Universiteit van Christus -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘Universiteit van Christus’.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘Universiteit van Christus’.

De toelichting bij ‘Heb elkander lief’

Christus had nog heel veel te zeggen:
Indien Christus had mogen blijven leven en men Hem niet had vernietigd, had deze mensheid Goddelijke wijsheid ontvangen.
Dringt dat tot uw levens door?
Heeft de mens nooit aan deze mogelijkheid gedacht?
Waarlijk, mijn zusters en broeders, Christus had nog heel veel te zeggen, maar u kent Zijn einde, men heeft toen het Goddelijke Bewustzijn voor de aarde vernietigd, waarvan wij u thans de wetten willen verklaren.
En dat zijn de afgezanten van Christus!
Gij weet, hoe men Hem op aarde ontvangen heeft.
Dat heeft Christus niet gewild, doch Hij wist, dat dit zijn einde zou zijn.
Toen Hij na zijn kruisdood in de sferen van licht terugkeerde, sprak hij tot de meesters en zei:
„Hebt gij gezien hoe „IK” daar werd ontvangen?
En toch moeten wij het kind van Moeder Aarde helpen.
Wij moeten dit werk voortzetten, het kind van de aarde moet zijn God leren kennen als een Vader van Liefde.
Ga met mij terug naar de aarde.”
Christus, mijn broeders en zusters, keerde met de meesters, mensen zijn het, die op aarde hebben geleefd, tot deze wereld terug en toonde hen wat zij zouden doen.
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
De mensen in zijn tijd konden niet meer aan:
En wat heeft Christus nu in de Bijbel verteld tijdens Zijn leven?
Hij kon niets kwijt.
Had Hij er nog, eventjes maar, er nog meer van gemaakt, dan hadden ze Hem vóór 33 jaar, vóór 20 jaar reeds vermoord.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Hij vertegenwoordigt het universum, planeten en stelsels, de éne graad na de andere en heeft alles kunnen beleven, Hij is toch goddelijk bewust van die stelsels, die wetten, die zelfstandigheden, die rechtvaardigheid, die harmonie, die liefde.
En daarvan heeft Christus niets, niets, niets kunnen vertellen, Hij gaf slechts een beeldspraak.
Lezingen Deel 3, 1952
Christus had aan uw leven dit alles willen geven, maar de mens, het kind van de Aarde, sloeg „Hem” aan het kruis en smoorde het Goddelijke-Universele woord.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944
Christus had nog miljoenen jaren kunnen spreken:
Toen Christus op Golgotha zijn stoffelijke ogen sloot, had Hij nog miljoenen jaren kunnen spreken over Zijn weg, Zijn waarheid en Zijn leven.
Deze woorden, die Hij tijdens zijn rondgang over de aarde zelf uitsprak, betekenden, dat Zijn leven universeel was en dat Zijn weg macrokosmische betekenis had.
Dit alles had Hij als waarheid aan het mensdom willen schenken, maar het brute geweld daarvan weigerde het te aanvaarden en bracht Hem om.
Archief, 1945
Maar dat moest hij overlaten aan anderen:
Wanneer u het beeld van Jeruzalem waarneemt, u leeft nóg in die tijd.
Tweeduizend jaar is men bijna bezig om nóg dát aan de mens te schenken.
Geen bewustzijn heeft de Bijbel ontvangen.
Maar Christus had het kunnen geven.
Hij zei: ‘Er zullen er komen die méér zeggen dan Ik.’
Ja, dat waren de meesters, dat zijn de meesters.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Al de machtige persoonlijkheden die hun leven ingezet hebben voor de geestelijke evolutie van de mensheid hebben fundamenten gelegd voor de ‘Universiteit van Christus’:
Hierdoor is ... kan ik u onmiddellijk verklaren: Darwin en al de geleerden die de aarde heeft gekend, al deze machtige persoonlijkheden die voor de Universiteit van Christus hebben gewerkt, elk mens die gesproken heeft over zon, maan en sterren, over ziel, geest en persoonlijkheid, over het leven, over God, over Christus, al die mensen vanaf de geboorte van Christus hebben voor Zijn Universiteit fundamenten gelegd, voelt u?
Blavatsky, Boeddha, Socrates, Plato, Aristoteles, Pythagoras, u kunt terug tot in Egypte, u gaat terug tot in China.
