Vijfde lichtsfeer -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘vijfde lichtsfeer’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘vijfde lichtsfeer’.

Tijdpad

Het duurt honderden jaren om vanuit de vierde sfeer de vijfde sfeer te kunnen binnentreden.
En nog veel langer om de zevende sfeer te bereiken:
Hierboven liggen nog drie hemelen, het zijn de vijfde, zesde en zevende sfeer.
Deze kunt u eerst vanuit ons leven bereiken.
Honderden jaren moeten er volgens aardse berekening voorbijgaan, alvorens u van de vierde naar de vijfde sfeer kunt overgaan.
Nog langer duurt het, voordat ge de zesde sfeer in u voelt en daar kunt binnentreden.
En zeker duizend jaar hebt u nodig om van daaruit de zevende sfeer te bereiken.
Dan eerst hebt u als mens het allerhoogste voor dit universum bereikt.
Geestelijke Gaven, 1943

Alcars woning

De geestelijke leider van Jozef Rulof, meester Alcar, is afgestemd op de vijfde lichtsfeer.
Tot aan zijn eigen lichtsfeer heeft hij de mogelijkheid om aan André (Jozef) alles te laten zien in uitgetreden toestand.
Maar dan houden zijn krachten op en moeten hogere meesters hun krachten verlenen:
En thans ging hij naar zijn eigen sfeer, daar, waar hij leefde.
Hoe groot was zijn leider.
Hij noemde hem zijn broeder.
Liefde was hij, niets dan liefde.
Het viel hem op, dat zij reeds ver waren.
Nog steeds zei Alcar hem niets.
Was er iets?
Had hij iets verkeerds gedaan?
Vreemd toch.
Hij dacht na, maar was zich van niets verkeerds bewust.
Hinderde Alcar iets?
Hij kon zich deze plotselinge verandering niet voorstellen.
André zag zijn leider aan en wendde onmiddellijk zijn blik naar iets anders.
Alcar zag omhoog, als was hij reeds in zijn eigen sfeer en trachtte hij zich met onzichtbare machten te verbinden.
Nog stiller werd het.
Welk een rust voelde hij hier.
Plotseling, hij schrok geweldig, scheurde de hemel vaneen en een machtig, goudkleurig licht brak door de sluier heen en bescheen hen.
André durfde niet verder.
Het licht hield hem staande.
Welk gevoel hield hem tegen?
Hij kon onmogelijk verdergaan.
Het was alsof zijn ziel verbrandde.
Hij knielde neer, boog diep zijn hoofd en bad vurig tot God om kracht, om dat gouden licht te mogen verdragen.
Hoelang hij gebeden had wist hij niet, maar hij voelde, dat er een hand op zijn hoofd werd neergelegd, waardoor een krachtige stroom in hem kwam, die hem versterkte.
Duidelijk hoorde hij zijn leider spreken: „Kom André, we mogen verder.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Het is mijn eigen afstemming.
Hier houden mijn krachten op, mijn zoon, ik kan je nu niet meer steunen.
Je moet aan een hogere kracht smeken, om hier te kunnen binnentreden.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Wanneer André toegelaten wordt tot de vijfde lichtsfeer, verklaart meester Alcar hem dat niemand boven zijn eigen afstemming kan handelen:
Ik kon hieraan niets veranderen.
Met alle liefde die in je is, moest je het willen.
Hier kan ik mij niet verbinden, omdat mijn krachten ophouden.
Geen wezen kan hoger gaan dan de krachten, die het innerlijk bezit.
Het zal je nog duidelijker zijn, dat men aan deze zijde niet boven eigen afstemming kan handelen.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Voor een beschrijving van het leven in de vijfde lichtsfeer schiet onze aardse taal te kort:
En thans naar mijn geestelijke woning.
Je zult mij leren kennen, weten wie ik ben, wat ik op aarde ben geweest, en waarom wij tezamen zijn.”
En in een flits waren zij in de vijfde sfeer.
Dit overtrof alles, wat hij tot nu toe had gezien.
Wat hij aanschouwde, was niet te beschrijven.
Het was niet te benaderen in stoffelijke taal.
Dit moest men kunnen voelen, innerlijk verwerken, erom smeken, dat God de kracht daarvoor in de mens zou neerleggen, anders was het niet te begrijpen, zo schoon was alles, zo heilig deze sfeer.
Alles lag in een goudachtig waas gehuld.
Waar was hij?
In Alcars afstemming, zijn toestand.
Hemels was alles, wat hij zag.
Hoe ver was zijn leider op de geestelijke weg gevorderd?
Zoveel geluk, zoveel liefde.
Goud, het geestelijk leven en reinheid, straalde uit alles.
Zij wandelden door een prachtig landschap, omringd door een zee van bloemen.
Het gezang van al het leven hoorde hij.
Diep in zijn ziel trilde iets, van heilig en groot geluk, het was de stem van het leven.
Waarlijk, hier leefde alles.
Het leven jubelde, het was een blij gezang, dat men op verre afstand hoorde.
Onnoembare tinten zag hij.
Bloemen zoals hij ze op aarde nog nooit had gezien.
Vreemde soorten waren het en alle straalden licht uit.
Hij hoorde een zacht, rein gezang, het leven ademde, het waren zieleklanken, die hij hoorde.
Gods leven, hoe ver was de mens van de aarde hiervan verwijderd?
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Hier voelt André nog sterker zijn gave van uittreden:
Eerst nu drong tot hem door, hoe groot zijn gave was, hoe heilig het was dit op aarde als mens te mogen ontvangen.
