Wedergeboren opperpriester Venry -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘Venry’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘wedergeboren opperpriester Venry’.

De jongste opperpriester

In het boek ‘Tussen Leven en Dood’ vertelt Venry dat hij al op jonge leeftijd gereed was om de Tempel van Isis nieuwe geestelijke kennis te brengen.
Dit kon hij niet op eigen kracht, maar door de hulp van zijn geestelijke leider die zich in het leven na de dood deze geestelijke kennis had eigengemaakt:
Weldra had ik mijn negentienjarige leeftijd bereikt, doch nu was ik al gereed en krachtig, maar die kracht leefde tussen leven en dood en behoorde mij niet eens toe.
Tussen Leven en Dood, 1940
Toen de farao van Egypte deze nieuwe kennis van Venry ontving, schonk hij aan Venry zijn lievelingsdieren.
Op deze wijze werd aan het koninklijke hof een priester tot opperpriester verheven.
De leermeester van Venry, priester Dectar, kon tevreden zijn, want in de Tempel van Isis werd de leraar toegerekend wat de leerling behaalde:
Tot mij zei de farao, en tot alle aanwezigen: „Ik schenk deze priester van Isis, die waardig is de allergrootste vleugelen te bezitten, mijn lievelingsdieren, gij allen weet wat dit betekent.”
Rondom mij was er vreugde.
Dectar kwam tot mij.
Met dit geschenk was ik eigenlijk tot opperpriester van Isis vereerd.
Tussen Leven en Dood, 1940
Niet iedereen was blij met deze verering.
De vorige opperpriester en zijn hogepriesters die tot op dat moment de macht over de tempel bezaten, zagen de jongeling niet graag hun gezag overnemen.
Zij hadden bovendien de taak ervoor te zorgen dat de nieuwe priester onderzocht werd, om vast te stellen of de noodzakelijke vorige levens als priester wel in zijn onderbewustzijn aanwezig waren, want anders zou hij volgens hen geen nieuwe kennis kunnen brengen.
Toen zij hem onderzochten, voelde Venry een warmte in zich komen, waardoor hij wist dat zijn geestelijke leider hem beschermde voor hun onderzoek.
Hij kon volgen hoe de hogepriesters zijn onderbewustzijn doorzochten, maar de gezochte levens niet vonden:
Met die warmte kreeg ik nieuwe gedachten en begreep, wat ik nu moest doen.
Wat ik nu beleefde, was voor mij een openbaring.
Hoe dieper zij in mij afdaalden, des te heviger werd de warmte om en in mij.
Deze merkwaardige kracht bracht mij in rust.
Toen volgde ik de meesters en beleefde ik de ruimte.
Wij leefden op dit ogenblik in het heelal, gingen van wereld tot wereld, van sfeer tot sfeer, waarin de ziel had geleefd; daar waren de graden van levens, waarin ikzelf geweest was.
Zij zochten naar vele levens, want allen waren in hoogste graad helderziend en zij trachtten nu, door mij als het contact, die verschillende levens te zien.
Daaraan konden zij mijn huidige toestand vaststellen.
De opperpriester zonk in een diep nadenken, nadat hij mij had doorschouwd, de anderen waren echter nog niet gereed.
In mij was het gevoel, alsof ik niet meer op aarde leefde.
Tot mij kwamen aanmoedigende gevoelens om hen te volgen.
Maar er was iets, iets dat hen tegenwerkte, dat hen belette mij in diepste wezen te doorvoelen, want de één keek naar de ander en zij stonden waarschijnlijk voor een groot raadsel.
Tussen Leven en Dood, 1940
Venry wist door de warmte die hij voelde, dat het zijn leider was die hen tegenwerkte, maar daar mocht hij niet bewust aan denken, want de hogepriesters konden elke gevormde gedachte volgen:
Ik was mij er volkomen van bewust, maar durfde daaraan niet te denken, noch op te roepen, daar zij mij dan onmiddellijk konden volgen.
Hier riep een andere macht hen allen een halt toe, een macht waarin ik leefde, voelde en mijzelf bleef.
Hun gaven, alsmede hun zien en voelen en zelfs hun meesterschap hield nu op te bestaan.
In hun schouwen en voelen werden zij gestoord.
