zijn ze toch immer één.
Haar woorden, die aan haar innigste gevoelens hun vorm danken, die woorden ving ik op.
En nu kan ik onmogelijk meer aan Jack denken, en aan alles wat mij raakt en bezighoudt, en ook dit zal wel goed zijn zo.
Vader luistert naar Angelica en heel zijn wezen hoort naar haar woorden.
Er is stilte in hem, eerbied en ontroering, nu zijn ziel tot hem spreekt en hem van haar liefde vertelt.
En desondanks weet hij mij nog te helpen, houdt hij mij vast, die al deze heiligheid maar moeilijk te dragen weet.
Hoe onbeholpen, hoe stuntelig ben ik nog in m’n voelen en denken, ik, die alles in deze wereld nog te leren heb!
Haar liefde geeft Angelica nieuwe woorden in – ze zijn schoner dan de schoonste muziek.
„Vadertje, mijn vadertje toch.
O, mijn lief vadertje.
Ik zit hier buiten – en ben bezig aan je te denken.
Geurden de bloemen ooit heerlijker?
De vogels, ze zingen de woorden na, die uit mijn hart wellen.
En als ik me over het water buig, zie ik jouw gezicht in zijn kristalheldere spiegel.
Ik schrijf aan een brief voor jou, vadertje, en die brief gaat regelrecht uit mijn hart naar je toe.
Waaraan ik nu denken moet, mijn vadertje, weet je waaraan?
Als we straks – het duurt nog wel duizend jaren en langer misschien, maar voor ons bestaat er immers geen tijd? – als we straks dan zover zijn, dat we de andere en hogere graad (de vierde kosmische levensgraad) mogen binnentreden, zullen we opnieuw een kindje krijgen.
En jij zal het mij dan geven, ik zal dan de jouwe zijn en God zal toekijken en glimlachen.
Mijn lief vadertje, zul je voorzichtig zijn en ervoor waken, dat het kind, dat nu naast je is en zijn leven verkent, zich niet verliest?
Je weet toch, dat ik ook nu bij je ben?
Als ik zie naar hem, die je kind is, moet ik denken aan het wezentje, dat ik straks in je handen mag neerleggen.
Mijn vadertje van je eigen kind, hoe zul je dan naar mij kijken?
Hoe zullen dán je gedachten zijn?
O, ik weet het, denk je eens in, dat we nu op aarde zouden leven.
Je zou dan je allerbeste pak aantrekken en met mij en ons kindje gaan wandelen.
Dan zien de mensen je stralend gezicht en ze weten dan dat het geluk bij ons inwoont.
Beiden zouden we naar ons kindje kijken en God danken, dat Hij ons dit leven toevertrouwde.
Vadertje toch, mijn geluk, zul je straks weer even tot mij komen?
Ik volg je wel, natuurlijk volg ik je.
Maar ik wil even maar heel dicht bij je zijn en zul je me dan drukken ook?
Vaster nog, zo vast, mijn lieveling, dat we in elkander overgaan en onze hartklop één wordt?
En zul je me dan, wáár je ook bent, steeds en altijd zo voelen als op dat gezegende ogenblik?
Want is dit Gods wil niet, gaf God ons niet deze band?
Wie ben je toch, mijn alles in de ruimte, dat ik zóveel van je houden moet?
Kan dat wel goed zijn?
Maar dat móet toch, hebben we niet de eerste sfeer in ons eeuwigdurend geluk bereikt?
En als je klaar bent met deze reis en je je eigen kind zover hebt gebracht, dat ook hij gereed is voor al deze heilige openbaringen, weet je, mijn lief vadertje, wat ons dan wacht?
Als Jack aan zijn studie begint en ook ik gereed ben met mijn werk?
Moet ik het je nog zeggen?
Net als op aarde?
Maar hier kun je het weten, zonder dat ik het je zeg.
Want nu ben je geheel één met mij en behoef je maar te denken om het weten in je te voelen komen.
En toch doe je het niet.
Wil je zijn als op aarde en het liever uit mijn eigen mond horen?
Het is alles zo lief van je.
Luister dan, mijn vadertje, ik zie nu reeds het kindje, dat ons zal worden gegeven, als we die hogere bewustwording zijn binnengegaan.
Daar ben ik weer en dan voor de derde maal je Angelica.
O, mijn lieve ziel toch.