Geestelijk goud, wat in hem lag, wat zijn gave van uittreden betekende, het was machtig dit op aarde te bezitten.
Rijk was hij, eerst hier begreep hij alles.
Hoe kon hij God danken voor deze grote genade.
Tot ver kon hij waarnemen.
Overal prachtige tempels en gebouwen, die in een bijzondere, ongekende stijl waren opgetrokken.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Hierdoor kan hij Alcars woning aanschouwen:
Zie ginds op die berg, mijn geestelijke woning.”
Op een hoge berg zag André Alcars bezit.
Het was geen huis, het was een vreemd gebouw.
Het was een eigen toestand, zoals het leven zich voelde.
Een vreemde architectuur, die hij niet zou kunnen uitbeelden.
Het was in een bolvormige toestand en hij zag duidelijk, dat het geheel door zware fundamenten werd gesteund.
Door een zee van bloemen was het omringd.
Het was uit een blauwachtige stof opgetrokken en het leek alsof het gehele gebouw licht uitstraalde.
Hij zag een blauwachtig licht, dat telkens van kleur veranderde, om weer in de vorige kleurnuance terug te keren.
Ook dat vond hij zeer vreemd.
Hoe was het mogelijk, dat een gebouw straalde?
Merkwaardig was alles.
Niets kon hij met de aarde vergelijken.
Alles was anders en toch was het natuurlijk.
Hij kwam wat dichterbij en constateerde, dat Alcars huis van een blauwachtig marmer was gebouwd.
Het was een stralende lichtbol.
Het was als een kleine planeet, duidelijker zou hij het niet kunnen uittekenen.
Met deze vergelijking naderde hij het dichtst de waarheid.
Rond de gehele omgeving van Alcars bezit zag hij niets dan licht en leven.
Geweldig was het.
O, kon hij hier maar woorden voor vinden, om een duidelijk beeld te kunnen geven.
Thans stond hij voor Alcars woning.
„Treed binnen, mijn zoon.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
André voelt dat hij zich zuiver op Alcar moet instellen om in zijn geestelijke woning te mogen binnentreden:
Weer voelde hij, dat hij niet verder kon.
Wat was dít nu weer?
Plotseling voelde hij iets in zich komen, waardoor hij begreep waarom hij ook hier werd tegengehouden.
Hij knielde voor de tweede maal neer en bad tot God om kracht, om hem met zijn leider te verbinden.
Een gehele tijd duurde het.
Alles was hem duidelijk.
Hij voelde de waarheid van alles in zich opkomen.
Voordat de poorten van de vijfde sfeer zich voor hem hadden geopend had hij zich op Alcar moeten afstemmen, doch thans trad hij zijn gehele wezen binnen.
Het was bijna niet mogelijk.
In hem zou hij afdalen.
Een woning was een mens, in zijn leider daalde hij neer, hij als aards mens.
Een geest stelde zich voor hem open.
Neen, mocht hij binnentreden?
O God, bad hij, geef mij deze krachten, God alleen zou hem in Alcars leven kunnen opnemen.
Zijn ziel was zijn huis, zijn huis, dat was Alcar.
Het duizelde hem.
Hij als aards mens mocht in een geestelijke woning zomaar niet binnenvallen.
Weer bad hij, hiervoor was afstemming nodig.
O, hoe gaarne trad hij Alcars innerlijk binnen.
Hoe groot was liefde.
Alles lag aan hem zelf.
Alcar wilde het, hij moest aan God om deze krachten vragen, om te worden opgenomen.
Vol vuur bad hij.
Was het geen egoïsme van hem?
Hij begreep, dat zijn leider zich geheel voor hem opende.
Was het geen eigenliefde van hem?
Geen nieuwsgierigheid?
Had hij als aards mens daar het recht toe?
Hoe ver was hij hiervan verwijderd.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Liefde is hier de sleutel:
Een heilig gevoel doorstroomde hem; voor de tweede keer was zijn gebed verhoord.
Toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij in zijn leiders stralende ogen.
Het brandde hem in zijn ziel als nog nooit te voren.
„Ik ben zo gelukkig, André, dat je dit alles hebt begrepen.
Toch was ik niet beangst en heb niet getwijfeld.
Ook die kloof zou je overbruggen.
Alles mocht je in deze sfeer waarnemen, doch de deur van mijn toestand bleef gesloten, hoe gaarne ik je ook binnen wilde laten.
Het was niet mogelijk geweest, wanneer je dit niet zou hebben begrepen.
Er kwam hulp, omdat je gebed zuiver was en je mij in deemoed naderde.
Omdat je op aarde de mensheid wilt steunen, is ook dit overwonnen.
Op aarde kan men vragen wie men wil, hier is dat niet mogelijk.
Hier zal men liefde moeten bezitten om de woning van een ander binnen te mogen treden.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Waaruit bestaat nu de vloer van een geestelijke woning?
André stapte de drempel over en Alcars geestelijke woning binnen.
Schrede voor schrede ging hij verder.
Hier stond hij op gezegende grond.
Alles was heilig.
Hij wandelde op het bezit van een hoger wezen en dat hogere wezen was zijn Alcar, zijn broeder, zijn leider.
De grond beefde onder zijn voeten.
Het was, alsof hij zweefde, al bevond hij zich op de begane grond.
De vloer waarop hij liep, was van blauwachtig marmer.
En alles straalde licht uit, alles leefde.
Wonderlijk was het.
Maar hoe kon de grond, waar hij op liep, licht uitstralen?
Hij sidderde bij iedere stap voorwaarts.
Het bloed stroomde naar zijn hoofd.