Voor hen was de menselijke ziel als de natuur en toch kon géén van hen de eigenlijke diepte van mijn innerlijke leven vaststellen.
Tussen Leven en Dood, 1940
Zijn geestelijke leider hielp hem, omdat hij samen met Venry een taak te vervullen had:
Je doet mijn werk.
De sleutels van deze tempel zal je ontvangen en je leert al de geheimen kennen.
Tussen Leven en Dood, 1940
Wanneer zijn leider zich voor de eerste maal had laten zien, had hij reeds verklaard waarom hij de situatie van Venry zo goed kende.
Zijn leider had in een vorig leven op aarde als priester in de cel van de tempel geleefd, waarin Venry zich nu bevond.
Hij werd toen ook naar de proef gebracht, waar Venry nu voor staat.
Dan wordt een priester zeven dagen in duisternis gebracht, en getest welke geestelijke krachten hij kon oproepen om allerlei zware geestelijke beproevingen te weerstaan.
Wanneer de priester daar op dat moment nog niet klaar voor is, kan hij echter bezwijken onder de dodelijke invloeden die op hem worden toegepast.
Dat is gebeurd met zijn geestelijke leider in dat leven.
In zijn jeugdige overmoed dacht hij de proeven te kunnen weerstaan, maar dat moest hij met zijn dood bekopen.
Daarom komt hij nu tot Venry, om hem voor deze overmoed te beschermen.
Venry vertelt hoe hij de eerste keer zijn leider mocht waarnemen:
Dicht in mijn directe omgeving waren ze en het gelaat waartoe ze behoorden, ging zelfs vormen aannemen, doch het bleef doorschijnend.
Ik zag het zeer strakke, het vol van levenskracht sprekende gelaat en de zeer fijne trekken voor mij, toen er een stem tot mij sprak en ik hoorde: „Heb geen angst, priester van Isis.
Mijn maatregelen heb ik getroffen, niets kan u geschieden.
Weet nu, dat ik uw vriend ben, ik was reeds bij u.
Mijn krachten hebt u kunnen voelen.
Eens, lang gelegen, leefde ik in deze cel.
Op jeugdige leeftijd zou ik, als u beleven zult, de duisternis ontvangen.
Ook ik maakte mij gereed, lieve vriend, en gaf mij geheel over.
Doch hoe werd mijn ziel gefolterd.
Naar het mij schijnt, bent u gereed naar mij te luisteren, of ik zou u hiervan niets vertellen, want ik wil u niet angstig maken.
Er zijn heel veel mensen, die de waarheid niet willen weten, doch zij komen niet verder.
Deze waarheid kan u versterken.
Als een dode bracht men mij naar het licht terug.
U voelt het zeker reeds, ik was niet gereed.
Mijn hebzucht, evenals mijn voortvarendheid, ijdelheid en jeugdig enthousiasme, vernietigden mijn eigen leven.
Tot bloedens toe werd ik gewond.
Ik bezweek.
En bent u niet, zoals ik ben geweest?
Ik begrijp en ken daarom uw doel en kan u thans helpen.
O, mijn vriend, heb geen angst, want zei ik niet, dat ik mijn maatregelen heb getroffen?
Tussen Leven en Dood, 1940
Nu zijn leider tot de sferen van licht is gekomen, overheerst zijn innerlijk licht de krachten van de huidige hogepriesters van de tempel:
Daarbij komt, dat ik de wetten ken en bovendien behoor ik tot deze wereld en ik leef in het licht.
Tussen Leven en Dood, 1940
Hij spreekt over de goden, want in het oude Egypte geloofde men in vele goden:
De goden willen, dat ik uw leider ben.
Tussen Leven en Dood, 1940
Venry en zijn geestelijke leider hebben één taak:
Mijn werk is uw werk, wij beiden hebben dus één taak te volbrengen.
U moet mij dus aanvaarden, lieve vriend, en weet nu, dat ik reeds lang op u wacht.
Van uw jeugd af ben ik al bij u.
Straks, wanneer u gereed bent, zullen wij Isis groot maken.
Tussen Leven en Dood, 1940
Hun taak is de Tempel van Isis te zuiveren van de duistere krachten die door de hogepriesters zijn opgebouwd.