Ik zal dan je moedertje zijn.
Mijn dierbaar wezen, mijn stuk van mijzelf.
Ik bemin je zo echt en zo duidelijk, ik weet het.
God laat het me zien en voelen.
Luister je nog?
We gaan ons nu daarvoor klaarmaken.
Schrede na schrede gaan we verder omhoog.
Wij beiden, m’n lief vadertje.
Dan eerst zullen we de wetten beleven, zoals God het gewild heeft, en vader én moeder zijn.
Ach, is het niet machtig, dat wat ik nu reeds zie en voel?
Daarnaar verlangen wij allen, zegt mijn meester, of het leven stond hier stil.
En dat is immers niet mogelijk.
We moeten toch aldoor verder en dieper in het vader- en moeder-zijn overgaan, eeuwigdurend.
God is immers Zélf vader én moeder?
Heb ik je dat al niet op aarde verteld, mijn lieveling, hoeveel dagen en uren zijn er sindsdien voorbij gegaan?
Het lijken wel eeuwen, zoveel beleefden we, en zo is het goed.
Als je straks bij mij terugkeert en wij weer wandelen gaan in onze sfeer, en we de vogels groeten en de bloemen, dan, mijn alles, zal ik je een groot geschenk geven.
Jou, mijn ziel, mijn dierbaar leven, en het zal je heel gelukkig maken.
Daarmee wacht ik je op in onze sfeer, en met de volheid van m’n grote liefde, ik zal je omarmen en kussen, als je terugkeert na de vervulling van je mooie taak.
Ik heb met mijn meester gesproken, m’n lieveling.
Nee, nú mag je niet denken.
Nu moet je je ogen sluiten en niet willen weten wat het geschenk is, dat ik je dan geven ga.
Het moet een verrassing blijven.
Op aarde kan dat, daar kun je een verrassing geheim houden, als dat nodig is.
Zul je niet denken?
Mijn allerliefste Ziel, ik zal nu wachten, tot je weer tijd hebt om met mij te praten.
Ik neem nu je hoofd in mijn handen en mijn lippen raken je gelaat en je mond.
Ik kus je ...
Rein is mijn liefde voor jou, rein en eeuwigdurend.
Ik zie je nog – nog zie ik je, maar nu ga je in je eigen kind over.
Dag mijn lieve, lieve vadertje.
Dag mijn Ziel.”
 
 
Heilig is het wat ik heb mogen horen, geen woord is mij ontgaan.
Ik mocht lezen in Angelica’s diepste innerlijk en onderging de gevoelens, die haar woorden stuwden, de ruimte in, regelrecht naar vaders hart.
Ik durf vader niet aan te kijken; liefst zou ik me heel klein maken en wegschuilen.
Waarom kon hij dit heilige, dat toch alleen voor hem bestemd was, niet voor mij afsluiten?
Of liet hij het mij opzettelijk meebeleven, had hij er een bedoeling mee?
Dat moet het wel zijn!
Maar weet hij dan niet, dat ik ernaar húnker om ook zó te mogen liefhebben?
Dat ik brand van verlangen naar zúlke woorden, zúlke gevoelens?
Dat ik als hij „vadertje” genoemd wil worden?
Dit zijn nu geesten, engelen!
Hoe natuurlijk zijn zij in hun liefde.
Zó groot, zó diep kan de liefde tussen twee zielen dus zijn.
Mijn God, mijn God, mijn hart dreigt te barsten, ik heb gevoeld wat het zeggen wil lief te hebben; dit is groots, dit is ontzagwekkend!
Ik kan het niet aan, help mij nu dit te dragen, o God.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Theo vraagt zich na zijn aards leven af waarom de meeste mensen pas aan Gene Zijde de tweelingzielenliefde ontvangen:
„Maar waarom weten wij eerst hier van dit grote geluk af?”
„Dat is toch heel duidelijk, Theo.
Op aarde kennen we onszelf niet eens.
Hoe zouden we dan van deze wetten iets afweten?
Op aarde hebben de mensen in de regel alleen zichzelf lief en dit soort liefde, je voelt het, heeft niets uit te staan met de machtige tweelingliefde.
De mensen leven er hun eigen leven en gaan niet in op de zielelevens, die op hun weg komen.
Ze voelen er niets voor om zich voor deze te buigen en hebben dan ook niet lief.