En toch was de vloer hard.
Om dit te onderzoeken en tevens om zijn gedachtengang te controleren, stampte hij met al de krachten die in hem waren op de grond.
Ja, inderdaad, de vloer was hard.
Maar wat was dat?
Een geweldige angst overviel hem.
Het duizelde hem, hij wist met zichzelf geen raad.
Het geluid, dat hij door zijn stampen veroorzaakte en dat zich door de sferen verplaatste, was als een schrijnende pijn.
Het weerkaatste in al het leven, zodat het in de gehele omtrek was te horen.
Steeds angstiger werd hij.
Het trof hem tot in het diepst van zijn ziel.
Eindelijk hield het op en keerde ook in hem de rust weer.
O, wat was hij geschrokken.
Hij begreep, welk onheil hij veroorzaakt had.
Een diep leed overviel hem.
O, wat was hij daar dom geweest.
Hij schaamde zich voor dit geweld.
Hoe grof was hij.
De rust des geestes had hij gestoord.
Hoe zou hij dit kunnen goedmaken?
O, Alcar, dacht hij, vergeef mij deze grove fout.
Ik sta op zijn ziel te stampen, ik voelde, of zijn ziel hard was; o, mijn God, vergeef mij mijn fouten, ik bezoedel het geestelijke leven, dat zich in liefde voor mij opende!
Alcar zou dit hebben gevoeld.
Zonder het te willen, had hij zijn leider leed en pijn gedaan.
Het was geen stoffelijke pijn, maar hij had hem in zijn ziel getroffen.
Dat kon alleen de mens, hij kon dat, hij, een aards wezen.
Zijn hart bloedde, hij smeekte God om vergiffenis.
Hoe dom toch, dat hij zich door zijn nieuwsgierigheid zo kon vergeten.
Alcar had hem van tevoren alles duidelijk gemaakt.
Zijn huis was zijn ziel, zijn ziel, dat was hij zelf.
Daarop stond hij te stampen.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Ook op aarde pijnigt de ene mens de andere:
Hij zag achter zich, wat zijn leider hem te zeggen zou hebben, maar hij durfde hem niet in zijn ogen te zien.
Toch moest het.
Maar toen hij naar zijn leider omkeek, schrok hij geweldig, Alcar was niet bij hem.
Nergens was zijn leider.
Wat had dit te betekenen?
Hij wilde hem om vergeving smeken, maar het was niet mogelijk.
Neen, het was niet nodig.
Had hij Alcar leed gebracht?
Ja, natuurlijk.
O, wat moest hij beginnen.
Terugkeren?
Naar buiten?
En toen hij besloot om terug te keren, hoorde hij een stem, die niet Alcars stem was, hem zeggen: „Blijf André.
Op aarde pijnigt de éne mens de andere, zonder het te willen, tot in het diepst van zijn ziel; doch ook daardoor zullen zij leren, wanneer zij het gebeurde begrijpen.”
Ja, hij begreep en had geleerd.
Wie was hij, die zo tot hem sprak?
Alcar sprak steeds zo tot hem, en toch was het zijn leider niet, daar hij Alcars stemgeluid uit duizenden kon herkennen.
Doch op hetzelfde ogenblik sprak de stem weer tot hem en zei: „Uw liefde voor ons werk zullen wij belonen.
Luister, André.”
De onzichtbare kende hem?
„Zie om u heen”, hoorde hij hem zeggen, „ik zal u enige toestanden duidelijk maken, waarna ik heenga.
Ik ken u reeds lang, laat dit voldoende zijn.
Uw leider komt aanstonds terug.
Ga verder, André.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
De mens is zijn eigen schepper:
En André ging verder.
Schrede voor schrede.
Zijn verwondering steeg voortdurend.
Overal zag hij prachtige bloemen, die het geheel versierden.
Thans bevond hij zich in een grote hal.
Groots was het.
Ook hier, hij durfde er bijna niet naar te kijken, was de vloer van éénzelfde stof, als daar, waar hij zo-even was.
Het innerlijke was verlicht, maar waar het licht vandaan kwam, ook dat was voor hem onzichtbaar.
Alles straalde hem tegemoet, in alles lag het leven.
Nog nooit had hij zoiets schoons mogen waarnemen.
De muren waren versierd en ook die muren, als hij ze zo wilde noemen, straalden licht uit.
Hij kon er bijna doorheen zien.
Boven zijn hoofd zag hij het plafond, dat op het universum geleek.
Hij kon er geen woorden voor vinden, het was de hemel, hier voelde hij zich één met het Heelal en toch was hij in Alcars huis.
Hoe kon dat?
Ook daar kon hij in zien, maar niets waarnemen.
Vreemd, dacht hij, is alles.
Hier was hij in het leven van de geest.
Op aarde kon zich de mens dit niet voorstellen.
En ook hij niet, wanneer men het hem niet zou laten beleven.
Hoe kon een huis leven?
Welke wonderen waren hier verborgen?
Hij dacht na en voelde wat dit alles betekende.
Voor de tweede maal wilde hij Alcars rust niet storen en nog minder hem pijn doen.
Marmeren pilaren steunden het gehele gebouw.
Overal zag hij rustbanken, omringd door schone bloemen.
Het waren bloembedden.
O, welk een weelde, wat was alles heilig in Alcars huis, wat was zijn liefde groot.
In het midden van deze zaal stond een fontein, een prachtig symbolisch kunstwerk, dat hij herkende uit de derde sfeer, toen hij voor de eerste maal was uitgetreden.
Was het Alcars bezit?
Ja, het moest wel zo zijn.