Dit zullen zij bereiken door veel nieuwe kennis door te geven, waardoor de macht van de hogepriesters gebroken zal worden:
Op Isis dient men niet.
Op deze wijze bouwen zij aan de duisternis.
Eeuwen is dat voortgegaan, doch thans breekt het licht door die duisternis heen, maar op andere wijze dan zij zich kunnen indenken.
Zij zullen daarom heel veel ontvangen, doch daardoor gaan zij ten onder.
Tussen Leven en Dood, 1940

Nieuwe kennis over de reïncarnaties van de ziel

Om nieuwe kennis aan de tempel te kunnen geven, gaat Venry in trance en treedt hij uit zijn lichaam.
Een hoogwaardigheidsbekleder van de farao woont de zittingen bij:
Op de vastgestelde tijd traden allen binnen.
Een hoogwaardigheidsbekleder was er aanwezig en kreeg een plaats in de onmiddellijke omgeving van Dectar en mijn stoffelijk organisme.
Ik legde mij neer en was weldra in trance.
Nu leefde ik weer in de ruimte en stelde mij op hen allen in.
Tussen Leven en Dood, 1940
Met enkele vragen controleert men of de uitgetreden priester zich nog bewust is van de stoffelijke wereld:
„Hoe was heden uw maal?”
„Het bestond uit dadels en vruchtensap, doch de wetten van Isis schrijven mij voor, voor deze zittingen geen voedsel tot mij te nemen.”
Tussen Leven en Dood, 1940
Vervolgens stellen de aanwezigen zich in op de wereld waarin de uitgetreden priester leeft:
„Waar leeft u op dit ogenblik, priester van Isis?”
„Ik leef tussen „leven en dood” en zie duisternis.”
Tussen Leven en Dood, 1940
Venry bevindt zich eerst in de duistere werelden die opgebouwd zijn door afbrekende gevoelens.
Hij kan de nieuwe kennis aan de hogepriesters doorgeven, dat deze duistere sferen in het hiernamaals eens in licht zullen oplossen, wanneer wij allen aan een liefdevol leven zijn begonnen:
„Is de duisternis van deze wereld zoals daar bij u?”
„Neen, deze duisternis kent geen verandering, deze is er steeds, maar zal toch in licht veranderen en oplossen.”
„Heel duidelijk.
Gij zegt, dat die duisternis oplost, kunt gij ons daarvan meer vertellen en als het mogelijk is verklaren?”
„Zijn deze wetten aan u bekend?”, vroeg ik.
„Neen, ik bedoel het oplossen van de duisternis, dat is heel nieuw voor ons allen.”
„Deze duisternis lost alleen dan op, wanneer alle mensen daaraan helpen en zij aan een groot en liefdevol leven willen beginnen.
Deze duisternis, zeggen de goden tot mij, is door ons allen opgebouwd en wij zullen haar weer moeten afbreken.
Eerst dan komt er licht.”
Tussen Leven en Dood, 1940
Dan brengen de hogepriesters het onderzoek naar de wedergeboorte, en de relatie tussen ziel en stoffelijk lichaam:
„Op welke wijze bent u zich van uw stoffelijk organisme bewust?”
„Ook deze vraag is niet duidelijk gesteld, maar ik zal u antwoorden, want men spreekt hier niet van „wijze”, het wonder is alleen te voelen.
Wat daar slaapt is voor mij slechts het middel, zodat ik zelf als „ziel” op aarde kan leven.
Wanneer mijn organisme daar sterft, dan ga ik „in”, „ik”, die nu hier leef, maar ik zal die wereld moeten aanvaarden, die met mijn innerlijk leven overeenstemt en mijn ziel, „ikzelf” dus, aan licht of duisternis bezit.
Ik voel heel duidelijk, dat ik nog steeds op aarde leef, ook al ben ik thans in de ruimte.
Mijn stoffelijk organisme is slechts een werktuig, meesters van Isis.”
„Wij hebben u kunnen volgen en vinden het heel natuurlijk.
Wij danken u.
Hebt u het gevoel, of kunt u waarnemen, dat gijzelf eeuwig blijft voortgaan?”
„In de wereld waarin ik nu leef ben „ikzelf” eeuwigdurend.
