Hoe ik mij leerde beheersen

Op dezelfde plaats waar ik had gezeten, had ik mij neergelegd.
Weer droomde ik, dat ik op aarde was en mijn vrouw zag met iemand anders; zij voerden samen een gesprek.
Het gesprek, dat ik afluisterde, werd mij noodlottig.
„Ja,” hoorde ik mijn vrouw zeggen, „dat hoor je pas nu hij dood is.
Het is niet te geloven; wie had dat nu kunnen denken?
Ik vind het voor mij zelf verschrikkelijk!”
„Ja,” zei de ander, „je kunt je wel eens meer vergissen.
Iedereen heeft zijn eigen geheimen.
Als de mens gestorven is leert men hem kennen.”
Geheimen, dacht ik en in mij kookte het reeds.
Wat voor geheimen?
Toen zei mijn vrouw weer: „O, als hij nog leefde.”
Ik hoorde haar nog meer zeggen, doch door mijn woede ging haar gesprek voor mij verloren.
Ik dacht te stikken.
Wist zij iets van mij?
Had ik iets gedaan?
Maar dat was toch niet mogelijk?
Ik was mij van niets bewust.
Had er iemand over mij gekletst?
Wat waren dat voor praatjes, „als hij nog leefde?”
Leefde ik dan niet?
Zij raakte mij tot in het diepst van mijn ziel.
Dat zou er nog bij moeten komen; ik had nog niet genoeg ellende.
In deze toestand werd ik wakker en dacht na over dit gesprek.
Het maakte mij zenuwachtig en ik voelde mij driftig worden.
Wie had dit nu kunnen denken?
Geloofde zij aan praatjes?
Kende zij mij niet?
Kon zij mij niet geloven?
Bedroog ik haar en was ik een bedrieger?
Ik voelde mijn ziekte terugkeren en al die aardse kwellingen weer in mij op komen.
Duizend gedachten spookten door mijn hoofd.
Neen, dat was te veel voor mij.
Had ik haar ooit bedrogen?
Kon zij zo over mij denken?
Wie was die andere?
Wat bedoelde zij met: „het is verschrikkelijk” en „nu hij dood is, leer je de mens kennen”?
O, kon ik maar ophouden; ik werd duizelig van mijn eigen gedachten.
Dat zou ik haar afleren; ik wilde zien, wie achter mij om zo over mij kon spreken.
Mijn keel werd weer dik en ik kreeg een vreselijke dorst.
Toen trachtte ik mijzelf tot kalmte te brengen, maar het gelukte mij niet.
Nogmaals keerde ik in gedachten naar de aarde terug, ik wilde de waarheid weten.
Wie bezoedelde mijn naam?
Wie maakte mij slecht na mijn aardse dood?
Ik was in een toestand gekomen, zoals ik nog niet had beleefd.
Daarbij kwam die verschrikkelijke dorst, want mijn keelpijn en koorts kwamen weer terug.
Zou ik dan nooit daarvan bevrijd worden?
In mijn borst voelde ik een stekende pijn komen, ook kreeg ik die angst weer, die ik al die tijd op aarde had gehad.
Ik schreeuwde om hulp, maar er was niemand in mijn omgeving.
Toen riep ik om de broeder, maar ook hij kwam niet, zodat ik alleen bleef met al die narigheid en ellende.
Aan die lelijke praatjes wilde ik een einde maken; ik was niet dood, ik leefde en had haar niet bedrogen, nooit!
Ik zou haar laten zien, dat ik mij voor haar niet behoefde te schamen, want ik was niet gemeen zoals zij van mij dacht.
Ik vreesde gek te worden en sloeg mijzelf in mijn wanhoop met mijn gebalde vuist op de borst, zodat ik ineen dreigde te zinken.
Daarna sprong ik op van de plaats waar ik had gelegen en liep als een wilde in het rond.
Ik kon bijna geen geluid meer geven en voelde mijn lichaam gloeien, zoals het op aarde had gegloeid toen de koorts op ’t hoogst was.
Doch ik moest mij kalm houden, want ik verviel van het een in het andere en was tot niets meer in staat.
Ik wilde rustig zijn en denken, maar het gelukte mij niet, hoe ik dit ook wilde.
Het was reeds te laat, ik had mijn zelfbeheersing verloren en voelde mij alsof ik heen en weer werd geslingerd.
Waar was de broeder, waarom liet men mij nu alleen?