De fontein in de derde sfeer stelde wijsheid, kracht en liefde voor.
Alcar was wijsheid, kracht en niets dan liefde.
De fontein straalde, zoals alles wat hij zag.
Waarvan was dit alles gebouwd?
O, als hem dat eens duidelijk werd gemaakt!
Want hoe leefde alles en waar was dat leven vandaan?
Het was zijn leider, maar hij moest bekennen, dat alles te diep voor hem was en dat hij het niet begreep.
Duidelijk hoorde hij tot hem spreken: „Dit huis is een geestelijke woning en is opgetrokken van stof, maar in geestelijke substantie, die wij aan de kosmos onttrekken.
Het is dus geestelijke stof, een compact geheel, dat door de kracht van de liefde van het wezen, dat er in leeft, wordt onderhouden.
Het voedt en sterkt, alleen door liefde.
Het is naar de wens van het wezen gebouwd en zal stralen naar de kracht, die het wezen bezit.
Daarom straalt alles, is alles leven, omdat het wezen leeft en deze liefde bezit.
Hoe schoner onze liefde is, hoe schoner ons huis, ons bezit, kortom alles zal stralen, naar de liefdekracht die wij bezitten.
Zo bouwt zich de mens zijn eigen huis en naarmate hij hoger komt, zal ook alles veranderen.
De mens is daarom zijn eigen schepper, wat door zijn wil en gevoelskracht tot stand komt.
Alles leeft, in alles ligt zijn eigen leven.”
André begreep nu nog beter, waarom alles licht uitstraalde.
Een geestelijke woning was een woning van liefdekracht.
In kunst en stijl was alles opgetrokken, zoals het wezen voelde.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
De geestelijke woning van Alcar is opgetrokken rondom zijn geestelijke kern, zijn geestelijke kamer der liefde:
Weer sprak de stem: „Ieder wezen voelt in kunst anders, doch wij bezitten in deze sfeer één liefde en zijn in alles één, eerst later zult ge hiervan de diepe betekenis begrijpen.”
Daar hoorde hij zijn onzichtbare geleider zeggen: „Daar staat het bezit, de innerlijke kracht van uw leider.”
André stond voor de fontein, die hij reeds had gezien.
„U kent haar betekenis, nietwaar?
Het zegt u tevens, waar u zich bevindt.
Het is de liefdekamer.
Wanneer ik u een geestelijke woning wil duidelijk maken, moet ik mij tot uw taal wenden, anders is het voor mij niet mogelijk.
Alles is anders, doch de betekenis komt hierop neer: Zoals ik u zei, bevinden wij ons in de liefdekamer en vanaf deze plaats gaat het wezen zijn huis bouwen.
Om deze kamer der liefde liggen vele andere, doch het ligt niet aan mij, u die te tonen.
Alleen mag ik u duidelijk maken, hoe een geestelijke woning is opgetrokken, hoe alles is verdeeld en eindigt, met andere woorden, totdat de krachten ophouden, die het wezen bezit.
Volg mij, André.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Steeds hoger gaat het geestelijke bezit van de ziel:
Voor hem zag hij het wezen, dat half zichtbaar voor hem werd.
Het was een prachtige verschijning.
Hij en alles, waar zij zich bevonden, werd verlicht door het licht, dat het uitstraalde.
Steeds ging hij verder.
Dan weer links, dan weer rechts, hij doolde en dwaalde door Alcars huis heen.
Hij dacht, dat er geen einde aan zou komen.
Niets kon hij waarnemen en toch voelde hij, dat hij nog steeds in Alcars woning was, in zijn eigen leven.
De massa sloot zich als één geheel, maar door lichtstrepen zag hij, dat het toch verdeeld was.
Het waren aparte gedeelten, maar hij kon niets anders waarnemen.
Ook zag hij het in verschillende kleuren en telkens veranderde alles.
Het was zoals hij het van verre had gezien.
Alles was bolvormig.
De verschijning ging steeds verder en hij volgde haar op de hielen.
Thans kon hij meer waarnemen.
Het werd steeds lichter en lichter, hetgeen hij zeer vreemd vond.
Plotseling werd hij door een goudachtig licht beschenen: het geestelijke licht uit de vijfde sfeer.
Hij was in de natuur, buiten Alcars huis en begreep wat een geestelijke woning betekende.
Hij had het mogen beleven.
Niets was duidelijker.
Alcars huis loste op.
Hier bevond hij zich in een nog ijlere toestand dan in de kamer der liefde.
Daar was alles zichtbaar voor hem, hier bevond hij zich in onbekende gedeelten van zijn leiders huis, die hem alleen op deze wijze konden worden duidelijk gemaakt.
Hij begreep, wat geestelijke substantie was en hoe zij in stand werd gehouden.
Levende stof was het.
„Zie naar beneden, André”, hoorde hij zeggen.
En onmiddellijk zag hij een zeer scherp licht, dat de massa doorkliefde en de kamer der liefde voor hem zichtbaar maakte.
Zag hij goed?
Was het zijn leider, die hij dacht waar te nemen?
Het beeld daar in de diepte werd steeds duidelijker voor hem.
Ja, hij schreeuwde het uit van blijdschap, het was zijn Alcar.
O, gelukkig, dacht hij, Alcar is niet heengegaan door het vreselijke dat is geschied.
Hoe ver was hij van zijn leider verwijderd.
„U ziet, André, dat een geestelijke woning oplost.
Steeds hoger gaat dit bezit, totdat het eens de zesde sfeer zal hebben bereikt.
Zo gaat de mens verder, om aan zichzelf te werken, om zijn bezit te verfraaien.