Al die mensen die maar even de bron van deze Almoeder en Alvader hebben aangeraakt, een woord hebben verstoffelijkt – waardoor de maatschappij waartoe gij nu behoort de fundamenten heeft kunnen leggen, waardoor daarna de faculteiten naar voren traden – hebben gediend voor de Universiteit van Christus.
Lezingen Deel 1, 1950
De Universiteit van Christus gaat verder waar het evangelie eindigt:
En dat wil zeggen, wanneer ge hoort ‘de Universiteit van Christus’, dan is het toch duidelijk dat de Christus – dat heb ik u hier in die vorige lezingen, een vier-, vijfhonderdmaal hier op deze plaats verteld en verklaard – dat Christus toen Hij aan het kruis werd geslagen nog niets van Zijn ziel, Zijn geest, Zijn leven, Zijn persoonlijkheid heeft kunnen verklaren.
Alles van de Christus leeft nog achter de sluier van Zijn Goddelijke Persoonlijkheid.
De mens heeft alleen het evangelie gekregen, dat is de wet als wijsgerig stelsel, afgestemd op de ruimte en hiernaast, hierachter de goddelijke liefde.
Christus heeft eigenlijk nog niets van Zijn eigen persoonlijkheid, van Zijn ziel, van Zijn geest, van Zijn leven – Zijn karakter kent u enigszins – maar van Zijn persoonlijkheid, Zijn goddelijke afstemming, direct in harmonie met die stelsels dat nu de goddelijke wijsgerige stelsels zijn, nog niets kunnen geven; want toen sloeg men Hem aan het kruis.
Lezingen Deel 3, 1952
De Universiteit geeft de verklaring bij het gebod ‘heb lief’:
Konden wij, konden de meesters Mozes een geestelijke daad laten doen?
Jazeker, die kwam, hij kreeg de tien geboden: heb lief, dood niet.
Dat was voor Mozes al een universeel goddelijk gebeuren, dat door Mozes ...
Voelt u, die man, die mens, dat die de tien geboden kon ontvangen?
Dood niet, steel niet, bedrieg niet, lieg niet, heb lief.
Mozes.
Ja, en dat is ...
De tien geboden die gaan door.
Het bewijst ook dat die uit de eerste sfeer komen.
Maar de massa kon er nog niet naar leven.
Meer was er ook niet voor nodig.
Een gebod.
Maar dat is nog geen verklaring.
Daarbij is de universiteit nog niet die zegt: dat moet u zo doen.
Wanneer u in harmonie wilt zijn dan moet u zó handelen, maar niet zo.
U kunt wel zeggen: leef in liefde.
Wat is, hoe is te leven in liefde?
Wanneer kunt u tot uzelf en de maatschappij, de massa zeggen: ik ben liefde, ik leef in liefde, ik ben geluk, ik ben geloof, hoop en liefde, ik ben rechtvaardigheid, ik ben welwillend, ik ben harmonisch?
Wanneer bent u dat?
Daarbij zou de school nog komen, nietwaar?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Die is er nog niet.
Ja, die kwam, door Christus, maar nog maar even.
De universiteit moet het doen.
Socrates begon: wie ben ik?
Wat doe ik?
Wat is er in mij wat daar leeft?
Socrates.
De wijsgerige stelsels die zijn ontstaan, uw universiteit die is nog maar stoffelijk.
Neemt de parapsycholoog, neemt de psycholoog aan dat de ziel achter de kist leeft?
De fundamenten moeten nog gelegd worden.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Door zijn Universiteit beantwoordt Christus al onze levensvragen:
De „waaroms” van de Aarde krijgen universeel bewustzijn door de „Universiteit van Christus”.
Christus wíl op ál uw vragen antwoorden.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944
Ja, wij hebben u gevoerd naar de ‘Universiteit van Christus’, een universiteit die de wetten voor uw ziel, geest en lichaam verklaart.
Lezingen Deel 1, 1950
De Universiteit van Christus leeft nu hier.
Die wordt u gegeven vanuit het hiernamaals, dat zijn mensen die op aarde hebben geleefd.
Lezingen Deel 2, 1951

Vanaf de oertijd

Christus voelde in het Al de stuwing om de mens op aarde te bevrijden van de voordierlijke gevoelsgraad:
Wat doet een mens, wat doet gij, wat wilt gij doen wanneer ge uw goddelijke Al betreedt?