Als in mij het gevoel is en het bewustzijn van al deze werelden, dan moeten wij onherroepelijk aanvaarden dat ik niet kan sterven, maar dat ik verder en hoger moet gaan.
Al deze werelden moet ik mij echter eigen maken.”
„Wij danken u voor uw duidelijke verklaring en waarnemen.
Wij zijn gereed en vragen: Wat zal er geschieden, meester van Isis, wanneer u hier sterft en opnieuw geboren wordt?”
„Gij verbindt de duisternis en het licht tot één wereld en dat is niet mogelijk, doch ik zal u antwoorden en mij daarop instellen.”
Mijn leider verbond mij met dit wonder en ik zei tot hem: „Uw bedoeling is, dat ik zal voelen wanneer ik een nieuwe geboorte moet beleven?”
Tussen Leven en Dood, 1940
Venry krijgt een werkelijkheid te zien, die in de Tempel van Isis nog niet bekend is.
Hij ziet het allereerste stadium van ons heelal.
Hij neemt dit waar als duisternis en stilte, er was toen nog niets geboren dat licht uitstraalde of geluid voortbracht:
Toen heerste er duisternis, want ik zie een wonderbaarlijke leegte en daarin is het heel stil, o, zo rustig.
In die tijd was de ruimte nog leeg.
Meesters van Isis, voel aan wat dit zeggen wil.
Er waren nog geen mensen, dieren, sterren of zonnen, niets, niets was er nog.
Alles wat op aarde leeft en in de ruimte leeft, moest toen nog geboren worden.
Doch de goden laten mij thans het verdere stadium zien.
Tussen Leven en Dood, 1940
Uit deze eerste duisternis zijn alle volgende duisternissen en lichtende werelden geboren:
Uit deze duisternis zijn alle andere geboren en heeft het geboren-worden een aanvang genomen.”
Tussen Leven en Dood, 1940
Dat geldt ook voor de wereld van het onbewuste waarin de ziel afdaalt om opnieuw op aarde geboren te worden:
„In de wereld waarin ik leef, ligt dus tevens die wereld, waarin ik moet afdalen, wil ik opnieuw geboren worden.
Tussen Leven en Dood, 1940
De hogepriesters willen meer weten hoe die wedergeboorte precies gebeurt:
„Gij zegt, dat gij daar voelen en waarnemen kunt en dat „in” u is de nieuwe geboorte, maar hoe geschieden deze wonderen?”
Tussen Leven en Dood, 1940
Venry verklaart dat het indalen van de ziel in de eicel niet gezien kan worden, zelfs al is men in hoge mate helderziende, het incarneren kan alleen beleefd worden:
Wil ik als ziel naar de aarde terugkeren, meesters van Isis, dan is dat alléén mogelijk door twee stoffelijke wezens.
Gij kent hen als „man” en „vrouw”.
Zij zijn het, die aan de ziel een nieuw organisme schenken en zij zijn één met deze wetten.
Deze wetten komen tot werking, omdat beiden deze macht en kracht bezitten, doch deze wetten kan men niet zien, die zijn alléén te beleven.
Tussen Leven en Dood, 1940
Wanneer de ziel in de wereld van het onbewuste afdaalt, keert zij terug tot de eerste duisternis:
Wanneer de ziel in die wereld afdaalt, keert de ziel tot het allereerste stadium terug en wacht dan in die wereld om te worden aangetrokken.”
Tussen Leven en Dood, 1940
Tussen dat allereerste stadium en het huidige stadium ligt een lange evolutie.
Bij het ontstaan van onze ziel was haar eerste lichaam niet eens waar te nemen, zo ijl en klein was de eerste cel die zij bezielde:
Doch de goden zeggen: Toen de God van al het leven zichzelf splitste, zijn wij ontstaan, doch wij waren toen nietige deeltjes en niet eens waar te nemen.
Dat is het allereerste stadium.
Nu echter is de ziel op aarde als volwassen mens.
Wil de ziel op aarde terugkeren, keert het innerlijke leven tot dit allereerste stadium terug, dan wordt het geboren.
„In” de moeder, meesters van Isis, voltrekt zich dit wonder, dat wij allen hebben beleefd.
Dan volgt het groeiingsproces, het verdichten van het stoffelijke leven.