Steeds verder, tot hij de goddelijke afstemming heeft bereikt en zijn toestand, zijn woning, zijn leven, zijn liefde, in het goddelijke overgaat.
Mijn werk is thans voorbij, ik zal u naar uw leider terugvoeren.”
André wilde de onzichtbare engel danken, doch geen dank werd aanvaard.
„Dank niet mij”, hoorde hij, „het is alles, omdat mijn broeder het wilde.
Dank God voor deze wijsheid, mijn zoon en weet haar te gebruiken.”
In een flits werd hij teruggevoerd.
Steeds dichter werd de massa, zij nam weer vormen aan, totdat hij de hal herkende waar de fontein zich bevond.
Hij was weer terug in de kamer van liefde.
Daar was Alcar.
André vloog op zijn leider af en knielde voor hem neer.
Innerlijk ontroerd door al deze liefde, schreide hij, omdat ook Alcar van geen schuld wilde weten.
„Kom, mijn lieve André.
Je wist het immers niet.
Zie mij aan, André.”
André keek zijn leider met betraande ogen aan en schrok.
Thans niet van ontzetting, maar van verwondering.
Alcar, Alcar, hoe schoon bent u.
Zijn leider droeg een prachtig, lichtgevend gewaad.
Hij was verjongd in een stralende schoonheid.
Nooit eerder had hij zijn leider zo gezien.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Er zullen steeds nieuwe gedeelten zichtbaar worden:
„Nu zal je weten wat een geestelijke woning is.
Jouw angst was mijn angst.
Jouw leed mijn leed, wij waren één en zullen één blijven.
Mijn leider riep ik tot mij, hij heeft je mijn woning getoond, ikzelf zou het niet kunnen, hoe gaarne ik het zou willen.
Daarvoor was een nog hogere kracht nodig.
Ik kan mij met die etherische gedeelten nog niet verbinden.
Eerst dan, wanneer ook mijn innerlijke toestand is veranderd, wat de ontwikkeling is van mijn liefde.
Dan zal alles, wat thans nog onzichtbaar voor mij is, ook voor mij duidelijk zijn.
Zo ga ik verder en weer zijn er onzichtbare gedeelten, die er steeds zullen blijven, totdat ik, mijn huis, mijn ziel dus, mijn gehele wezen, in het Al oplost.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Ook hier is de geestelijke fontein aanwezig:
„Nu zal ik alle andere toestanden voor je duidelijk maken.
Ubronus leidde je.
Ook hij is een geest van liefde en leeft in de zesde sfeer.
Ook hij werkt op aarde en bevindt zich tijdelijk hier.
Dat tijdelijke kan volgens aardse berekening tien jaren duren.
Wij echter kennen geen tijd.
Duizenden met hem, wij allen staan onder de bekwame leiding van Cesarino, die onze meester is.
Doch daarover zal ik je later meer vertellen.
Zie nu naar de fontein en neem plaats, André.
Laat de geestelijke rust in je neerdalen, op aarde zul je veel kracht nodig hebben om alles aan de mensheid duidelijk te maken, wat je door uittreding beleefde.”
Thans zag hij hoe schoon de fontein was.
Zij stond op een prachtig voetstuk in een bassin, waarin vissen van verschillende kleuren zwommen.
Hier, in het leven na de dood, leefde alles, wat men ook op aarde in de natuur kende.
De mens was één met het planten- en dierenleven.
Eén in alles.
Prachtige bloemen groeiden rondom de fontein.
Machtig was dit symbool van liefde.
De ene kreet van verwondering slaakte hij na de andere.
Weer toonde Alcar hem een geestelijk wonder.
„Zie eens, mijn jongen en neem van deze vruchten, het zal je versterken.”
André zag, dat in Alcars huis alles verenigd was.
Hier was hij in de natuur.
Overal groeiden vruchten en bloeiden bloemen, in onnoembare kleuren.
„Neem gerust, André, zij zijn om de mens te versterken.”
André plukte een vrucht.
Het was ongelooflijk, zacht sap vloeide zijn mond binnen.
Zij geleek op een aardse perzik, doch deze vrucht was niets dan sap.
Krachtig voelde hij zich, geen woorden kon hij ervoor vinden.
„Aan deze zijde hebben wij alles.
Waarom zouden wij geen vruchten bezitten?
Ik zal je nog meer wonderen tonen.
Een geestelijke woning is een paradijs op zichzelf.
De mens bezit deze afstemming en is één met het leven, dat in zijn toestand leeft.
Hier leeft en groeit en verblijdt zich alles in een verhoogde toestand.
Ziedaar, André.”
Op hetzelfde ogenblik vlogen verschillende vogels binnen.
Nu eerst zag hij, dat Alcars huis open was.
Het verwonderde hem, dat hij het niet eerder had waargenomen.
Naar alle windstreken heen kon hij zien.
Dadelijk hoorde hij: „Omdat je niet was verbonden.”
Alcar sprak tot hem in de geestelijke taal, omdat de vogels binnenvlogen.
Het ontroerde hem diep, dat de dieren op Alcars armen, hoofd en benen plaats namen.
„Mijn lievelingen, André.
Zij weten, dat ik terug ben en komen mij groeten.”
Liefde, niets dan liefde, zag André.
Een zalige rust kwam in hem.
Dit was een geweldig ogenblik voor hem.
Het éne dier maakte plaats voor het andere, om hun meester te kunnen begroeten.
Allen zongen hun lied, wat hem tot in het diepst van zijn ziel ontroerde.
Hemels was het.
Reine en zuivere liefde werd hier geschonken en ontvangen.