Ik kon bijna niet meer uit mijn ogen zien, de natuur en alles om mij heen veranderde.
Het licht, dat ik had waargenomen, verzwakte en het was alsof het duister werd.
Geen licht, geen mens, waaraan ik iets kon vragen!
Mijn God, hebt U dan geen medelijden?
Wat heb ik gedaan, dat ik zo moet lijden?
„God,” riep ik, „God help mij toch!
Als er een God is, kunt U dit dan goedvinden?
Waarom laten ze mij hier zo alleen?
Ik word gek, ik word gek.”
Ik dwong mij opnieuw tot kalmte, hetgeen mij weldra enigszins gelukte.
Denken wilde ik, ik moest en zou de waarheid weten.
Ik dacht aan het begin, toen ik met de broeder hier aankwam en hij mij van alles, wat hier leefde, vertelde.
Ieder woord kon ik mij herinneren.
Daarna had mij die slaap overvallen en had ik gedroomd.
Nu goed opletten, zo sprak ik tot mij zelf en houd je rustig.
In mijn droom hoorde ik spreken, daarna werd ik wakker, voelde mij driftig worden en alle oude verschijnselen terugkeren.
Die vervloekte ziekte ook, wanneer zou ik toch beter worden?
Maar daar had ik nu niet mee te maken.
Het ging om dat geklets, ik wilde weten waarom zij zo sprak.
Doch ik kon mijn ziekte niet van mij afschudden.
Die kroop weer in mij en ik voelde mij als op aarde.
Verschrikkelijk, dacht ik, in welk een toestand ben ik.
Al dat geklets van geestelijk dit en dat, sferen hier en daar, ik werd nog krankzinnig van al dat geestelijke.
En dat zou ik mij eigen moeten maken?
Ik was mijzelf niet en zou het nooit meer worden!
Heel snel vlogen al die gedachten mij door het hoofd, ik kon er echter niet één vast houden.
Ik zat in een geestelijk warnet en zag sferen, mensen, dieren en de natuur, alles door elkaar heen dwarrelen.
Dan was er plotseling rust en hoorde ik in mij zeggen, alsof een ander in mij sprak: „Wie stookte haar op, wie was degene, die ons geluk vernielde?”
Maar ook die gedachte kon ik niet vast houden, want andere kwamen haar verdringen.
Dan weer riep ik om hulp, maar voelde dat mijn keel dicht zat.
Mijn hulpgeroep was een akelig schor geluid, het geschreeuw van een waanzinnige.
Daarbij die duisternis, waarvan ik niets begreep.
Geen ster, geen lichtflits zag ik.
Nergens kon ik mij aan vastklampen.
Ik verwenste het ogenblik, dat ik had gedroomd en alles, wat met dit leven op aarde had te maken.
Het was een warboel in mij van geestelijke vraagstukken.
Ik bevond mij te midden van vele problemen en niets was mij duidelijk.
Van God kreeg ik geen antwoord.
De broeder zag ik niet en geen wezen was in mijn nabijheid.
Nogmaals riep ik met al de kracht, die in mij was, zodat ik dacht, dat mijn keel vaneen zou scheuren, maar de broeder kwam niet.
Roep mij, wanneer u denkt mij nodig te hebben, had hij gezegd.
Nu schreeuwde ik en er kwam geen wezen tot mij.
Ik vervloekte al die problemen, vervloekte mijzelf, mijn vrouw op aarde en alles wat om en in mij was.
Ik vervloekte al die zwijgende mensen, die aan zichzelf werkten en droomden en dachten en overdachten wat zij hadden beleefd, die mij voorbij liepen als levende doden, en ik vervloekte het ogenblik dat ik hier was aangekomen.
Was dit nu mijn hemel in het leven na de dood?
Ik was in een gekkenhuis en zij, die met mij spraken en ook zij, die in de natuur rondwandelen, zijn allen verstandige gekken.
Toen overviel mij weer een duizeling, zodat ik mij voor de tweede maal neerlegde.
Doch ik kon niet slapen, hoe graag ik dit ook wilde.
De ene gedachte volgde op de andere; mijn toestand bracht mij hopeloos in de war.
Maar ik wilde slapen en kon niet slapen.
In mijn zieke hoofd woelde alles dooreen; het was zo erg, dat het beetje concentratievermogen, dat in mij was, vernietigd werd.
Ik, die niets was, beukte op dat niets, terwijl ik dacht mijn bewustzijn te verliezen.