Dan gaat ge en zult ge opnieuw reizen maken.
Dat kwam in ons, dat kwam in Christus.
Toen Hij met Zijn eerste kinderen het heelal, het goddelijke bewustzijn betrad, toen kwam er in Hem op: ‘Wat hebben wij beleefd, vanwaar komen wij, Moeder?
Wat moeten wij doen?’
De aarde alleen heeft het hoogste bewustzijn voor de Derde Kosmische Graad.
Het leven op de maan behoeven wij niet te bezielen, noch die overgangsplaneten.
Jupiter, Saturnus, Uranus, Venus – dat hebben we beleefd – zijn gasbollen, hebben geen ontwikkeling nodig, geen menselijk gezag, geen menselijk voelen en denken.
Wij moeten terug tot iets, tot de aarde.
We moeten naar de aarde om een geloof te schenken.
We moeten de aarde, Moeder Aarde en haar kinderen, de Derde Kosmische Graad moeten we losrukken van de voordierlijke bewustwording.
Lezingen Deel 1, 1950
Zonder leiding zou de mensheid nu nog in het prehistorisch tijdperk leven:
Wie durft zich in te denken, hoe de wereld er wel zou hebben uitgezien, als de meesters opgegaan waren in hun eigen geluk en zich verder niet om het leven op Aarde hadden bekommerd?
U in uw eeuw had dan nog in het prehistorisch tijdperk geleefd!
De meesters zagen hun geluk evenwel als onvolkomen, als het leven op Aarde door gebrek aan geestelijke leiding in duisternis en jammer zou moeten zuchten.
Zij begrepen, dat die leiding alleen door hen zelf met goed gevolg gegeven kon worden.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Anders zou de mensheid nog miljoenen jaren lang haten en vernietigen:
Onder leiding van de meesters, die eens het lot van de mensheid in handen nemen, omdat zij anders nog miljoenen jaren voort zou gaan met te haten en te vernietigen, onder hun gezegende en bewuste leiding zullen de volken zich die geestelijke levensgraad eigen maken.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941

De eerste ziel

Toen de eerste zielen hun kosmische evolutie begonnen te begrijpen, was er één ziel die meer voelde dan de anderen:
Er is één mens onder hen, die meer voelt en begrijpt dan de anderen.
Zij aanvaarden hem als hun meester, het is de eerste meester in de ruimte.
„Ga met mij terug naar de eerste planeet,” zo spreekt deze meester, „en wij zullen er zien hoe daar het leven ontstaan is.”
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Hij voelde ook hoe dit kwam:
En op een vraag, hoe hij dit alles weet, antwoordt de meester: „Kan het zijn, mijn vrienden, dat ik eerder dan gij geboren ben?
Is mijn leven van langere duur geweest dan het uwe?”
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Hij was en zal blijven de Eérstgeborene in de Goddelijke Ruimte!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Wij hebben die eerste meester veel later leren kennen als Christus:
Ik vraag nu aan u: wie was de eerste meester in de ruimte?
Voor mij is het een genade het u te mogen zeggen.
Christus.
Hij was en is de eerste meester in de ruimte.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Christus ging ons voor:
Heeft u ooit gedacht, dat Christus dezelfde weg heeft moeten afleggen, die u bezig bent af te leggen?
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Hij beleefde alle stadia van leven:
Hij maakte alle stadia van leven door, leerde de bestaande stoffelijke en astrale wetten kennen, bouwde aan de sferen van licht, bereikte de ene kosmische graad na de andere en trad eindelijk het Al binnen, waardoor Hij zeggen kon: „Ik en Mijn Vader zijn één.”
Ook Christus heeft dus die lange weg moeten bewandelen en alle graden in de ruimte moeten beleven om het Goddelijke leven binnen te treden?
Ja, ook Christus!
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Daarom kent Hij het menselijke leven zo goed:
Iedere voetstap, die u en wij op Aarde hebben neergezet, heeft ook Christus daar geplaatst.
Daardoor staat Hij zo dicht bij ons, mensen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
Op de eerste planeet in de ruimte beleefde Hij als eerste het embryonale leven:
Dat leven komt terug, die vader en moeder uit het eerste ogenblik, de eerste mens, de eerste mens als embryonaal leven.