Het volgende stadium is reeds de geboorte; dat is in de Tempel van Isis bekend.”
„Dat is machtig, priester van Isis, uw verklaring is heel natuurlijk en zeer duidelijk.
Wij zijn gereed en vragen: Kunt gij voelen of waarnemen, of gij zelf dát wat „in” de moeder leeft, bezieling geeft?”
„De goden zeggen mij, dat ik, die thans ben verbonden, de bezieling ben voor het stoffelijke kleed dat „in” haar groeit en zal geboren worden, indien de God van al het leven wil dat dit zal geschieden.”
Tussen Leven en Dood, 1940
De kennis die Venry doorgeeft over de reïncarnaties van de ziel in een mannelijk en vrouwelijk lichaam is nieuw voor Isis.
De opperpriester die de vragen stelt, ging ervan uit dat hij niet in een vrouwenlichaam behoefde te incarneren om de hele schepping te begrijpen.
In zijn ijdelheid geloofde hij dat hij als man al de levenswetten kon zien en voelen.
Venry verklaart hem dat de ziel alleen door het moederorganisme de levenswetten beleeft, omdat zij als moeder het nieuwe leven voelt groeien en geboren worden.
De leider van Venry laat hem voelen dat al het leven geboren is uit een moederorganisme:
Hij negeerde alles en vroeg: „Kunt gij zien, priester van Isis, of daarin ligt de wet van „man” en „vrouw”?”
„De God van alle goden wilde, dat wij zielen „man en vrouw” zijn, want alléén daardoor leren wij de wetten kennen.”
„Gij bedoelt, dat ik niet in staat ben om de wetten te zien en te voelen?”
„Vader van Isis, gij bezit het scheppende organisme, doch in dat andere lichaam, dat het „moederorganisme” is, kunt gij de wetten beleven.”
Hij dacht nu lang en ernstig na en zei: „Wij danken u, al deze wonderen zijn nieuw voor Isis en wij volgen u aandachtig.
Wij vragen: Is het een wet van „Hem”, dat wij beide organismen moeten kennen?”
„Als gij als de God van al het leven en alle goden wilt zijn, dan „moet” gij die werking beleven, of gij blijft zoals gij thans voelt.
Wilt gij die wet leren kennen en beleven, gij beleeft dan, waardoor sterren en planeten, zonnen en andere lichamen geboren zijn.
Maar dat is alléén „in en door” het „moederorganisme” mogelijk.
Aan dat lichaam ligt vast, hetgeen hier in de ruimte is geschied en dat aan sterren en planeten, zonnen en andere organismen het licht gaf, het „Leven” gaf, maar aan de dieren het gevoel en aan ons mensen het bewustzijn, dat in u en ons allen aanwezig is, maar waarvoor duizenden organismen nodig zijn, om die hoogte te kunnen bereiken, waarin de goden leven.”
Tussen Leven en Dood, 1940
De opperpriester hoort dit niet graag, want als priester geeft hij geen ziel de mogelijkheid om een nieuw leven te beginnen:
„Uw geestesgesteldheid is heel natuurlijk en wij allen zijn u zeer dankbaar.
Wij zijn gereed en vragen: Weet gij zeker, dat wij in het moederlichaam de wetten kunnen beleven?”
„Gij zijt heel voorzichtig in uw vragenstellen, doch ook nu is het antwoord gereed: Is het mogelijk voor u, dat er „in” u iets kan groeien dat aan het nieuwe en jonge leven, dat het kind is, de wedergeboorte gaf?
Neen, opperpriester van Isis, want gij zijt „schepper”, als gij wilt, doch gij gaat liever buiten dit alles om, gij bewandelt een doodlopend pad, doch gij leert daardoor de wetten niet kennen.”
Tussen Leven en Dood, 1940
De opperpriester wil hier niet van weten, want dit zet alle wetten van Isis op losse schroeven.
De tempelwetten bepalen immers dat de priesters en priesteressen niet mogen huwen, en dat ze zich niet op het leven als vader en moeder mogen instellen, om geen splitsing van aandacht te krijgen, zodat ze zich volledig op het ontwikkelen van hun priesterschap kunnen richten.
