Wil -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘wil’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘wil’.

De opbouw van onze wil

Meester Zelanus beschrijft hoe André (Jozef Rulof) een toehoorder duidelijk maakt dat hij zeker een eigen wil heeft, want zonder die wil zou de toehoorder er niets op tegen hebben dat hem alles werd afgenomen:
De mens spreekt nu nog over: ‘Hebt u een eigen wil?’
De geleerde zegt: ‘Heeft de mens een eigen wil?
Waarom doet u dan dát niet?’
André zegt: ‘Geef mij dat maar, indien u toch geen wil hebt, kom geef me dat.’
Lezingen Deel 2, 1951
Die wil is door vele levens opgebouwd.
Op een contactavond illustreert Jozef dit met een voorbeeld van wat een man overhoudt na het vechten met zijn boot tegen de elementen.
Als die mens later die ontwikkelde wil gaat inzetten om een ander mens geluk te geven, dan bouwt hij aan zijn geestelijke persoonlijkheid:
Toen die man daar op zee was – hij was aan het vechten met zo’n boot, hè – ik denk: Ja, jij doet iets voor jezelf.
Wat er overblijft, is alleen wilskracht.
Dat is alles.
Die man heeft wilskracht.
De rest is allemaal sensatie.
Maar om iets, om die wilskracht nu eens – dacht ik – voor een mens, al doe je het maar voor eigen bewustzijn, om de mens het geluk en de zegen en de ruimte te geven ...
Zet daar nu eens je ziel en zaligheid voor in, meneer, dan wordt het mooi.
En dat ben ik altijd bezig om op te bouwen in elk mens, omdat ik weet hoe uw gewaad straks is, hoe u als moeder daar bent.
Hier word je oud, maar vanbinnen niet, en dat leeft door.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
De menselijke wil kan gelijkgesteld worden aan de persoonlijkheid:
„De eigen wil, dokter, is de persoonlijkheid.
Wil en persoonlijkheid zijn synoniem!
En dat is het leven!
Dat leven is bewust dóór de persoonlijkheid.
Maskers en Mensen, 1948

Het smeden van één wil

Net als de persoonlijkheid is de menselijke wil echter versnipperd:
U zegt: ‘Ik wil’, mevrouw, maar dan is het er vanbinnen nog niet.
En dan zegt u: ‘Ik zal.’
Maar dan ligt er vanbinnen nog een klem van vroeger die niet mee wil.
En zo is de mens, de persoonlijkheid, versnipperd.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Om die versnipperde wil op één punt te richten, is het nodig om het gevoelsleven in het gareel te voeren:
U kunt een dier in het gareel voeren.
Waarom zoudt ge dat niet met uw eigen gevoelsleven kunnen doen?
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Met zwakke willetjes komen we niet vooruit:
Ik zet een streep onder zwakke willetjes ...
Ik zélf ben het en niemand anders, die mijn leven aanvaardt.
En nu begin ik te handelen voor mezelf.
Vroeger was ik een speelbal voor anderen ...
Mensen trokken mij bewust of onbewust uit de dagelijkse kunst.
Want álles, wat ook, is kunst, mits het je voert tot het natuurlijke, het harmonische, tot Hem?
Maskers en Mensen, 1948
Net als bij de verschillende karaktertrekken en deelpersoonlijkheden is het de vraag of we alle gevoelskrachten op één lijn kunnen brengen:
U zult Jeus zien, Jozef, André-Dectar.
U zult straks óók voor uzelf moeten uitmaken wie u eigenlijk nú bent.
Maar wanneer ge de deur uitgaat en hier verdwijnt, wie bent u dan?
Is uw woord in harmonie met de wetten van de ruimte?
Telkens kom ik tot u terug om aan de colleges, de ontleding te beginnen.
En dan vragen wij elkaar af: ‘Ben ik zover?
Ben ik gereed?
Heb ik maar één wil?’
Lezingen Deel 3, 1952
Bij Jozef Rulof is het zijn deelpersoonlijkheid André die de andere gevoelskrachten onder zich schaart om zijn geestelijke ik uit te bouwen:
U vroeg André deze week: ‘Heeft de mens een wil?
Is de mens natuurlijk in zijn wil?’
‘De wil’, zegt André straks tot Jeus, ‘die was ík.
Speelsheid wordt er nu niet meer geduld, plat, dialect, Gelders geklets’, zegt André, ‘heb ik nu niet meer nodig, want de mensen lachen me uit.
Jij en Jozef zullen mij vertegenwoordigen.
Want wie, wíé sprak tot vader?
Wie speelde op de wolken?
Dat was ik.
Ik was dat en niet jij.’
En dit betere ik, dit innerlijk ontwaken voor u, is de kosmologie om fundamenten te leggen voor uw geestelijke ik.
Lezingen Deel 3, 1952
Zijn geestelijke ik wil met geen moeheid te maken hebben:
De wil om te schrijven, wat is dat?
We vragen niet om moeite (vermoeidheid), moeheid.
Wat is moeheid?
Lezingen Deel 2, 1951
‘Dat lichaam dient mij om mij tot de reïncarnatie voor de ruimte, voor de ziel, voor de geest, voor het licht, voor het vader-, voor het moederschap te brengen, te voeren.
Dat lichaam zal mij dienen.
Wij hebben’, zegt André, ‘met geen moeheid te maken.
Lezingen Deel 2, 1951
Meester Zelanus vraagt aan zijn toehoorders hoeveel procent van hun innerlijk verlangt naar geestelijke kennis, en wie van hen al aan de geestelijke ontwaking is begonnen:
Dat wat nú verlangt vanmorgen, is dat op honderd procent uitgebalanceerd, geïnspireerd?
Is dat gevoelsleven van u – zou ik u thans, kan ik u nú eerst vragen – honderd procent welwetend, liefdevol, harmonie, rechtvaardig?
Hebt u thans uw ganse persoonlijkheid hier in dit gebouw, op de plaats waar de kosmologie voor uw leven gaat beginnen?
Wilt u mij, wilt u de meesters, wilt u de ruimte wijsmaken dat ge hier waarlijk voor honderdduizend procent geestelijk zit?
Hier liggen de kosmische voetangels en klemmen.
En dat is dat Wimpie, dat Pietje, waar u nu Piet tegen zegt; een volwassen persoonlijkheid, een mens die gereed is, die moet zwoegen en werken in de maatschappij om zijn bestaan te vinden.
Gingen we niet met u door dat bestaan?
Hadden we geen medelijden met u omdat we weten hoe het geploeter is hier op aarde?
Maar de wil, de menselijke wil, het willen inzetten, het willen maken van elke gedachte: een reis naar de maan; het gereedkomen voor het betere ik in de mens.
U bent allemaal instrumenten.
U hebt allemaal contact met uw godheid.
Maar, bent u er reeds aan begonnen?
Lezingen Deel 3, 1952
Jozef heeft ervaren dat hij zijn geestelijke ontwaking niet cadeau kreeg, maar dat hij het licht hiervoor uit zichzelf moest optrekken:
En nu komt het, dat André had te aanvaarden toen meester Alcar zei: ‘André, als je licht wilt beleven voor een gedachte, haal dan dat licht uit jezelf en breng het tot evolutie.
Geef het steeds meer licht, want dan zul je zien dat dat licht je gevoel weer aantrekt en wanneer het gevoel gaat spreken, dan openbaart zich in de mens de menselijke wil, die alles kan, die alles bezit.
Lezingen Deel 3, 1952