Maar weinigen zijn er, die waarachtig liefde bezitten.
Deze weinigen bezitten doorgaans de zuster- en broederliefde, al geloven ze de tweelingliefde te beleven.
Groot is hun liefdegevoel en als ze huwen, openbaart zich een heerlijke harmonie.
Stel nu eens, Theo, dat een ervan overgaat naar deze wereld.
De ander, die achterblijft, verlangt ontzettend naar het wezen, dat overging.
Nimmer meer zou hij verbinding willen met een ander zieleleven.
In hem leeft slechts het verlangen naar haar, die hij thans aan Gene Zijde weet.
Er ligt diepte, reine diepte in zijn liefde, die zijn gevoel doet groeien en zijn bewustzijn vergroot.
En tóch is door hem niet vast te stellen, of zij beiden tweelingzielen zijn.
Eerst aan déze zijde ervaren ze dan, dat hun gevoelens niet de tweeling-, doch de zuster- en broederliefde raakten.
Op aarde was dat door hen niet vast te stellen, omdat dáár die diepte niet gevoeld of gepeild kan worden.
Denk je maar eens in, de maar door luttele mensen op aarde beleefde zuster- en broederliefde is universeel, de tweelingliefde echter kosmisch.
En wie op aarde kan kosmisch-diep voelen.
Nee, Theo, maar heel, héél weinig mensen leven op aarde bewust in de tweelingziel-toestand.”
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Theo is verbaasd dat tweelingzielen elkaar op aarde kunnen ontmoeten zonder elkaar te herkennen:
„Maar kunnen tweelingzielen elkaar niet op aarde ontmoeten zonder te weten, dat ze tot elkander behoren?”
„Vanzelfsprekend is dat het geval, Theo.
Wij, zielen, zagen elkaar in verschillende levens, ook al hoeft dat niet steeds als man en vrouw te zijn.
Je kunt je zieleleven als kind op aarde ontmoeten, als een oude vrouw, als je vader of je zuster.
En desondanks zijn beide zielen kosmisch voor elkander bestemd.
Je wilt vragen, hoe dat mogelijk is?
De tweelingzielen moeten de wetten van God leren kennen, ze moeten universeel leren liefhebben.
Daartoe dienden ze met het leven van God in aanraking te komen.
Ze gingen hun eigen weg.
In hun lévens deden beiden goed en kwaad, ieder op eigen wijze en voor zichzelf.
De wetten van oorzaak en gevolg brachten hen dus dan hier, dan daar.
En áls ze elkander weer eens ontmoetten, herkenden ze elkaar niet – en wel doordat ze in hun eigen wetten leefden.
Pas als álles goedgemaakt is, kunnen we elkaar op aarde bewust terugzien.
Maar ik zei je al, meestal geschiedt dit aan déze zijde, omdat we op aarde dit verhoogde bewustzijn niet willen bezitten.”
„Wat zegt u daar, vader?
Niet willen bezitten?”
„Ja, mijn jongen, zo is het.
Wie op aarde wil zich voor al het leven van God buigen?
Wie wil al dit leven liefhebben?
Wie is daar in volle overgave bezig zich voor al dit leven in te zetten?
Wie is in z’n liefde zó volstrekt, dat niets, geen hard woord, geen daad hem in die liefde stoort?
Wie haat daar niet meer en weet altijd en onder álle omstandigheden het vergevende woord te spreken?
Wie wil zó leven, zó dienen en geven, en zich hierdoor een hoger, gééstelijk bewustzijn eigen maken?
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Boven de universele liefde staat de tweelingzielenliefde:
En toch dienen we zo te zijn, willen we gereed zijn voor onze tweelingziel.
Hoe kunnen we voor haar of hem klaar zijn, als we niet eens de liefde bezitten voor onze medemens?
Ik zei je al, boven de universele liefde staat de tweelingliefde, want zij is kosmisch.
Nóóit ben ik voor de tweelingliefde gereed, als ik niet universeel liefheb.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
In de volgende passage belicht de vader van Theo het lichamelijke en geestelijke eenzijn van mensen op aarde:
Maar als er bij hun eenzijn eigen driften bovenkomen, sluiten ze zich alweer voor de liefde af.
Hun verbintenis had gezegend kunnen zijn, want ook de tweeling-liefde komt door het moederschap, door het éénzijn, tot de kosmische verbondenheid.