Niets dan die heilige kracht voelde en beleefde hij, wat hem gelukkig stemde.
Daar zag hij een prachtige witte vogel binnen vliegen, waardoor hij een ander wonder beleefde.
De vogel zette zich op de rand van de fontein neer en liet enig voedsel uit zijn snavel in het bassin vallen, waaruit André opmaakte, dat hij de vissen voedde.
Liefde, weer liefde, wat hem werd getoond.
Het éne leven voedde het andere leven.
Geen macht groter dan liefde.
Geen liefde reiner dan Gods leven.
De vogel verliet de fontein, vloog er enige keren om heen, om met een sierlijke zwaai zich op de schouders van zijn meester neer te zetten.
Hij drukte zijn kop tegen Alcar aan, als wilde hij zijn liefde doen voelen.
De anderen maakten plaats voor hem en zongen in koor alsof zij met alles instemden.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
De kamers zijn als karaktereigenschappen:
„Ik wil je thans mijn geestelijke woning duidelijk maken.
Tracht mij te begrijpen, André, het is zeer moeilijk.
Ik zal trachten het op aardse wijze uit te beelden, waardoor je alles beter zult begrijpen.
Waar we nu zijn, dat weet je reeds, is de kamer der liefde.
En hier omheen liggen verschillende andere kamers, allemaal karaktereigenschappen.
Het zijn de kamers van geloof, vertrouwen, eenvoud en hoop, deemoed, gebed, rust en kunst, en nog vele andere bijeen.
Dan bevindt zich hier een kamer, waar ik mijn beleefd aards leven kan zien.
Daarin ligt alles, geen gedachte, niets is verloren.
Alles is bewaard, daarom noemen wij het onze aardse kamer.
Het is de kamer van waarheid.
Uren zul je kunnen ronddwalen en zoals je reeds hebt beleefd, niets kunnen waarnemen.
Het zijn dus karaktereigenschappen, alle van mijzelf.
Dan liggen hierin nog vele andere eigenschappen, allemaal weer kamers, die ik echter zelf niet ken, omdat ze voor mij nog onzichtbaar zijn.
Het is je dan zeker duidelijk, dat ik nog niet in deze bewustwording leef.
Ik zal nog veel moeten beleven, en naarmate ik stijg, zullen al deze toestanden zichtbaar worden, omdat mijn innerlijk gevoel daarop afstemming vindt.
Veel vertoefde ik in de kamer van waarheid, om vandaar in die van het gebed binnen te treden.
Daarna in die van concentratie en sterke wil, om mij in overeenstemming te brengen, ja af te stemmen op de kamer van liefde, waardoor ik verbinding verkreeg.
Zo ga ik dus verder om mijn huis te versieren, wat alleen mogelijk is door liefde te geven, om voor anderen iets te zijn.
Zo zal ik afstemming op hogere toestanden vinden en zal ik eens naar nog hogere toestanden overgaan, dan zal tevens mijn huis schoner zijn, ikzelf meer geluk en wijsheid bezitten, ja alles zal zich in een nog hogere afstemming bevinden.
Totdat mijn levensfilm in goud zal veranderd zijn.
Hiervoor zullen echter duizenden jaren nodig zijn, maar ik weet, dat ik eens dit geluk, die verhoogde toestand zal mogen binnentreden, wanneer ik mijn weg op deze wijze blijf vervolgen.
Wanneer wij steeds voelen, dat hoger gaan mogelijk is, zullen wij al onze krachten daarvoor inspannen, om dat geluk te bemachtigen, wat Gods heilige wil is.
De fundamenten steunen het geheel, wat de liefdekracht is van ieder wezen, dat hier in de vijfde sfeer leeft.
De kamer der liefde is versierd door verschillende andere eigenschappen.
Hetzij door kunst of door andere afstemmingen, die de mens bezit en in een verhoogd stadium ontwikkeld zijn.
Daarom is iedere woning anders, doch zijn de kamers van liefde één.
Is je dat duidelijk?
Geen wezen is dus gelijk, maar allen bezitten één liefde en zijn daardoor verbonden.
Het wordt je tevens duidelijk, wanneer ik je vertel, dat het ene wezen in kunst krachtiger is dan weer een ander wezen, dat weer in andere toestanden ver boven hem is ontwikkeld.
Zo beheerst de een de muziek, een ander de beeldende kunst, weer een ander de schilderkunst en zo vervolgens verschillende toestanden in kunst, die zij beheersen.
Op een andere tocht zal je ook deze toestanden leren kennen.
Hier is men dus één in alles, zo ook in onze hemelse woning.
Op aarde leeft men buiten alles om, wij zijn met alles één en verbonden.
Het zal je, doordat je dit alles reeds hebt beleefd, duidelijk zijn, dat een geestelijk wezen één is met zijn woning en dat zijn bezit zal stralen, naar de liefde die hij bezit.
Zoals ik zei, kan ik je alleen de kamer van liefde tonen en ook daarin, dus hier waar we thans zijn, kun je niet alles waarnemen, omdat het niet mogelijk voor je is om mijn diepste innerlijke krachten te kunnen peilen.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Een geestelijke woning is net als een sfeer bolvormig, wat afstemming heeft op het universum:
Ubronus trok je in mijn hogere afstemming, waardoor je een duidelijk beeld hebt ontvangen, het zou anders onmogelijk voor mij zijn geweest je dit alles duidelijk te kunnen maken.
Je hebt daardoor gezien en gevoeld, dat een geestelijke woning zich in een bolvormige toestand bevindt.