Maar ook dat verloor ik niet, ik bleef bewust; alleen ik kon niet slapen.
De waanzin lag in mij en om mij, en in al die mensen, al die geestelijke krachten en eigenmakerij, daarin zag ik het werk van de duivel.
Die demon had mij te pakken; ik was verdwaald en in een vreselijk oord terechtgekomen.
Die gedachte werkte zo erg op mij in, dat ik dacht uiteen te zullen springen als niet spoedig redding kwam.
Als de mensen, die hier leven, zich voor anderen willen uitsloven, dan moeten ze mij komen helpen en als ze de gedachten van anderen kunnen opvangen, dan moeten ze mij nu horen.
Maar waar bleven zij?
Niets zag ik van deze mensen.
Stumperds, stakkerds waren zij evenals ik en zij verbeeldden zich maar wat.
Afstemmingen in de geest, ik moest erom lachen.
Al die afstemmingen maakten mij dol.
Ha, ha, jullie met al die goede eigenschappen, kom dan toch, kom, ik heb je nodig, ik heb hulp nodig.
Help, help, schreeuwde ik weer, om het nog eens te proberen, maar ik kreeg geen gehoor.
Die donkere grijze natuur drukte als lood op mij.
Waar was ik terechtgekomen?
Hoe was ik in opstand; zo had ik mijzelf nog niet gekend.
Ik was mijzelf niet, dat voelde ik duidelijk.
Maar door wat en door wie was ik in deze toestand gekomen?
Mijn dorst kwelde mij hevig, ik wilde drinken en rende heen om de sloot te vinden die ik had gezien.
Maar hoe ik ook zocht, ik kon ze niet terugvinden.
O, die afschuwelijke dorst!
Wat had de broeder gezegd?
„U heeft geen dorst en geen honger en er is geen ziekte!
U behoeft niet ziek te zijn, want u leeft in de geest en u bent op aarde gestorven!
Uw leven is een leven in gedachten, als u dit maar wilt aanvaarden.”
Aanvaardde ik dan niet?
Dacht ik niet?
Ik werd er gek van!
En verder had de broeder gezegd: „Ik ben ook op aarde geweest zoals u; ik leefde dáár, maar in een andere toestand.”
Onzin, wartaal, zo spraken gekken; het was niets dan wartaal.
Hier leven alleen krankzinnigen; daarvan was ik nu overtuigd.
„Wij zijn broeders en zusters in de geest,” hoorde ik hem nog zeggen, die mij al die waanzin had verteld.
Zij leefden voor God, zij leefden voor alle mensen.
Zij leefden voor hen, die tot hen kwamen; en mij liet men alleen in de ellendigste toestand, waarin een mens kon terechtkomen.
Als ik niet meer normaal was, waren zij het evenmin.
Diep in mij voelde ik een brandende pijn.
Het was een vreemd gevoel, dat ik niet onder woorden kon brengen.
Het was alsof ik door iets werd verteerd, want het verschroeide mij.
Door die brand werd mijn dorst nog heviger.
Doch ook die gevoelens vervaagden en ik begon weer van voren af aan te denken.
Want ik wilde de waarheid weten.
Ik wilde weten, wat dat geklets op aarde betekende.
Het liet mij niet met rust en ik kwam daar telkens op terug; die gedachten drongen zich als het ware vanzelf aan mij op.
Waar kon ik de waarheid vinden?
Het was toch gemeen om zo over mij te praten.
Terwijl ik in gedachten weer op aarde vertoefde en dat gesprek weer afluisterde, voelde ik plotseling, dat er rust in mij kwam.
Ik dacht, dat ik mij nu beter kon concentreren, of verbeeldde ik het mij?
Neen, ik was rustig en luisterde aandachtig.
Maar ik was tevens voorzichtig; ik zocht mijzelf, want ik wilde bij één toestand blijven.
Als me dat maar gelukte, dan zou ik verder komen.
Toen sprak ik tot mijzelf: „Gerhard wat doe je, je bent bezig gek te worden, als je je niet kalm houdt!
Waarom maak je je zo kwaad?
Ja, om wat eigenlijk?”
Ik voelde mij stil worden, heel stil, doch ging verder: „Ben je dood, of leef je?”
Ja, ik was dood en ik leefde tegelijk.
Nu hoorde ik als zo-even een stem, die in mij sprak en die zei: Zegt dit je dan niets?