Ze zouden een gevoel beleefd hebben, dat de aarde ver vooruit is, ja, dat boven de universele liefde uitgaat en de tweeling-liefde raakt.
Door het moedergevoel zouden ze zover gekomen zijn.
Begrijp je de diepe betekenis hiervan, Theo?
Luister dan.
De moeder is het heiligste wezen in de kosmos.
Ze heeft in haar toestand verbinding met God.
Als nu de beide wezens, die het eenzijn beleven, zich instellen op de moeder, stijgen ze ver boven het stoffelijke leven uit.
Ze zijn dan waarlijk één, en kosmisch is hun verbintenis.
Maar zoals ik al zei, er moet dan geen hartstocht in hen zijn, hun verlangen mag niet uitgaan naar het organisme in plaats van naar de ziel, omdat in dit geval hun verbinding slechts stoffelijk is en zónder geestelijke betekenis.”
„Ik geloof, vader, dat het eenzijn voor vele mensen, die geestelijk gaan aanvoelen, een diep probleem is.”
„Wij weten, dat het zo is, Theo, toch moet de mens ook hierin bewust worden.
Zo velen begrijpen van het eenzijn niets, doordat ze zichzelf niet begrijpen.
Talloze kerkse zielen roept het eenzijn zelfs een halt toe.
Aanvaard dit: Als we elkander waarlijk liefhebben is het een geheiligde daad.
Slechts wanneer we alleen het organisme liefhebben en onze ziel terugvalt in hartstocht is alles aards en stoffelijk.
Dan ontbeert onze daad elke geestelijke betekenis!
Hij, die echter de ruimte gaat voelen, eerbied en liefde bezit voor het zieleleven, waarmee hij zich verbindt, deze mens zal ook het andere leven dwingen zichzelf in te zetten, om tot een beleven te komen, dat waarachtig rein en geestelijk is en het onderbewuste leven doet opengaan.
Wanneer dan een ziel wordt aangetrokken is het zelfs mogelijk tegelijk kosmisch verbonden te worden, waarna de liefde in deze beide mensen een hoger stadium bereikt.”
„Wat wil dit zeggen, vader?”
„Dat wil zeggen, mijn jongen, dat ons innerlijk door een dergelijke verbinding geopend wordt en dit geschiedt dan door het zieleleven, dat wij aantrekken.
De moeder in de allereerste plaats, doordat zij het nieuwe leven in zich ontvangt, draagt en tot groei brengt.
Wij echter, doordat wij moeder en kind liefhebben, op de wijze, die God wil.
Helaas is het evenwel maar al te vaak, dat het scheppende wezen zich door aardse beslommeringen uit die toestand van geluk laat trekken, z’n liefdevolle aandacht voor de moeder en het wezentje in haar afneemt en ten laatste geheel ophoudt, zodat de moeder alleen blijft met al die machtige gevoelens, die haar bestormen en waarover zij spreken wil, omdat ze ze alleen niet verwerken kan.
Ze voelt zich dan alleen, de moeder, arm en aards ...
Wij moeten daarom altijd naast haar staan, haar volgen en liefhebben, dienen en steunen.
Is die eerbied, is die reine, geestelijke liefde in ons en wordt zij door de moeder gevoeld en begrepen, dan bezitten wij op aarde een toestand van hemels geluk – een geluk, dat ons opvoert, ruimer en dieper maakt – een geluk, dat door God gezegend wordt.
En dat alles ontvingen wij dan door het reine eenzijn en het aantrekken van het nieuwe leven.
Willen we in deze toestand leven, dan moeten we ons er geheel voor inzetten.
Indien de wil in ons is zal God ons in Zijn heilige wetten doen ontwaken en verandert ons gehele leven.
Dan is de moeder voor ons een heilige – natuurlijk alleen in geval ook zij naar deze toestand van geluk en dit bewustzijn streeft.
Iedere verkeerde handeling, iedere snauw of hardheid, elk wanbegrip slaat gaten in de verhouding, door welke het geluk wegvloeit.
Niets blijft er dan over van het heilige contact dat man en vrouw bond.
