Wedergeboren als Anthony van Dyck

met een taak

Anthony van Dyck reïncarneerde op aarde om met zijn geïnspireerde kunst het gevoel van de mens op het hogere te richten.
naar de boeken van Jozef Rulof
Zelfportret van Anthony van Dyck

Tientallen vorige kunstenaarslevens

Anthony van Dyck (1599 - 1641) werd voor zijn schilderkunst geboren, hij had een uitzonderlijke aanleg om te schilderen.
In het artikel ‘aanleg’ wordt beschreven hoe gevoel voor kunst opgebouwd wordt door de beoefening ervan in vele vorige levens.
Hoe meer de kunstenaar oefent, hoe mooier de kunst kan worden die hij in latere levens kan scheppen.
Om de hoogte van Van Dyck, Rubens, Rembrandt, Titiaan, Beethoven, Bach of Mozart te bereiken, zijn tientallen kunstenaarslevens nodig waarin de persoonlijkheid de beheersing van een bepaalde techniek om kunst te scheppen, stelselmatig verhoogt.

Kunst uit de eerste lichtsfeer

Naast de langdurige beoefening van de techniek in hun vorige levens hebben de grootste kunstenaars hun kunst ook verder verfijnd in het hiernamaals.
Hun gerichtheid op kunst verdween niet plots op het moment dat ze het geestelijke leven binnentraden.
In het hiernamaals konden ze aan hun kunst voortwerken, zonder beperking van een stoffelijk lichaam.
In de eerste lichtsfeer in het hiernamaals werd er zelfs een tempel voor de kunst opgericht, om daarin de bedrevenheid in kunst verder te verfijnen.
In deze tempel werden de vorderingen van de kunstenaars gevolgd door hogere meesters van ‘De Universiteit van Christus’.
Deze meesters zagen in de kunst namelijk de mogelijkheid om de mensheid hiermee aan te sporen haar gevoel op het hogere te richten, op datgene wat het grofstoffelijke gevoel overstijgt.
Samen met vele andere middelen wordt deze kunst gebruikt om de gevoelsgraad van de mensheid omhoog te stuwen naar de gevoelsafstemming van de eerste lichtsfeer.
De meesters moedigden de kunstenaars aan om hun kunst zo hoog mogelijk op te voeren en vervolgens op aarde te brengen.
Hiervoor reïncarneerden de grootste kunstenaars naar de aarde vanuit de eerste lichtsfeer.
Op aarde brachten ze de kunst die afgestemd is op de eerste lichtsfeer, en die als gevoel hoger is dan de gemiddelde gevoelsgraad van de mens op aarde.
Daarom leefden er verschillende grote kunstenaars op aarde in een relatief korte tijdsperiode.
De meesters zorgden ervoor dat wanneer de ene kunstenaar van de aarde vertrok, de volgende kunstenaar alweer klaar was om dit werk voor te zetten, totdat de kunst van de eerste lichtsfeer voldoende op aarde was gebracht.
Toen hield de stroom van grote kunstenaars op, want het had geen zin om nog meer kunst op aarde te brengen, daar zou de mens geen grotere aansporing meer door voelen.
De kunst uit de tweede lichtsfeer werd nog niet op aarde gebracht, want die zou ver boven het gevoel van de mens op aarde gaan.
Bovendien zouden vele mensen zich dan door die kunstwerken stoffelijk willen verrijken.
Die kunstwerken zouden nog veel meer dan nu gestolen worden, alleen om er geld mee te verdienen.
Er zouden nog meer doden vallen voor deze kunsthandel, en dat willen de meesters niet aanwakkeren.

Inspiratie

De grote kunstenaars hadden niet alleen hun kunst tot grote hoogte opgevoerd in hun vorige levens en in de eerste lichtsfeer, maar bovendien werden ze in hun leven op aarde ook geïnspireerd door de meesters van het licht.
De meesters verhoogden de concentratie van de kunstenaars tijdens het scheppen om niet door aardse zaken afgeleid te worden, zodat het gevoel van de eerste lichtsfeer voldoende in hun kunst tot uiting gebracht kon worden.
Vele kunstenaars voelden deze inspiratie, al waren de meesten zich niet bewust vanwaar die inspiratie kwam.
Op aarde herinnerden ze zich hun voorbereiding in de lichtsferen niet, ze waren zich alleen bewust van het doel van hun leven, het scheppen van kunst.
Daarnaast combineerden velen hun taak met goedmaken, zoals dat beschreven wordt in het artikel ‘wedergeboren voor een taak’.