Dit was Christus, als u het weten wilt, die hier op dit ogenblik is geboren.
Dat was Christus, met Zijn miljoenen kinderen, die met Hem vanuit het allereerste stadium tot de verstoffelijking kwamen.
Dat wórdt aanstonds Christus.
Lezingen Deel 1, 1950
De eerste zielen hebben het hoogste bewustzijn in de ruimte, omdat zij van alle zielen de langste tijd hebben gehad om zich te ontwikkelen.
Wanneer Jozef Rulof zijn kosmische reizen maakt met zijn meesters Alcar en Zelanus, beseft hij dat het verschil van tijd van geboorte op de eerste planeet, het latere verschil in evolutiegraad van elke ziel bepaalt:
Maar nú, mijn meester, komt er tot mij: dat dit tevens het hoogste bewustzijn is tot dit ogenblik.
Deze éérste cellen dus, zullen voor ál de ruimten steeds het verst zijn gevorderd; dat verklaart ook, dat gij reeds en meester Zelanus de sferen van licht hebt bereikt, maar dat ik met miljoenen andere mensen nog op Aarde leef, doch dat er, werelden zijn gevuld, werelden ontstonden voor hoger bewustzijn, já, dat de ziel als mens het „AL” heeft bereikt.
Dat kunt gij en heeft men op Aarde te aanvaarden, moet de kerk zich voor buigen, want er zijn voor het huidige stadium hemelen ontstaan waarin de Engelen van God – zoals de kerk dat zegt – leven, dat waarheid is, maar dat wil betekenen voor God, dat het éne leven verder is dan het andere.
En die wet voert ons nu tot deze eerste cel terug, maar verbindt ons direct met het bewuste Goddelijke „AL” en komt er tot mijn leven:
„Die vonk, deze cel, deze éérste geboorte dus, gaat verder, ontwikkelt zich geestelijk en lichamelijk en bezit later, over miljoenen tijden het hoogste bewustzijn als mens, als astraal wezen, maar bovendien voor het Goddelijke „AL” en zal eens tot de Aarde als „Christus”, de Messias, terugkeren.
Dat zullen ons de wetten van leven en wedergeboorte verklaren, doch dan staan wij in het „AL” en zien wij „Christus”!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944
Deze voor de Aarde ongelooflijke waarheden moeten wij hier beleven en voor de Universiteit van Christus vastleggen!
Christus zegt: „Ik ben in niets anders dan gij zijt en het leven door het vader- en moederschap kreeg.
Ik bén ziel van Zijn ziel, leven van Zijn leven, vonk van Zijn persoonlijkheid, maar ik was één van deze cellen die het eerst tot deze verdichting kwamen, het vader- en moederschap beleefden voor de „Almoeder”!
Já – „IK” kwam vanuit het bewuste Goddelijke „AL” tot de Aarde terug, doch gij weet hoe men Mij daar ontvangen heeft.
Leg deze Goddelijke waarheid vast voor „Mijn” Universiteit!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944
Christus heeft dezelfde basiskrachten als wij allemaal:
De Christus kreeg niet méér van de Albron dan vader-, moederschap en wedergeboren-zijn, reïncarnatie.
Ik heb u verklaard: die drie wetten, dit zijn de essentiële wetten voor al het leven, waar u ook leeft, waarheen u ook kijkt.
Die bron leeft in de mens en daardoor is de mens een godheid, daarom bezit de mens die goddelijke Albron in zich.
Lezingen Deel 2, 1951

De Universiteit van Christus

In het Al voelt Christus zich verbonden met alle zielen in de ruimte:
Christus is gelukkig?
Jazeker.
Maar Hij is het ook niet.
Want alles wat op aarde leeft, dat behoort Hem toe.
In het Al zijn we één.
En zolang ...
Zeker, het Al is bewoond, elke sfeer is bewoond door miljoenen zielen, maar er is eerst dan volmaakt goddelijk geluk, wanneer de aardse mens de Derde Kosmische Graad heeft overwonnen en alleen liefde is.
Liefde, leven en geluk, nietwaar?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Hij krijgt de stuwing om op aarde te reïncarneren om de mensheid verder te brengen:
Christus zei, de eerste meester voor deze ruimte, de Goddelijk Bewuste zei: ‘Wat moeten wij doen?