Venry geeft door dat deze nieuwe verklaringen voor Isis zijn, en voor de toekomst, waarin men de geestelijke hoogte van deze nieuwe wetten kan voelen en aanvaarden:
Wat hij mij thans zond was verschrikkelijk en zijn antwoord luidde: „Uw antwoorden druisen thans tegen de wetten van Isis in.
Wilt gij eraan denken, priester van Isis, dat wij op een heilige bodem leven en hier samen zijn om Isis groot te maken?
Op dit ogenblik zijn wij met de goden één.”
Wat een huichelaar, dacht ik.
Hij bleef voortgaan disharmonie te scheppen.
Mijn antwoord luidde: „Mijn verklaring en antwoorden zijn voor Isis en voor hen, die na ons komen.
Tussen Leven en Dood, 1940
Een hele tijd later was de macht van de huichelaar gebroken, en een andere hogepriester stelde de vragen aan Venry om hogere kennis te verkrijgen.
De leider van Venry gaf toen door dat ze zich beter konden richten op één God van liefde, in plaats van op de vele goden die het oude Egypte inmiddels rijk was geworden:
Als een gebroken mens zag ik hem en hij gaf aan meester Sma het bevel voor hem vragen te stellen.
Deze meester, de enige die nog gevoel bezat, stelde zijn eerste vraag:
„Vertel ons, gevleugelde, wie is die God waarvan gij spreekt, want er zijn vele goden die wij hebben leren kennen en die ook u leerden.”
„Priesters van Isis, luistert.
De wonderen die u heeft kunnen volgen waren machtig en zijn ons door de goden geschonken.
Andere priesters leefden in de ruimte waarin ik nu ben, doch allen droegen die gaven niet welke ik van de goden heb ontvangen.
Maar er is maar één God.”
„Uw antwoorden hebben wij gehoord en wij danken u.
Is daar rijk en arm?”
„Is voor God een arme zijn kind niet?
Kan een God van „Liefde” onderscheid maken?
„Hij”, die de enige God van al het leven is, die ons mensen heeft geschapen en al het andere leven, „Hij” is, zoals men „Hem” hier kent, de enige God, die over leven en dood beslist.
„Hij” is de God van sterren, planeten en zonnen en zal dat eeuwigdurend blijven.
Als gij allen op de „weide” bent, ziet gij dan niet in vorige levens?
Dan is er bewustzijn in u en kent gij „Hem”, de God van ons allen.
Ook zij, die hier leven, kennen en aanvaarden „Hem”, alléén God, de „God” van liefde.
Deze wijsheid, priesters van Isis, is alle mensen duizenden manen vooruit.”
Tussen Leven en Dood, 1940

Vader Taiti

De geestelijke leider van Venry voert hem in uitgetreden toestand naar het oude China:
Ik was op weg naar China.
Onderweg daarheen keerde ik bewust in mijn vorig leven terug, dat ik reeds bij Dectar had gevoeld.
Het leven waarin ik Venry was, zonk nu in mij weg en maakte plaats voor dat van Vader Taiti.
In snelle vaart verliet ik mijn eigen land.
Jaar na jaar ging ik nu terug en naderde mijn vorig leven.
Hoe dichter ik het land naderde, waar ik had geleefd, des te duidelijker werd ook dit bewustzijn, want ik kon weer denken en voelen als voorheen.
Het was mij nu reeds mogelijk de taal te spreken, die ik in dat land had geleerd, want alles, wat tot dit bewustzijn behoorde, keerde nu in mij terug.
„Ja, Dectar, Vader Taiti is teruggekeerd en heeft nu een heel andere taak te volbrengen dan voorheen.”
Tussen Leven en Dood, 1940
In een van zijn vorige levens in het oude China had hij als opperpriester een enorme macht:
Opnieuw droeg ik het gewaad van een opperpriester.
Al spoedig bereikte ik de voor mij zo bekende omgeving.
Op een hoge berg zag ik mijn tempel.
Ik bevond mij in een prachtige omgeving en door bergen omringd.
Als Vader Taiti stond ik aan het hoofd en mijn macht was enorm.
Nu echter was ik de leerling van Isis, doch ik leefde in beide levens, waarvan dit leven overheerste.