Door daarentegen iedere seconde, die God ons geeft, te benutten om dichter in het wezen naast ons te groeien, werken we mee aan de verinniging van een geestelijke band, die ons voor ons leven verzekert van het hoogste geluk, dat slechts door hen gevoeld en geëvenaard wordt, die hier tweelingzielen zijn.
Eerst moeten we het leven naast ons kunnen dienen en beminnen met geestelijke kracht, dán pas zijn we gereed, de ziel te ontvangen, die de onze is.”
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
De gevoelens van de tweelingzielen raken de schepping:
Onze gevoelens echter raken de schepping.”
„De schepping, vader?
Wat bedoelt u hiermee?”
„Het wil zeggen, Theo, dat ik in mijn geval dóór Angelica in de ruimte kom.
Door in haar leven af te dalen, zie ik in alle graden van de schepping, die we beiden beleefd hebben.
Onze liefde dus voert ons binnen in Gods leven, we beminnen dit.
Zo komt er nimmer een stilstand in onze liefde.
Telkens immers stuiten we bij het afdalen in het wezen, dat ons toebehoort, op nieuwe wetten en wonderen.
En naarmate daardoor ons bewustzijn groeit, kunnen we dieper afdalen in de schier onpeilbare toestanden, welke in de mens als vonk Gods liggen.
Door dus door te dringen in het zieleleven naast ons komen we dieper in God en Zijn schepping, en leven we in het centrale stelsel van Hem, Die ons schiep.
Het is diep, mijn jongen, wat je nu verwerken moet.
Denk je maar eens in dat we, door het leven naast ons te peilen, in verbinding komen met alle lichamelijke en geestelijke graden, die het leven telt.
Zóver voert het ons als we wáárlijk van een mens houden, dát kan ons de liefde schenken!
Is het dan wonder, dat er eerbied in ons komt voor het leven naast ons en dat geen hard woord meer onze mond kan verlaten?
Is het wonder, dat we in onze liefde nimmer uitgeput raken en we diep ons hoofd buigen voor Gods schepping?”
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Groeien in liefde door onze geliefde volkomen te aanvaarden:
Om kort te zijn, iedere handeling, die door het wezen naast ons wordt volbracht, aanvaarden we in liefde, want alles wat dit leven doet is goed!”
„Maar dat kan toch op aarde niet, vader?”
„Daar heb je dan al een stoornis, Theo.
We móeten het wezen naast ons aanvaarden in alles wat ze doet.
Ze handelt naar haar gevoelsgraad.
Haar moeten we optrekken.
Nimmer mogen we dus een verkeerde daad afstraffen door er hardheid tegenover te stellen.”
„Om je dat eigen te maken, daar gaat wel een heel leven mee heen, vader.”
„Dat heb je goed gevoeld, Theo, zo is het.
Wie echter ernstig wil, kan zich daarin bekwamen.
Daar is ook levenswijsheid voor nodig.
Die verkrijgen we door te denken.
Leren denken is de opgaaf voor elk mens, die een geestelijke hoogte wil bereiken.
Door het wezen naast ons, ik zei het al, komen we regelrecht in God en Zijn heilige schepping.
Haar moeten we dus volgen in haar denken, voelen en handelen.
Zo dalen we in haar ziel af en leren haar kennen.
Door te denken groeien we alzo in bewustzijn, maar tevens in liefde.
Zo en zo alleen kunnen we in de tweelingliefde overgaan en er bewust in leven.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
Hoe is onze geestelijke liefde?
Hoe is onze liefde?
Wat voelen wij?
Wij met ons geestelijk bewustzijn voelen in het wezen, dat we liefhebben, het leven, de ruimte, de schepping, Gód.
De ziel is het, die wij voelen.
Daarmee weten we ons geheel verbonden.
Al onze eigenschappen raken die van de ander, niets is er wat stoort.
We hebben ons die graad van voelen en denken eigen gemaakt.
In die graden van ons gevoelsleven spreekt weer de ruimte, waarin we leefden.
Als deze graden in ons bewustzijn liggen en zij door het andere leven worden gevoeld, dan raken we elkanders onderbewustzijn en kunnen hierna tot diepe, kósmische eenheid overgaan.
Door onze liefde keren we dan tevens terug tot het allereerste stadium in de schepping.
Ook daar waren wij één.
God verbond toen onze levens.
Onze liefde heeft daarmee dus verbinding.
Hoe dieper we nu kunnen voelen en denken, des te dieper dringen we door in die eerste stadia.