U weet dat de planetenstelsels vader- en moederschap vertegenwoordigen.
Eén onzer moet terug naar de aarde, want de aarde bezit het hoogste bewustzijn voor deze ruimte, voor de Derde Kosmische Graad.
Eén onzer moet terug om die mensen op te trekken in dit goddelijke gezag, wil die mens een goddelijk aanvoelen en denken en beleven, de goddelijke geboorte beleven.’
Allen kwamen ... allen kwamen en vroegen: ‘Laat mij gaan, meester.’
De eerste meester zegt: ‘Hoe kunt ge gaan wanneer Ik moet aanvaarden dat Ik díé gevoelens bezit om deze ruimte te dienen?
In welke handen ligt de zekerheid?
Wie bezit de krachten om dit alles te kunnen dragen?
Zeer zeker, Ik weet: gij zult uw levens, gij zult alles inzetten en gij weet hoe wij de aarde hebben verlaten en hoe het bewustzijn is van al die miljoenen kinderen die tot onze levens behoren.’
Lezingen Deel 1, 1950
Hij had al in het prehistorische tijdperk kunnen terugkomen, maar de mensheid was daar toen nog niet klaar voor:
Christus had al in het prehistorische tijdperk terug kunnen komen, maar de mensheid was er nog niet.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Christus zet zich in om al het leven geestelijk te laten ontwaken:
Nu weten wij’, zei de Christus, ‘hoeveel mensen er in deze ruimten leven, hoeveel vonken van die Albron er zijn die nog onbewustzijn bezitten, en daarvoor gaan we werken.
Dat leven moet terug, dat leven moet ontwaken.’
‘Wat moeten wij doen?’
De mens nu uit het Al keerde terug tot de zevende sfeer aan Gene Zijde en besprak met de meesters daar wat te moeten doen.
‘Ga en leg uw fundamenten op aarde.’
Lezingen Deel 2, 1951
Hij verbond zich vanuit het Al met de meesters uit de zevende sfeer van licht om hen duidelijk te maken hoe zij het bewustzijn van de mensheid konden verhogen:
De „Vierde, Vijfde, Zesde en Zevende Kosmische Levensgraad” zijn tot stand gekomen.
Wat dit te betekenen heeft is ontzagwekkend!
De meesters in de zevende sfeer krijgen bericht, dat de mens van de Maan af het Goddelijke stadium heeft bereikt.
Dát ogenblik, mijn broeders, zullen wij nu beleven, daarvoor kregen wij onze bezieling.
Géén mens op Aarde kent deze wetten.
Géén kind van God weet iets van de astrale wereld af.
En toch, daar leven al miljoenen mensen en élke Kosmische Levensgraad is thans vergeestelijkt en verstoffelijkt.
De mens heeft God leren kennen.
De mens uit het „AL” stuurt tot de sferen van licht:
„Wij hebben het bewuste „AL” bereikt.”
En van dat ogenblik af, kwam er Goddelijke éénheid.
Toen stelde de mens, uit de zevende sfeer, zijn vragen aan het bewuste Goddelijke kind.
En dat ogenblik, mijn broeders, zullen ook wij voor de mensheid beleven.
Voelt gij, dat wij het contact bezitten?
Hoor nu, wat de meesters aan de zevende sfeer hebben gezegd!”
En waarlijk, geachte lezer, ook dat Goddelijke ogenblik moeten wij voor de „Universiteit van Christus” beleven en aan uw leven doorgeven.
Wij zijn één met de hoogste meesters en horen nu:
„Hoort gij ons?”
De meesters uit de Zevende Sfeer geven thans antwoord en zeggen:
„Já, meesters, wij horen u.”
„Luister dan.
Wij spreken tot uw bewustzijn vanuit het Goddelijke „AL”.
Voelt gij, wat dit te betekenen heeft?”
„Néén, doch indien gij ons kunt bezielen?”
„Luister nu, mijn broeders en zusters.
Op dit ogenblik zijn wij volkomen één.
Gij zult zien, wat wij hebben beleefd.
Gij leeft in de Zevende sfeer, wij in de „Zevende Kosmische” sfeer, het bewuste „AL”, wij vertegenwoordigen God, de „Almoeder”.