Zoals mijn huis, zo zijn ook de sferen van vorm.
Een sfeer is dus een bolvormige toestand, wat weer afstemming vindt op het universum; dus, zoals het heelal is, zo is ons huis.
Een geestelijke woning is dus het evenbeeld van het universum.
Door de kracht van de liefde zijn alle kamers verbonden en in stand gehouden.
De verdeling daarvan heb je waargenomen.
Zo liggen in de mens duizenden gevoelstoestanden, dat eigenschappen zijn, dus de mens is.
Door concentratie en sterke wil worden al deze eigenschappen gevoed door de liefdekracht, die aanwezig is, die het wezen bezit.
En naarmate een eigenschap ontwikkelt, zal het (wezen) verlicht en zal die kamer zichtbaar zijn, voor het wezen, dat in die toestand leeft.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936

Hogere kunst

Ook in de vijfde lichtsfeer is er hogere kunst:
Aan een geweldig werk waren vele geesten bezig.
Een jonger wezen had, wat hij duidelijk voelde, de leiding over hen allen.
Het stuk stelde verschillende beeldengroepen voor, het was een pronkjuweel van scheppingsvermogen.
André hoorde zijn leider zeggen, dat het beeld het leven voorstelde.
Onder op het voetstuk zag hij de moeder, die een jong leven baarde.
Daaromheen lagen verschillende andere voorstellingen verspreid en dit alles had met haar leven op aarde te maken.
Het was een levenstoestand van de mens op aarde, dit alles was ééns beleefd.
De moeder ging – hier in kunst uitgebeeld – de aarde verlaten, wat hij duidelijk voelde, en zij keerde terug naar het eeuwige leven.
Het was in steen gehouwen; de geest verliet het stoffelijk lichaam, zoals hij dat bij zijn tante en bij vele anderen had mogen waarnemen.
Hoe was het mogelijk dit alles te scheppen?
Dit was kunst, zó diep aangevoeld, dat het alleen voor hen mogelijk was, die zelf voelden, dat zij leefden.
Door kunst werd hier het leven uitgebeeld; daarin zag de mens zichzelf terug; het was zijn leven.
Hij zag strijd, leed en smart in verschillende voorstellingen om een geheel verspreid en dit alles betekende het leven.
Een diep ontzag vervulde hem.
Ontroerend van schoonheid was deze kunst.
Andere groepen stelden alle karaktereigenschappen van de mens voor, van het dierlijke tot het geestelijke leven.
Een groot en heilig gevoel zou de meester moeten bezitten die hen allen leidde.
De scheppende kracht in de mens!
Een meester uit de zesde sfeer had hier de leiding, er waren onder hen zelfs, die in de zevende sfeer leefden.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
André vraagt zich af met welke stof dit beeldhouwwerk vervaardigd wordt:
Dan zag hij, dat waar men op aarde klei gebruikte, men hier een stof toepaste die als het andere, licht uitstraalde.
Vreemd, dacht hij, hier leeft alles.
Gaarne zou hij er iets van in zijn handen willen nemen, om duidelijker te kunnen zien van welke substantie ze was en hoe ze licht kon afgeven.
Hij keek zijn leider aan, die hem te kennen gaf, dat hij ze gerust zou mogen aanvoelen.
André dacht, dat ze zwaar zou zijn, doch tot zijn verwondering woog ze niets.
Weer stond hij voor een probleem.
En toch werden er zulke prachtige motieven van gemaakt, om deze later in steen uit te houwen.
Op aarde zou de wind de stof naar alle windstreken verspreiden, er zou van dat alles niets overblijven.
Het beeld zou zich oplossen en had geen mogelijkheid van bestaan.
„Hoe is dit mogelijk, Alcar, het weegt niets en toch worden er zulke prachtige beelden uit gemaakt.”
„Dit is in enige woorden duidelijk te maken.
Geestelijke substantie, mijn zoon, omdat het leven dié zwaartekracht zal bezitten, zoals het zich voelt en waarmee het één afstemming heeft.
Steeds worden de sferen ijler en verandert de mens.
Zo zullen kunst en alle andere levenssubstanties licht uitstralen, zoals alles voelt en leeft.”
André begreep; steeds ijler werden de sferen en alles veranderde in een hogere afstemming.
„In de eerste sfeer,” hoorde hij nog zeggen, „zal de stof dezelfde aantrekkingskracht als op aarde bezitten, maar op een geestelijke afstemming.
In de donkere gebieden heb ik je dit alles reeds duidelijk gemaakt; ook daar liet ik je de stof voelen; nu echter zul je alles nog beter begrijpen.”
André had de stof in zijn handen van de vijfde sfeer; in de zesde zou alles nog lichter en schoner zijn.
Hij speelde met de stof in zijn handen en ineens schrok hij geweldig.
Wat zou hij thans weer beleven, wat was dat?
Verstijfd van schrik keek hij naar de stof, ze had haar kleur en uitstraling verloren.
Hoe kon dat zo ineens?
Wat gebeurde er met hem?
Wie veranderde die stof?
Haar schitterende kleuren waren verdwenen; een zacht blauw waas lag er thans omheen.
De andere stof, waarvan hij ze had afgenomen, straalde, doch deze had haar kracht verloren.
Welke waarheid lag hierachter verborgen?
Al deze vragen flitsten door zijn brein.
Hij stond met zichzelf verlegen en wist zich geen raad.
Intuïtief voelde hij, dat hij in een vreemde toestand was overgegaan.
Maar welke?
Hij keek om zich heen en wilde het aan zijn leider vragen, maar Alcar was niet meer bij hem.