Tempel van de kunst

Om Jozef Rulof te laten zien hoe de grote kunstenaars werkten, toont zijn geestelijke leider Alcar hem hoe Anthony van Dyck zich in de zeventiende eeuw in zijn atelier voorbereidde op een kunstwerk.
Jozef neemt waar dat Van Dyck visioenen ontving die hem door onzichtbare wezens werden gegeven.
Jozef ziet dat het de meesters waren, maar Anthony zelf voelde alleen dat hij geholpen werd.
Van Dyck schiep religieuze voorstellingen, omdat hij zich in zijn vorige levens ook op religie had gericht.
Meester Alcar gaat ook terug naar de tijd voordat Anthony reïncarneerde.
Alcar laat Jozef zien hoe Anthony zich in de eerste lichtsfeer voorbereidde op zijn kunstmissie.
Van Dyck mediteerde daar vijftig jaar lang om zijn gevoel volkomen te richten op de kunst die hij op aarde zou brengen, zodat niets van de aarde hem hierin zou tegenhouden.
Jozef ziet in de tempel van de kunst dat naast Anthony nog vele andere kunstenaars zich aan het voorbereiden waren om te reïncarneren.
Alcar vraagt aan Jozef of hij ook andere kunstenaars herkent, die hun kunst op aarde hebben gebracht.
Tot zijn verbazing ziet Jozef dat de leermeester van Anthony op aarde, ook zijn leermeester in de tempel van de kunst was.
Ook daar had deze leermeester de leiding, omdat heel zijn gevoelsleven op kunst was ingesteld.
In het artikel ‘goedmaken’ wordt beschreven hoe Anthony en zijn leermeester elkaar al in vorige levens hebben leren kennen.
Daarom kreeg Anthony het gevoel dat hij deze ziel al kende, toen hij zijn leermeester op aarde ontmoette.
Ze waren zich niet bewust van hun vorige levens, deze belevenissen waren in hun onderbewustzijn weggezakt en het gevoel van herkenning was daarvan overgebleven.
Meester Alcar toont Jozef dat er ook in de twintigste eeuw nog kunstenaars aan het werk zijn in de tempel van de kunst in het hiernamaals.
Voor iedereen die zijn kunst wil verhogen, staat deze tempel open.
Toch verklaart Alcar dat deze kunstenaars beter zouden afdalen in de duistere sferen om de zoekende zielen daar te helpen in hun tocht naar het licht.
De Universiteit van Christus zendt immers geen kunstenaars meer naar de aarde.
De kunstenaars die nu in de tempel van de kunst werken, zijn alleen voor zichzelf bezig.
Ze kunnen hun kunstgevoel verhogen, maar daar komen ze geestelijk niet verder mee.
Daardoor krijgen ze niet meer liefde.
Door hun kunst kunnen ze hun gevoelsgraad niet verhogen, dat kan alleen door het leven te dienen.
Wanneer Jozef aan Alcar vraagt of deze kunstenaars dit niet duidelijk wordt gemaakt in de tempel van de kunst, antwoordt Alcar dat dit weinig zin heeft.
De persoonlijkheid van de mens moet beleven waar hij zijn gevoel op richt, totdat die gevoelens beleefd en helemaal uitgeleefd zijn.
Dan pas komt de mens vrij van zijn gerichtheid en komt hij open voor iets nieuws.
Dit geldt niet alleen voor kunst, maar voor alle gevoelens waar de persoonlijkheid zich op richt.
Zodra de kunstenaars zich hiervan bewust worden, zijn er meesters in de tempel om hun deze wetten te verklaren.
Dan zien ze dat kunst geen doel op zich is, maar een middel, en als het alleen voor zichzelf wordt ingezet, het geen geestelijke ontwikkeling brengt.

Meester Alcar

Anthony begreep dit al tijdens zijn verblijf in de tempel van de kunst.
Hij leefde toen niet alleen voor de kunst, hij daalde ook vele jaren af in de duistere sferen om te helpen.
Hierdoor verwierf hij zich in korte tijd een hogere gevoelsgraad.
Ook na zijn laatste leven op aarde als Van Dyck werkte hij in de sferen verder aan zijn geestelijke ontwikkeling, zodat hij uiteindelijk de vijfde sfeer van licht bereikte.
Toen was hij klaar om op een andere wijze de geestelijke ontwaking van de mensheid te dienen.
Via Jozef Rulof bracht hij als meester Alcar boeken op aarde, die niet alleen zijn vorige leven als Anthony van Dyck onthulden, maar daarnaast alles beschreven wat de mens op aarde kon gebruiken om zich een beeld te vormen van het doel van het leven op aarde.
Na het brengen van deze boeken kon Alcar tegen de mens op aarde zeggen: ‘Als ik één van u kan bereiken nu gij dit weet en u van uw eigen voortleven mag overtuigen, dan is dit werk en tevens mijn kunst niet voor niets geweest, is al mijn moeite beloond.’
In zijn huis in de sferen hangen zijn schilderijen als geestelijke producten.
Meester Alcar kijkt graag terug naar zijn leven als Anthony van Dyck.
Maar hij weet nu dat er veel belangrijker vergezichten zijn dan zijn schilderijen.
Hij richt zich nu op de hogere wijsheid van Christus, die samengevat kan worden met ‘heb lief alles wat leeft’.

Bronnen en Verdieping