Wilt gij vragen stellen?”
„Gaarne.
Hoe bent u daar gekomen?”
„Gij weet, dat wij door het vader- en het moederschap de wetten overwinnen.
Toen wij de zevende sfeer konden verlaten, hadden wij die ruimte overwonnen.
Wij waren: Licht.
Leven.
Gevoel!
Ziel!
Geest!
Vader en moeder!
Wij waren levenswetten en levensgraden!
Wij hebben de verdichtingen beleefd!
Door Zon en Maan kregen wij de ruimten in handen!
Wij waren „Wedergeboorte”!
En in alles „Liefde” en „Harmonie”!, omdat wij géén fouten hebben beleefd.
Aan Gene Zijde, u kent de wetten, hebben wij het oorzaak en gevolg overwonnen.
Toen traden wij tot de „Mentale Gebieden”, de wereld voor de wedergeboorte en kregen het nieuwe leven te beleven, weer als vader en moeder, waardoor de „Vierde Kosmische Levensgraad” zich heeft verdicht.
Daar leefden wij miljoenen jaren en ontwaakten wij voor dit nieuwe Zonnestelsel.
Op de „Vierde Kosmische Levensgraad” beleefden wij de zeven levensgraden voor het Universum.
Wat dit te betekenen heeft, u ziet dat leven nu, wij geven u ons weten, kunt gij thans begrijpen en aanvaarden.
Dat is ons paradijs!
De mens daar is in harmonie met het oneindige.
De mens kent daar géén ziekten meer, géén afbraak, wij beleven daarin de harmonische wetten, zodat wij voorspoedig verder konden gaan.
Wij gingen echter verder, steeds weer stonden wij voor nieuwe werelden en begrepen toen, dat de bron van al het leven wist, dat wij als mens, het dier en de „Natuur” zouden ontwaken voor het hoogste stadium.
Wij gingen voelen en beleven, dat de „Bron” waardoor wij het leven hadden ontvangen, ín óns leefde!
Daarvoor hadden wij deze levensgraden en levenswetten te beleven.
En na miljoenen jaren bereikten wij ons hoogste stadium, dít, waarin wij als man en vrouw leven, als „Tweelingzielen” om ál het leven voor ál de ruimten te vertegenwoordigen.
Wij willen dit alles een naam geven, mijn broeders en zusters, opdat de mens op Aarde de „Bron” als leven en licht, leert kennen.
Thans weten wij, dat alléén de Aarde, de Tweede Kosmische Levensgraad en de Eerste, één leven is.
Dat alles krijgt een naam, doch het zijn levensgraden en levenswetten.
De mens op de „Derde Kosmische Levensgraad” bezit het hoogste bewustzijn.
Gij kent het Universum en gij kunt ons dus aanvaarden.
Ja, mijn broeders en zusters, wij hebben het hoogste stadium bereikt.
Wanneer gij daar zover zijt gekomen, ontvangt gij ons leven en gaan wij verder om de Derde Kosmische Levensgraad hoger bewustzijn te schenken.
„Wij zijn nu Goden!”
Wat dit zeggen wil, zal straks voor uw leven geopenbaard worden.
Luister, zusters en broeders.
De mens van de Derde Kosmische Levensgraad moet ál het leven leren kennen.
Beleef thans onze visioenen en gij zult weten!
Op de Derde Kosmische Levensgraad staat de mens voor het menselijke bewustzijn, doch gij zult dat gevoel als weten op Aarde brengen.
Wij spreken thans reeds over „Zon, Maan en sterren”, gij hoort het en wij noemen dit alles:
”God
God als Vader!
God als Moeder!
God als Leven!
God als Licht!
God als Ziel!
God als Geest!
God als harmonie!
God als rechtvaardigheid!
God als verdichtingswetten!
God als verhardingswetten!
Maar voor álles ...”God als Liefde”!
Dít woord brengen wij op Aarde!
De Aarde, als kind van Zon en Maan!
Dat is zij als planeet, als barend-moederschap.
Gij zult dus op de Derde Kosmische Levensgraad wijsheid brengen, kunsten en wetenschappen, waardoor de mens als het leven van „GOD” zal ontwaken!
En daarbij zullen wij u helpen!
Gij weet, dat wij en gij doordat wij de wetten harmonisch hebben beleefd, onze organismen mochten overwinnen.