Alles was raadselachtig, wat hij thans beleefde.
O, kon hij dit maar aan iemand vragen; hij stond nog steeds met de stof in zijn handen.
Een angstig gevoel overviel hem.
Hoe dom van hem; zijn weetgierigheid bracht hem in deze toestand.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Alcars tweelingziel verklaart André wat er gebeurd is:
„De stof, die in uw handen is, straalt haar licht uit naardat gijzelf voelt en aan licht bezit.”
Hij schrok; hij begreep een levensles te hebben ontvangen.
De stof had zijn eigen afstemming aanvaard; hij had zich met het leven van deze sfeer verbonden; het leven straalde zijn eigen kracht uit, de liefde, die hij bezat.
Elk woord striemde hem door de ziel.
Iedere gedachte voelde en begreep hij.
Hij wilde het; nu moest hij het aanvaarden.
De stof had zijn gevoelskracht overgenomen, waardoor hij begreep, dat het nog vele jaren zou duren, voordat hij deze sfeer zou mogen binnentreden.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
En ook de schilderkunst is op het niveau van de vijfde lichtsfeer:
„Hier zullen wij even blijven, mijn zoon.
Ziedaar voor je, een zeldzaam sferenbeeld, dáár, door die zuilen heen.”
André nam plaats naast zijn leider.
Daar voor hem zag hij een wonderschoon landschap.
Rust, diepe rust.
Het was een vergezicht, zo schoon en heilig, dat het was, alsof hij droomde.
Hij zag vogels en vele andere wezens en over alles lag een goudachtige glans.
Hij zag een natuur als nog nooit te voren.
Hoe stil was het daar; het kwam hem voor, dat het een heilige plaats was; nergens had hij een dergelijke rust gevoeld.
De engelen, die hij waarnam, waren in gebed verzonken.
Hij wilde niet storen en dacht aan iets anders, maar het beeld hield hem gevangen, hij kon zich niet losmaken.
Wie daar leefde zou overgelukkig zijn.
Was het een hogere sfeer, die hij waarnam?
Was het een plaats, waar de mens zijn God nog beter zou kunnen bereiken?
Daar zou hij niet mogen binnentreden, dat voelde hij aan alles.
Maar welk een rust zou in hem neerdalen.
Hoelang reeds baden zij daar tot hun Vader tussen al het leven, dat hen omringde.
De vogels zaten naast de mens neer en ook zij baden tot het leven.
Hij voelde zich onder de bekoring komen van dit geweldig schone en heilige land.
Toonde zijn leider hem een visioen?
Neen, want het lag daar vredig en gelukkig.
Alcar keek hem aan, en vroeg: „Zou je daar willen vertoeven, André?”
André durfde niets te zeggen, geen ja of neen kwam over zijn lippen.
Alcar glimlachte.
„Zeg het gerust, het is mogelijk.”
„Stoor ik daar dan niet, Alcar?”
„Wanneer je ons leven in liefde wilt naderen, in eenvoud en deemoed, zal je alles worden gegeven.
„Zalig zijn de eenvoudigen, hun behoort het rijk der hemelen,” zei eens onze meester Jezus Christus.
Dat beeld voor ogen houdend, zal God je de kracht schenken, alles te mogen beleven in het leven van de geest.”
„Ik wil gaarne, Alcar; alles wil en zal ik doen om niet te storen.”
„Kom dan, we zullen afdalen; ook dit zul je beleven.”
André was zeer gelukkig, dat hij ook daar mocht vertoeven.
„Ga mij maar voor, ik zal je volgen.
Daar, die trappen af.”
André liep vlug alle treden af; zijn leider volgde hem.
Plotseling kon hij niet verder.
Het was een geschilderd doek, een kunststuk van een van de meesters!
Door dit wonder van menselijk kunnen was hij diep getroffen.
Dit was natuurlijk, hier zag hij het volmaakte.
„Door een meester uit de zesde sfeer tot stand gebracht, mijn zoon.
Hieraan is niets te verbeteren noch toe te voegen.
Dit is nu kunst, zoals ik op aarde voelde, maar niet tot stand kon brengen en alle anderen met mij voelden eenzelfde tekortkoming, misten dit geestelijk gevoel.
We voelden het volmaakte voor de aarde, maar konden het niet tot stand brengen.
Het stuk is duizenden jaren oud; de meester leeft in de mentale gebieden en zal hier niet meer terugkeren.
Dit is mensenwerk, maar van een mens, die zijn gave voor het goddelijke gebruikte.
Wat zal ik je thans nog duidelijk maken?
Dit is het heiligste dat wij bezitten.”
Weer nam André plaats, en keek lange tijd naar dit wonder.
Tempels en gebouwen, bloemen en planten, mens en dier waren één.
Het tafereel was Goddelijk.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
En dan is het tijd om terug te keren naar de aarde en deze vijfde lichtsfeer te beschrijven in ‘Een Blik in het Hiernamaals’:
De heerlijke uitstraling, de liefde van de vijfde sfeer voelde hij en dat stemde hem gelukkig.
Hoevele malen had hij niet de sferen zien veranderen?
Telkens had hij het licht schoner, de mensen jonger zien worden.
Alles veranderde, naarmate hij hoger kwam.
Steeds verder vervolgde de mens zijn weg en veranderde hij.
Mochten de mensen op aarde een blik kunnen slaan in al dit heilige, duizenden zouden op hetzelfde ogenblik een ander leven beginnen!
„Zij zúllen een blik slaan in het hiernamaals, André, je zult het hun op aarde vertellen.”
Een Blik in het Hiernamaals, 1936