Ja, het zei mij heel veel, maar wat?
Van wie kwamen deze gedachten?
De mijne waren het in geen geval, maar van wie dan?
Ik kreeg hier geen antwoord op en begon weer opnieuw.
Als ik dan toch dood was, wat konden mij die praatjes op aarde dan nog schelen?
Ik was daar toch niet meer en er werd daar immers altijd door achter de rug van de mensen gesproken?
De mensen waren gemeen en moest ik mij daarom kwaad maken?
Ging mij dit nog iets aan?
Vreemd, nu ik wat kalmer was geworden, voelde ik geen dorst, geen pijn en mijn ziekte was verminderd.
Alles was bijna verdwenen nu ik rustig dacht.
Ook het licht veranderde, want het was niet meer zo duister.
„Houd je nu rustig,” zei ik tegen mijzelf, „laat het je niet weer overvallen.
Blijf kalm Gerhard, je bent op de goede weg; het raadsel zal zich voor je oplossen.
Denk, maar blijf rustig.”
Er werd in mij iets wakker en ik voelde daardoor een zeker geluk in mij komen.
Nog was ik rustig, maar durfde bijna niet te denken, angstig als ik was voor dat, wat mij weer razend kon maken.
Ik legde om mij heen een muur van zelfbehoud, want ik wilde voor niets in die vorige toestand terug vallen.
Ik stond te beven op mijn benen.
„Blijf zoals ge nu bent, Gerhard, hou vast!” – ik sprak onwillekeurig broeders woorden na – „hou vast, dat gij met de aarde niets meer te maken hebt; dan zul je zo ver komen.”
Vele malen herhaalde ik deze woorden en het gelukte mij kalm te blijven.
Toch moest ik denken, anders kwam ik niet verder.
Ik wilde hieruit, zo spoedig mogelijk moest ik alles weten.
Ik voelde dat hier iets moest worden uitgevochten en dacht aan mijn vrouw en die andere, die ik niet had gezien.
Wat zij tot elkander hadden gesproken was verschrikkelijk, maar had ik iets daarmee te maken?
Als ik op aarde was geweest, wat zou ik dan hebben gedaan?
Het haar bewijzen, door met haar te praten.
Juist, ik zou praten, maar zou ik daarmee iets bereiken?
Wanneer zij mij niet geloofde, kon ik daaraan niets veranderen en moest ik het aanvaarden.
En waarom deed ik dit nú dan niet?
„Maak je los, Gerhard, maak je los van al die gedachten, je hebt daar niet meer (mee) te maken; je bent immers gestorven?
Weg, ver weg ben je van de aarde.”
Op hetzelfde ogenblik brak er iets in mij en een gloedvolle lichtstraal doorboorde de duisternis en maakte mij intens gelukkig.
Ik voelde en begreep, dat ik mijzelf had vergeten.
Het leven op aarde ging mij niet meer aan, dus moest ik ook dat leven laten varen en anders gaan denken en als ik anders dacht, voelde ik mij gelukkig.
Dan was ik bevrijd van ziekte en dorst en alle andere kwellingen.
Ja, dat was het, ik had verkeerd gedacht.
Ik had mijzelf in deze toestand gebracht, omdat ik mij niet beheerste.
Maar ... dan?
Ik durfde er niet aan te denken, want dan had ik vele levens en de liefde en al die mensen hier bespot en vervloekt.
Hoe kon ik mij zo hebben vergeten?
Ik begroef mijn hoofd in mijn handen en durfde geen licht meer te zien.
Verschrikkelijk, wat ben ik tekeer gegaan!
Ik zag om mij heen, maar er was geen wezen in mijn nabijheid.
Zou God alles weten?
Toen boog ik mijn hoofd diep, heel diep en ik voelde mij droevig te moede.
Wat had ik geleden!
Een afschuwelijke strijd had ik uitgevochten.
Voor niets?
O, hoe kon ik dit alles weer goedmaken?
Was dit mogelijk?
Zou ik dit ooit kunnen?
Maar er was iets, wat mij gelukkig stemde; diep in mij lag het.
Als ik er in stilte naar luisterde, dan voelde ik het en als ik het voelde kon ik het horen.
Was het iets schoons?
Was dit het geluk?
Ik was dood, maar ik leefde; dát was het geluk, dat ik voelde.
Ja, o God, ik voel het; ik had iets overwonnen en door dat gevecht had ik mijn aardse leven afgelegd.