We voelen ons dan door God gedragen.
We voelen ons in Zijn gevoelswereld opgenomen en leren Hem kennen als vader en moeder.
Als we eenmaal zóver zijn in gevoel, heten we kosmisch-diep.
We zijn dan waarlijk tweelingzielen en gereed dieper en dieper het Goddelijke plan binnen te treden.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942
En dan mag ook Theo zijn tweelingziel ontmoeten in de sferen van licht.
Beiden zullen zich klaarmaken voor de nieuwe reïncarnatie:
Dan voel ik, dat iemand mij nadert.
Het moet iemand zijn, die ik hier nog niet ontmoet heb.
Ik kijk op en zie in het gelaat van een beeldschoon wezen.
Mijn hemel, wat wacht mij?
De vrouw nadert mij.
Ik zou willen neerknielen.
Het blauwe kleed, dat ze draagt, straalt me tegemoet.
We zien elkaar diep in de ogen en dalen in elkanders zielen af.
Zij ziet in mijn leven en ik in het hare en beiden danken we God.
We spreken geen woord, maar deze ontmoeting behoeft geen woorden.
„Wie is zij?” denk ik en zij vraagt zich hetzelfde af.
Ik voel haar als mezelf.
Zij moet een zuster van mij zijn.
In gedachten vraag ik haar zich naast mij neer te zetten.
Zij doet dit.
Zij is geheel open voor mij – ik mag haar volgen tot in haar diepste innerlijk.
Ik lees in haar, dat zij deze wereld zal gaan verlaten om weer naar de aarde terug te gaan.
Ze heeft zich al geheel op de aarde ingesteld, daardoor is het, dat ik haar volgen kan.
Zij toont mij nu haar leven, dat ze beleefde voor ze aan deze zijde binnentrad.
Ik laat haar nu het mijne zien.
Zij gaat terug naar de aarde om daar het moederschap te beleven, maar dan op geestelijke afstemming.
Thans al moet ze zich gereedmaken om door de aarde te worden aangetrokken – binnen honderd jaar zal dit het geval zijn.
Ik heb reine eerbied voor dit leven; wie deze ziel straks op aarde ontmoet, zal van haar alleen geluk ontvangen.
Ik voel haar als een kind, dat boordevol liefde is.
Die liefde is haar bezit, zij is liefde gewórden.
Zij wil nu in het moederschap haar graad behalen en daar dit slechts op aarde geschieden kan, schenkt God haar deze genade.
Haar goudglanzende haar valt in golven over haar schouders, fijn en heerlijk is haar gestalte.
Een hemels geluk voel ik, als ik haar aanzie.
Mijn God, hoe verwerk ik het – hoe moet ik U danken – mijn God, ik sta tegenover mijn tweelingziel!
Dit schone wezen hoort mij toe, zij is als ik ben, zij zal eeuwigdurend de mijne zijn!
„Ziel van mijn ziel,” zeg ik, „is dit alles waar?
Weet u, dat wij eeuwig en altijd tot elkander zullen behoren?
Dat God ons beiden het nieuwe leven gaat schenken?
Weet u, dat wij elkander dáár weer zullen ontmoeten?
Zeg me, zijn deze gevoelens ook in u aanwezig?”
Wij zien elkander aan en onze blikken zeggen, wat woorden niet vermogen.
„God gaf mij de genade u te zien.
Nu moet u weer gaan, ik weet het.
Ik groet u, tot daar!”
Meer, veel meer had ik nog willen zeggen, maar het is niet meer mogelijk.
De heilige gestalte is voor mij opgelost.
Ik zink weg in een toestand van bewusteloosheid.
Hoelang deze aanhield, weet ik niet, maar toen ik de ogen opsloeg, stond vader voor mij.
En hij bevestigde alles wat ik beleefd had.
„Waar is zij thans, vader?” wilde ik weten.
De gevoelens, die hij in me legde, zeiden me alles en ik wist, dat ik haar thans niet meer volgen mocht.
Zoals zij, moest ook ik me gereed maken, opdat de tijd me klaar zou vinden, als het ogenblik daar was om m’n tocht naar de aarde aan te vangen.
Bezield door dit samentreffen met mijn tweelingziel, werkte ik nog ernstiger dan tevoren aan mijn ontwikkeling.
Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven, 1942