Tussen Leven en Dood, 1940
Taiti bracht toen een vijandige hogepriester op de brandstapel:
Onmiddellijk bij aankomst daalde ik in de onderaardse gewelven en gangen af en bezocht de plaatsen, waar gekastijd, gemarteld en gehangen werd en waar ik mijn vijand door de brandstapel had vernietigd.
Ik zag opnieuw al die gebeurtenissen voor mij en waar zij ten onder gingen, die hun leven en het priesterschap hadden vervloekt.
Op mijn bevel geschiedde dat alles.
Al die verschrikkelijke gebeurtenissen leefden opnieuw voor mij en ik zag de priesters en priesteressen van voorheen.
Allen waren hier gestorven en nu ergens op aarde, of aan deze zijde, om toch op aarde te moeten terugkeren en goed te maken wat zij misdeden.
Mijn vijand was een hogepriester en hij wilde mijn macht bezitten.
Maar zijn allerlaatste daad bracht hem op de brandstapel.
Hij ontstal mij mijn liefde en trachtte dit door moord te bereiken, doch door mijn gaven en kennis van de magische wetten bleef ik zijn meester.
Tussen Leven en Dood, 1940
Uit het verkeerde wordt toch het hogere geboren:
Ook ik was teruggekeerd, doch met mij al mijn haat en de sluipmoordenaar in een geestelijk kleed, de kenner van de magische wetten.
In mij leefde het waarachtige bewustzijn, doch het waren gevoelens van wellust, macht en dierlijk beleven.
In dit bewustzijn had ik hem de dood in gejaagd, doch daardoor ontwaakte mijn ziel.
Uit dat onmenselijke proces ontwaakte de dienende liefde, een liefde die eeuwigdurend is en die nimmer aan kracht verliest, doch alleen sterker en nog groter wordt.
Nu beleefde ik, dat iedere verkeerde daad toch het hogere gevoel in zich heeft en de ziel daardoor naar het hogere opvoert.
Tussen Leven en Dood, 1940
Taiti verloor het samenzijn met zijn tweelingziel Lyra door het moorden:
Toen ging ik verder en naar mijn eigen vertrek.
Ik wilde in mijn eigen leven terugzien en de liefde van Lyra en ons einde op aarde nogmaals beleven.
In mijn kamer gekomen, zag ik Lyra en mijzelf.
Mijn innerlijk werd door liefde verteerd en ik was de slaaf van mijn verlangens, doch ik vond het wonderbaarlijk.
In knielende houding lag ik voor haar en sprak tot haar.
Ik luisterde nu naar mijn eigen verleden en ik hoorde mij zeggen: „Jeugd en ouderdom zijn in mij, Lyra, en je weet hoe dat mogelijk is.
Wij beiden zijn wakker en bewust en hebben de waarachtige liefde leren kennen.
Uit al dat demonische is onze reine liefde geboren, ook al leven wij nog steeds in onze eigen duisternis.
Je weet, dat wij uiteengaan, maar dat wij elkander op aarde zullen terugzien, omdat wij tweelingzielen zijn.
Tussen Leven en Dood, 1940
Taiti voelde toen reeds dat zijn tweelingziel in aardse levens ook aan anderen zou toebehoren om aan hen goed te maken:
Nu zijn wij één, Lyra, in andere levens zullen anderen je toebehoren, doch ik leef in je, maar aan hen heb je goed te maken.
Tussen Leven en Dood, 1940

Zuivering van de Tempel van Isis

De oprechte spijt is de stuwing voor het zuiveren van Isis:
Wat wij hier deden was verschrikkelijk, het was moord na moord beleven en niemand mag doden.
Wij hebben gedood, Lyra, voor onze liefde gedood en de dans van vernietiging beleefd.
Om onze verlangens te bevredigen gingen anderen ten onder.
De meesters zeggen mij, dat je mijn tweelingziel bent, dat je dus tot mij behoort, doch dat wij alles moeten goedmaken.
Eens beleven wij een tijd en dan ben je eeuwigdurend bij mij.
Maar je volgt nu je eigen weg en ik de mijne.
Toch zien wij elkander terug.
Het hogere bewustzijn, dat nu in mij is, zal mijn taak in dat andere leven zijn.