Ik voelde mij los, geheel los van de aarde en was nu bevrijd.
Hoe dom is de mens, dacht ik, die het aardse leven met het geestelijke gaat verwisselen.
Hoe onbegrijpelijk is de mens wanneer hij zichzelf en het leven niet kent.
Ik dacht over alles na, waarmee ik zo-even verbonden was geweest.
Met een probleem was ik verbonden geweest en dat probleem was in mijzelf opgelost.
Ik geloofde niet dat ik was gestorven, maar nu ik aanvaardde, veranderde alles in mij en waren mijn ziekte en ellende verdwenen.
Ik had niet kunnen geloven, omdat ik aards dacht; al die tijd was ik een levend dode geweest.
Nu waren al die dromende mensen mij lief, ik hield van hen omdat ik bij hen hoorde en vroeg hun om vergeving.
Alles wilde ik goedmaken, want nu begreep ik waarom mijn pak van rubber was en althans voorlopig zo zou blijven.
Nu voelde ik mij levend worden en zag licht, al was dat licht nog maar een heel klein zwak vlammetje.
Ik was in dit leven binnengetreden en had het aardse leven afgelegd.
Zo moest het zijn; het kon niet anders.
Doordat ik mij kwaad had gemaakt, was ik weer in gevoel in het leven op aarde overgegaan, zodat mijn ziekte en al die andere kwellingen terugkeerden.
Wanneer ik in deze nieuwe toestand kon blijven, zou niets van de aarde mij meer kunnen hinderen.
Het was afschuwelijk geweest, maar ik was voor eens en voorgoed er doorheen en zou ervoor waken, dat het niet meer terugkwam.
Diep in mij lag een vonk van dat grote, wat de broeder bezat.
Wie durft op aarde van zichzelf te zeggen, dat hij zich kent?
Hoe had ik daarvoor moeten lijden!
O, als de mens voor het beslissende ogenblik komt te staan, dan zullen zij alles verwensen, evenals ik deed, om dat toch later alles weer te moeten aanvaarden.
Iedereen moet zichzelf overwinnen en ik had mij nu althans gedeeltelijk overwonnen.
Want dat voelde ik wel, er waren nog meer van die verkeerde eigenschappen in mij, die ik in de geest zou moeten overwinnen en veranderen.
In deze strijd had ik echter mijzelf overwonnen.
Ik had daarmee mijn aardse leven afgelegd en was het geestelijke binnengetreden.
Om mijzelf te overwinnen had ik mij geslagen en gegeseld.
Thans kon ik mijn hoofd buigen en toch stond ik nog maar aan het begin van die lange eeuwige weg.
Er zou nog zoveel tot mij komen, wat ik mij moest eigen maken.
Het leed, dat ik had overwonnen en waarvoor ieder wezen zal komen te staan, is, dat men zichzelf overwinnen moet.
Daaraan zal niemand ontkomen, hetzij hier in dit leven of op aarde.
Wie op aarde daar al aan beginnen, behoren tot de groten van geest.
Zij zullen hier niet te strijden hebben, althans niet deze strijd.
Wij zullen deze strijd hebben te voeren en onze verkeerde karaktereigenschappen hebben af te leggen, altijd maar weer af te leggen, totdat er niets van ons overblijft.
Dan staan wij in die grote oneindige ruimte en iedereen kent ons en ziet door je heen, doch dan hebben we ook niets meer te verbergen.
Zó voelde ik het, zó lag het in mij, zó zou ik moeten worden.
Ja, lieve broeder, nu zou ik u beter kunnen begrijpen.
Nu voelde ik geluk en had ik geen slaap meer; niets hinderde mij op dit ogenblik en ik zat daar met beide handen onder mijn hoofd en kon over alles nadenken.
Geluk en rust waren in mij gekomen.
Plotseling hoorde ik een zachte stem, die ik kende en lief had gekregen, tot mij zeggen: „Zo, broeder Gerhard, mijn vriend.”
Gerhard?
Nog nooit had de broeder mijn naam uitgesproken en hij was het die zo tot mij sprak, het kon niet anders.
Kende hij mijn naam?
Daarin lag een grote bekoring.
Het streelde mij en deed mij goed mijn naam te horen uitspreken.
Maar ik durfde de broeder niet aan te zien en bleef zitten zoals ik zat, terwijl hij doorsprak.