Wij overwonnen ál de ruimten die de „Bron” van al het leven heeft geschapen.
Wij waren op de „Eerste Kosmische Levensgraad”.
Dat noemen wij straks de Maan.
De andere planeten krijgen een naam en de levenswetten zult gij verstoffelijken, waarvan gij technische wonderen zult maken, waarvan gij de wetten hebt leren kennen.
Gij zult het Licht van uw leven verstoffelijken en wetenschappen bouwen, zodat de ziekten van de Aarde verdwijnen!
Daarvoor staat ons leven open!
Wij hier weten thans, waarvoor wij leven.
Wij vertegenwoordigen de „Albron” in alles!
Onze levenswijsheid komt op Aarde.
De mens daar zal ontwaken en zich openstellen voor wijsheid.
Bouw geestelijke Tempels!
Bouw aan geestelijke bewustwording!
Bouw aan liefde en geluk!
Bouw voor het vader- en moederschap!
Breng harmonie op Aarde!
Breng liefde op Aarde!
Breng geestelijke en stoffelijke wijsheid op Aarde!
Begin fundamenten te leggen voor de „Universiteit!”
Bouw voor ons fundamenten.
De mens op Aarde moet een geloof ontvangen!
De mens moet „God” als de schepper van al het leven leren kennen!
De mens moet weten, dat er verdergaan mogelijk is.
Schenk de mens het „Menselijke bewustzijn!”
Wij weten, dat gij uw eigen taak volbrengen zult en daarbij zullen wij u steunen.
Ik kom naar de Aarde terug!
Wie ik ben?
Ik bezit het hoogste bewustzijn voor ál de werelden.
Ik ben de éérste meester!
Ik spreek voor miljoenen mannen en vrouwen, kinderen van de „Albron”.
„De Alliefde”!
„Het „AL”vader- en het „ALmoederschap”!
„Het Allicht”!
„De Alziel”!
„De Algeest”!
„De Alharmonie”!
Ik bén het allerhoogste voor ál de ruimten.
Daarvoor keer „IK” tot de Aarde terug.
Ik breng het „Evangelie” van de „Alliefde” op Aarde!
Leg voor „MIJ” die fundamenten!
Begin om „MIJN” huis op te trekken!
Leg de fundamenten voor „Mijn” leven!
Laten de meesters spreken!
Vertel de mens, dat „God” waakt!
Liefheeft!
Rein is!
Harmonie is!
Vader en moeder is!
Ik kom tot u allen!
Wij zijn „Goden”, omdat wij het bewuste „AL” hebben bereikt.
Wanneer wij hier verdergaan, keren wij tot de onzichtbare „Almoeder” terug.
Zie thans, wat wij willen!
Ik ben de „Mentor” voor Mijn wereld!”
Gij ziet het, mijn broeders, het „AL” kreeg contact met de zevende sfeer.
In het „AL” is men begonnen om voor het leven op Aarde te denken.
De meesters hebben ons laten beleven, hóé zij toen contact beleefden met de zevende sfeer, doch gij zult begrijpen, dat ál die stoffelijke namen eerst later op Aarde kwamen.
Dat hebben de meesters op Aarde gebracht.
Doch voor die tijd kende men op Aarde géén Maan, géén Zon, géén sterren, van al deze levenswetten kende men niets.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Meester Alcar dient voor de ‘Universiteit van Christus’:
En dat heeft meester Alcar in zijn bezit, hij dient voor de „Universiteit van Christus”, de hoogste orde in het leven na de dood.
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
Miljoenen meesters werken voor het brengen van geloof, kunsten en wetenschappen op aarde:
Vanuit die Universiteit heeft Moeder Aarde ál haar kunsten en wetenschappen ontvangen.
De meesters dragen de aarde en de maatschappij; miljoenen mensen, bewusten van geest, vertegenwoordigen deze Universiteit en dienen Christus.
Er zijn zelfs „Apostelen” van Christus aan verbonden, die nu nog werken voor het bewustzijn van Moeder Aarde en haar kinderen.
De Universiteit van Christus heeft de eerste fundamenten gelegd voor het menselijk geloof.
Al de kunstenaars kregen hun taak toegewezen door deze Universiteit, omdat Christus wil, dat het leven op Aarde ontwaakt.
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952