Nu reeds, lieve Lyra, ga ik in die wetten over en dat zullen wij beiden beleven.
Je keert gelijk met mij weer op aarde terug en in dat leven zullen wij elkander reeds mogen zien.
Onze zielen zijn één en hebben met de wetten verbinding.
Door de wroeging die in mij is, lieve Lyra, zal ik leven en mijn haat overwinnen.
Deze smart is echt, is heel natuurlijk en oprecht.
In mij is leed en oprechte spijt van hetgeen ik heb gedaan.
Tussen Leven en Dood, 1940
In zijn leven als Venry heeft hij ook veel steun aan zijn moeder, die het zware priesterleven uit eigen ervaring kende:
Mijn hart breekt, maar mijn Moeder zal mij helpen, ik voel haar gebed, zij wil, dat ik hierin voortleef en het is tevens onze band voor het volgende leven.
Tussen Leven en Dood, 1940
Door de meesters van het licht krijgt hij de gelegenheid om tempels te zuiveren, waarin het licht verduisterd is.
Door zijn uitgebreide kennis van de magische wetten zal hij daartoe in staat zijn:
Wij moeten dienen, Lyra.
Aan mij is gegeven, om alle tempels, waarin het licht verduisterd is, te vernietigen.
Mijn vijand zal ik opnieuw ontmoeten, omdat hij nieuw leed en smart sticht, harten breekt, doch door de macht van zijn gaven.
Ik zegen nu reeds het ogenblik van mijn bewustwording.
Kan je voelen, dat er nu heilige ernst in mij is?
Dat ik zal trachten om bewust te blijven?
Dat wij tot één ziel zijn geschapen?
Je ziel is één met mijn leven, Lyra, in alles zijn wij één.
De meesters willen dat ik hen volg.
In het volgende leven zal mijn taak groot zijn, zoals mijn liefde voor jou.
Tussen Leven en Dood, 1940

Goedmaken

Na zijn leven als Venry volgden er nog vele levens:
Toen zag ik vele levens, waarin ik de wet van „oorzaak en gevolg” beleefde.
Ik leed honger en gebrek, beleefde ontzettende pijnen, ziekten en verschrikkingen, die men op aarde beleven kan, als dat leven ons tot slavernij voert.
Ik zag mijzelf als een slaaf, werd door anderen omgebracht, om, na mijn leeftijd te hebben bereikt, toch weer opnieuw op aarde te sterven en daar terug te keren.
Steeds weer werd ik door de aarde, door twee zielen aangetrokken, totdat er op aarde geen zielen meer waren waaraan ik had goed te maken.
Zo stond ik voor mijn allerlaatste leven op aarde.
Toch had ik reeds een berg van ellende, van leed en smart, aan anderen misdaan, goedgemaakt.
Tussen Leven en Dood, 1940
In al die levens zocht hij naar de ware liefde, die diep in zijn ziel leefde als herinnering aan het samenzijn met zijn tweelingziel Lyra:
In ieder leven zocht ik naar die „liefde”, die mij zou begrijpen, toch vond ik haar niet.
Ik leefde in mijn eigen „oorzaak en gevolg” en dat betekende leed en smart en ontwaken.
Ik bleef echter hunkeren naar die liefde, bleef vragen „waarom en waarvoor”.
In mij lag gevoel, heel veel gevoel en ik was gereed goed te maken, maar de middelen daarvoor waren niet in mijn bereik.
Dan weer arm, soms heel rijk, maakte ik een rondreis over de aarde.
Door alle volkeren werd mijn ziel aangetrokken.
Tussen Leven en Dood, 1940
Zo kwam hij tot zijn allerlaatste leven op aarde, met alleen de liefde en het vragen ‘waarom en waarvoor’ in hem bewust:
Eén iets was er in mij dat in al die levens overheerste, het gevoel van begrijpen en van liefde.
Hoe verlangde ik daarnaar, doch nergens, waar ik ook leefde, vond ik mijn eigen liefde.
Met het onbevredigende gevoel, het vragen „waarom en waarvoor” in mij bewust, en het ontzettende verlangen naar die éne liefde, was ik weer gereed voor mijn allerlaatste leven, om op aarde terug te keren en mijn aardse levens te beëindigen.
Tussen Leven en Dood, 1940