„Waarlijk, een gevecht op leven en dood; een strijd, om van het aardse het eeuwige binnen te treden.”
Zijn liefde doordrong mij, maar ik verroerde mij niet.
Ik had immers hem en alles wat hier leefde daareven vervloekt?
Nu hoorde ik hem zeggen: „Dit moest gij zelf uitvechten, ik kon u daarbij niet helpen; gij moest ontwaken.
Allen, die hier binnentreden, voeren telkens en telkens weer eenzelfde gevecht totdat zij aanvaarden.
Twee eigenschappen hebt gij afgelegd, beide behoorden tot de aarde.
De één was de dood, de ander onbeheerstheid.
Zelfbeheersing hebt gij u thans eigen gemaakt.
God zal u belonen voor iedere overwinning, op u zelf behaald.
Gij hebt geleden, maar de dood gaf u het eeuwige leven daarvoor in de plaats en de zelfbeheersing gaf u die heerlijke rust, die de rust des geestes is.
De één voerde u langs duistere wegen en liet u afgronden zien en voelen, de ander verbrandde uw haat en smoorde al uw gewelddadige gevoelens.
Zeer zeker de moeite waard om voor te strijden en met u zelf te vechten.
Het geluk, dat u thans voelt, hebt ge daarvoor in de plaats gekregen en gij hebt u zelf behouden.
Velen gaan ten onder, omdat zij de krachten daarvoor niet bezitten.
Ga zo verder, Gerhard, mijn vriend en broeder, ik zal u in alles helpen.
Gij dacht uw vrouw te horen spreken, doch laat ik u dit ophelderen.”
Ik spitste mijn oren; wat betekende dat?
Doch de broeder vervolgde: „Ik wilde ineens een eind maken aan alles.
Ik had mijn berekeningen gemaakt en wist dat gij u zelf zoudt overwinnen en voelde tot hoever ik kon gaan.
Ik speelde een spel, een hoogst gevaarlijk spel, met uw gehele persoonlijkheid als inzet.
Toch waagde ik niets, want ik wist, dat gij zoudt overwinnen, ik kende u immers?
Ook ik speelde eens op dergelijke wijze, maar met andere krachten, en ook ik werd geholpen.
Gij moest u zelf verspelen; gij legde alles af en ge hebt gewonnen.
Ik, Gerhard, brak u doormidden, zodat nu uw aardse voetstuk is verdwenen.
Door een visioen verbond ik u weer met de aarde en legde in u twee tegenstrijdige krachten en liet u onwaarheden horen.
Ik was het, die tot u sprak, niet uw vrouw.
Wat gij dus beleefde, ja, zie mij aan Gerhard, was door mijn wil, omdat ik u wilde bevrijden.
Gij hebt iets beleefd in de geest, dus door geestelijke inwerking hebt gij nu met u zelf gestreden.”
Ik zag de broeder aan en hij voelde waaraan ik dacht.
„Ook ik,” zo zei hij, „vervloekte het leven.”
„Maar ik vervloekte in onwetendheid.”
„Dat zal God ook u vergeven, zoals hij mij vergaf.
Kom, sta op en ga met mij mee, ik dank u voor de wilskracht, die gij hebt getoond.”
Ik vatte broeders beide handen en kuste ze.
„Niet dat, Gerhard, niet mij, maar dank God voor alles en ga nu met mij mee.”
Gearmd keerden wij naar het gebouw terug en ik voelde mij als de verloren zoon die terugkwam.
Ik was een ander mens geworden.
„Thans zijt ge vrij,” sprak de broeder, „en eerst nu kunnen wij naar de aarde terugkeren; dit is uw beloning.”
„Naar de aarde?” vroeg ik verwonderd.
„Ja, naar de aarde.
Hebt gij dan geen verlangen om uw familieleden te zien?
Vrouw en kind bijvoorbeeld?”
„O, ja, graag wil ik hen terugzien.”
„Dan zal ik u komen halen, want ik laat u nu alleen, daar gij wel behoefte zult voelen om een ogenblik alleen te zijn.”
De broeder ging heen.
Dadelijk knielde ik neer en bad lang en innig tot mijn grote Vader, die ik om vergeving vroeg.
Daarna kwam er een heerlijke rust in mij en legde ik mij neer om te denken en te rusten.
Het was nu stil in mij; niets verstoorde de rust en ik voelde mij gelukkig; het eerste natuurlijke geluk sedert mijn sterven op aarde.